Arbeidsongeschikt Wetgeving Artikel 100
http://rechten.uvt.nl/dbsr/Vsr.pdf/gr933.doc
10 Eeckhoutte, W.v., Arbeidsrecht, België, 1999-2000, no. 518.
11 Blanpain, R., Schets van het Belgisch Arbeidsrecht, Brugge, 1998-1999, no. 282.
In artikel 100, paragraaf 1, W. 14.07.1994 van de Wet Ziekte en Invaliditeit Verzekering
staat een complete beschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid. Een werknemer wordt
als arbeidsongeschikt beschouwd als:
1 hij alle werkzaamheid onderbroken heeft,
2 als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele
stoornissen,
3 waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of
minder dan een derde, dan hetgeen een vergelijkbaar persoon kan verdienen in hetzelfde
beroep (de eerste zes maanden) of in de categorie van beroepen (na zes maanden), die voor
de betrokkene openstaan op grond van de door hem genoten beroepsopleiding.
In de laatste voorwaarde ligt de notie van de 66% arbeidsongeschiktheid vervat. In de Z.I.V.-
wet wordt bepaald tegen de achtergrond van welk beroep de evaluatie van het
verdienvermogen moet gebeuren. Tijdens de eerste periode van zes maanden is dit het
gewone beroep van de betrokkene, voor zover de aandoening waaraan hij leidt vatbaar is voor
genezing binnen redelijk korte tijd. Dit is niet het geval als het vanuit medisch oogpunt
uitgesloten is dat de betrokkene zijn gewoon beroep ooit hervat. Na het verstrijken van de
eerste periode van zes maanden rekent men erop dat hij niet meer naar zijn eerdere beroep zal
terugkeren. Dan wordt er gezocht naar beroepen, die de werknemer zou kunnen uitoefenen op
grond van de opleiding die hij heeft genoten. De evaluatie van het verdienvermogen dient niet
alleen te geschieden op grond van een medische beslissing Er moet ook gekeken worden naar
persoonlijke en socio-economische factoren. Bij de mate van arbeidsongeschiktheid moet
vooral gekeken worden naar de opgetreden aandoening en niet zozeer naar de vooraf bestaane
zwakke gezondheid of een vroegere aandoening. Er wordt gekeken naar een bepaald
percentage (66% arbeidsongeschikt) voordat iemand in aanmerking komt voor een uitkering.
Bij de ziekteverzekering geldt de alles-of-niets-regel. Ben je minder dan 66%
arbeidsongeschikt dan krijg je niets12. In sommige gevallen vermoedt de wet dat de vereiste
graad van arbeidsongeschiktheid aanwezig is. Dit is onder meer het geval tijdens een verblijf
in het ziekenhuis en tijdens bepaalde quarantaineperiodes na contact met besmettelijke
ziekten.
De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid wordt op verschillende manieren gedaan, naar
gelang het gaat om de primaire arbeidsongeschiktheid of de invaliditeit.
De primaire arbeidsongeschiktheid is de periode van arbeidsongeschiktheid tot ten hoogste
een jaar. In die periode dient de werknemer een medisch getuigschrift ter hand te stellen aan
of langs de post te verzenden naar de adviserend-geneesheer van zijn ziekenfonds, dat moet
gebeuren binnen twee dagen. Het medisch getuigschrift wordt opgesteld door de behandelend
geneesheer die de werknemer zelf kiest.De adviserend geneesheer van het ziekenfonds beslist
over de erkenning, de duur en de eindiging van de arbeidsongeschiktheid.
Soms wordt er een bijzondere procedure toegepast, de “spontane controle”.Als een
werknemer zonder duidelijke medische redenen herhaaldelijk ziek wordt ( vier
arbeidsongeschiktheidsmeldingen in een periode van zes maanden) dan kan hem worden
medegedeeld dat hij bij een eerstvolgende gelegenheid vanaf de eerste dag een medisch
getuigschrift moet indienen. Als dat niet mogelijk is moet hij zelf zijn arbeidsongeschiktheid
melden met een formulier “verklaring van arbeidsongeschiktheid” volgens een officieel
model13.
Als de arbeidsongeschiktheid langer dan een jaar duurt, wordt ze “invaliditeit”
genoemd.Vanaf dat moment moet de toestand van arbeidsongeschiktheid worden erkend door
de “Geneeskundige Raad voor Invaliditeit”.