Bindende derdenbeslissing :
http://www.elfri.be/bindende-derdenbeslissing
In een overeenkomst kunnen partijen gelasten geschillen te beslechten of vaststellingen te verrichten, waarbij zij zich op voorhand verklaren zich te zullen schikken naar deze beslissing of dit advies.
Een dergelijke derdenbeslissing is gesteund op art. 1134 BW. Het is onderscheiden van een deskundigenonderzoek dat in tegenstelling tot de derdenbeslissing niet bindend is.
Rechtsleer M. Storme De bindende derdenbeslissing of het bindend advies ter voorkoming van geschillen, TPR 1984, 1264,42 en T.Vred. mei-juni 2006/5-6,206.
Deze derdenbeslissing wordt veelal toegepast inzake medische expertises, schattingen bij vereffeningen-verdeling en huurgeschillen inzake de vaststelling van de huurschade. De regels van het deskundigenonderzoek zijn er niet op,toepasselijk. Zie Vred. Sint Genesius-Rode 09-11-2004, T. Vred. mei-juni 2006, 206.
Rechtspraak:
• Hof van Beroep te Antwerpen,
RW 2008-2009, 2e Kamer – 7 juni 2006, RW
2008-2009, 1471 met noot De bindende derdenbeslissing: toch niet zo bindend? lees deze noot met het paswoord van
RW
samenvatting
Een akkoord tot benoeming van deskundigen, met
opdracht hebben buiten
de tussenkomst van
de rechter om, specifieke feiten vast te stellen en te beslissen mbt periodes en de
procenten van volledige en
gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit, en waarbij
hun verslag door de partijen onherroepelijk dient te worden aanvaard,
is een overeenkomst
die, voor zover geldig gesloten, de partijen tot wet strekt en als
een bindende derdenbeslissing dient te
worden beschouwd.
De verbindende kracht van
een dergelijke overeenkomst
reikt niet verder dan wat door de partijen was
overeengekomen.
tekst van het arrest
Feiten en
voorafgaande procedure
1. M.H. sloot op 20 november 1997 een contract
«leven» af met NV A.B.I. (hierna kort: A.B.I.)
waarbij in het geval van een
arbeidsongeschiktheid van minstens 25% vóór 1 november 2020 werd voorzien in een aanvullende waarborg, namelijk dat de verzekeraar (i) een terugstorting doet van
de premies die vóór de periode van invaliditeit
betaalbaar zijn en (ii) een
jaarlijkse rente uitbetaalt van 300.000 fr., d.i. 7.436,81 euro, op basis van 100% invaliditeit.
M.H. voert aan dat zij sinds juli 2000 lijdt aan het chronisch
vermoeidheidssyndroom (C.V.S.), met als gevolg een
arbeidsongeschiktheid van meer dan 25%. A.B.I.
keerde voor de periode van 21 augustus 2000 tot 2
oktober 2000 een bedrag van
2.056,65 euro (82.965 fr.) uit.
Op 26 oktober 2000 deelde A.B.I. aan M.H. mede dat vanaf
2 oktober 2000 de invaliditeitsgraad minder dan 25% bedroeg.
Op 16 februari 2001 zijn partijen conform art. 39
van hoofdstuk II van
de polisvoorwaarden overgegaan tot de ondertekening van het document «akkoord tot benoeming
van geneesheren-deskundigen», waarbij
dr. Van N. door M.H. werd aangesteld, dr. M.
optrad voor A.B.I., en waarbij als derde deskundige
dr. V. werd aangesteld, die enkel in geval van niet-akkoord tussen
deze deskundigen gelast zou worden tot het opstellen van een gemotiveerd en definitief verslag dat onherroepelijk aanvaard diende te worden door de
overige partijen. Het minnelijk medisch expertiseverslag van 23
juli 2002, gezamenlijk opgesteld door dr. Van N. en dr. M., besluit
dat M.H. lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom en
dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997.
2. M.H. heeft op 30 april 2003 A.B.I. gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg van
Hasselt (i) tot betaling van een provisioneel bedrag van
17.279,06 euro; (ii) tot de terugbetaling van de
door haar vóór haar periode van invaliditeit
betaalde premies, begroot op 1,00 euro provisioneel; (iii) tot betaling voor de
toekomst van een
jaarlijkse rente van
4.833,93 euro, maandelijks betaalbaar en (iv) tot
betaling van de verwijlinteresten vanaf de respectieve
vervaldata, minstens vanaf
de datum van ingebrekestelling, de gerechtelijke
interesten en de
gedingkosten.
De tegeneis van
A.B.I. strekte tot (i) nietigverklaring van de
verzekeringsovereenkomst, (ii) terugbetaling van 2.056,65 euro, vermeerderd met de renten vanaf 7 november 2000, (iii) de ontbinding van de overeenkomst van minnelijke expertise van 16 februari 2001 en van de minnelijke medische
expertise van 23
juli 2003 en (iv) de aanstelling van een gerechtelijke
deskundige.
Na tussenvonnis van
18 november 2004 waarin verzocht werd om bijkomende
documenten, werd in
het vonnis van 17 februari 2005 de eis van M.H. ontvankelijk
verklaard en de tegenvordering
van A.B.I. ontvankelijk
en gedeeltelijk gegrond verklaard. De overeenkomst tot minnelijke expertise
van 16 februari 2001 werd ontbonden ten laste van beide partijen en gerechtsdeskundige K. werd aangesteld.
3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van
dit hof op 9 maart 2005 heeft M.H., hierna genoemd
appellante, een naar vorm en
termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen
het vonnis van 17 februari 2005 tegen A.B.I., hierna genoemd
geïntimeerde.
Eisen in hoger beroep
4. Appellante verzoekt, na eisuitbreiding in hoger beroep, om geïntimeerde te
veroordelen tot (i) betaling van 65% van 7.436,81
euro, zijnde 4.833,33 euro per jaar, en dit vanaf juli 2000 tot op de datum van
de uitspraak; (ii) terugbetaling van de door haar
betaalde premies, begroot op 1,00 euro provisioneel; (iii) betaling voor de
toekomst van een
jaarlijkse rente van
4.833,93 euro, maandelijks betaalbaar; (iv) betaling van
de verwijlinteresten vanaf
de respectieve vervaldata, minstens vanaf de datum van
ingebrekestelling, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten. Zij
verzoekt aan haar voorbehoud te verlenen om haar
eis verder uit te breiden nl. in zoverre de
uiteindelijke invaliditeitsgraad boven de 65% zou
zijn.
5. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van
het hoger beroep. Zij stelt incidenteel beroep in
en verzoekt te zeggen
voor recht dat de verzekeringsovereenkomst «Leven» met contractnummer 4399670, gesloten tussen haar en haar verzekerde, nietig is.
Subsidiair verzoekt zij het bestreden vonnis te
bevestigen in zoverre het de overeenkomst van minnelijke medische expertise van 16 februari 2001 ontbonden
heeft verklaard, en nog meer subsidiair, in
zoverre de verzekeringsovereenkomst niet zou
nietig worden verklaard, een
gerechtsdeskundige aan te stellen.
Beoordeling in hoger beroep
6. Appellante vraagt de betaling van renten op basis van de bepalingen van de polis (aanvullende
waarborgen, bijzondere voorwaarden, p. 2 contract leven
nr. 4399670) alsook op basis van de
besluitvorming van de geneesheren-deskundigen in het
minnelijk medisch expertiseverslag van 23 juli 2002, die in hun besluit schrijven dat M.H. lijdt aan het chronisch
vermoeidheidssyndroom, dat dit niet aanwezig was vóór 1 november 1997 en dat hiervoor een graad
van gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit volgens polisvoorwaarden
geraamd kan worden op 65% vanaf
de datum van de aanvraag.
Geïntimeerde betwist het besluit van de deskundigen op basis van een beweerde tegenstrijdigheid
in het verslag en op basis van tekortkomingen van de deskundigen, omdat
zij hun opdracht, zoals gegeven in het document «akkoord tot benoeming
van geneesheren-deskundigen» van 16 februari 2001 niet correct en volledig zouden hebben uitgevoerd. Zij vraagt dat de overeenkomst tot benoeming van geneesheren- deskundigen, alsook
het op basis hiervan opgesteld verslag van 23 juli 2002, wordt ontbonden.
De eerste rechter oordeelde dat in het medisch deskundigenverslag
er tegenstrijdige elementen zijn opgenomen, dat de geneesheren-deskundigen geen motivering opgeven hoe
zij tot hun besluit zijn gekomen en dat zij de opdracht die aan hen
werd toevertrouwd niet correct hebben uitgevoerd.
De eerste rechter is om deze redenen overgegaan
tot de ontbinding van de overeenkomst tot minnelijke medische
expertise van 16
februari 2001 ten laste van
beide partijen en
oordeelt bijgevolg dat partijen, alsook de
rechtbank, niet meer gebonden zijn door deze
overeenkomst. De eerste rechter is alsdan
overgegaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige,
zoals door A.B.I. gevraagd, waarbij hij overweegt dat M.H. zich tegen deze aanstelling noch tegen
diens opdracht verzet.
7. Partijen hebben
via een overeenkomst
van 16 februari 2001, genaamd
«akkoord tot benoeming van
geneesheren-deskundigen», zonder de tussenkomst
van de rechter, geneesheren-deskundigen aangesteld
om bepaalde feiten vast te stellen en om een beslissing te nemen
aangaande de periodes en de procenten van volledige en
gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit.
In casu regelt art. 39 van hoofdstuk II van de algemene voorwaarden van de polis (waarvan de toepasselijkheid niet door partijen wordt betwist) op welke wijze een geschil m.b.t. de vaststelling van de echtheid, de graad en
de duur van de invaliditeit, dient te worden beslecht. Dit
artikel vermeldt dat bij meningsverschil tussen de verzekeraar en de
verzekerde, de verzekerde een minnelijke medische expertise kan
aanvragen, waarbij dan elk van de partijen een geneesheer aanduidt
die als expert optreedt en,
zo ze het niet eens kunnen
worden, beide experten
een derde aanduiden.
Er werd zodoende in de polis geopteerd om in
geval van betwisting dit te laten beslechten door derden, geneesheren-deskundigen. Deze
clausule vermeldt uitdrukkelijk dat deze expertise
de rechten en
excepties van de verzekeraar in geen geval enig nadeel kan
berokkenen.
In uitvoering van deze overeenkomst is het «minnelijk medisch expertiseverslag» van 23
juli 2002 opgesteld, gezamenlijk door dr. M. en door dr. Van N.
8. Geïntimeerde vraagt zowel de ontbinding van
het document «akkoord tot benoeming van geneesheren- deskundigen» van 16 februari 2001
als van het «minnelijk medisch expertiseverslag» van 23
juli 2002, en dit op grond van de beweerde onvolledige en
niet-correcte uitvoering die door de geneesheren M. en Van N. is gegeven aan hun
zending.
Appellante verweert zich hiertegen door aan te
voeren dat de overeenkomst
tot aanstelling van de deskundigen en de daaruit
voortvloeiende gezamenlijke
besluiten van deze
deskundigen op grond van
art. 1134, eerste lid, B.W. bindend zijn voor de
partijen, omdat een
overeenkomst partijen
tot wet strekt. In tegenstelling tot haar in
eerste aanleg subsidiair geuite akkoord m.b.t. de aanstelling van een
gerechtsdeskundige, stelt zij thans dat naderhand geen
gerechtelijke expert meer kan worden aangesteld, zoals de eerste rechter heeft gedaan.
Zij herhaalt haar oorspronkelijke eis gebaseerd op de besluitvorming in het
minnelijk medisch expertiseverslag.
Het «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen»
9. Zoals hierboven vermeld, betreft dit document een overeenkomst tussen partijen waarbij zij akkoord gaan met een minnelijke medische expertise betreffende
tussen hen
bestaande geschilpunten.
Art. 1108 B.W. bepaalt de voorwaarden die tot de
geldigheid van een
overeenkomst vereist zijn, namelijk de
toestemming van de partijen
die zich verbinden, hun bekwaamheid om contracten aan te gaan, een
bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenissen en een geoorloofde
oorzaak van de verbintenis.
Geïntimeerde brengt noch vormelijk, noch
inhoudelijk, enig element
aan m.b.t. de ongeldigheid van het «akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen». Er blijkt geen
betwisting te bestaan dat dit akkoord is genomen in uitvoering van art.
39 van hoofdstuk II van
de algemene voorwaarden
van de polis, en er
blijken ook geen
specifieke vormvereisten gesteld te zijn aan deze
overeenkomst, minstens
wordt dit niet ingeroepen door partijen.
Het hof dient zodoende
te besluiten dat de overeenkomst
rechtsgeldig is gesloten en
zodoende partijen strekt
tot wet (art. 1134, eerste lid, B.W.).
10. Geïntimeerde baseert zich op de beweerde onvolledige en niet-correcte uitvoering van
deze overeenkomst door de deskundigen om de ontbinding ervan
te vragen.
Krachtens art. 1184, tweede lid, B.W. kan de ontbinding
van een overeenkomst worden gevorderd
in het geval dat één van beide partijen in een wederkerig
contract haar verbintenis niet nakomt. In casu
blijken zowel appellante als geïntimeerde
uitvoering te hebben gegeven
aan deze overeenkomst: de derde deskundigen zijn aangesteld en hun
aanstelling heeft geleid tot het expertiseverslag
van 23 juli 2002.
De beweerde fouten op basis waarvan de ontbinding van de
overeenkomst tot aanstelling van de geneesheren-deskundigen wordt
gevraagd, betreffen geen
fouten van de
partijen aan deze overeenkomst,
zijnde de verzekerde (appellante) en de
verzekeraar (geïntimeerde), maar een beweerde fout van de derden (geneesheren-deskundigen) die in
deze overeenkomst zijn aangesteld.
Het akkoord tot minnelijke medische expertise heeft als voorwerp de aanstelling van deskundigen. Er werd
door de partijen uitvoering gegeven aan dit akkoord. Er wordt door geïntimeerde geen enkel element aangebracht dat appellante een
fout heeft begaan bij de uitvoering van de overeenkomst,
namelijk bij de aanstelling van de deskundigen.
De wijze waarop de in een overeenkomst aangestelde deskundigen
zich van hun opdracht kwijten, is vreemd aan het consensualisme
dat de wilsovereenstemming tussen de partijen aan deze
overeenkomst schraagt en
kan niet tot de ontbinding van deze overeenkomst leiden op basis van art. 1184 B.W., maar in voorkomend geval wel tot de gebeurlijke niet-bindendverklaring van het
besluit van de geneesheren-deskundigen t.o.v.
deze partijen.
Het Hof besluit dat bij gebrek aan bewijs van enig wilsgebrek of enige
andere fout van de
partijen er geen
aanleiding bestaat om de eis van geïntimeerde tot
ontbinding van het document
«akkoord tot benoeming van
geneesheren-deskundigen» van 16 februari 2001
ten laste van
appellante gegrond te verklaren.
De geldigheid van deze overeenkomst wordt zodoende
door het hof aanvaard, en het eerste vonnis dient wat dit onderdeel betreft hervormd te worden. De partijbeslissing tussen
appellante en geïntimeerde tot aanstelling van geneesheren-deskundigen om hun
geschil te beslechten strekt deze partijen tot wet.
Minnelijk medisch expertiseverslag
11. Hoewel tussen partijen
geen betwisting bestaat dat de op 16 februari
2001 gesloten overeenkomst
tot minnelijke medische expertise
hen tot wet strekt overeenkomstig
art. 1134, eerste lid, B.W., strekt deze bindende
kracht weliswaar niet verder dan tot wat door de consensus
van partijen wordt
gedragen.
Partijen hebben, op
grond van hun wilsautonomie, hun beslissingsrecht
overgedragen aan de geneesheren- deskundigen M. en Van N. en gebeurlijk aan een
derde geneesheer in geval van
niet-akkoord van beiden.
Deze derdenbeslissing komt in de plaats van hun eigen
beslissingsrecht, maar weliswaar enkel m.b.t. die
elementen die door
de partijen in hun opdracht aan deze deskundigen is gegeven.
In casu was de zending van
de deskundigen tweeledig, namelijk (i) een onderzoek en een analyse van de
pathologische antecedenten
van appellante en
(ii) de kwantificatie van de periode en de procenten van volledige en gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van appellante.
Ongeacht de al dan niet bindende kracht die
partijen aan de besluitvorming van de door hen
aangestelde deskundigen geven, komt het het Hof toe om het minnelijk medisch expertiseverslag, genomen in uitvoering van de
overeenkomst van 16
februari 2001, te toetsen aan deze overeenkomst, namelijk of de deskundigen voldaan hebben aan de
hen verstrekte opdracht.
De rechterlijke controle betreft de uitvoering van
de overeenkomst tot aanstelling van de deskundige. Het minnelijk deskundigenonderzoek is alleen
geldig binnen de voorwaarden
die partijen zelf gewild hebben hoe dit onderzoek zou verlopen,
en de inhoud van de
opdracht die de partijen aan de deskundigen hebben gegeven, is hier een wezenlijk onderdeel van.
In casu is de opdracht van de deskundigen in het compromis tot minnelijke medische expertise
nauwkeurig omschreven, en
de rechter kan het minnelijk medisch expertiseverslag
hieraan toetsen.
12. Appellante en geïntimeerde hebben contractueel in «het akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» vastgelegd wat de opdracht van
de deskundigen inhield. Het minnelijk medisch expertiseverslag herneemt in zijn aanvang deze opdracht, namelijk:
«1. De pathologische toestand van de verzekerde
te beschrijven en
eventueel te zeggen
of het slachtoffer vóór 1 november 1997 was aangetast door enige voorafbestaande aandoening;
in dat geval te bepalen of en in welke mate deze reeds bestaande aandoening of elke voorafgaande, ziekelijke toestand of
ieder andere vreemde oorzaak zelfs van
niet-pathologische oorsprong invloed kunnen
uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels.
«2. Na de nodige onderzoeken uitgevoerd te hebben en aan de hand van objectieve gegevens,
in gemeen akkoord de perioden en de procenten vast te stellen van de volledige en gedeeltelijke invaliditeit, zich daarbij baserend op de algemene en de bijzondere voorwaarden
van het verzekeringscontract «A.
Premievrijstelling». Deze invaliditeit zal worden
bepaald in evenredigheid met het verlies van de fysieke geschiktheid van
de verzekerde tot het uitoefenen van om het even welke
beroepsactiviteit die verenigbaar is met zijn kennis, zijn bevoegdheden en zijn sociale rang, echter zonder eventuele complicaties of invaliditeiten of ongeschiktheden
vastgesteld uit hoofde van punt 1 van deze opdracht aan te rekenen».
Geïntimeerde voert aan dat de geneesheren-deskundigen het eerste
deel van de hen
opgelegde opdracht niet hebben uitgevoerd. Zij
beweert dat de geneesheren
minstens hun bevindingen
m.b.t. het niet- bestaan van C.V.S. bij
appellante vóór de datum van 1 november 1997 hadden moeten motiveren, temeer daar uit de bevindingen
in het verslag van de bijhorende documenten bleek dat appellante sedert 1993 reeds klachten had die wezen op
C.V.S.
13. Het hof stelt inderdaad vast dat in de hoofding «doorname van de documenten» wordt verwezen naar
«klachten van
vermoeidheid begonnen in 1993».
In de opdracht was begrepen onder punt 1 dat de geneesheren-deskundigen dienden te bepalen of en «in welke mate enige
voorafbestaande aandoening of elke
voorafgaandelijke ziekelijke toestand of iedere andere vreemde oorzaak zelfs van niet-pathologische oorsprong» invloed kunnen uitoefenen op de ernst
of de ontwikkeling van de letsels. De
omschrijving «reeds bestaande aandoening of elke
voorafgaande ziekelijke toestand of ieder andere vreemde oorzaak zelfs van niet-pathologische oorsprong» is zeer ruim, zodat
de verwijzing naar «klachten van vermoeidheid begonnen
in 1993» aanleiding had dienen te geven tot een onderzoek door
de geneesheren-deskundigen of deze klachten een invloed konden uitoefenen op de ernst of de ontwikkeling van de letsels.
Dit onderzoek is ontegensprekelijk niet geschied,
minstens toont appellante niet aan dat dit
gebeurd is, omdat van dit onderzoek geen melding is gemaakt in het verslag, dat enkel een opsomming
(doorname) bevat van de medische
documenten.
...
Het eigen onderzoek van
appellante en het op basis van dit onderzoek aangebrachte verweer kan niet in de
plaats worden gesteld van
het onderzoek dat de deskundigen conform de overeenkomst tot hun aanstelling hadden
dienen te voeren.
Ten onrechte beperkt appellante ook de
rechterlijke controle in casu tot een marginaal
toetsingsrecht waarbij zij aanvoert dat het minnelijk expertiseverslag
alleen opzijgeschoven
kan worden in geval van
een grove vergissing of nalatigheid in de medische beoordeling, waarvan
de bewijslast op geïntimeerde rust. Ook hierin volgt het hof appellante niet,
omdat, zoals hierboven reeds geoordeeld, de
rechter het minnelijk deskundigenverslag vermag
te toetsen aan de opdracht die in de overeenkomst tot aanstelling van
deskundigen is opgegeven.
Het betreft zodoende geen
inhoudelijke toetsing van de bevindingen van de deskundigen, maar een rechterlijke
controle op de uitvoering door de deskundigen van hun opdracht, zoals neergeschreven in de overeenkomst
waarin zij zijn aangesteld.
15. Het hof besluit zodoende dat de deskundigen hun opdracht niet conform aan «het akkoord tot benoeming van geneesheren-deskundigen» hebben uitgevoerd.
Geïntimeerde vraagt het hof de «ontbinding» van
zowel het minnelijk akkoord tot aanstelling van
de deskundigen als van
het minnelijk expertiseverslag. Geïntimeerde
vraagt niet dat het hof zou uitspreken dat de expertise wordt aangevuld of verbeterd.
Hierboven oordeelde het hof reeds dat een en ander niet tot de
ontbinding van deze overeenkomst
tot aanstelling van deskundigen kan leiden, maar wel
in voorkomend geval tot de gebeurlijke niet-bindendverklaring van het
besluit van het deskundigenverslag
voor deze partijen.
Het hof is van oordeel dat op basis van de hierboven
weergegeven overwegingen
en gelet op de niet-naleving van de zending door de
deskundigen, aan de besluitvorming van het expertiseverslag
niet de waarde kan worden gehecht die partijen hebben bedoeld in de
overeenkomst tot aanstelling van deskundigen en hen derhalve niet
bindt.
16. Daar blijkt dat (i) partijen uitvoering hebben gegeven aan hun conventioneel overeengekomen wijze om hun geschil op te lossen; (ii) deze uitvoering onwerkdadig is gebleven en (iii) derhalve ter
oplossing van hun geschil de aanstelling van een
gerechtsdeskundige nodig is, bevestigt het hof het eerste vonnis in zoverre
daardoor een gerechtsdeskundige werd aangesteld,
met de opdracht zoals door de eerste rechter gegeven.