MEdium nr. 4 – december 2002 

 

ME/CVS en schildklieraandoeningen

 

Ingrid Nijwijde-Hondorp

 

In de vorige MEdium (2002-3) stond een ingezonden brief van iemand bij wie na vijf jaar ziekte is ontdekt dat ze te weinig schildklierhormoon aanmaakt.

Al eerder kreeg de redactie brieven van ME-patiënten bij wie uiteindelijk een schildklieraandoening werd aangetoond. Reden om meer aandacht aan dit onderwerp te besteden. 

De schildklier stimuleert via hormonen de groei- en stofwisselingsprocessen. Als de hormoonproductie is ontregeld heeft dat gevolgen voor de gezondheid. De symptomen van schildklierziekten komen voor een deel overeen met die van ME/CVS. Daarom is het belangrijk dat een arts, vóór hij of zij de diagnose ME/CVS stelt, de schildklierfunctie laat onderzoeken. Dat kan voorkomen dat deze diagnose ten onrechte wordt gesteld, en een schildklieraandoening door gebrek aan behandeling verergert. Als er schildklierafwijkingen ontstaan – al dan niet als gevolg van ME/CVS – nádat de diagnose ME/CVS is gesteld, is het niet verwonderlijk dat ze over het hoofd worden gezien. Daarom is het nuttig als mensen die chronisch vermoeid zijn, al dan niet met de diagnose ME/CVS, weten welke schildklierafwijkingen er bestaan en wat daarvan de symptomen zijn. Ze kunnen dan raad vragen aan hun arts.

 

ME/CVS of schildklierziekte? 

Bij een vertraagde schildklierwerking maakt de schildklier te weinig T4 (schildklierhormoon). De hypofyse probeert dan door aanmaak van extra hormoon TSH de T4-productie van de schildklier op peil te houden. Aanvankelijk lukt dat nog wel en is er sprake van subklinische hypothyreoïdie: hierbij zijn de ziektesymptomen nog niet of nauwelijks waarneembaar. Als dit niet meer lukt, daalt het T4-gehalte. De thermostaat van het lichaam is dan als het ware te laag afgesteld en de stofwisseling daardoor trager. Er is dan sprake van hypothyreoïdie (hypo=onder). De activiteit van de schildklier kan heel geleidelijk afnemen. Daardoor vallen de symptomen vooral bij ME-patiënten niet snel op. Bovendien lijken de klachten die bij hypothyreoïdie voorkomen op die van ME/CVS. Als de schildklieractiviteit afneemt gaan patiënten geestelijk slechter functioneren, worden moe, traag, lusteloos, depressief, kouwelijk en zwaarder, de stem wordt lager, de huid droger en bleek, het haar droog en dun, de hartslag daalt, ze krijgen last van spierpijn en –zwakte of menstruatiestoornissen. Vaak zijn maar een paar van deze symptomen aanwezig en niet altijd even duidelijk. In 90% van de gevallen is de ziekte van Hashimoto de oorzaak van een vertraagde schildklierwerking. Door een auto-immuunreactie is de schildklier dan blijvend ontstoken. Het eigen afweersysteem van de ribosomen aan, dat zijn heel kleine celbestanddelen in de schildkliercellen die een belangrijke rol spelen bij de aanmaak van eiwitten. In het begin is de schildklier meestal te actief, vervolgens neemt de activiteit af en op den duur kan de schildklier zelfs helemaal niet meer werken.

 

Normale TSH, maar toch…

 

Er is weinig onderzoek gedaan naar schildklieraandoeningen bij ME/CVS. Wel is er onderzoek gedaan bij chronisch vermoeide mensen (dus niet specifiek ME/CVS patiënten). Bij een Zweeds onderzoek werd schildklierweefsel van 219 chronisch vermoeide mensen onderzocht. Er bleek bij 87 van hen (40%) sprake te zijn van een schildklierontsteking. Van deze 87 mensen hadden de meeste een normaal TSH-gehalte. Dit betekent dat, als het onderzoek zich had beperkt tot de TSH-bepaling – wat in de praktijk meestal het geval is -, de diagnose ‘schildklieronsteking’ bij de meesten niet zou zijn gesteld. Alle 87 reageerden goed op behandeling met schildklierhormoon. Ook een ander Zweeds onderzoek toonde aan dat bij een normaal TSH-gehalte wel degelijk schildklierziekten kunnen voorkomen. Hierbij onderzocht men 2000 mensen op antistoffen tegen de schildklier-ribosomen (die ook te vinden zijn bij Hashimoto). Ze werden vaker aangetoond naarmate het TSH-gehalte verder boven de 1,0 mU/l (internationaal gehanteerde eenheid) steeg; boven een gehalte van 5,6 mU/l zelfs bij iedereen. Een gehalte van 4,0 mU/l wordt als de maximale normale waarde beschouwd. Beide onderzoeken pleiten ervoor bij mensen die chronisch vermoeid zijn, niet alleen het TSH-gehalte wordt bepaald maar ook het gehalte aan antistoffen tegen schildklier-ribosomen. Dit kan voorkomen dat ten onrechte de diagnose ME/CVS wordt gesteld. 

Wanneer behandelen? 

Volgens de huidige richtlijnen wordt een vertraagde schildklierwerking behandeld met levothyroxine, een synthetisch schildklierhormoon. Het gebruik van synthetisch schildklierhormoon mag alleen op voorschrift van een arts en tijdens de behandeling moet de schildklierfunctie regelmatig gecontroleerd worden. Volgens een onderzoek van de Engelse arts Skinner en zijn medewerkers zouden mensen die symptomen hebben van een vertraagde schildklierwerking, maar bij wie het TSH- en T4-gehalte nog binnen de grenzen valt, ook baat hebben bij behandeling met kunstmatig schildklierhormoon. Andere onderzoekers konden dit bij een vergelijkbare groep mensen niet bevestigen. Ze vonden geen verschil in effect bij degenen die dit hormoon kregen en bij mensen die, zonder dat ze het wisten, een placebo (neppil) slikten.

Het voorstel van Skinner om, uitsluitend op basis van symptomen die kunnen wijzen op een vertraagde schildklierwerking, mensen een proefbehandeling met schildklierhormoon te geven kreeg veel commentaar. De kritiek kwam onder andere van Charles Shepherd, de medisch adviseur van de Engelse ME-Association. Hij meent dat het onverantwoord is om schildklierhormoon toe te dienden als het TSH-gehalte normaal is, omdat dit de activiteit van de hypofyse kan verlagen. Daardoor kan men last krijgen van osteoperose (botontkalking), hartritmestoornissen of een zogenaamde Addison-crisis. Daarvan is sprake als de bijnieren veel te weinig cortisol aanmaken met als gevolg o.a. bloeddrukdaling, uitdroging door zoutverlies en laag bloedsuiker. Het lijkt erop dat de risico’s op bijwerkingen toenemen naarmate de werking van de schildklier minder is verstoord.