Beknopt overzicht van een aantal alternatieven voor de Katz-schaal
1. RAI (Resident Assessment Instrument)[1]
Dit instrument werd in 1987 uitgewerkt in de Verenigde Staten om de kwaliteit te verbeteren van de verzorging en de gezondheid van personen die in een instelling verblijven. Op basis van het RAI wordt de zorgnood bepaald en de verzamelde gegevens worden vervolgens gebruikt om een individueel zorgplan op te stellen met een gedetailleerde beschrijving van de benodigde verzorging.
Sinds 1991 wordt het RAI gebruikt door 19.000 verzorgingstehuizen in de VS in het kader van Medicaid en Medicare (embryonale sociale zekerheid in de States). Het RAI is goedgekeurd door de Health Care Financing Administration en wordt gebruikt in Canada, Japan en 15 Europese landen.
Het RAI bestaat uit twee luiken:
Op basis van de MDS-classificatie kan een zorgplan worden opgesteld via multidisciplinair overleg. Elk trimester is er een bijwerking van de beknopte MDS.
In de VS hangen de toegekende middelen af van de MDS-gegevens. Het bedrag van de terugbetaling voor Medicare-patiënten wordt vastgesteld aan de hand van het computerprogramma RUG (Resource Utilization Grouper), dat prospectief te werk gaat en niet historisch.
Er werden verschillende RAI's geïmplementeerd, o.a. voor residentiële zorg, thuiszorg, geestelijke gezondheid, enz.
2. PLAISIR (PLAnification Informatisée des Soins Infirmiers Requis – geïnformatiseerde planning van de vereiste verpleegkundige verzorging)[3]
PLAISIR richt zich tot afhankelijke personen die in een instelling of een tussenliggende formule verblijven, maar is ook bruikbaar in de thuisomgeving aangezien het om een multidisciplinair instrument gaat.
Het systeem wordt in Luxemburg toegepast in het kader van de zorgverzekering. Québec gebruikt PLAISIR sinds twintig jaar voor de financiering, de opvang, de oriëntering, de opnames, de planning en de programmering van regionale verzorgingsinstellingen. Romaans-Zwitserland gebruikt het sinds tien jaar voor dezelfde doeleinden. PLAISIR wordt bovendien getest in Duitsland en, sinds 2003, in Spanje.
Wat maakt PLAISIR zo aantrekkelijk? Het systeem beschikt over een aantal sterke troeven: de gegevens zijn gedetailleerd, transparant, verifieerbaar en begrijpelijk. Zorgverleners moeten een duidelijke en volledige omschrijving geven van de verzorging die hun patiënten nodig hebben. De toekenning van de middelen gebeurt op onafhankelijke wijze.
PLAISIR schetst een biologisch-psychologisch-sociaal profiel in termen van ziektes, stoornissen, compensaties en handicaps. Het geeft een idee van de middelen die vereist zijn om de ad hoc dienstverlening te waarborgen.
Het systeem omvat:
Het instrument is nauwkeurig en meet de individuele zorglast, die niet het resultaat is van een patiëntenclassificatie. Een meting zal duidelijkheid verschaffen over de middelen die vereist zijn om tegemoet te komen aan de noden van de patiënt.
3. AGGIR (Autonomie Gérontologie Groupes Iso-Ressources – evaluatie van de autonomie en opsplitsing van de patiënten in iso-resourcesgroepen)[4]
AGGIR werd uitgewerkt door het Franse Syndicat national de gérontologie clinique, in samenwerking met de adviserend geneesheren van de Caisse nationale d’assurance maladie (te vergelijken met het RIZIV) in het kader van de verzorging van bejaarde personen die in een instelling verblijven. De AGGIR-schaal is geïnspireerd op de modellen van Katz, Lawton en Roux.
AGGIR is geen gesofisticeerd beoordelingsinstrument, maar veeleer een tool die de noden samenvat. Het model telt acht onderscheidende variabelen, zowel thuis als in een instelling: voeding, coherentie, oriëntatie, kleding, toilet, uitscheiding, transfer, verplaatsing binnen. Zeven illustratieve variabelen vervolledigen de beoordeling van de autonomie: keuken, huishouden, transport, opvolging van de behandeling, enz.
Elke variabele telt drie modaliteiten: « doet zelfstandig », « doet gedeeltelijk of niet correct », « doet niet ». Zorgverleners hebben de neiging om bij twijfel de middelste modaliteit te kiezen.
Op basis daarvan zijn dertien graden van autonomie ontstaan, waarbij graad 1 overeenstemt met een volledig verlies van autonomie en graad 13 inhoudt dat de patiënt volledig autonoom kan functioneren.
Via analogie wordt de zorglast vastgesteld zoals de zorgverlener die aanvoelt en de 13 graden van autonomie worden gespreid over 6 iso-resourcesgroepen (GIR) voor de acht onderscheidende variabelen:
|
Graad 1 |
GIR 1 |
|
Graden 2 tot 7 |
GIR 2 |
|
Graden 8 tot 9 |
GIR 3 |
|
Graden 10 tot 11 |
GIR 4 |
|
Graad 12 |
GIR 5 |
|
Graad 13 |
GIR 6 |
De GIR groeperen patiënten met verschillende profielen en graden van autonomie, die statistisch gezien toch vergelijkbare resources vergen. Dat levert de volgende verdeling op voor de zorglast:
|
|
Zorglast |
|
Groep 1 |
1 |
|
Groep 2 |
0,84 |
|
Groep 3 |
0,66 |
|
Groep 4 |
0,42 |
|
Groep 5 |
0,25 |
|
Groep 6 |
0,07 |
In groep 1 zitten personen die mentaal, lichamelijk, mobiel en sociaal niet langer autonoom zijn en voortdurend hulp en bijstand nodig hebben. In groep 6 zitten personen die autonoom kunnen functioneren in het dagelijkse leven.
Een coëfficiënt tussen 0,07 en 1 is volgens de bedenkers van het systeem een goede indicator van de zorglast. De coëfficiënt maakt het mogelijk om de gemiddelde zorglast te meten van de personen in een instelling of van het patiëntenbestand van een dienst voor thuiszorg.
[1] Inlichtingen: www.interrai.org; dinnus.frijters@prismant.nl, Medisch Centrum Vrije Universiteit Amsterdam, Van der Boechorstr. 7, 1081 BT Amsterdam.
[2] Dementie, gezichtsscherpte, communicatie, incontinentie, herhaaldelijk vallen, doorligwonden, gebit, gebruik van psychotrope stoffen, enz.
[3] Inlichtingen: charles.tilquin@umontreal.ca;
www.erosinfo.com; leclercq_agnes@yahoo.fr;
jean-michel.caudron3@wanadoo.fr.
[4] Inlichtingen: Dr. Falez, Landsbond van Socialistische Mutualiteiten, Sint-Jansstraat 32/38, 1000 Brussel; freddy.falez@mutsoc.be.