ME/CVS (Algemeen)
http://www.steungroep.nl/cgt/mecvsalgemeen.htm
Wat is ME/CVS?
ME is de afkorting van myalgische encephalomyelitis. Myalgie betekent
spierpijn, encephalomyelitis ontsteking van hersenen en ruggenmerg. Dat laatste
is minder gelukkig, omdat dergelijke ontstekingen slechts sporadisch zijn
aangetoond. CVS betekent chronisch vermoeidheidsyndroom. In de media duikt
regelmatig de term 'vermoeidheidsziekte' op, die evenals CVS een wel erg
eenzijdige indruk wekt van de ziekte. Er is immers veel meer aan de hand dan
alleen vermoeidheid. In de medische wereld heeft de naam CVS die van ME
grotendeels verdrongen. Onder patiënten en bij het publiek staat de ziekte
vooral bekend als ME. Sommige wetenschappers maken onderscheid tussen ME en
CVS. De beide patiëntenorganisaties gebruiken voor de ziekte de term ME/CVS.
Omdat over de beide namen onvrede bestaat houdt een internationale commissie zich
bezig met het zoeken naar een passender naam.
ME/CVS is een syndroom: een ziektebeeld dat wordt gekenmerkt door een
combinatie van ziekteverschijnselen. Patiënten kampen met ernstige medisch
onverklaarbare vermoeidheid, spierpijn en een minder goed tot slecht cognitief
functioneren (zoals problemen met geheugen en concentratie). Bij veel van hen
functioneert het immuunsysteem niet goed; zij hebben vaak last van infecties.
Daarnaast komen vooral gewrichts-, hoofd- en keelpijn, opgezette lymfeklieren
en slaapstoornissen veel voor. Kenmerkend is ook dat lichte tot matige
inspanning meestal wordt gevolgd door extreme vermoeidheid en een algeheel
malaisegevoel dat abnormaal lang aanhoudt, soms zelfs enige weken. Welke
klachten het meest op de voorgrond treden, verschilt per patiënt. Vanwege de
grote onderlinge verschillen hebben wetenschappers de afgelopen jaren
voorgesteld de patiënten op te delen in subgroepen op basis van hun
belangrijkste klachten. Dit is van groot belang bij onderzoek naar de oorzaken
van ME/CVS.
De ziekte kan acuut of geleidelijk ontstaan en wordt vaak voorafgegaan door een
infectie [1,2], meestal in combinatie met andere vormen van lichamelijke en/of
psychische stress [2]. Resultaten van verschillende Amerikaanse onderzoeken
wijzen erop dat bij het ontstaan van ME/CVS erfelijke factoren een rol kunnen
spelen [3]. De ziekte kan op elke leeftijd beginnen, maar meestal is dit tussen
het 25e en 45e levensjaar. Ongeveer driekwart van de patiënten is van het
vrouwelijk geslacht. Het verloop van het syndroom varieert van persoon tot
persoon en is dus onvoorspelbaar. Een minderheid herstelt grotendeels, nog geen
10% helemaal. De meeste patiënten blijven echter vrij ernstig ziek, waarbij een
deel van hen afwisselend voor- en achteruit gaat. Sommige patiënten worden
almaar zieker [4].
Over het chronisch worden van de klachten lopen de meningen uiteen. Uit enkele
onderzoeken - waaronder Nederlandse - is gebleken dat de hypothalamus, de
hypofyse en de bijnierschors, organen die hormonen produceren, zijn ontregeld
en als gevolg daarvan ook het immuunsysteem. Mogelijk krijgen persisterende
(hardnekkige), weinig voorkomende infecties daardoor een kans bij een deel van
de patiënten, zo menen Brusselse en diverse Amerikaanse onderzoekers. Zij
constateerden bij veel patiënten afwijkingen in het zogenaamde RNase-L systeem
dat infecties bestrijdt. Deze afwijkingen worden veroorzaakt door persisterende
bacteriën en virussen die daarmee hun eigen bestrijding voorkomen. Bovendien
kunnen meer functies van lichaamscellen erdoor verstoord raken, waardoor men
verder achteruit gaat. Andere onderzoekers menen dat de oorzaak zou kunnen
liggen in een afwijkend bloedvolume, een bepaald type te lage bloeddruk en/of
andere neurologische afwijkingen. Een aantal onderzoekers, waaronder relatief
veel psychiaters en psychologen, meent dat patiënten hun klachten instandhouden
door verkeerde gedachten en gedragingen.
Het is dus nog niet goed duidelijk waardoor ME/CVS kan ontstaan en waardoor het
chronisch wordt. Resultaten van de vele onderzoeken die er inmiddels zijn
gedaan wijzen erop dat meerdere factoren een rol kunnen spelen en dat zou de
verschillen tussen de patiënten kunnen verklaren. Algemeen geaccepteerde
behandelingen zijn er nog niet.
Diagnose
Er is nog geen diagnostische test waarmee ME/CVS met zekerheid kan worden
aangetoond. Wel zijn er in verschillende landen (Australië, UK en VS) voor
deelname van patiënten aan onderzoek diagnosecriteria
opgesteld, die echter die onderling verschillen. Bij gebrek aan alternatieven
gebruiken artsen deze criteria wel voor het stellen van de diagnose ME/CVS.
Deze diagnose mag pas worden gesteld als de vermoeidheid al minstens een half
jaar aanhoudt, niet het gevolg is van voortdurende inspanning, niet beduidend
afneemt door rust en het activiteiten niveau aanzienlijk is verminderd. Andere
aandoeningen die de vermoeidheid zouden kunnen verklaren moeten worden
uitgesloten. In Nederland stellen zowel huisartsen als specialisten de diagnose
ME/CVS. Er is echter weinig bekend over welke criteria zij daarvoor gebruiken
en of dat uniform gebeurt. Bovendien erkent een deel van de (huis)artsen ME/CVS
niet.
Om het huisartsen gemakkelijker te maken de diagnose ME/CVS te stellen, heeft
de Canadese regering een internationale groep deskundigen hiervoor richtlijnen
laten opstellen die in 2003 zijn gepubliceerd [5]. Zij zijn gebaseerd op
ervaringen met ruim 20.000 patiënten.
Geschiedenis en classificatie van ME en CVS
In de medische literatuur wordt Myalgische Encephalomyelitis (ME) sinds 1934
gedocumenteerd [6]. Sir Donald Acheson (voormalig Chief Medical Officer in
Groot Brittanië*) introduceerde de term ME in 1956 en maakte in 1959 een
belangrijk overzicht van ME. In 1962 werd ME door de vooraanstaande neuroloog
Lord Brain opgenomen in het standaard tekstboek over neurologie.
ME is formeel geclassificeerd door de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) van
de VN als een neurologische aandoening in de Internationale Classificaties van
Ziekten (International Classification of Diseases - ICD) sinds 1969 (ICD-8: Vol
I: code 323, pagina 158; Vol II (Code Index) pagina 173). Op 7 april 1978 hield
de Britse Royal Society of Medicine een symposium over ME waarbij ME werd
geaccepteerd als aparte aandoening. Ook in de huidige versie van de ICD (versie
10) is ME geclassificeerd onder neurologische aandoeningen (code G93.3).
De term CVS (engels CFS) is recenter en dateert uit 1987. Hij is bedacht door
een groep onderzoekers op een bijeenkomst in de Verenigde Staten. CVS is in de
ICD-10 geclassificeerd als term waaronder ME ook bekend is, evenals Postviraal
Vermoeidheidssyndroom. Naast CVS wordt in de Verenigde Staten door een
patiëntenvereniging ook de term CFIDS (Chronic Fatigue and Immune Dysfunction
Syndrome) gebruikt.
Met name patiënten hebben veel kritiek geuit op de term CVS. Hun belangrijkste
bezwaar is het feit dat de term teveel nadruk legt op slechts één symptoom van
de aandoening, terwijl er volgens de gangbare criteria voor
ME/CVS meerdere symptomen aanwezig moeten zijn alvorens er sprake kan zijn
van ME/CVS. Bij onverklaarbare chronische vermoeidheid zonder de typische
bijkomende symptomen van ME/CVS spreekt men van idiopathische chronische
vermoeidheid. Pogingen om een voor alle partijen acceptabele naam te vinden
voor ME/CVS zijn tot dusver zonder succes gebleven.
* The Chief Medical Officer is de belangrijkste medisch adviseur van de Britse
regering en is het hoofd van de gehele medische beroepsgroep.
Bronnen:
1. K. Rowe (Melbourne) tijdens de 5e AACFS Conference Seattle, 26 - 29
januari 2001.
2. P. de Becker et al (Brussel). Possible triggers as
mode of onset of chronic fatigue syndrome. J of CFS (2002) 10/2:4-18.
3. L. Aaron (Seattle). N. Afari (Seattle) en J. Goldberg (Chicago) tijdens de
5e AACFS Conference Seattle, 26 - 29 januari 2001.
4. J. Joyce et al.; The prognosis of chronic fatigue and chronic fatigue
syndrome: a systematic review; Q J Med (1997) 90:223-233
5. B.M. Carruther et al. Myalgic encephalomyelitis / chronic fatigue syndrome:
clinical working case definitions, diagnostic and treatment protocols. J of CFS
(2003) 11/1:7-115
6. The Clinical and Scientific Basis of Myalgic Encephalomyelitis/Chronic
Fatigue Syndrome, published by the Nightingale Research Foundation. Editor:
Byron M. Hyde MD; advisors: Jay Goldstein, MD and Paul Levine, MD. Chapter
16:176-186. This annotated bibliography is based upon the work of Sir Donald
Acheson and drs. Henderson and Shelokov; collected, revised and updated by Dr.
J. Gordon Parish and later by dr. Byron M. Hyde.