·  Behandeling van vermoeidheid

 

http://www.ccgt.nl


Probleem is niet psychisch.
Vermoeidheid is een onderwerp dat elke chronisch zieke kent uit ervaring. Tips van de buurvrouw, de arts maar ook uit folders of van internet zijn aardig bedoeld, maar vaak zijn patiënten niet bij machte iets met de adviezen te doen. Dan kan de hulp van een ziekenhuispsycholoog een logische stap zijn.
Klinisch psycholoog drs. A.C. Veenstra, verbonden aan het St. Elisabeth ziekenhuis in Tilburg heeft veel ervaring met chronische vermoeidheidspatiënten. Zij doet een boekje open over de combinatie moeheid en psyche. "Moeheid wordt zelden volledig genezen, maar de algemene ervaring is dat vermoeidheidsklachten te verbeteren zijn. Los van wat de oorzaak is. Een verwijzing naar de ziekenhuispsycholoog is zinvol wanneer uitgebreid medisch onderzoek geen oplossing biedt om de patiënt verder te helpen en globale adviezen, foldermateriaal en leesadviezen onvoldoende blijken.
De patiënt blijft aangeven de moeheid zeer belastend te vinden en voelt zich machteloos en onbegrepen. Er is sprake van een vicieuze cirkel en steeds dieper in de put zakken. Belangrijk bij verwijzing is dat de patiënt begrijpt dat zijn of haar moeheid niet meteen 'psychisch' is, maar dat de ziekenhuispsycholoog beschikt over technieken die de ernst van de moeheid in gunstige zin kan beïnvloeden.
Moeheid is subjectief en niet meetbaar. Daarom is het van belang inzicht te krijgen hoe de patiënt de vermoeidheid en zijn of haar bezigheden zelf beoordeelt. Hiervoor is een nauwkeurige beschrijving door de patiënt van een recente gemiddelde dag noodzakelijk. Zo krijg je een beeld van het activiteitenpatroon en de vermoeidheidsklachten.
Verder zoeken we uit hoe de omgeving reageert, wat de patiënt allemaal niet meer doet door de moeheid en hoe het met het werk zit. Wat doet de patiënt in reactie op de klachten en welke behandelingen zijn de revue al gepasseerd? Daarna wordt er een nauwkeurige functieanalyse van het klachtenpatroon gemaakt. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de grote pieken en dalen in de vermoeidheidsklachten. Wat gaat daaraan vooraf en wat volgt erop? Aan de hand van de analyse zal de psycholoog een behandeling samenstellen.
Uit onderzoeken naar het chronisch vermoeidheidssyndroom (cvs) en onderzoeken naar de effectiviteit van de behandeling komen twee groepen patiënten naar voren. Deze vragen om een verschillende aanpak. Zo is er de relatief actieve patiënt. Deze is te herkennen aan onder andere de volgende eigenschappen:

·  De patiënt gaat veel en vaak over eigen grenzen, overvraagt zichzelf snel en maakt daarna een lange periode van ernstige vermoeidheid door.

·  De patiënt stelt hoge eisen aan zichzelf (prestatiegericht).
De patiënt accepteert de feitelijke situatie van het lichaam niet (verwerkingsprobleem) en is geneigd de lichaamssignalen van vermoeidheid lang te negeren. De relatief actieve patiënt gaat steeds over de eigen grenzen en put de toch al verminderde beschikbare energie uit. Bij de behandeling van deze patiënten moet eerst 'de rem erop'. Er wordt eerst gewerkt aan het beter leren accepteren van het leven met een lichaam dat niet meer kan wat het vroeger kon. De persoon moet leren minder hoge eisen aan zichzelf te stellen en op te houden met zichzelf uit te putten door piekactiviteiten en zichzelf voorbij te rennen.
De vermoeidheidsklachten verergeren hierdoor. De psycholoog bepaalt in overleg met de patiënt het basisniveau. Om te zien op welk niveau de patiënt een dag kan doorkomen zonder aanzienlijke vermoeidheidsklachten.
Vanuit het basisniveau worden dan langzaam en systematisch de activiteiten opgevoerd en wordt gewerkt aan het aanleren van het onderbreken van activiteiten met rustmomenten. En groot deel van de therapie zal gericht zijn op gedragsinterventies, variërend van gedragsadviezen voor gezond gedrag tot het uitoefenen van nieuw gedrag.
Dan is er de passieve patiënt. Deze patiënt is te herkennen aan onder andere de volgende eigenschappen:

·  De patiënt is nauwelijks actief en ligt veel op bed of bank.

·  Activiteiten worden vermeden vanuit de voorspellende gedachte dat men daar moe van wordt en dit onprettig is.
De patiënt neemt de kleinste signalen van vermoeidheid meteen op als een signaal om te stoppen, het vermoeidheidsgevoel geeft angst. De passieve patiënt heeft vaak ernstig last van conditieverlies waardoor vermoeidheid in de beleving verergert en elke poging om in beweging te komen ongelooflijk veel moeite kost. Bij de passieve patiënt is het van belang direct te beginnen met het opbouwen van fysieke activiteiten (in tegenstelling tot de behandeling van de relatief actieve patiënt) om zo snel mogelijk uit de cirkel van het vermijden van activiteit te komen en om conditie op te bouwen. Hierbij worden motiveringstechnieken ingezet en de angstige en vermijdende gedachten van de patiënt uitgedaagd. Vaak zit de rem op de mogelijkheid om enige verbetering in de klachten te krijgen in de eigen gedachtewereld van de patiënt.
Deze gedachten, ideeën, aannamen en normen kunnen erg hardnekkig zijn en behandeling met een cognitieve therapie nodig maken. Bij de cognitieve therapie moeten eerst de gedachten van de patiënt zorgvuldig worden geïnventariseerd. Vaak zijn gedachten 'verborgen' en worden ze niet zo direct uitgesproken. Naast het opstarten van fysieke activiteiten wordt dan ook gewerkt aan het opstarten van mentale activiteiten.
Lotgenotencontact kan erg fijn zijn. Omdat niemand vermoeidheid zo goed begrijpt als een medepatiënt. Het is voor menigeen heerlijk zich niet de enige op de wereld te voelen die last heeft van moe zijn. Lotgenotencontact is goed als een patiënt daar behoefte aan heeft, maar is een vrije keuze. Lotgenotencontact heeft echter ook een keerzijde. Groepen van vermoeide patiënten kunnen elkaar ook 'uitputten'. In een groep verkeren kost op zich al veel energie. Voor de behandeling door een ziekenhuispsycholoog zal dan ook zeker de individuele behandeling de voorkeur hebben.
Ook is het mijn ervaring dat groepscontact de medische consumptie kan verhogen. Dit gebeurt doordat patiënten van elkaar horen wat anderen allemaal geprobeerd hebben, bij wie ze zijn geweest of welke medicijnen of hulpmiddelen ze hebben geprobeerd. Hierdoor gaan ze deze andere methoden ook maar eens proberen. Omdat patiënten echter geen 'eenheidsworsten' zijn, moet men daarom dan ook tijdens een lotgenotencontact de verschillen in het oog houden.
In bepaalde situaties is een verwijzing naar de psycholoog af te raden. Voorbeelden hiervan zijn onder andere:

·  De patiënt is bezig met een WAO-procedure om afgekeurd te worden;

·  De patiënt zit nog teveel in het medisch traject en is nog bezig met allerlei medische diagnostiek rondom de vermoeidheid;

·  De patiënt is depressief of suïcidaal.
* Tekst op basis van lezing van drs. A.C. Veenstra op de najaarsbijeenkomst van de afdeling Noord-Brabant West.

Therapie tegen vermoeidheidssyndroom onwikkeld
* Gepubliceerd op vrijdag 20 juni 2003 Nijmegen (ANP)
Mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) hebben baat bij een gedragstherapie. Na acht maanden is hun conditie, volgens de behandelaar en henzelf, sterk verbeterd. Dat stelt klinisch psychologe J. Prins van het UMC St. Radboud in Nijmegen. Tot nu toe bestond er geen effectieve therapie voor CVS-patiënten. Prins promoveert volgende week op haar onderzoek, dat op kosten van het College van Zorgverzekeraars verder getest wordt in de Achterhoek. Als dat proefproject ook succesvol is, wordt de in Nijmegen ontwikkelde therapie mogelijk een standaardbehandeling voor CVS-patiënten.CVS is een veel voorkomende aandoening, die mensen ernstig beperkt in hun dagelijks leven door enorme vermoeidheid waarvoor geen lichamelijke oorzaak bestaat. CVS-patiënten komen zeer vaak bij artsen.
Huisartsen melden dat 68 procent van deze patiënten zelf de diagnose CVS stelde. Velen van hen raken arbeidsongeschikt. Het onderzoek van Prins toont ook aan dat de helft van de patiënten in hun leven ook met een psychiatrische stoornis te maken krijgt. Stemmingsstoornissen komen veel voor. De cognitieve gedragstherapie van Prins heeft het voordeel dat elke psychotherapeut na een korte training de behandeling kan toepassen. Dat is gebleken door in Leiden, Nijmegen en Maastricht experimenten te houden. In totaal deden 270 patiënten, die via huisarts en specialist in Nijmegen terecht kwamen, mee aan het onderzoek. Degenen die therapie kregen gingen veel meer vooruit dan de mensen die alleen gevolgd werden door psychologen of die in contact werden gebracht met lotgenoten.

Samenvattingen sprekers symposium 'Ziek van vermoeidheid', april '03

* Epidemiologie en differentiaal diagnose Prof. dr. L.A. Jason, psycholoog
Uit onderzoek onder huisartsen is gebleken dat er in Nederland bijna 30.000 mensen aan het chronische vermoeidheidssyndroom / ME (CVS/ME) lijden. In de Verenigde Staten heeft 4% van de bevolking last van chronische vermoeidheid. Prof. Jason deed in de VS uitgebreid onderzoek naar de diagnosecriteria en naar de verschillende bevolkingsgroepen die ziek zijn van het chronische vermoeidheidssyndroom/ME (CVS/ME).
Diagnose
Op dit moment bestaat er nog geen bloed of urinetest op basis waarvan de diagnose kan worden gesteld. Een aantal criteria zijn nodig om vast te stellen of iemand aan CVS/ME lijdt. In de loop van de jaren hebben verschillende onderzoeksgroepen criteria vastgesteld. Voor het wetenschappelijk onderzoek is dit een probleem, omdat onderzoeken die gedaan zijn op basis van verschillende criteria niet onderling vergelijkbaar zijn. Wetenschappers zouden op dit punt uniformer moeten werken.
Er doet zich nog een ander probleem voor. Diagnosecriteria voor het doen van wetenschappelijk onderzoek zijn iets heel anders dan criteria voor het stellen van de diagnose bij een individuele patiënt in de spreekkamer. Onlangs stelde een Canadese groep criteria op die voor de praktijk bruikbaar zijn. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze criteria algemeen bruikbaar zijn.
Dwars door de bevolking
Prof. Jason deed onderzoek naar CVS/ME in de Amerikaanse bevolking. Hieruit bleek dat meer vrouwen dan mannen aan de ziekte leden. De verdeling is ongeveer 80 : 20. De verschillen tussen de etnische groepen blijken niet zo groot te zijn, al komt CVS/ME wel het meeste bij blanke Amerikanen voor. De leeftijdsgroep van 40 tot 49 jaar blijkt het meest te worden getroffen door de ziekte. CVS/ME komt ook bij kinderen voor: 60 op de 100.000 kinderen.
Naast de vermoeidheid blijken vier symptomen duidelijk naar voren te komen: een gebrek aan energie, fysieke uitputting, concentratie problemen en niet verkwikkende slaap.
Verschillen met andere ziekten
CVS/ME verschilt op een groot aantal punten met andere aandoeningen, zoals overgevoeligheid voor chemische stoffen, het Golfoorlog syndroom, depressie en angststoornissen. Er zijn echter ook overeenkomsten. Daarom is het belangrijk dat de diagnosecriteria goed worden gehanteerd.
Vergelijking
Een vergelijking tussen het voorkomen van CVS/ME en andere ziekten in de VS ziet er als volgt uit:
Vrouwen met CVS/ME: 522 op de 100.000 vrouwen
Vrouwen met HIV: 125 op de 100.000 vrouwen
Vrouwen met longkanker: 43 op de 100.000 vrouwen
Vrouwen met borstkanker: 26 op de 100.000 vrouwen
Prof. Dr. L.A. Jason
Prof. Jason is hoogleraar psychologie aan de DePaul Universiteit in Chicago and directeur van het Center of Community Research. Hij doet grootschalig onderzoek naar het optreden van CVS/ME in de bevolking. Prof. Jason heeft de afgelopen jaren een groot aantal artikelen en hoofdstukken in boeken geschreven over CVS/ME. Verder won hij verschillende prijzen op het terrein van CVS/ME en heeft zitting in diverse landelijke Amerikaanse commissies rond dit onderwerp. In 2003 ontving hij van het ME Fonds de ME-Award voor zijn onderzoeksinspanningen op het terrein van CVS/ME.

* Communicatiestoornis tussen orgaansystemen - Mw. prof. dr. C.J. Heijnen, psycho-neuro-immunoloog
Mensen die lijden aan het chronische vermoeidheidssyndroom / ME (CVS/ME) hebben uiteenlopende klachten. Prof. Dr. Heijnen gaat er daarom van uit dat de symptomen van CVS/ME niet veroorzaakt worden door afwijkingen in één bepaald orgaansysteem. De hypothese is dat de symptomen veroorzaakt worden door storingen in de communicatie tussen verschillende orgaansystemen. Dat kan zijn tussen de hersenen aan de ene kant en de spieren, het maag-darmstelsel en/of het afweersysteem aan de andere kant.
Er kunnen factoren onderscheiden worden die invloed hebben op het ziekteproces en factoren die het werkingsmechanisme van de ziekte beïnvloeden.
Beïnvloedingsfactoren
Een aantal lichamelijke factoren hebben invloed op het ontstaan van de ziekte, zoals virus infecties, weefselschade of de aanwezigheid van bepaalde stoffen in het bloed (cytokinen). Wellicht spelen ook erfelijke factoren een rol. Daarnaast zijn er psychologische factoren, zoals angst, depressie, vroege ervaringen of een gebrek aan zelfwaardering. Zowel cytokinen, die ontstaan na een infectie, als psychologische factoren invloed kunnen hebben op hersenfunctie, die hierdoor ontregeld kan worden en aanleiding kan geven tot de verschillende symptomen van CVS.
Werkingsmechanisme
Onderzoek heeft aangetoond dat de cellen van ME-patiënten minder goed reageren op hormonale signalen. Verder bleek dat ernstig vermoeide jongeren niet dezelfde hormonale afwijkingen vertonen als jongeren met CVS/ME. Ook jongeren die na kanker ernstig vermoeid zijn, hebben andere stoornissen dan ME-patiënten. Deze conclusies konden worden getrokken omdat naast het gebruik van de vermoeidheidsvragenlijst ook bloed onderzoek is gedaan om hormonale afwijkingen op te sporen.
De conclusie is, dat voor het stellen van de diagnose CVS/ME het gebruik van alleen de vermoeidheidsvragenlijst te beperkt is. Meer bloedonderzoek is nodig om de hormonale afwijkingen te kunnen achterhalen die specifiek zijn voor de diagnose CVS/ME. Overigens bleek uit de bovengenoemde onderzoeken dat 8% van de jongeren in Nederland aan ernstige chronische vermoeidheid lijdt. Dit is echter geen CVS/ME.
Mevrouw prof. dr. C.J. Heijnen
Prof. Heijnen is sinds 1982 werkzaam in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, waar zij in 1997 werd benoemd tot hoogleraar psychoneuroimmunologie. Zij doet onderzoek naar CVS/ME bij kinderen en adolescenten en heeft een groot aantal publicaties op haar naam staan. Mevrouw Heijnen is de dagvoorzitter van het symposium 'Ziek van vermoeidheid'.

* Het verhaal van de patiënt: de basis voor onderzoek en maatwerk therapie Prof. dr. B. van Houdenhove, psychiater
Het verhaal van de patiënt staat nog te weinig centraal bij het wetenschappelijk onderzoek en de behandeling van ME. Toch kan beter luisteren leiden tot betere hulp voor de patiënten. Dat pleit voor een individuele aanpak.
Breed scala aan factoren
Het is duidelijk dat diverse factoren een rol kunnen spelen bij het ontstaan van het chronische vermoeidheidssyndroom / ME (CVS/ME). Zowel fysieke en psychische, als acute en chronische factoren kunnen invloed hebben en dat geldt ook voor leefstijlfactoren. Daarnaast zijn er factoren die de kans vergroten dat iemand de ziekte krijgt, en factoren die de ziekte verergeren of in stand houden.
Maatwerk
Door naar het verhaal van de patiënt te luisteren, voelt deze zich, om te beginnen, serieus genomen. Bovendien kan de patiënt gerichter worden geholpen, want de behandelaar kan op specifieke problemen inspelen. Bijvoorbeeld een patiënt die zijn hele leven roofbouw heeft gepleegd op zijn lichaam, moet zich aanpassen aan zijn verlaagde grenzen en zijn activiteiten zorgvuldig leren doseren. Een andere patiënt heeft misschien juist een extra stimulans nodig om uit de passiviteit en het sociaal isolement te geraken. Dat pleit voor maatwerk in behandelingen.
Onvruchtbare discussie de wereld uit
Het verhaal van de patiënt is ook voor het wetenschappelijk onderzoek van belang. Hiermee kunnen immers ontstaansfactoren en hun onderlinge beïnvloeding, beter worden geïdentificeerd. Ook kunnen subgroepen worden gedefinieerd en dit is hetgeen voor toekomstig CVS/ME onderzoek van groot belang. De onvruchtbare discussie over psychische versus lichamelijke oorzaken van CVS/ME zou sneller de wereld uit geholpen worden als met de bovengenoemde gegevens rekening wordt gehouden. Van Houdenhove pleit in dat verband ook voor meer aandacht voor wetenschappen die informatie kunnen geven over de wisselwerking tussen lichaam en psyche, zoals de psychoneuro-endocrinologie en de psychoneuro-immunologie.
Prof. dr. B. van Houdenhove
Prof. dr. Van Houdenhove is psychiater en al meer dan 30 jaar werkzaam aan de Katholieke Universiteit van Leuven, sinds 1989 als hoogleraar medische en gezondheidspsychologie. Verder is hij hoofd van de afdeling Liaison psychiatrie van het universitair ziekenhuis Gasthuisberg in Leuven. Hij is bijzonder geïnteresseerd in de wederzijdse beïnvloeding van lichaam en geest. De afgelopen jaren heeft hij ruim 2.500 patiënten met CVS/ME en fibromyalgie gezien. Hij schreef boeken en een groot aantal publicaties op het terrein van CVS/ME.

* RNAse-L afwijkingen: verklaring voor veel symptomen - Prof. Dr. K. de Meirleir
Uit onderzoek komt steeds duidelijker naar voren dat verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van het chronische vermoeidheidssyndroom / ME (CVS/ME). Het lijkt erop dat deze factoren het afweersysteem op de een of andere manier verstoren.
Normale situatie
De afweer tegen virussen vindt in het lichaam plaats via een uitgebreid afweersysteem; het RNAse-L systeem. De stof interferon speelt hierbij een belangrijke rol. Bij een infectie wordt een keten van reacties in gang gezet die er uiteindelijk toe moeten leiden dat het erfelijk materiaal van het virus wordt afgebroken.
Transport problemen
In het bloed van ME-patiënten worden afwijkingen gevonden die erop wijzen dat RNAse-L niet voldoende wordt geactiveerd. Dit veroorzaakt twee problemen. Door de gebrekkige activatie kan het afweersysteem niet meer goed functioneren. Daarnaast valt RNAse-L uiteen in kleinere fragmenten die vervolgens het transport verstoren van stoffen die in of uit de cel moeten worden vervoerd. Beide aspecten zijn in het bloed van ME-patiënten terug te vinden.
Groepen van klachten
RNAse-L afwijkingen veroorzaken klachten bij ME-patiënten die in groepen te verdelen zijn. Zo zijn er spier- en skeletklachten: spier- en gewrichtspijn, spierzwakte en tintelingen. Maar er zijn ook algemene klachten: keelpijn, griepachtige symptomen, vergrote lymfklieren en maagdarmklachten.
Verder ontrafelen
Prof. De Meirleir is van mening dat de oorzaak van CVS/ME gecompliceerd is, maar zijn basis vindt in een verstoring van het afweersysteem. Dit heeft afwijkingen in het bloed tot gevolg en een heel complex van symptomen. Het is van groot belang dat dit mechanisme in nader onderzoek verder wordt ontrafeld, omdat het een stap voorwaarts in de diagnose en behandeling van CVS/ME zou kunnen betekenen.
Prof. dr. K.L. de Meirleir
Professor De Meirleir is hoogleraar in de fysiologie, inspanningsfysiologie, pathofysiologie en geneeskunde aan de Vrije Universiteit in Brussel.Verder is hij onder meer directeur van de Vermoeidheidskliniek, waar hij duizenden patiënten met ernstige vermoeidheid per jaar ziet. Hij doet zowel klinische studies als fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar CVS/ME. Hij heeft een groot aantal artikelen over CVS/ME op zijn naam staan en verschillende boeken.

* Slaap-waak ritme: problemen en oplossingen Dr. M. Smits, neuroloog
Een verstoord dag en nachtritme kan een rol spelen bij het chronische vermoeidheidssyndroom / ME (CVS/ME). Bij gezonde mensen zorgen het tijdstip waarop het donker wordt en de eigen biologische klok ervoor dat de pijnappelklier melatonine gaat produceren. Melatonine stuurt vervolgens het slaap-waak ritme, het 24-uurs temperatuur ritme en het ritme van het hormoon cortisol aan. Bij de instelling van de biologische klok spelen de zogenaamde klokgenen een belangrijke rol.
Verkeerd ingestelde klok
Uit onderzoek is bekend dat sommige ME-patiënten de informatie over licht en donker later 'zien' dan gezonde mensen. Verder zijn er aanwijzingen dat bepaalde klokgenen defect zijn. Verondersteld wordt, dat dit leidt tot een verkeerd ingestelde biologische klok.
Voor mensen met een verkeerd ingestelde klok is het lastig om hun leefritme zo in te delen dat zij in evenwicht blijven. Overbelasting van de biologische klok, bijvoorbeeld door ploegendiensten of door een stoornis in de hersenverbindingen van en naar de pijnappelklier, kunnen dit wankele evenwicht ernstig verstoren. Deze situatie doet zich waarschijnlijk voor bij sommige ME-patiënten voor.
Slaapmiddelen
Veel ME-patiënten hebben een probleem met doorslapen. Ze gebruiken hiervoor nogal eens slaapmiddelen die als nadeel hebben dat zij de slaapopbouw kunnen verstoren. Uit onderzoek is bekend dat een gestoorde slaapopbouw ertoe kan leiden dat mensen de volgende morgen niet meer weten wat ze de vorige dag hebben geleerd of dat zij die kennis niet meer kunnen toepassen. Een gestoord slaappatroon zou een van de oorzaken kunnen zijn van de concentratie problemen waarmee veel ME-patiënten te kampen hebben.
Behandelingsmogelijkheden
Bij de behandeling van ME-patiënten kan van de kennis van bovengenoemde mechanismen gebruik worden gemaakt. Het toedienen van licht kan het slaap-waak ritme beïnvloeden. Verder zijn leefregels belangrijk, zoals het op vaste tijden opstaan, eten en bewegen en het beperken van het gebruik van slaapmiddelen. Door op het goede moment melatonine toe te dienen, kan het slaap-waak ritme verschuiven. Nader onderzoek hiernaar bij ME-patiënten met ernstige stoornissen van het slaap-waak ritme is sterk aan te bevelen.
Dr. M.G. Smits
De heer Smits is vanaf 1982 als neuroloog verbonden aan het Ziekenhuis 'De Gelderse Vallei' in Ede. Hij is daar ook hoofd van de polikliniek voor slaapstoornissen en chronobiologie en hoofd van de ME/CVS polikliniek. Verder is hij vaste consulent in de Kinderpsychiatrische Observatie Kliniek 'De Ederhorst' en in het Instituut voor verstandelijk gehandicapten 'De Hartenberg' in Ede. Sinds 1995 is hij docent bij de vakgroep Humane Epidemiologie en Gezondheidsleer van de Landbouw Universiteit te Wageningen.

* Beweging en rust: op zoek naar de balans - Mw. F.S. Voet, kinderfysiotherapeut
Bij kinderen en jongeren met het chronische vermoeidheidssyndroom/ME (CVS/ME) is er niet alleen sprake van fysieke problemen maar ook van problemen op sociaal en gedragsmatig gebied. Deze factoren beïnvloeden elkaar en daardoor ontstaat een vicieuze cirkel met een negatieve spiraal. De fysiotherapeut kan als coach en behandelaar een belangrijke rol spelen bij het doorbreken van die negatieve spiraal, vaak samen met een psycholoog of een gedragstherapeut.
Behandelingsmodel
De fysiotherapeut en het kind stellen in een brainstorm methode eerst samen een verklaringsmodel op. Dit model geeft inzicht in de problemen en vormt het uitgangspunt voor de verdere behandeling. Daarna stellen zij samen een basislijn vast. Dit is het niveau van functioneren zonder dat de klachten toenemen. Op basis hiervan wordt een dagprogramma vastgesteld.
Lichamelijke bewustwording
Tijdens de behandeling is veel aandacht voor lichamelijke bewustwording, dat wil zeggen het leren voelen en luisteren naar de signalen van het lichaam. Kinderen hebben vaak de neiging over hun grenzen heen te gaan. Door beter naar hun lichaam te luisteren leren zij een inschatting te maken van wat zij kunnen doen zonder dat de klachten toenemen. De beschikbare energie moet goed worden verdeeld. Het kind moet er zich van bewust worden wat energie kost en wat energie oplevert.
Rust wordt weer rust
Bij gezonde kinderen is sprake van een goed evenwicht tussen belasting en belastbaarheid. Na een periode van inspanning volgt rust en door ontspanning wordt het evenwicht hersteld. Bij kinderen met CVS/ME levert rust onvoldoende ontspanning en herstel op. De fysiotherapeut gaat samen met het kind op zoek naar goede manieren om te ontspannen zodat rust ook weer echt rust wordt.
Met deze aanpak kan het activiteitenniveau op een verantwoorde wijze langzaam en stapsgewijs worden opgebouwd. Uit onderzoek in het revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht blijkt dat dit bij veel kinderen positief werkt.
Mevrouw F.S. Voet
Mevrouw Voet is kinderfysiotherapeut in het revalidatiecentrum De Hoogstraat in Utrecht. Verder is zij verbonden aan de Hogeschool van Utrecht, afdeling kinderfysiotherapie en fungeert zij als gastdocent bij diverse opleidingen kinderfysiotherapie. Zij is bijzonder geïnteresseerd in jeugdigen met lichamelijke onverklaarbare klachten, waaronder CVS/ME. Zo is zij projectleider bij het behandelprotocol 'Revalidatie bij jongeren met het chronische vermoeidheidssyndroom.'

* De werking van Acclydine en carnitine - Prof. Dr. H.A. Keizer, arts/fysioloog en gezondheidswetenschapper
Veroudering en ernstige vermoeidheid hebben een belangrijke invloed op de aanmaak van groeihormoon (GH). Met name de nachtelijke GH productie blijkt te zijn afgenomen, waardoor ook een andere factor: IGF-1 afneemt. Zowel GH als IGF-1 hebben invloed op de eiwit-, koolhydraat- en vetstofwisseling. Bij mensen die lijden aan zware vermoeidheid blijken de verschillende stofwisselingsmechanismen zo op elkaar in te werken, dat de vermoeidheid nog sneller gaat optreden. Het is dan ook de vraag of een geneesmiddel, dat de IGF-1 produktie en/of de vet oxidatie verhoogt, van nut zou kunnen zijn voor de behandeling van ME-patiënten.
Acclydine mogelijk positief
Uit onderzoek bij gezonde proefpersonen is gebleken dat vermoeidheid ten gevolge van zware training vaak gepaard gaat met een gedaalde biologische activiteit van het IGF-1. Deze daling kon worden tegen gegaan door toediening van het voedingssupplement Acclydine. Vervolgens is bij een kleine groep ernstig zieke ME-patiënten gekeken of Acclydine een zinvolle behandeling zou kunnen zijn. De resultaten wijzen op een gunstig effekt van Acclydine bij bepaalde patiënten. Dit zijn patiënten die een lage biologische activiteit van IGF-1 hebben. Zij blijken zich na de behandeling ook psychisch beter te voelen. Acclydine geneest de ME-patiënt niet, maar kan mogelijk het prestatievermogen en het welbevinden zodanig verbeteren, dat begonnen kan worden met een revalidatie programma. Uitgebreider onderzoek zal deze resultaten moeten bevestigen.
Rol carnitine niet bewezen
Het vermogen van een skeletspier om arbeid te leveren is afhankelijk van allerlei factoren. Een belangrijk aspect is de aanwezigheid van energievoorraden in de spier en de mogelijkheid van de spiercellen om vetzuur te oxideren. Carnitine vervult hierbij een belangrijke rol. Als er te weinig carnitine in het lichaam aanwezig is, dan zal er minder vetzuur worden geoxideerd. De fysieke belastbaarheid bij duurprestaties neemt dan af. Theoretisch zou suppletie van carnitine het prestatievermogen kunnen verbeteren. Echter, onderzoek bij gezonde getrainde en ongetrainde proefpersonen heeft dit nooit kunnen aantonen. Toch troffen sommige onderzoekers bij ME-patiënten inderdaad een tekort aan carnitine aan dat goed correleerde met de mate van fysieke vermoeidheid. Dit kon in andere onderzoeken echter niet worden bevestigd. Het zou echter kunnen zijn, dat een positief effekt alleen maar optreedt bij die patienten, die een te laag gehalte van carnitine in hun bloed of weefsels hebben. Dit werd echter in geen van de onderzoeken bepaald. Op dit moment lijkt het er dus op dat carnitine voor ME-patiënten geen oplossing is.
Prof. Dr. H.A.Keizer
Professor dr. Keizer is als universitair hoofddocent verbonden aan de Universiteit van Maastricht, capaciteitsgroep Bewegingswetenschappen. Hij doet daar onder meer onderzoek naar de spierstofwisseling bij mensen met suikerziekte en vermoeidheidsklachten. Tevens is hij deeltijd hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Brussel, afdeling Menselijke Fysiologie en Sportgeneeskunde. Hij heeft een groot aantal publicaties op zijn naam staan.

* Behandeling: breed inventariseren en integraal aanpakken - Drs. P.W.M. van Meerendonk, arts
Het chronische vermoeidheidssyndroom/ME (CVS/ME) uit zich aan de hand van een breed scala aan symptomen. Dr. Teitelbaum heeft via onderzoek aangetoond dat een slecht functionerende hypothalamus de oorzaak zou kunnen zijn en hij stelt een therapie op meerdere fronten voor. Op deze methode wordt verder ingegaan.
Verklaring voor symptomen
Door een virusinfectie, stress, een operatie, een trauma of een bevalling kan de hypothalamus slecht gaan functioneren. Dit kan onder andere slaapstoornissen en hormonale tekorten tot gevolg hebben, die op hun beurt weer kunnen leiden tot stoornissen in het afweersysteem. Een groot deel van de symptomen waaraan ME-patiënten lijden blijken via deze route te kunnen worden verklaard.
Basis leggen
Het is van groot belang dat eerst precies wordt bepaald welke gezondheidsproblemen de individuele ME-patiënt heeft. Daarom wordt de ziektegeschiedenis van de patiënt gedetailleerd vastgelegd. Naast het lichamelijk onderzoek vindt uitgebreid laboratoriumonderzoek plaats. Behalve routinebepalingen worden talloze andere bepalingen gedaan, zoals naar hormoonspiegels, naar voedingsmiddelen, naar infecties en naar de afweer van de patiënt. Verder vindt allergieonderzoek plaats. Ook wordt de ontlasting onderzocht op parasieten, schimmels en bacteriën. Deze brede inventarisatie legt de basis voor een brede aanpak van de problemen.
Tegelijk aanpakken
De behandeling is individueel en erop gericht om alle ontstane problemen tegelijk aan te pakken. Als er problemen zijn bij de afweer of er is sprake van infecties, intoleranties of allergieën, dan worden deze behandeld. Ook eventuele hormonale afwijkingen worden aangepakt. Gevonden tekorten aan voedingsmiddelen worden aangevuld en er vindt indien nodig behandeling van de slaapstoornissen plaats. In veel gevallen herstellen ME-patiënten met deze brede aanpak geheel of gedeeltelijk.
Drs. P.W.M. van Meerendonk
De heer Van Meerendonk deed na zijn artsenopleiding ervaring op in de interne geneeskunde en de cardiologie. Vervolgens specialiseerde hij in de complementaire geneeskunde (natuurgeneeskunde en orthomoleculaire geneeskunde). Sinds 1993 heeft hij een eigen praktijk en richt zich voornamelijk op de behandeling van CVS, fibromyalgie en allergieën.

* Van onvolwaardig naar therapeutisch: Voedingsadviezen bij vermoeidheidsklachten - Mevrouw L.M.J. van der Geest, diëtist
Van de mensen die een diëtistenpraktijk bezoeken zegt 25% spontaan dat zij last hebben van vermoeidheid. Dit aantal verdubbelt wanneer naar de vermoeidheid wordt gevraagd. Het eetpatroon van deze vermoeide mensen kenmerkt zich door extremen, ofwel heel gezond ofwel erg ongezond. In beide situaties is voedingsbegeleiding nodig.
Veel klachten
Vermoeidheidsklachten gaan bijna altijd samen met andere klachten zoals maagdarmklachten, hoofdpijn, keel-neus-oorklachten, wisselende eetlust, bloedsuikerschommelingen, spier- en gewrichtsklachten en het minder goed aan kunnen van stress. Tekorten aan voedingsstoffen kunnen deze klachten veroorzaken, bijvoorbeeld hoofdpijn gerelateerd aan magnesiumtekort, keel-neus-oorklachten tengevolge van zinktekort, maagdarmklachten tengevolge van vitamine B tekorten.
Extreem eetpatroon
In de praktijk ziet de diëtist twee soorten mensen met CVS/ME. De ene groep eet heel gezond en durft daar niet vanaf te wijken. De andere groep eet erg ongezond, omdat veel voedingsmiddelen niet verdragen worden.
Veel mensen hebben een tekort aan vitamines, mineralen of essentiële vetzuren. Sommigen krijgen te veel of te weinig of de verkeerde eiwitten binnen. Bij anderen worden voedingsstoffen slecht opgenomen door maagdarmproblemen. Verder kan de behoefte aan bepaalde voedingsmiddelen om de een of andere reden hoger zijn. Maar ook ongezonde leefgewoonten spelen een rol.
Is jarenlang ongezond en onvolwaardig eten één van de factoren die ME doet ontstaan of in stand houdt?
Een specifiek advies
De diëtist zoekt eerst grondig uit welke problemen er bij de specifieke patiënt een rol spelen. Dan wordt een dieet samengesteld dat in de eerste plaats gebaseerd is op een gezonde voeding. Daarnaast is er aandacht voor tekorten die via aangepaste voeding en orthomoleculaire therapie kunnen worden opgeheven. Maar voor de ME patiënt zijn deze dagelijks aanbevolen hoeveelheden vaak veel te laag en wordt de dosering aangepast tot therapeutisch niveau en worden ook kruiden, enzymen en andere stoffen ingezet. De extra voedingsstoffen zullen langdurig gebruikt moeten worden. Hierdoor kunnen de klachten verminderen en kan wellicht worden voorkomen dat CVS/ME erger wordt.
Mevrouw L.M.J. van der Geest
Mevrouw van der Geest is diëtist, kinesioloog en PNI therapeut. Zij werkte achtereenvolgens in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, in het voortgezet en volwassenen onderwijs en heeft sinds 1984 een eigen diëtistenpraktijk. Daarnaast is zij lid van de adviesraad van de Stichting Voedsel Allergie, bestuurslid van de Diëtistencoöperatie en voorzitter van Diëtist & VoedselOvergevoeligheid. In haar praktijk ziet zij veel mensen met vermoeidheidsklachten en CVS/ME.

* Cognitieve gedragstherapie: Beter van vermoeidheid? - Mw. drs. J. Prins, klinisch psycholoog
De oorzaak van het chronische vermoeidheidssyndroom/ME (CVS/ME) is nog steeds onduidelijk. Van twee behandelingen is echter bewezen dat deze bij bepaalde groepen ME-patiënten werkzaam zijn: cognitieve gedragstherapie (CGT) en graded exercise therapie. Op CGT wordt verder ingegaan.
Oorzakelijke en instandhoudende factoren
Bij het onderzoek naar CVS/ME kunnen factoren worden onderscheiden die het ziekteproces in gang zetten. Hiernaar wordt veel onderzoek gedaan, maar veel is nog niet duidelijk. Daarnaast zijn er factoren die het proces in stand houden. CGT is gericht op deze laatstgenoemde factoren.
Verbetering van klachten
In een groot onderzoek is gekeken of CGT een effectieve behandeling is. Om dit te kunnen beoordelen zijn de geselecteerde patiënten met CVS/ME in drie groepen verdeeld. Eén groep patiënten kreeg CGT aangeboden, één groep lotgenotencontact en één groep kreeg geen behandeling aangeboden. De patiënten die CGT kregen, bleken na de behandeling minder vermoeid te zijn en minder beperkingen te hebben dan de patiënten uit de twee andere groepen.
De CGT-behandeling werd in het onderzoek door therapeuten van verschillende disciplines in meerder centra uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek dat CGT-behandeling ook door therapeuten is uit te voeren die eerder nog geen ervaring hadden met deze methode.
Niet voor elke ME-patiënt
Uit het onderzoek blijkt dat CGT niet voor alle patiënten met CVS/ME geschikt is. Patiënten die lichamelijk weinig actief zijn verbeteren nauwelijks met de therapie. Voor hen is inmiddels een nieuw behandelprotocol ontwikkeld. Ook patiënten die betrokken zijn in een beroepsprocedure in het kader van de WAO ondervinden weinig verbetering.
Mevrouw drs. J. Prins
Mevrouw Prins is geregistreerd klinisch psycholoog en psychotherapeut. Werkzaam bij de afdeling Medische Psychologie van het Universitair Medisch Centrum St Radboud in Nijmegen was zij onderzoeker op het project Ontwikkelingsgeneeskunde van het College voor Zorgverzekeringen, getiteld 'Cognitieve gedragstherapie bij patiënten met het chronische vermoeidheidssyndroom'. Zij publiceerde nationaal en internationaal over CVS/ME en zal in juni 2003 op cognitieve gedragstherapie bij CVS/ME promoveren.

Succespercentage cognitieve-gedragstherapie van M. Koolhaas
In haar bijdrage onder de titel 'De rol van de huisarts in de begeleiding van chronisch vermoeide patiënten' (Tijdschrift Huisartsgeneeskunde 2003; 20(2):57-8) gaat medisch journalist Aliette Jonkers onder andere in op de rol van cognitieve-gedragstherapie (CGT) in de behandeling van CVS-patiënten. Daarbij gaat ze ook in op het standpunt van de Steungroep ME en Arbeidsongeschiktheid ten aanzien van deze therapievorm. Zij schrijft hierover onder andere dat 'de Steungroep mordicus tegen deze behandelingswijze is'. Dit is een ongenuanceerde weergave van ons standpunt. Daarnaast meldt de schrijver dat de Steungroep vindt dat de therapie fysiek en psychisch zelfs schade kan aanrichten. Dat laatste is wel correct. Wij willen deze standpunten graag toelichten.
De wijze waarop CGT normaliter wordt toegepast bij bijvoorbeeld ziekten als MS en kanker kan nuttig zijn. Het doel is dat patiënten beter leren omgaan met en zich leren aanpassen aan de beperkingen die het gevolg zijn van de ziekte. Genezing van MS of kanker is niet de pretentie. Een dergelijke aanpak zou wellicht ook bij CVS-patiënten tot resultaat kunnen hebben dat zij in hun dagelijks leven minder gehinderd worden door en beter omgaan met de gevolgen van hun aandoening, waardoor de kwaliteit van leven kan worden verbeterd, zowel in fysiek als psychisch opzicht. De Steungroep ziet een dergelijke aanpak als een van de mogelijke opties voor die CVS-patiënten die dit nodig hebben.
In het artikel wordt echter gedoeld op een andere toepassing van CGT, die specifiek is ontwikkeld voor CVS door de Nijmeegse CVS-onderzoeksgroep. Hierin wordt gesteld dat CVS-patiënten door CGT kunnen genezen. Daarnaast is 'graded exercise', het stelselmatig opvoeren van fysieke activiteit volgens een strak schema, een belangrijk onderdeel van de therapie. Aanpassing van de activiteit bij eventuele negatieve gevolgen, zoals een verergering van de klachten, is hierbij niet toegestaan.
Onze eerdergenoemde standpunten zijn gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Het Nijmeegse onderzoek naar de effecten van CGT
De onderzoeksresultaten naar het effect van de specifiek voor CVS ontwikkelde vorm van CGT laten zien dat bij 33% van de patiënten een significante verbetering is vastgesteld. (1) Nergens blijkt echter uit dat deze patiënten ook volledig hersteld zijn. Bij dit succespercentage dient nog aangetekend te worden dat er bij 13% van de patiënten in de beide controlegroepen, die geen behandeling ondergingen, sprake was van spontane verbetering. Tevens dient aangetekend te worden dat de onderzochte groep geen aselecte steekproef vormde uit de patiëntenpopulatie. Ernstig zieke patiënten konden niet aan het onderzoek deelnemen. Bovendien voldeed een aantal patiënten niet aan de officiële diagnosecriteria. Verder meldden wij dat maar liefst 41% van de groep patiënten die aan de CGT-behandeling begonnen, deze niet heeft voltooid. Daarnaast is niets gepubliceerd over effecten van de behandeling op symptomen uit de nevencriteria, die expliciet onderdeel uitmaken van de officiele diagnosecriteria. Het zou toch interessant zijn te vernemen welke effecten CGT heeft op bijvoorbeeld opgezette lymfeklieren of een verhoogde lichaamstemperatuur. Uit het onderzoek blijkt voorts dat op het gebied van kwaliteit van leven, psychisch welbevinden en werkhervatting geen verschil werd gevonden tussen de CGT-groep en de groep 'natuurlijk beloop'. Behandeling met CGT draagt dus niet aantoonbaar bij aan de verbetering van de kwaliteit van leven. Tot slot is vermeldenswaard dat langetermijneffecten van de behandeling onduidelijk zijn.

2. De rol van 'graded exercise'; fysieke en psychische schade
Patiënten kunnen door behandeling met CGT (veel) zieker worden, met name door graded exercise. In Engeland is hierover gepubliceerd. (2) Daarbij bleek dat bij ongeveer de helft van de respondenten de toestand verslechterd was door het volgens strak schema opvoeren van de activiteiten. Geen enkele andere behandelingsvorm werd door de patiënten zo negatief beoordeeld. De Steungroep is ook in het bezit van diverse brieven en e-mails van Nederlandse patiënten die meldden dat ze door de CGT-behandeling veel zieker zijn geworden, soms zelfs langdurig. De Nijmeegse onderzoeksgroep heeft hier tot dusverre geen aandacht aan besteed in haar publicaties. Daarnaast kunnen patiënten psychologische schade oplopen door de houding van de therapeut bij het uitblijven van positief effect; 'blaming the victim' blijkt nogal eens voor te komen. Ook hiervan zijn ons vele gevallen bekend.

3. Maatschappelijke schade
De suggestie dat herstel door verandering van gedachten en gedrag mogelijk zou zijn, vindt men inmiddels veelvuldig terug in kranten en tijdschriften. Dit heeft zeer ernstige gevolgen voor patiënten, zeker ook op maatschappelijk gebied. Uitkeringen en voorzieningen worden geweigerd op grond van het argument dat patiënten niet daadwerkelijk ziek zouden zijn of dat ze ziektegedrag zouden bestendigen, artsen werken niet mee aan het verlichten van de symptomen en familie en kennissen plakken de patient het etiket 'aansteller' op. Ook dreigt CVS als gevolg van al deze publiciteit op de lijst te komen van ziektes die geen toegang meer geven tot de WAO; als dit werkelijkheid wordt, komt een CVS-patient in de toekomst per definitie niet meer in aanmerking voor een WAO-uitkering, hoe ziek en arbeidsongeschikt hij of zij ook is.

Tot slot willen wij nog reageren op de volgende passage in het artikel: 'Bij ongeveer eenderde van de CVS-patiënten is psychiatrische comorbiditeit aanwezig, zonder dat die een uitsluitingscriterium vormt voor de diagnose ME/CVS', schrijft Aliette Jonkers. Wij merken op dat dit exact overeenstemt met het succespercentage dat uit het CGT-onderzoek naar voren kwam. Is dit geen (logische) aanwijzing dat CGT juist hierop een positief effect heeft, maar niet op CVS zelf? En ligt het dan niet voor de hand psychiatrische comorbiditeit als uitsluitingscriterium te hanteren alvorens de diagnose CVS wordt gesteld?

Naschrift Aliette Jonkers
Het succespercentage van CGT in de behandeling van ME/CVS komt overeen met het percentage ME/CVS-patiënten met psychiatrische morbiditeit. Dit impliceert niet dat CGT 'dus' alleen op de comorbiditeit van invloed is en niet op ME/CVS; dit is een voorbeeld van een ongeldige redenering. Daarnaast sluiten de criteria van de Centers for Disease Control (CDC) voor ME/CVS bepaalde vormen van psychiatrische diagnosen (bijvoorbeeld eetstoornissen, vitale depressies en alcoholabusus) uit, maar andere diagnosen niet. De comorbiditeit wordt uitgesloten omdat deze mogelijkerwijs de vermoeidheid zou kunnen verklaren. Langetermijneffecten van CGT op ME/CVS zijn onderzocht door Deale et al. In deze gecontroleerde studie waarin relaxatietherapie werd vergeleken met CGT bij patiënten met ME/CVS bleek het effect van CGT na vijf jaar nog aantoonbaar. (1)
* Bron : tijdschrift v. huisartsgeneeskunde - jaargang 20, nr. 6, juni 2003

Alcoholproblemen komen vaak voor
Utrecht, 26 juni 2003. In Nederland heeft naar schatting 8% van de bevolking in de leeftijd van 18 tot 65 jaar problemen met alcohol. Alcoholmisbruik komt voor bij 400.000 mensen en alcoholverslaving bij 325.000 mensen. Het betreft vooral mannen en jongeren. Jonge vrouwen met een hogere opleiding vormen eveneens een risicogroep. Mensen met alcoholproblematiek hebben vaak ook te kampen met psychische problemen, zoals depressie en angststoornissen.
Dit zijn enkele conclusies uit de vandaag verschenen studie Bovenmatig drinken in Nederland van de Nationale Drug Monitor (NDM). De NDM brengt op objectieve en onafhankelijke wijze het gebruik van alcohol en drugs in Nederland in kaart. Nederland is een van de eerste Europese landen die is overgegaan op het systematisch verzamelen en presenteren van feiten over het gebruik van alcohol en drugs. De gegevens voor de studie zijn afkomstig uit het zogenoemde NEMESIS-onderzoek ('Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study'). Hieraan deden meer dan 7000 mensen van 18-65 jaar mee die representatief zijn voor de Nederlandse bevolking. Zij werden in de loop van drie jaar drie maal geïnterviewd over problemen met de psychische gezondheid en met alcohol- en drugsgebruik.
In Bovenmatig drinken in Nederland staat veel informatie over problematisch alcoholgebruik. Het bevat cijfers over de hoeveelheid alcohol die gedronken wordt en gegevens over psychische stoornissen die samenhangen met bovenmatig drinken. Bij psychische stoornissen gerelateerd aan bovenmatig drinken worden twee typen onderscheiden. Er is sprake van alcoholmisbruik wanneer men bij voortduring alcohol gebruikt hoewel dit bepaalde problemen instandhoudt, of wanneer men alcohol gebruikt in gevaarlijke situaties, bijvoorbeeld in het verkeer. We spreken van alcoholverslaving wanneer men aan drie criteria voldoet, b.v: men drinkt meer of langer dan men van plan is, men wil beslist minderen met drinken of heeft dat gedaan zonder succes, men moet meer drinken om hetzelfde effect te krijgen, en men heeft ontwenningsverschijnselen bij niet drinken.
Alcoholmisbruik komt bij 4,6% van de bevolking voor en alcoholverslaving bij nog eens 3,7%. Mannen en jonge mensen scoren het hoogst. Vrouwen met een hogere opleiding zijn naar verhouding vaker verslaafd. Huisvrouwen hebben minder kans om verslaafd te raken dan werkende vrouwen. Alleenstaande mannen hebben meer kans op verslaving dan mannen met een partner. Mensen die in een grote stad wonen hebben vaker te kampen met alcoholverslaving dan zij die wonen in een kleine stad of op het platteland.
Alcoholproblematiek staat meestal niet op zichzelf. Alcoholverslaafde vrouwen en mannen lijden drie keer zo vaak aan stemmingsstoornissen en twee keer zo vaak aan angststoornissen dan degenen zonder verslaving. Bij de diagnose alcoholmisbruik bleken alleen vrouwen ook andere psychische problematiek te hebben.
Verder blijkt uit het onderzoek dat alcoholverslaving tot beperkingen leidt in het sociaal en lichamelijk functioneren en tot meer ziekteverzuim dan normaal. Bij mannen is dit sterker het geval dan bij vrouwen.
In de achtergrondstudie wordt ook stilgestaan bij het zorggebruik. Vrouwen met alcoholproblemen maken vaker gebruik van zorg dan mannen met dezelfde problemen, maar zij melden ook vaker een onvervulde behoefte aan zorg te hebben.
* Bovenmatig drinken in Nederland. Achtergrondstudie Nationale Drug Monitor. Door Jacqueline Verdurmen, Karin Monshouwer, Saskia van Dorsselaer en Ron de Graaf. Uitgegeven door het Bureau NDM bij het Trimbos-instituut.
Bestellen via 030-2971180 of via : bestel@trimbos.nl, bestelnummer AF0461, prijs € 15.


Psychologen worden gék van de bureaucratie
Het is mijn vak mensen te behandelen die kampen met psychische problemen. Ik doe dat met plezier, maar het hindert mij dat steeds meer ambtenaren zich met mijn werk bemoeien en in toenemende mate bepalen hoe ik, de psycholoog, mijn werk moet doen. Om mijn werk te kunnen doen zal het op de één of andere manier ook georganiseerd moeten worden. Ik heb een praktijkruimte nodig, een systeem van betalingen en administratie. Zo ontstaan organisaties met niet-vakgenoten die mij in mijn beroepsuitoefening ondersteunen. Maar zij gaan al gauw meer doen - bijvoorbeeld beleid maken. Zo geven zij antwoord op de vraag wat er zoal aan behandelingen nodig is en hoe die hulp eruit moet zien. Het aantal te stellen beleidsvragen is praktisch eindeloos en de hoeveelheid antwoorden evenzo. Er kunnen dus heel veel mensen aan het werk worden gezet die zich met beleidszaken bezighouden en dat gebeurt dan ook want hun aantal wordt nauwelijks gelimiteerd door de kosten. Zij worden betaald uit belastingen en sociale verzekeringsgelden die worden beheerd door organisaties zie zelf beleid maken en die zélf oordelen over hun eigen nut of dat van aanverwante organisaties. Het resultaat van de beleidsijver is dat mij in gedetailleerde mate verteld wordt hoe ik mijn werk moet doen. Bijvoorbeeld hoe ik met patiënten om moet gaan, op welke wijze ik de patiënt moet onderzoeken of wat voor soort conclusies ik geacht wordt te trekken en welke behandelingen ik mag overwegen. De bemoeienis gaat ver en dat komt deels door de aard van mijn werk. Probleem met mijn vak is dat zo veel mensen er een mening over hebben. Iedereen heeft wel een vriend of familielid met psychische problemen en bijna allemaal willen ze graag zeggen hoe je met die problemen om zou moeten gaan. Wat dat betreft heeft een chemicus het beter. Je laat het wel uit je hoofd je met zijn werk te bemoeien. Voor je het weet heb je een ontploffing of een milieuramp. Mijn pech is ook dat ik geen exact vak heb. Beweringen over mijn werk zijn nooit geheel waar of onwaar. Wat je er ook over zegt er zit altijd wel iets in. Zelfs al zeg je dingen die ieder weldenkend mens onzin zou noemen. Bijvoorbeeld dat je psychische problemen die al jaren bestaan kunt oplossen met vijf gesprekken van drie kwartier. Een enkele keer lukt dat. Dus heeft iedere bureaucraat die wat dan ook beweert over mijn werk altijd wel een beetje gelijk. Maar het gaat ze natuurlijk niet om hun gelijk. Zij willen vooruitgang in de hulpverlening die te vergelijken is met de vooruitgang in de techniek. Het is echter zeer de vraag of dit mogelijk is. Er wordt wel veel onderzoek gedaan naar de werkzaamheid van diverse behandelingen en factoren die van invloed zijn op de geestelijke gezondheid, maar dit zijn sociaal wetenschappelijke studies waarvan de uitkomsten zelden eenduidig zijn en nooit direct toepasbaar zijn. Praktijkmensen nemen er graag kennis van als ze worden gepubliceerd in vaktijdschriften maar verder trekken ze zich er weinig van aan. Dat wordt wel anders als een ambtelijke brigade de resultaten meent te moeten implementeren door er de verstrekking van de budgetten aan te koppelen. Dan staan er genoeg collega's klaar om zorgprogramma's en protocollen te maken. Onder hen zijn er die redeneren dat je dit maar beter zelf kunt doen voordat anderen het je opleggen. Zij hebben natuurlijk gelijk maar het effect is wel dat je in hoog tempo je professionele autonomie verliest. De bureaucratie krijgt het argument in handen dat de voorgestelde voorschriften en regels worden gedragen door de vakmensen zelf. En zo ontstaan er standaarden die de vakmensen zelf niet willen maar die hun wel min of meer worden opgedrongen. Bijvoorbeeld alvast een minimale geprotocolleerde behandeling beginnen zonder goed te onderzoeken wat er aan de hand is. Dat werkt in de praktijk vrijwel nooit, maar je kunt daarna wel weer verder zien. Als de patiënt tenminste niet afhaakt. Professioneel gezien vind ik zo'n manier van werken slecht en vele vakgenoten met mij. Het is slechts één van de gevolgen van de bureaucratisering waar ik van af wil. Politici en bestuurders kunnen mij helpen door alleen financiële middelen beschikbaar te stellen voor de uitvoering van taken en het subsidiëren van de vele beleidsplannen te stoppen.
* NRC, 3 mei 2003 door Lester Hoekstra (psycholoog en psychotherapeut)


Dysfunctioneel Probleem Oplossen en de BPS
De Borderline Persoonlijkheid Stoornis (BPS) kan als het prototype gezien worden van de persoonlijkheidstoornis in meer algemene zin. Het meest in het oogspringend bij BPS is de patiënt zijn dysfunctionele, en zelf-ondermijnend gedrag zoals: woedeuitbarstingen, impulsief gedrag zoals het gebruik van drugs, zich overeten, promiscuïteit, automutilatie en zelfmoordpogingen. Dit gedrag kan gezien worden als verkeerd aangepaste oplossingsstrategieën. Zij worden vaak geactiveerd door sterke impulsen en behoeftebevrediging die veroorzaakt worden als reactie op gevoelens van spanning. Echter, de aandrang van deze impulsen is niet voldoende om dit gedrag te laten ontstaan. De ineffectieve beheersingsmechanismen en opkomende gedachten van de patiënt maken dat de impulsen in gedrag worden omgezet. Speciaal de slechte beheersing hangt samen met de inadequate ontwikkeling van adaptieve beheersingsstrategieën als zo wel de onwillendheid om de beschikbare technieken te gebruiken (zoals het onderdrukken van impulsen, afleiding zoeken of aanpassend probleemoplossen). Het feit dat de aandrang bijzonder sterk is maakt beheersing extra moeilijk. Het sturen van de aandrang bestaat uit een breed spectrum van dysfunctionele gedachten zoals: "Het slechtste is verlaten te worden" en "Ik moet op mijn tellen passen anders word ik gebruikt". Omdat deze gedachten zo sterk zijn roepen zij sterke emoties en gedragsreacties op. Een vereenvoudigde opeenvolging is: geactiveerde gedachten - extreme interpretaties - intense gevoelens - sterke aandrang (onvoldoende aanpassend probleemoplossen en beheersing) en dysfunctioneel gedrag. De dysfunctionele gedragingen kunnen ook gezien worden als een openlijke vertoning van een complexe serie interacties tussen de gedachten van de patiënt en zijn sociale omgeving. Dit verschijnsel kan het best worden toegelicht door het stress-diathese model. Elke ervaring die congruent is met de angsten of gevoeligheden van de patiënt zal deze kwetsbaarheden activeren en leiden tot een toename van cognitieve, affectieve en motivationele gebeurtenissen. Deze patiënten zijn bijvoorbeeld gevoelig voor elk teken van afkeuring of overheersing en zij zijn geneigd het belang van deze gebeurtenis sterk te overdrijven. Afkeuring wordt ervaren als afwijzing en overheersing als onderwerping. De patiënt reageert op deze vooronderstellingen met gevoelens van spanning en boos of bedroefd worden. Ze verwerken deze gevoelens met dysfunctioneel probleemoplossende gedragingen die de BPS karakteriseert: zoals vastklampende gehechtheid, woedeuitbarstingen, automutilatie, het innemen van stemmingsbeïnvloedende middelen zoals eten, drugs en alcohol.
Als zij betrokken worden bij interpersoonlijke conflicten vervallen zij in soortgelijke probleemoplossende mechanismen zoals: onderwerping, openlijke veroordeling en afzondering. Deze gedragingen ontstaan zonder reflectie of het overzien van de consequenties. De patiënt is gefixeerd op het directe heden - het enige wat geldt is: het onmiddellijk ontladen van zijn onprettige gevoelens. Een andere factor die meespeelt is hun impulsieve gedrag, natuurlijk in relatie met hun attitude over zelfbeheersing. Zij hebben diverse overtuigingen die remmingen verminderen en in feite hun impulsieve neigingen versterken. Hieronder vallen bewustwordingen zoals, "Ik heb totaal geen beheersing," en "Ik zou mijn wensen niet hoeven te beheersen". De patiënten gebruiken deze slecht aangepaste strategieën niet alleen als een poging zichzelf te bevrijden maar ook om onplezierige gebeurtenissen te voorkomen. Bijvoorbeeld, een vrouw die zeer gevoelig was voor afwijzing wilde van haar liefdespartners steeds maar weer een bevestiging krijgen dat zij om haar gaven. Ze geloofde ergens dat deze bevestiging op een magische wijze zekerheid zou geven dat ze geaccepteerd werd. Ironisch genoeg had deze herhaalde bevestiging door de ander het averechts effect van afstand nemen of eventueel verlaten. De andere vormen van dysfunctioneel gedrag leiden vaak tot een aaneenschakeling van gebeurtenissen die uiteindelijk tot zelfmoordpogingen leiden. Bijvoorbeeld een man die reageerde op zijn ontslag door dronken te worden en heroïne te gebruiken. Hij richtte zich tot zijn vriendin om troost te zoeken, die zich echter teleurgesteld verbaasde over zijn drugsgebruik en hem weigerde te zien. Bij hem kwam de gedachte op "Ik ben een ellendige junkie." Hij voelde zich steeds meer hopeloos worden en dacht; "Ik ga vroeg of laat toch dood, dus ik kan mijzelf nu wel ombrengen." Hij nam toen een bijna dodelijke hoeveelheid antidepressiva.
Samengevat is het zo dat omdat de BPS patiënt gewone gebeurtenissen ervaart op een extreme, absolute (zwart/wit) wijze, zij gauw geneigd zijn om met extreme gevoelens op gebeurtenissen te reageren. Omdat zij in zekere zin in 'een manier van overleven' zitten gaan zij extreem reageren om zich te beschermen of veilig te stellen. De strategieën hebben een averechtse uitwerking en maken de patiënt nog kwetsbaarder dan zij voorheen al waren. Deze conceptualisatie van het dysfunctionele probleemoplossen, toont de blauwdruk van de uitzonderlijke problemen waarmee BPS patiënten geconfronteerd worden, maar ook de wijze waarop men hen kan helpen om deze problemen te overwinnen.
* Artikel uit het tijdschrift: "Cognitive Therapy Today" van February 2003, Volume 8, Issue 1 van Aaron Beck (vertaald door P. van der Ploeg)