Chronisch vermoeidheidssyndroom: niet zo éénvoudig
Chronische vermoeidheid blijft een mysterieus syndroom, waarvan de
oorzaak niet bekend is. De ziekte treedt abrupt op met griepachtige symptomen,
lichte koorts, spierpijn en een zekere neurocognitieve disfunctie. Het betreft
nog steeds een uitsluitingsdiagnose. Maar de vorsers laten de armen niet
hangen: er zijn meer en meer aanwijzingen dat het chronisch
vermoeidheidssyndroom gepaard gaat met een ontregeling van de humorale en
cellulaire immuniteit.
De ontregeling van het immuunstelsel die wordt waargenomen bij het
chronisch vermoeidheidssyndroom, omvat een mitogene respons, een heractivatie
van bepaalde virussen, een abnormale productie van cytokines, een verminderde
functie van de NK-cellen (natural killer cells) en veranderingen van
verschillende intermediaire metabolieten.
Op grond van die waarnemingen hebben bepaalde vorsers, waaronder
professor De Meirleir, een hypothese geformuleerd die stelt dat de klinische en
immunologische afwijkingen bij het chronisch vermoeidheidssyndroom het gevolg
zouden kunnen zijn van stoornissen van bepaalde metabole wegen die het lichaam
verdedigen tegen virale infecties.
Een metabole weg die een rol zou kunnen spelen in de pathofysiologie van
het chronisch vermoeidheidssyndroom, is die van het 2' ,5'
-oligoadenylaat-(2-5A)synthetase/RNase L, een antiviraal verdedigingssysteem.
Die metabole weg kan worden geactiveerd door interferonen (IFN,
ontstekingsmediatoren uit de groep van de cytokines) en loopt via een
dubbelstrengig RNA.
In zijn biologisch actieve vorm bindt het 2' ,5' -oligoadenylaat (2-5A)
zich aan het latente endoribonucJease (RNase L), dat zo wordt geactiveerd. Het
geactiveerde RNase kan dan het virale en cellulaire RNA hydrolyseren, waardoor
de eiwitsynthese wordt geïnhibeerd. Dat draagt bij tot de vernietiging van de
betrokken virussen en cellen. Bij patiënten met een chronisch
vermoeidheidssyndroom zou het 2' ,5'adenylaatsynthetase zich nagenoeg steeds
in zijn actieve vorm bevinden, wat resulteert in een hyperactiviteit van het
RNase L in vergelijking met wat wordt gezien in de algemene bevolking. Het is
alsof de patiënt constant aan een virale infectie lijdt.
Er werden ook duidelijke verschillen vastgesteld in het moleculair
gewicht en de enzymatische activiteit van het RNase in extracten van perifere
mononucleaire cellen tussen patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom
en gezonde personen. Daarmee is biochemisch bewezen dat een zeker percentage
van de patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom een disfunctie van het
RNase L vertoont 1 . Een van de meest merkwaardige ontdekkingen was de
ontdekking van een speciale vorm van het RNase L: een RNase L dat niet alleen
kleiner is (37 kilcdalton (kDa), waar het normale RNase L 80 kDa groot is),
maar ook actievef2.
Als die virale wegen actief zijn, verbruiken ze A TP
(adenosinetrifosfaat, de energiebron die de meeste grote metabole wegen
gebruiken). Dat zou een verklaring kunnen bieden voor bepaalde symptomen die
bij het chronisch vermoeidheidssyndroom worden waargenomen.
Men heeft dus een reproduceerbaar bewijs geleverd van een
enzymdeficiëntie die rechtstreeks gerelateerd blijkt te zijn aan de
gezondheidstoestand van patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom. Dat
vormt een eerste beslissende stap bij het ophelderen van die aandoening, maar
doet ook extra vragen rijzen: waarom komen die afwijkingen niet voor bij alle
patiënten? Getuigen ze van een persisterende "subklinische" virale
infectie? Kan men ze gebruiken voor diagnostische doeleinden? Hebben die
observaties therapeutische implicaties?
Het laatste woord over deze opmerkelijke pathologie is dus nog zeker niet
gezegd. Het chronisch vermoeidheidssyndroom zou zeker het onderwerp moeten
vormen van boeiende discussies in de Lokroepen van de verschillende
specialismen onderling.
Dr. Christian Cottriau
Referenties:
1.
Suhadolnik, et al.: Biochemical evidence tor a novellow molecular weight 2-5A
dependent
RNase L in CFS. J Interferon Cytokine Res
1997;17:377-85
2.
De Meirleir K et al. '37 kDa 2-5A binding protein as a potential biochemical
marker
tor chronic tatigue syndrome' Am J Medicine 2000; 108(2): 99-105