In de vorige MEdium (2002-3) stond een
ingezonden brief van iemand bij wie na vijf jaar ziekte is ontdekt dat ze te
weinig schildklierhormoon aanmaakt.
Al eerder kreeg de redactie brieven van ME-patiënten
bij wie uiteindelijk een schildklieraandoening werd aangetoond. Reden om meer
aandacht aan dit onderwerp te besteden.
De schildklier stimuleert via hormonen de groei- en
stofwisselingsprocessen. Als de hormoonproductie is ontregeld heeft dat
gevolgen voor de gezondheid. De symptomen van schildklierziekten komen voor een
deel overeen met die van ME/CVS. Daarom is het
belangrijk dat een arts, vóór hij of zij de diagnose ME/CVS stelt, de
schildklierfunctie laat onderzoeken. Dat kan voorkomen dat deze diagnose ten
onrechte wordt gesteld, en een schildklieraandoening door gebrek aan
behandeling verergert. Als er schildklierafwijkingen ontstaan – al dan niet als
gevolg van ME/CVS – nádat de diagnose ME/CVS is gesteld, is het niet
verwonderlijk dat ze over het hoofd worden gezien. Daarom is het nuttig als
mensen die chronisch vermoeid zijn, al dan niet met de diagnose ME/CVS, weten welke schildklierafwijkingen er bestaan en wat
daarvan de symptomen zijn. Ze kunnen dan raad vragen aan hun arts.
Bij een vertraagde schildklierwerking maakt de schildklier te
weinig T4 (schildklierhormoon). De hypofyse probeert dan door aanmaak van extra
hormoon TSH de T4-productie van de schildklier op peil te houden. Aanvankelijk
lukt dat nog wel en is er sprake van subklinische hypothyreoïdie:
hierbij zijn de ziektesymptomen nog niet of nauwelijks waarneembaar. Als dit
niet meer lukt, daalt het T4-gehalte. De thermostaat van het lichaam is dan als
het ware te laag afgesteld en de stofwisseling daardoor trager. Er is dan
sprake van hypothyreoïdie (hypo=onder). De
activiteit van de schildklier kan heel geleidelijk afnemen. Daardoor vallen de
symptomen vooral bij ME-patiënten niet snel op.
Bovendien lijken de klachten die bij hypothyreoïdie
voorkomen op die van ME/CVS. Als de
schildklieractiviteit afneemt gaan patiënten geestelijk slechter functioneren,
worden moe, traag, lusteloos, depressief, kouwelijk en zwaarder, de stem wordt
lager, de huid droger en bleek, het haar droog en dun, de hartslag daalt, ze
krijgen last van spierpijn en –zwakte of menstruatiestoornissen. Vaak zijn maar
een paar van deze symptomen aanwezig en niet altijd even duidelijk. In 90% van
de gevallen is de ziekte van Hashimoto de
oorzaak van een vertraagde schildklierwerking. Door een auto-immuunreactie is
de schildklier dan blijvend ontstoken. Het eigen afweersysteem van de ribosomen
aan, dat zijn heel kleine celbestanddelen in de schildkliercellen die een
belangrijke rol spelen bij de aanmaak van eiwitten. In het begin is de
schildklier meestal te actief, vervolgens neemt de activiteit af en op den duur
kan de schildklier zelfs helemaal niet meer werken.
Er is weinig onderzoek gedaan naar schildklieraandoeningen bij ME/CVS. Wel is er onderzoek gedaan bij chronisch vermoeide
mensen (dus niet specifiek ME/CVS patiënten). Bij een Zweeds onderzoek werd
schildklierweefsel van 219 chronisch vermoeide mensen onderzocht. Er bleek bij
87 van hen (40%) sprake te zijn van een schildklierontsteking. Van deze 87
mensen hadden de meeste een normaal TSH-gehalte. Dit betekent dat, als het onderzoek zich had
beperkt tot de TSH-bepaling – wat in de praktijk
meestal het geval is -, de diagnose ‘schildklieronsteking’
bij de meesten niet zou zijn gesteld. Alle 87
reageerden goed op behandeling met schildklierhormoon. Ook een ander Zweeds
onderzoek toonde aan dat bij een normaal TSH-gehalte wel degelijk schildklierziekten kunnen
voorkomen. Hierbij onderzocht men 2000 mensen op antistoffen tegen de schildklier-ribosomen (die ook te vinden zijn bij Hashimoto). Ze werden vaker aangetoond naarmate het TSH-gehalte verder boven de 1,0 mU/l
(internationaal gehanteerde eenheid) steeg; boven een gehalte van 5,6 mU/l zelfs bij iedereen. Een gehalte van 4,0 mU/l wordt als de maximale normale waarde beschouwd. Beide
onderzoeken pleiten ervoor bij mensen die chronisch vermoeid zijn, niet alleen
het TSH-gehalte wordt bepaald maar ook het gehalte
aan antistoffen tegen schildklier-ribosomen. Dit kan
voorkomen dat ten onrechte de diagnose ME/CVS wordt gesteld.
Volgens de huidige richtlijnen wordt een vertraagde schildklierwerking
behandeld met levothyroxine, een synthetisch
schildklierhormoon. Het gebruik van synthetisch schildklierhormoon mag alleen
op voorschrift van een arts en tijdens de behandeling moet de
schildklierfunctie regelmatig gecontroleerd worden. Volgens een onderzoek van
de Engelse arts Skinner en zijn medewerkers zouden
mensen die symptomen hebben van een vertraagde schildklierwerking, maar bij wie
het TSH- en T4-gehalte nog binnen de grenzen valt, ook baat hebben bij
behandeling met kunstmatig schildklierhormoon. Andere onderzoekers konden dit
bij een vergelijkbare groep mensen niet bevestigen. Ze vonden geen verschil in
effect bij degenen die dit hormoon kregen en bij mensen die, zonder dat ze het
wisten, een placebo (neppil) slikten.
Het voorstel van Skinner om, uitsluitend
op basis van symptomen die kunnen wijzen op een vertraagde schildklierwerking,
mensen een proefbehandeling met schildklierhormoon te geven kreeg veel
commentaar. De kritiek kwam onder andere van Charles Shepherd, de medisch adviseur van
de Engelse ME-Association. Hij meent dat het
onverantwoord is om schildklierhormoon toe te dienden als het TSH-gehalte normaal is, omdat dit de activiteit van de
hypofyse kan verlagen. Daardoor kan men last krijgen van osteoperose
(botontkalking), hartritmestoornissen of een zogenaamde Addison-crisis.
Daarvan is sprake als de bijnieren veel te weinig cortisol
aanmaken met als gevolg o.a. bloeddrukdaling, uitdroging door zoutverlies en
laag bloedsuiker. Het lijkt erop dat de risico’s op bijwerkingen toenemen naarmate
de werking van de schildklier minder is verstoord.