|
Jurisprudentie Civiel
recht
2004/10. Uitleg polisvoorwaarden;
arbeidsongeschiktheid; medisch te
objectiveren
afwijkingen/symptomen?
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
(mrs. Gruendemann, De Brauw-Huydecoper en
Valk) d.d. 9 oktober 2002
Tijdschrift voor
Gezondheidsrecht, 28 (2004), p. 156-159
In deze procedure staat
centraal de uitleg van de woorden 'rechtstreeks en uitsluitend door medisch
vast te stellen gevolgen van ongeval en/of
ziekte' in de polisvoorwaarden
van een verzekeraar die op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van eiser van
toepassing zijn. De
verzekeraar beweert dat de bij
eiser gestelde diagnose (chronisch vermoeidheidssyndroom) niet onder de
polisdekking valt, omdat geen
sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de genoemde polisvoorwaarden.
Het hof gaat bij de uitleg van
de bepalingen in de polisvoorwaarden uit het van het Haviltex-criterium. In
dat verband acht het hof het van
bijzonder belang dat bedoelde
bepalingen bestemd zijn om de rechtsverhouding te regelen van de verzekeraar
met verzekerden die
doorgaans leek zijn op het medisch
gebied. Het staat de verzekeraar weliswaar vrij zelf te bepalen in hoeverre
zij dekking wenst te bieden,
maar dat neemt niet weg dat de
verzekeraar haar bedoeling in haar polisvoorwaarden tot uitdrukking dient te
brengen op een wijze die voor
een aspirant-verzekerde
duidelijk en begrijpelijk is. Het hof komt vervolgens na nauwkeurige lezing
van de polisvoorwaarden tot de
conclusie dat eiser in deze
procedure uit de tekst niet behoefde af te leiden dat geen recht op
arbeidsongeschiktheiduitkering zou bestaan
indien geen werkzaamheden meer
verricht kunnen worden als gevolg van een aandoening waarvan weliswaar geen
medisch te objectiveren
afwijkingen/symptomen kunnen
worden vastgesteld, maar waarbij niettemin volgens medici van de in
aanmerking komende specialisme(n) sprake is van
een herkenbaar en benoembaar
klachtenbeeld.
Het hof overweegt (post alia,
red.):
(…)
3. Beoordeling van het hoger
beroep
Nu de vaststelling van de
feiten door de rechtbank onder 3.1 in het aangevallen vonnis noch door
grieven noch anderszins bestreden is, zal
ook het hof van die feiten
uitgaan.
Deze zaak gaat, kort
samengevat, om het volgende. A. is met ingang van 27 september 1995 bij een
verzekeraar verzekerd tegen
arbeidsongeschiktheid. De
volgende bepalingen van de polisvoorwaarden, die op deze
arbeidsongeschiktheidsverzekering van toepassing zijn, zijn
voor dit geschil van belang:
Artikel 4
'Arbeidsongeschiktheid is
aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast
te stellen gevolgen van ongeval en/of
ziekte voor tenminste 25%
ongeschikt is tot het verrichten van alle voorkomende werkzaamheden verbonden
aan zijn op het polisblad vermelde
beroep, zoals dat voor deze
beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.'
Artikel 7
'Arbeidsongeschiktheid is
aanwezig indien de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast
te stellen gevolgen van ongeval en/of
ziekte voor ten minste 25%
ongeschikt is tot het verrichten van werkzaamheden, die voor zijn krachten en
bekwaamheden zijn berekend en
die met het oog op zijn
opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem verlangd kunnen
worden.'
Bij het aldus vaststellen van
de mate van arbeidsongeschiktheid zal derhalve geen rekening worden gehouden
met verminderde gelegenheid tot
het verkrijgen van arbeid'.
Op 11 juni 1996 heeft A. zich
bij de verzekeraar telefonisch vanaf 29 mei 1996 ziek gemeld. De verzekeraar
heeft vanaf 29 mei 1996 tot 12 mei
1997 uitkeringen gedaan,
variërend naar arbeidsongeschiktheid van 100% tot 35%.
In deze procedure vordert A. na
wijziging van eis dat de verzekeraar op grond van de
arbeidsongeschiktheidsverzekering aan haar zal verstrekken
tot maximaal 52 weken
arbeidsongeschiktheid een dagschade-uitkering van ƒ 139,05 en na het verstrijken
van deze periode een dagschade-uitkering
van ƒ 84,87. De verzekeraar
weigert dekking te geven omdat geen sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid
in de zin van artikelen 4 en 7 van de
polisvoorwaarden.
De rechtbank heeft bij vonnis
van 1 juni 1999 geoordeeld dat sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin
van de polis en heeft de vordering
van A. toegewezen en de
verzekeraar veroordeeld in de kosten.
De eerste grief richt zich
tegen het oordeel van de rechtbank dat de verzekeraar niet heeft weersproken
de door de internist gestelde
diagnose dat A. lijdt aan CVS
(chronisch vermoeidheidssyndroom).
Hoewel de verzekeraar met de
tekst van haar grief suggereert dat zij zich niet met de gestelde diagnose
kan verenigen, voert zij in de
toelichting op de grief
uitsluitend aan dat voor de klachten van A. geen lichamelijke verklaring
te vinden is. Het hof vat de stellingen van de
verzekeraar aldus op dat zij de
klachten van A. - die de internist heeft aangeduid als CVS - op zichzelf niet
betwist, maar in hoger beroep aan
het hof voor wil leggen of A.
gezien deze klachten - waarvoor geen lichamelijke verklaring is gevonden -
arbeidsongeschikt is in de zin van
artikelen 4 en 7 van de
polisvoorwaarden. Aldus verstaan leent de grief zich voor bespreking tezamen
met grief II.
Grief II richt zich tegen de
uitleg van de rechtbank van de woorden 'rechtstreeks en uitsluitend door
medisch vast te stellen gevolgen van
ongeval en/of ziekte' in de
artikelen 4 en 7 van de toepasselijke polisvoorwaarden. De verzekeraar is van
mening dat in de tekst van deze
bepalingen duidelijk tot
uitdrukking is gebracht dat eerst sprake is van arbeidsongeschiktheid in de
zin van de polisvoorwaarden, indien medisch
te objectiveren afwijkingen
kunnen worden vastgesteld. Daarnaast voert zij aan dat het haar vrij staat om
bepaalde categorieën van dekking uit
te sluiten.
Het hof oordeelt als volgt. Bij
de beantwoording van de vraag hoe de bewuste bepalingen moeten worden
uitgelegd, komt het aan op de zin die
A. en de verzekeraar over en
weer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan die bepalingen mochten
toekennen en op hetgeen zij te
dien aanzien redelijkerwijs van
elkaar mochten verwachten. In da verband is van belang dat bedoelde
bepalingen bestemd zijn om de
rechtsverhouding te regelen van
de verzekeraar met verzekerden die doorgaans leek zijn op medisch gebied. Het
standpunt van de verzekeraar
dat het haar vrij staat te
bepalen in hoeverre zij dekking wenst te bieden, is weliswaar op zichzelf
juist, maar neemt niet weg dat zij haar
bedoeling in haar
polisvoorwaarden tot uitdrukking dient te brengen op een wijze die voor een
aspirant-verzekerde duidelijk en begrijpelijk is.
In de tekst van de artikelen 4
en 7 van de polisvoorwaarden is wel ondubbelzinnig tot uitdrukking gebracht
dat de arbeidsongeschiktheid
medisch moet kunnen worden
vastgesteld, maar die tekst brengt onvoldoende duidelijk en begrijpelijk tot
uitdrukking de door de
verzekeraar gestelde bedoeling,
namelijk om van vergoeding uit te sluiten iedere arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan geen medisch te
objectiveren afwijkingen of
symptomen kunnen worden vastgesteld, ook al is volgens medici van de in
aanmerking komende specialisme(n) sprake van
een herkenbaar en benoembaar
klachtenbeeld (en kan de arbeidsongeschiktheid in die zin dus medisch worden
vastgesteld).
Weliswaar is bij nauwkeurige
lezing van de artikelen 4 en 7, met de door de verzekeraar in de memorie van
grieven genoemde gevallen van
fybromyalgie, chronisch
vermoeidheidssyndroom en post-whiplashsyndroom voor ogen, een dergelijke
uitsluiting wel - zij het ook met enige moeite
- uit de tekst op te maken,
maar bedacht moet worden dat enerzijds een aspirant-verzekerde de
polisvoorwaarden nu juist niet met bepaalde
aandoeningen voor ogen zal
lezen, omdat immers bij het aangaan van de verzekering niet bekend is of en
zo ja door welke aandoening de
verzekerde zal worden
getroffen, terwijl anderzijds de verzekeraar mogelijkheden ten dienste
stonden om haar bedoeling duidelijker tot
uitdrukking te brengen,
namelijk door een uitdrukkelijke uitsluiting op te nemen voor gevallen van
fybromyalgie, chronisch vermoeidheidssyndroom
en post-whiplashsyndroom, door
die gevallen met name te noemen als voorbeelden van gevallen waarin geen
dekking wordt geboden, of op andere
wijze. Een dergelijke min of
meer expliciete formulering was ook daarom aangewezen, omdat artikel 2 van de
polisvoorwaarden het doel van de
verzekering geheel algemeen
omschrijft als het verlenen van uitkering bij derving van inkomen door de
verzekerde ten gevolge van diens
arbeidsongeschiktheid, welk
doel immers bij de door de verzekeraa voorgestane uitleg van de artikelen 4
en 7 niet in alle gevallen wordt
bereikt.
Het voorgaande voert het hof
tot de conclusie dat A. uit de tekst van de polisvoorwaarden niet behoefde af
te leiden dat geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou bestaan indien zij geen werkzaamheden kon verrichten als gevolg van een
aandoening waarvan
weliswaar geen medisch te
objectiveren afwijkingen/symptomen kunnen worden vastgesteld, maar waarbij
niettemin volgens medici van de in
aanmerking komende
specialisme(n) sprake is van een herkenbaar en benoembaar klachtenbeeld.
De omstandigheid dat de
verzekeringsovereenkomst door bemiddeling van een tussenpersoon werd
afgesloten - zoals de verzekeraar bij akte van 24
april 2001 heeft gesteld -
brengt in dit oordeel geen verandering, immers: gesteld noch gebleken is dat
de ingeschakelde hulppersoon op de
hoogte was van de door de
verzekeraar gehanteerde uitleg van het begrip arbeidsongeschiktheid en
evenmin zijn door de verzekeraar feiten en
omstandigheden gesteld die
meebrengen dat deze wetenschap aan A. kon worden toegerekend.
Het hof leest de stellingen van
de verzekeraar aldus dat zij ook betwist dat bij CVS gesproken kan worden van
een herkenbaar en benoembaar
klachtenbeeld als in
rechtsoverweging 3.10 bedoeld. Het hof acht het gewenst op dit punt een
deskundigenbericht te gelasten, waarbij een of
meer deskundigen van in
aanmerking komende medische disciplines zich uit dienen te laten over de vraagstelling
of binnen de beroepsgroep van de
in aanmerking komende
specialismen een heersende opvatting of een gevestigde mening bestaat wat
betreft de vraag of bij personen bij wie
de diagnose CVS wordt gesteld,
sprake is van een herkenbaar en om die reden ook benoembaar klachtenbeeld.
Het hof zal - alvorens tot benoeming
van de deskundige(n) over te
gaan - een comparitie van partijen gelasten, waarbij nadere inlichtingen bij
partijen zullen worden
ingewonnen. Deze comparitie zal
met name worden benut om partijen de gelegenheid te geven om zich nader uit
te laten omtrent de persoon van
de deskundige, zijn
specialisme, alsmede de aan deze deskundige te stellen vragen.
Iedere verdere beslissing wordt
aangehouden.
Het hof zal bepalen dat tegen
dit tussenarrest onmiddellijk cassatieberoep kan worden ingesteld.
4. Beslissing
Het hof:
- bepaalt dat partijen,
vergezeld van hun raadslieden, zullen verschijnen voor het tot
raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof
mr. P.Th. Gruendemann, die
daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie, aan de Leeghwaterlaan
8 te 's-Hertogenbosch op een nader te
bepalen dag en uur, met het
doel als vermeld in rechtsoverweging 3.10;
- verwijst de zaak naar de
rolzitting van dinsdag 29 oktober 2002 voor opgave door de beide procureurs
van de verhinderdata van partijen op
alle werkdagen in de maanden
november 2002 tot en met januari 2003;
- bepaalt dat partijen
bescheiden waarop zij een beroep willen doen, zullen overleggen door deze
uiterlijk twee weken voor de dag der
comparitie in kopie aan de
wederpartij en aan de raadsheer-commissaris toe te zenden;
- bepaalt dat tussentijds
cassatieberoep tegen dit arrest kan worden ingesteld;
- houdt iedere verdere
beslissing aan.
|