Arbeidsdeskundige benadering economische arbeidsongeschiktheid van zelfstandigen met gewaarborgd inkomen

 

http://home.deds.nl/~ergos/zelfstandigen.htm

 

Eric Brosens
Jurist en arbeidsdeskundige (België)
Drs. Richard Heling
Arbeidsdeskundige (Nederland)


Een verzekering "gewaarborgd inkomen" dekt de economische ongeschiktheid die opgelopen wordt door de verzekerde, maar bepaalt niet hoe deze ongeschiktheid moet worden bepaald. Hierover lopen de meningen uiteen. Hier lichten we de arbeidsdeskundige visie op de problematiek toe.

INHOUDSOPGAVE

 

Wat is een verzekering gewaarborgd inkomen ? Terug naar inhoudsopgave

Een verzekering gewaarborgd inkomen is een persoonsverzekering, die de betaling van een maandelijkse rente bij ziekte en/of ongeval waarborgt voor zover de opgelopen invaliditeit minstens 25% bedraagt en een wachttijd (carenztijd of eigen risicotermijn) doorlopen is.

Het bedrag van de verzekerde rente wordt overeengekomen. Voor zelfstandigen wordt beoogd een dusdanige dekking te verschaffen opdat bij volledige invaliditeit 80% van het vroegere netto-inkomen wordt bereikt.

De rente die wordt uitbetaald is evenredig met de graad van invaliditeit die wordt opgelopen. Een invaliditeit van meer dan 66% wordt gelijkgesteld met een volledige invaliditeit. Tevens doet een invaliditeit niet alleen een recht op rente ontstaan, maar geeft ook aanleiding tot ook vrijstelling van premiebetaling.

Mogelijke verzekeringsformules zijn


De uitkering kan de vorm hebben van :


Waarom een verzekering gewaarborgd inkomen onderschrijven ? Terug naar inhoudsopgave

Vooral voor zelfstandigen en beoefenaars vrije beroepen is een polis gewaarborgd inkomen aantrekkelijk als aanvulling op de karige uitkeringen van het wettelijke sociale zekerheidsstelsel .

Daarbij komt, dat een zelfstandige maar als arbeidsongeschikt wordt erkend als hij een einde heeft moeten stellen aan zijn taken als zelfstandige, en bovendien geen enkele beroepsactiviteit meer kan uitoefenen, noch als zelfstandige of helper, noch in een andere hoedanigheid (art. 19 KB 20-07-1971).

De premie van een polis gewaarborgd inkomen die economische invaliditeit dekt is voor de zelfstandige fiscaal aftrekbaar als beroepskost . Anderzijds zijn de uitgekeerde rentes belastbaar als vervangingsinkomen als zij het inkomensverlies uit een bedrijfsactiviteit beogen te compenseren (art. 34 § 1, 1° WIB).

Leden van het medisch korps kunnen de RIZIV-bijdrage aanwenden om aan pensioenopbouw te doen of om de de premie van een verzekering gewaarborgd inkomen te betalen. De hoogte van de bijdrage wordt jaarlijks vastgesteld, en is gekoppeld aan het nationaal akkoord tussen artsen en ziekenfondsen .


Hoe economische arbeidsongeschiktheid evalueren ? Terug naar inhoudsopgave

Uit een marktonderzoek blijkt dat de algemene polisvoorwaarden “gewaarborgd inkomen” van de verschillende verzekeraars in grote mate gelijklopen. Ze vinden hun oorsprong in een ontwerp van de werkgroep ziekte en invaliditeit van de BVVO, dat dateert van 1980 . Dezelfde voorwaarden treft men ook aan in de “aanvullende verzekering tegen invaliditeitsrisico” (AVIR). Dit laatste is een dekking die als aanvulling bij een levensverzekering kan worden onderschreven.

De onderzochte polissen dekken de economische invaliditeit ten gevolge van een fysiologische invaliditeit, ofwel de hoogste van deze twee “invaliditeiten”. In sommige polissen wordt in plaats van “invaliditeit” de term “ongeschiktheid” gebruikt, zonder dat evenwel een andere definitie wordt gehanteerd. Eenvoudigheidshalve hebben we het verder enkel nog over “economische ongeschiktheid”.

De voorbereidende werkzaamheden van de werkgroep ziekte en invaliditeit van de BVVO leveren geen antwoord op de vraag op welke wijze de economische ongeschiktheid moet worden geëvalueerd.

Twintig jaar later kan men op het terrein grosso modo vier verschillende schattingsmethodes naast elkaar aantreffen :

  1. Een medische schatting, die een percentage invaliditeit oplevert, dat aan de hand van niet altijd duidelijke motieven wordt gecorrigeerd, rekening houdend met sociaal-economische factoren die het slachtoffer eigen zijn.
  2. De “ergologische” schattingsmethode. Deze psycho-technisch georiënteerde methode is erop gericht om min of meer kwantificeerbare elementen als verlies aan arbeidsmogelijkheden, inkomensverlies en rendementsverlies op de algemene arbeidsmarkt uit te drukken in één percentage, dat de economische minderwaarde beoogt te vertegenwoordigen . Deze methode is vrij abstract, en heeft als ijkpunt de arbeidsmarkt voor werknemers. Voor zover wij konden nagaan werd nooit een specifieke modus operandi voor zelfstandigen beschreven.
  3. De arbeidsdeskundige benadering, die haar aandacht primair richt op het onderzoek van de residuële arbeids- en verdienmogelijkheden binnen het eigen bedrijf, en zo concreet mogelijk aansluiting zoekt bij de perspectieven die zich nog voor betrokkene stellen om in zijn levensonderhoud te voorzien
  4. De boekhoudkundige benadering, die, zoals we verder zullen verdedigen, in werkelijkheid eerder een accessoire dan een zelfstandige schattingsmethode is.

Over de vraag wie het best geplaatst is om economische arbeidsongeschiktheid te schatten : de arts, een boekhouder, een ergoloog of arbeidsdeskundige, worden er verschillende meningen op nagehouden .

Deze bijdrage is gewijd aan de arbeidsdeskundige zienswijze, die zich inspireert op de evaluatietechnieken die door arbeidsdeskundigen in Nederland werden ontwikkeld in het kader van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV).


Fysiologische invaliditeit en economische ongeschiktheid Terug naar inhoudsopgave

Een contract strekt de partijen tot wet, zodat de schattingmethode die voor de economische ongeschiktheid wordt gehanteerd, moet beantwoorden aan de polisvoorwaarden. Over dit onderwerp is weinig of geen rechtspraak te vinden.

Sleutelbegrippen in de polis gewaarborgd inkomen zijn de begrippen fysiologische invaliditeit en economische ongeschiktheid.

De fysiologische invaliditeit wordt gedefinieerd als een vermindering van de lichamelijke integriteit, waarvan de graad door een medicus wordt vastgesteld onder verwijzing naar de Officiële Belgische Schaal tot vaststelling van de graad van Invaliditeit (OBSI) en de Belgische rechtspraak.

Invaliditeit, zo lezen we in de OBSI, is een vermindering van de fysische of psychische integriteit. Een valide persoon kan zijn vermogens, krachten en bewegingen op volkomen wijze doen samenwerken om ze aan een activiteit dienstbaar te maken. Het is deze validiteit die als vergelijkingspunt dient. De invaliditeitsgraad beoogt de vermindering uit te drukken van de mens als psychosomatisch geheel en, hiermee verbonden, van de mogelijkheid om handelingen van het dagelijkse leven te verrichten, waarbij de vermindering uitgedrukt wordt in een percent t.o.v. de valide persoon, die de waarde 100% vertegenwoordigt. De rechtspraak (in gemeen recht) hanteert een gelijkaardig definitie, en stelt dat invaliditeit een medisch begrip is, dat de anatomische of functionele vermindering uitdrukt, onafhankelijk van de repercussies op de lucratieve activiteiten van het slachtoffer.

De economische ongeschiktheid wordt gedefinieerd als de vermindering van de arbeidscapaciteit of arbeidsgeschiktheid van de verzekerde als gevolg van de fysiologische invaliditeit waardoor hij getroffen wordt. De graad wordt bepaald in functie van het beroep van de verzekerde en zijn mogelijkheden tot omschakeling in om het even welke andere passende beroepsactiviteit .

De meeste polissen voegen eraan toe dat “de evaluatie onafhankelijk is van enig ander economisch criterium” of dat de aanpassingsmogelijkheden worden bekeken in functie van de mogelijkheden die zich voordoen “bij normale omstandigheden op de algemene arbeidsmarkt”.

Als criterium voor de bepaling van de graad van economische ongeschiktheid geldt niet alleen het verzekerde beroep, maar ook eender welk ander beroep, dat aan verzekerde kan worden opgedragen, op voorwaarde dat dit beroep passend is. Voor wat hieronder wordt verstaan, treft men in de polissen verschillende omschrijvingen aan. Een beroep wordt meestal als passend beschouwd als het overeenstemt met de capaciteiten (aanleg, kennis, vaardigheden) en beroepsantecedenten, waaraan soms ook wordt toegevoegd de sociale status of het sociaal milieu. In het voor de verzekerde minst gunstige geval wordt als passend beschouwd “elke met de persoon verenigbare beroepsactiviteit”. Een omschrijving “een beroep overeenkomend met de economische situatie van de verzekerde zoals die bestond voor het ongeval” laat alle mogelijkheden open..

Eén van de onderzochte polissen onderscheidt zich in positieve zin door te stipuleren dat de economische invaliditeit gedurende het eerste jaar wordt vastgesteld in functie van het verzekerde beroep. De meeste polissen verwijzen echter onmiddellijk naar de mogelijkheid tot het uitoefenen van om het even welke beroepsactiviteit, wat tot onbillijke situaties kan leiden (zie verder).

In het kader van een polis gewaarborgd inkomen heeft het begrip economische arbeidsongeschiktheid een eigen, restrictieve betekenis. De evaluatie ervan moet gebeuren onafhankelijk van enig ander economisch criterium (b.v. de toestand van de arbeidsmarkt). Volgens de polisvoorwaarden volstaat het dat nog één passend beroep met een gelijkwaardig salariaal niveau aan de verzekerde kan worden opgedragen opdat er geen sprake meer zou zijn van economische ongeschiktheid. Het loutere feit dat een aantal arbeidsmogelijkheden wegvallen zijn, is niet relevant voor de beoordeling.

Economische arbeidsongeschiktheid wordt gedefinieerd als een vermindering van het arbeidsvermogen (capacité de travail). Het arbeidsvermogen wordt gevormd door het geheel van de lichaams- en mentale functies die kunnen worden ingezet om beroepsarbeid te verrichten.

Samengelezen met de finaliteit van de polis, die uitgedrukt wordt in de titel (gewaarborgd inkomen), mag gesteld worden dat het voorwerp van de dekking van een verzekering gewaarborgd inkomen het verlies aan verdienvermogen is.

Met een boutade kan gesteld worden dat een polis gewaarborgd inkomen dus geen inkomstenverlies waarborgt, maar wel de aantasting van het middel om op de arbeidsmarkt een inkomen te kunnen verwerven. Anders gezegd, een verzekering gewaarborgd inkomen is een arbeidsongeschiktheids-, maar geen inkomensverzekering.

In het bijzonder in kleine ondernemingen zal ongeschiktheid van de meewerkend zaakvoerder snel leiden tot inkomstenverlies. Het inkomstenverlies kan indirect een aanduiding vormen voor de mate waarin de betrokken persoon in staat is om zijn arbeidsvermogen in de onderneming in te zetten. Op dit punt wordt verder nader ingegaan.


Vaststelling van de graad van invaliditeit en economische ongeschiktheid Terug naar inhoudsopgave

Alle onderzochte polissen stipuleren dat maatschappij de graad en duur van de invaliditeit beoordeelt. Het is gebruikelijk, dat de maatschappij advies inwint bij haar raadsgeneesheer, die de verzekerde zal onderzoeken.

Een meningsverschil wordt onderworpen aan het oordeel van twee geneesheren, één aangeduid door de verzekerde en één aangeduid door de maatschappij, overeenkomstig het procédé van de minnelijke medische expertise. Beide geneesheren duiden een derde geneesheer aan wiens mening beslissend is als er geen overeenstemming wordt bereikt.

De beoordeling van economische arbeidsongeschiktheid vereist een grondige beroepenkennis, die het medisch beoordelingskader overstijgt. Volgens de huidige opvattingen, behoort de schatting van de economische gevolgen van een invaliditeit niet tot taak van een geneesheer . Nochtans leggen de polissen gewaarborgd inkomen de finale beoordeling van de begroting van de graad van economische ongeschiktheid bij één of meer geneesheren. Met enige overdrijving kan –om de woorden van een Belgisch collega-arbeidsdeskundige te gebruiken- gesteld worden sprake is van de medicalisering van een economische afspraak tussen partijen .

Niets belet echter een geneesheer om het advies van een arbeidsdeskundige in te winnen. Eén polis onderkent de problematiek door te stipuleren dat de verzekerde die getroffen wordt door ongeschiktheid van minstens 50%, het recht heeft om op kosten van de maatschappij een ergonomisch en/of ergologisch advies aan te vragen.


Schaderegelingsaspecten Terug naar inhoudsopgave

Het is belangrijk om op te merken, dat de verzekering gewaarborgd inkomen het begrip “consolidatie” niet kent.

Het begrip consolidatie is vooral op zijn plaats is in de klassieke ongevallenverzekeringen, die de uitbetaling van een éénmalige geldsom beogen. Wanneer de gevolgen van het letsel zich gestabiliseerd hebben, wordt de mate van invaliditeit vastgesteld, en de overeengekomen geldsom uitbetaald. Het begrip consolidatie is hier een verzekeringstechnisch begrip dat de verzekeraar toelaat om het schadedossier af te sluiten.

Polissen gewaarborgd inkomen volgen een geheel ander denkpatroon. De prestaties hebben de vorm van een rente. Deze kan op elk ogenblik aan gewijzigde omstandigheden worden aangepast, waardoor de schaderegeling een vorm van permanente dialoog kan zijn tussen verzekerde en verzekeraar . De verzekeraar kan bij monde van raadsdokter en/of arbeidsdeskundige suggesties doen aan de verzekerde om zijn resterende mogelijkheden optimaal te benutten. Een dossier kan steeds worden herbekeken.


Het bijzondere karakter van arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen
Terug naar inhoudsopgave

Zowel voor zelfstandigen als werknemers ligt een stoornis in de verhouding mens-arbeid aan de basis van arbeidsongeschiktheid.

Het doel van het verrichten van arbeid is het verwerven van inkomsten waarmee men in zijn levensonderhoud kan voorzien. Economische ongeschiktheid situeert zich in de verhouding tussen de elementen mens-arbeid-inkomen. Deze verhouding is verschillend bij zelfstandigen en werknemers .

De arbeid van werknemers wordt gekenmerkt door het ondergeschikt verband en de beperkte regelmogelijkheden. Arbeidsongeschiktheid is hierdoor dikwijls een alles-of-niets situatie. Een werkgever is niet verplicht om een werknemer in dienst te houden die niet meer in staat is om een belangrijk aspect van zijn functie naar behoren te vervullen. Daartegenover staat dat een werknemer vrij snel zijn resterende capaciteiten op de arbeidsmarkt kan inzetten door op zoek te gaan naar een ander, nog geschikt beroep.

De zelfstandige daarentegen is zelf verantwoordelijk voor de organisatie en voor de uitvoering van de arbeid. Hij verschaft zelf zowel de productiemiddelen, waarin hij meestal zwaar heeft geïnvesteerd, als de arbeid. De verbondenheid met de onderneming is groot. Doordat er in de meeste ondernemingen een variatie aan taken aanwezig is hoeft een aantasting van het arbeidsvermogen niet meteen tot een totale beroepsarbeidsongeschiktheid te leiden omdat er speelruimte is om de resterende mogelijkheden binnen het eigen bedrijf aan te wenden.

In de praktijk treffen we weinig zelfstandigen aan die zich kunnen “veroorloven” om lang arbeidsongeschikt te zijn. We stellen vast dat zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid vaak een ander gedragspatroon ontplooien dan loontrekkenden.

Zelfstandigen, die hun eigen baas zijn, wisselen deze status niet graag om voor een functie in loondienst.

Om deze redenen zouden bij arbeidsongeschiktheid alle inspanningen gericht moeten worden op het behoud van een functie in het eigen bedrijf. Het is evident dat zowel de zelfstandige als de verzekeraar er belang bij hebben dat de gevolgen van de arbeidsongeschiktheid zo beperkt mogelijk worden gehouden.

De arbeidsdeskundige benadering, zoals deze in Nederland gebruikelijk is, probeert maximaal aansluiting te zoeken bij deze overwegingen.


Intermezzo : de Nederlandse AOV Terug naar inhoudsopgave

De particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering of AOV is de Nederlandse equivalent van onze verzekering gewaarborgd inkomen. Aan de zienswijze van onze Noorderburen kunnen interessante gezichtspunten worden ontleend.

De Nederlandse modelpolis AOV maakt in het algemeen het onderscheid tussen twee periodes van arbeidsongeschiktheid.

Gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid (“Rubriek A”) wordt de beroepsarbeidsongeschiktheid gedekt. Er is sprake van arbeidsongeschiktheid wanneer de verzekerde voor tenminste 25% ongeschikt is voor het verzekerde beroep.

Nadien (“Rubriek B”) geldt als arbeidsongeschiktheidscriterium passende arbeid. Er is dan sprake van ongeschiktheid als de verzekerde voor tenminste 25% niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en bekwaamheden zijn berekend, en die, gelet op zijn vroegere werkzaamheden, in redelijkheid van hem kunnen worden verlangd. Daarbij wordt geen rekening gehouden met een verminderde kans op het verkrijgen van arbeid.

Omdat het onbillijk werd bevonden om zelfstandigen die doorwerkten in het eigen bedrijf buiten dit bedrijf te beoordelen, hebben bijna alle particuliere verzekeraars het passende arbeid-criterium van rubriek B laten vallen, zodat enkel nog beroepsarbeidsongeschiktheid als criterium geldt. Er wordt dan wel bekeken of maatregelen binnen de eigen onderneming kunnen worden genomen om de gevolgen van medisch vastgestelde beperkingen te verminderen.

Daarentegen geldt in het sociale zekerheidsstelsel (de Wet Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen of WAZ) thans de “algemeen geaccepteerde arbeid”, de zogenaamde gangbare arbeid, als arbeidsongeschiktheidscriterium. Hierbij wordt arbeid in loondienst in aanmerking genomen. Vroeger werd dit voor een doorwerkende zelfstandige onbillijk geacht.

Particuliere AOV-verzekeraars schakelen systematisch arbeidsdeskundigen in, die de verzekerden begeleiden naar werkhervatting (reïntegratie). Deze arbeidsdeskundigen worden ook betrokken bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Arbeidsdeskundigen gebruiken een specifieke evaluatiemethode, die “taak-uren analyse” genoemd wordt. Het gaat om een praktische methode, die sinds jaar en dag wordt gebruikt, en in hoge mate begrepen en geaccepteerd wordt , wat meer is dan van louter medische of meer theoretisch gerichte schattingsmethodes kan worden gezegd.


De arbeidsdeskundige benadering d.m.v. de taak-urenanalyse
Terug naar inhoudsopgave

Kort gezegd, komt de methode van de taak-urenanalyse hierop neer, dat taken en tijdsbesteding van de zelfstandige worden geïnventariseerd, en dat de tijdsbesteding aan taken die na het intreden van de beperkingen nog kunnen worden uitgeoefend, wordt afgezet tegen hetgeen voorheen werd verricht. De procentuele achteruitgang geeft dan de mate van arbeidsongeschiktheid weer.

Alhoewel dit op het eerste gezicht eenvoudig lijkt, kan een dergelijke analyse maar worden uitgevoerd door een persoon die hierin geroutineerd is, en kennis heeft van het onderzochte beroep.

In de meeste arbeidsdeskundige rapporten zal men niet louter een taak-urenanalyse aantreffen, maar ook gegevens over de persoon (zijn achtergrond, zijn motivatie, klachtenbeleving) en het bedrijf (geschiedenis, marktpositie), wat belangrijk is om de aangetroffen arbeidsongeschiktheidsproblematiek te kunnen kaderen in het geheel.

De taken en de taakbelasting worden beschreven in een zogenaamde taak/functie-analyse.

De arbeidsdeskundige gaat hierbij uit van een systeembenadering. Een bedrijf kan gezien worden als een systeem, waarin de betrokken persoon een “functie” bekleedt, die kan worden onderverdeeld in “taken”, die desgevallend nog eens kunnen worden onderverdeeld in “handelingen”. Ook de materiële omgeving, waarin de persoon werkt, moet worden bekeken omdat taken en handelingen geconditioneerd worden door de werkprocessen en de gebruikte objecten (in het jargon spreekt men ook van “in/output”- en “objectanalyse”).

De arbeidsdeskundige zal door middel van een interview en een onderzoek ter plaatse al deze factoren inventariseren, aan de hand waarvan een analyse wordt gemaakt van de taken die de persoon in het bedrijf waarneemt. Ook de rol van de andere personen die in het bedrijf werken wordt in het beeld betrokken.

Een klassieke indeling van taken, die als leidraad kan dienen, is de onderverdeling in uitvoerende taken, administratieve taken en ondernemerstaken (met dit laatste worden taken bedoeld die eigen zijn aan de hoedanigheid van bedrijfsleider).

De fysieke belasting in elk van de taken wordt beschreven in termen van krachtzetting, houding, beweging en gekwantificeerd in termen van frequentie van handelingen, gehanteerde gewichten e.d.. Zonodig kan ook de mentale belasting worden omschreven. Hierbij wordt aansluiting gezicht bij de systematiek die voor het in kaart brengen van de belastbaarheid van de persoon door de medicus wordt gehanteerd.

Door middel van een interview inventariseert de arbeidsdeskundige de tijd, die besteed wordt aan de verschillende taken. In de opleiding tot arbeidsdeskundige wordt veel aandacht geschonken aan interviewtechnieken.

Wanneer er twijfel bestaat over de nauwkeurigheid of oprechtheid van de antwoorden van de betrokken persoon, worden gelijkaardige beroepen als referentie gebruikt. De ervaring en documentatie van de arbeidsdeskundige spelen hier een belangrijke rol. Voor sommige beroepen met een ingewikkeld taakpatroon b.v. bij erg wisselende of seizoensgebonden activiteiten als landbouwers bestaan zogenaamde “professiogrammen”, die gebaseerd zijn op eerdere inventarisaties of consensus, en als leidraad kunnen dienen.

Zo bestaan er professiogrammen voor functies in de agrarische sector. Deze professiogrammen zijn inmiddels ook in een digitaal systeem beschikbaar, met name het PUBAS systeem dat door het IMAG te Wageningen wordt uitgegeven.

De volgende stap is dan de toetsing van de taakbelasting aan het residuële arbeidsvermogen of “belastbaarheid” van de persoon, waaruit de mate van arbeids(on)geschiktheid kan worden afgeleid.

Hierbij wordt uitgegaan van de functionele beperkingen die blijken uit het medisch dossier. Idealiter zijn deze beperkingen tegensprekelijk vastgesteld geworden en/of bestaat er overeenstemming over. Indien de arbeidskundige een discrepantie tussen de “medisch geobjectiveerde” beperkingen en de subjectieve klachtenbeleving vaststelt, zal hij dit vermelden. In regel onthoudt hij er zich van om zelf afleidingen te maken op medisch vlak. In Nederland is het de gewoonte dat de verzekeringsarts een belastbaarheidsprofiel opstelt, waarin de functionele mogelijkheden schematisch worden weergegeven. In plaats van belastbaarheidsprofiel spreekt men ook van beperkingenpatroon, capaciteitsprofiel of functionele mogelijkhedenlijst. Het werken met belastbaarheidsprofielen biedt het voordeel dat het de schatting doorzichtiger maakt.

 

Voorbeeld van een schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid (a.o.) van een autohandelaar

taak

uren vóór a.o.

relatieve a.o.

absolute a.o.

uren na a.o.

in-/verkoop/administratie

10,0

-

0

10,0

reizen

7,5

-

0

7,5

repareren

15,0

4/5

12

3,0

poetsen

15,0

3/5

9

6,0

totaal

47,5

 

21

26,5

Arbeidsongeschiktheid

 

 

 

21/47,5 x 100% of 44%

 

Een taak/functie-analyse brengt knelpunten voor het kunnen verrichten van bepaalde taken of handelingen aan het licht. De arbeidsdeskundige zal hiervoor oplossingen proberen te bedenken en deze bespreekbaar stellen. Mogelijk “herstelacties”, waarmee gevolgen van arbeidsongeschiktheid kunnen teruggedrongen, kunnen zowel worden gevonden in de verbetering van de belastbaarheid van de persoon als in het wijzigen van de taakbelasting (b.v. door ergonomische aanpassingen, reorganisatie van de arbeid of het verwisselen van taken met anderen).

Het spreekt voor zich dat een reïntegratietraject het meeste kans op slagen heeft als het gedragen worden door de betrokken persoon en actief ondersteund wordt door de verzekeraar. De arbeidsdeskundige treedt op als bemiddelaar op het terrein. Dikwijls zal meer dan één gesprek nodig zijn om een vertrouwensband te scheppen die nodig is om het dossier verder in goede banen te leiden. Daarom wordt in de opleiding tot arbeidsdeskundige veel aandacht besteed aan communicatieve vaardigheden.

Het grote voordeel van de taak-urenanalyse als methode voor beoordeling arbeidsongeschiktheid is dat de methode zeer concreet is. De elementen waarop de beoordeling is gesteund, zijn duidelijk en verifieerbaar.

Tot slot moet worden opgemerkt dat methode van de taak-urenanalyse goed aansluit bij de polisvoorwaarden omdat zij de mate meet, waarin het arbeidsvermogen niet meer ten dienste kan worden gesteld van het verzekerde zelfstandige beroep.


Het inkomstenverlies als toets van de arbeidsongeschiktheidsschatting Terug naar inhoudsopgave

Zoals eerder aangetoond werd, is niet het feitelijk inkomstenverlies het voorwerp van de dekking, maar wel de aantasting van het verdienvermogen.

In Nederland wordt het inkomenstenverlies als toetssteen gebruikt voor de arbeidsongeschiktheids-schatting omdat het geacht wordt een goede graadmeter te zijn voor de mate waarin de zelfstandige nog in staat is gebleken om zijn arbeidsvermogen ten dienste te stellen van zijn bedrijf. Dit is vooral het geval als het bedrijfsinkomen gegenereerd wordt door één persoon, waarbij gedacht kan worden aan de alleenwerkende zelfstandige, of het kleine familiebedrijf waarin de echtgenote of familie zich over de administratieve aspecten van de zaak ontfermen. Dergelijke bedrijfstypes treffen we veel aan bij intellectuele beroepen en ambachtelijke beroepen. Ze vormen een belangrijke doelgroep van de verzekeraars gewaarborgd inkomen.

Nadeel van de boekhoudige benadering is, dat bij een zelfstandige het inkomstenverlies maar achteraf, a posteriori, worden becijferd, en wel na afsluiting van het boekjaar waarin de arbeidsongeschikheid is opgetreden.

Voor de begroting van het inkomstenverlies hanteren arbeidsdeskundigen volgend denkschema.

De winst- en verliesrekeningen van 3 of 5 voorgaande jaren worden vergeleken met deze van het jaar, waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Uit de winst- en verliesrekeningen van de vorige jaren wordt de kosten/omzet verhouding gedestilleerd, die eigen is aan de onderneming, en die bepalend is voor de bedrijfswinst. Aan de hand van de omzetontwikkeling van vergelijkbare ondernemingen wordt de hypothetische omzet gereconstrueerd die in het schadejaar behaald zou zijn geweest. Op deze omzet wordt de gemiddelde kosten/omzet verhouding van de voorbije jaren toegepast, waaruit de hypothetische winst worden berekend. Deze wordt afgezet tegenover de werkelijk behaalde winst. Het procentuele verschil hoort in dezelfde lijn te liggen van de uitkomst van de taak-urenvergelijking.


Voorbeeld

De verzekerde is in 2001 gedeeltelijk arbeidsongeschikt geworden.

De bedrijfsomzet was

1998

1999

2000

2001

100.000

105.000

115.000

102.000

De kosten/omzetverhouding was

1998

1999

2000

2001

90%

92%

91%

93%


De marktomzet of omzetontwikkeling van andere, vergelijkbare ondernemingen, was

1998

1999

2000

2001

100

104

114

125

In de drie jaren voorafgaand aan het schadejaar 2001 was de gemiddelde

Uitgaande van een marktanaloge ontwikkeling, wordt aangenomen dat de omzet zonder het intreden van de arbeidsongeschiktheid in 2001 zou geweest zijn : 125/106 x 106.666 = 125.785.
Rekening gehouden met de gemiddelde kosten/omzetverhouding van de betrokken onderneming van 91%, zou het hypothetisch inkomen geweest zijn 9% x 125.785 = 11.321
Daartegenover staat een gerealiseerd inkomen van 7% x 102.000 = 7140
Dit is een minder inkomen van 37%.


Het percentage hoort in dezelfde lijn te liggen van de uitkomst van de taak-urenanalyse.

Slotbeschouwingen Terug naar inhoudsopgave

Tot slot enkele kritische bedenkingen en suggesties.

In de praktijk wordt vastgesteld dat een verzekering gewaarborgd inkomen de gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandige, die wil doorwerken in zijn bedrijf, geen sluitende inkomenszekerheid biedt omdat zijn arbeidsongeschiktheid kan worden geëvalueerd onder verwijzing naar passende beroepen op de loontrekkende arbeidsmarkt. Op dit punt zouden de waarborgen, onder verwijzing naar het Nederlandse voorbeeld, kunnen worden verbeterd.

De verwijzing naar de fysiologische invaliditeit als basis voor bepaling van de economische invaliditeit is geen noodzaak omat er geen duidelijke relatie bestaat tussen een percentage invaliditeit en een eventueel verlies aan verdienvermogen. Niet het percentage invaliditeit op zich, maar de overblijvende functionele mogelijkheden zijn determinerend.

De evaluatie van verlies aan verdienvermogen overstijgt het louter medische beoordelingskader, en vraagt om een multidisciplinaire benadering, die kan geleverd worden door de tandem verzekeringsgeneeskundige-arbeidsdeskundige.

Ons voorstel is om -zoals in Nederland- met arbeidsongeschiktheidsklassen te gaan werken. Op de studiedag van 31 maart 2000, die gewijd was aan de beoordeling van economische arbeidsongeschiktheid, werd er door verschillende sprekers op gewezen dat economische arbeidsongeschiktheid veelal niet op een reproduceerbare manier tot één procent na kan worden berekend .

In het algemeen zou het voor zowel verzekerde als verzekeraar een goede zaak zijn als ook in ons land de klemtoon van het schaderegelingsproces zou kunnen worden verschoven van de medische bepaling van “invaliditeiten” naar het benadrukken van resterende “capaciteiten”, en het begeleiden van de verzekerde om zijn resterende capaciteiten in zijn eigen onderneming of op de arbeidsmarkt te valoriseren.