Moet het chronisch vermoeidheidssyndroom
erkend worden?
Bron: Tijdschr. voor Geneeskunde, 55, nr.
24,1999
E. NEERINCKX 1, B. VAN HOUDENHOVE 1,3
S. VANTHUYNE 1, M. VANDEN WYNGAERT 2
Dienst Psychiatrie, Psychosomatische Revalidatie. Universitaire Ziekenhuizen.
KU. Leuven.
Christelijke Mutaliteiten, Antwerpen
Corrspondentieadres: prof dr. B. Van Houdenhove, Dienst Psychiatrie.
Psychosomatische Revalidatie, Universitaire Ziekenhuizen KU, Leuven,
Weligerveld 1, 3212 Lubbeek
Samenvatting
In dit artikel wordt de vraag naar de erkenning van het chronische-
vermoeidheidsyndroom (CVS) en fibromyalgie ter discussie gesteld. Naast een
kritische analyse van deze vraag, wordt besproken hoe arbeidsongeschiktheid bij
deze patiënten objectief en zonder beroep te doen op
pseudo-objectiveringsstrategieën kan worden geëvalueerd. Ten slotte wordt meer
algemeen de vraag aan de orde gesteld hoe onze moderne maatschappij met CVS en
fibromyalgie - als eigentijdse vormen van stressgebonden ziek-zijn - dient om
te gaan.
Inleiding
Het chronische-vermoeidheidsyndroom (CVS) is ,,in". De wetenschappelijke
literatuur rond het syndroom is nog nauwelijks bij te houden. Ook de media zien
in toenemende mate brood (lees kijkcijfers) in het ten tonele voeren van zwaar
geïnvalideerde CVS-patiënten. Bovendien duikt recentelijk ook
getuigenisliteratuur op, waarin bekende medeburgers zich als het slachtoffer
van de ziekte blootgeven (1,2).
Hoewel de controverse rond de etiologie groot blijft, geraken steeds meer
onderzoekers ervan overtuigd dat CVS- en het grotendeels overlappende
fibromyalgiesyndroom -- multifactoriële, stressgebonden aandoeningen zijn die
door een samenspel van somatische, psychologische en sociale factoren op gang
worden gebracht en onderhouden (3. 4).
Van de getroffen patiënten krijgt men telkens opnieuw te horen: "wanneer
wordt onze ziekte nu eindelijk erkend?" Op het eerste gezicht lijkt dit
een begrijpelijke en evidente vraag. Bij nader toezien echter is deze vraag (en
het antwoord) allesbehalve vanzelfsprekend: verschillende dimensies kunnen er
immers in worden onderscheiden. Enige voorafgaandelijke reflectie is dus
gewenst.
Welke erkenning?
De vraag naar erkenning situeert zich eigenlijk op drie niveaus:
het erkennen van het subjectieve ziektegevoel (illness) van de patiënt en het
daarmee gepaard gaande persoonlijke en familiale lijden:
het erkennen van de klachten van de patiënt als deel uitmakend van een gedefinieerde
en beschreven diagnostische entiteit (disease); en
het erkennen van het disfunctioneren van de patiënt dat eventueel aanleiding
kan geven tot arbeidsongeschiktheid (disability).
Ziektegevoel en lijden
Laten we er niet aan twijfelen: chronische vermoeidheid en chronische pijn
vormen een bron van ernstig fysiek en psychisch lijden, niet alleen voor de
patiënt, maar ook voor zijn of haar familie. Immers, naast het fysieke en
emotionele onwelzijn brengen de klachten ingrijpende gevolgen met zich op verschillende
domeinen van het leven: verlies van fysieke en mentale
mogelijkheden, van sociale contacten, van financiële zekerheid, van
zelfwaardegevoel...
En toch stuiten deze patiënten heel vaak op onbegrip. Immers, pijn en moeheid
zijn bij uitstek subjectieve verschijnselen. "Het staat niet op je gezicht
te lezen", zoals de patiënten het vaak verwoorden. En bij grondig
somatisch onderzoek heeft men toch niets kunnen vinden?
Niet alleen in hun naaste omgeving, maar ook bij artsen voelen CVS- en
fybromyalgie patiënten zich vaak onbegrepen. Sommigen krijgen zonder meer de
boodschap, dat zo eigenlijk niets mankeren. Anderen krijgen (subtiele of
overduidelijke) signalen "dat ze zich aanstellen". Vooral over
ervaringen met adviserend geneesheren weten nogal wat patiënten schrijnende
verhalen te vertellen.
Het protest van patiënten tegen deze vorm van niet-erkenning is ongetwijfeld
terecht. Het zou in onze geneeskunde een vanzelfsprekendheid moeten zijn dat
klachten - van welke aard ook - steeds ernstig worden genomen. Zich-ziek-
voelen komt er nooit zomaar: er zit altijd een stoornis of een probleem achter.
Als er geen (of geen duidelijke) somatische oorzaken gevonden worden, is het de
taak van de arts op zoek te gaan naar andere verklaringsgronden.
Wellicht worden de klachten dan begrijpelijk vanuit het bredere perspectief van
de levenssituatie.
Wanneer CVS- of fibromyalgie patiënten in hun ziektegevoel niet worden erkend,
lijden ze dubbel. Bovendien zullen ze alles in het werk stellen om deze
erkenning alsnog te bekomen, desnoods via oeverloze dokter-shopping, of door
hun klachten te overdrijven. En ten slotte: deze krampachtige zoektocht naar
legitimatie zal ongetwijfeld pogingen tot functionele verbetering of herstel in
de weg staan. Immers, zoals een Amerikaans auteur het in een editoriaal over
fibromyalgie uitdrukt: "wanneer je moet bewijzen dat je ziek bent, kun
je niet beter worden" (5).
Diagnostische entiteit?
De ziektebeelden van CVS en fibromyalgie kunnen klinisch worden herkend aan de
hand van een cluster van geassocieerde klachten, met name slepende, organisch
onverklaarde fysieke en mentale vermoeidheid, inspanningstolerantie en diffuse
musculoskeletale pijn, soms (maar niet altijd) gepaard met verschijnselen die
een immunologische verstoring suggereren (6).
Wat de diagnosestelling betreft, werden zowel voor CVS als voor fibromyalgie op
consensus gebaseerde operationele criteria geformuleerd (7, 8). De empirische
onderbouwing van deze criteria is zeer voorlopig, en hun voornaamste
bestaansreden is het onderzoek te vergemakkelijken. Dit neemt niet weg dat
zowel clinici als patiënten zich krampachtig en kritiekloos aan deze criteria
vastklampen. Zo komen tegenwoordig Fibromyalgie patiënten bij de controlearts
met het zwart-op-wit-bewijs dat minstens 11 van de 18 vereiste "tender
points" positief zijn bevonden (en wat dan met de pechvogels die er
maar 10 hebben, of - mutatis mutandis - met verontwaardigde chronisch
vermoeiden aan wie de CVS-diagnose wordt onthouden, alleen maar omdat ze
slechts op 3 nevencriteria positief scoorden?.....)
Wat de diagnostische rubricering betreft, is de situatie vrij chaotisch. In het
internationale ziekteclassificatiesysteem ICD-9 kunnen de klachten van
CVS-patiënten worden ondergebracht in een somatische rubriek, als nietgespecificeerde
encefalopathie; in een psychiatrische rubriek, als psychogene asthenie; of
eventueel in een "rest"-rubriek, onder de slecht gedefinieerde
klachten. De recentelijk herziene (maar in België nog niet officieel gebruikte)
ICD-10-versie heeft in de rubriek ziekten van het zenuwstelsel de subcategorie
postviraal vermoeidheidsyndroom/benigne myalgisehe encefalomyelitis (G93.3)
opgenomen. In het psychiatrisch classificatiesysteem DSM-IV ten slotte kan
organisch onverklaarde
vermoeidheid eventueel haar plaats vinden onder de ongedifferentieerde
somatoforme stoornissen.
Fibromyalgische pijnklachten kunnen in de ICD-9 als dusdanig gediagnosticeerd
worden binnen de rubriek ziekten van het musculoskeletaal en
bindweefselsysteem; ze kunnen eventueel ook thuishoren in de categorie
psychogene myalgie - overigens een veranderde term. Ten slotte biedt de
psychiatrische DSM-IV-categorie pijnstoornis eveneens voldoende diagnostische
ruimte om en fibromyalgielijders in op te nemen.
Een dergelijke Babelse verwarring is symptomatisch voor de onzekerheden en
controversen waarmee beide aandoeningen nog steeds zijn omgeven, zowel op
epidemiologisch, etio-pathogenetisch als therapeutisch vlak. Alleen toekomstig
onderzoek kan verdere opheldering brengen over het precieze diagnostische
statuut van de syndromen (9). In afwachting moeten CVS en fibromyalgie worden
erkend als syndromen die voorlopig enkel door beschrijvende diagnostische
etiketten kunnen worden gekenmerkt, etiketten die een zekere eenheid in de
klachten kunnen brengen, verdere doctor-shopping kunnen voorkomen, en het
uitgangspunt kunnen vormen voor een revalidatiegerichte aanpak (3).
Disfunctioneren en arbeidsongeschiktheid
Conform met de richtlijnen van de Wereld-gezondheidsorganisatie dient bij elke
vorm van ziek-zijn onderscheid te worden gemaakt tussen klachten, afwijkingen,
en disfuncties of functionele beperkingen. In het eerste geval gaat het om
uitingen van een subjectief ziektegevoel (moeheid, pijn...), in het tweede om
vaststelbare stoornissen op lichamelijk of psychisch vlak, en in het derde om
de gevolgen van klachten en afwijkingen voor het dagelijkse leven (waaronder
eventuele beroepsactiviteit).
Een fundamenteel gegeven hierbij is dat arbeidsongeschiktheid nooit alleen
gebaseerd kan worden op klachten, en evenmin op afwijkingen. Zowel bij CVS- als
bij fibromyalgiepatiënten werden bijvoorbeeld - in het kader van
wetenschappelijk onderzoek - verlaagde cortisolspiegels, immunologische
abnormaliteiten en stoornissen van de functionele hersenactiviteit gevonden,
maar dergelijke afwijkingen hebben op zich geen enkele relevantie ten aanzien
van arbeidsongeschiktheid.
Anderzijds vertonen CVS- en fibromyalgie-patiënten vaak geassocieerde fysieke
en psychiatrische stoornissen die kunnen leiden tot ernstige disfuncties:
achteruitgang van de fysieke conditie, samengaande paniek- aanvallen,
chronische hyperventilatie, ernstige slaapstoornissen, reactieve depressie,
enzovoort. Het spreekt vanzelf dat dergelijke stoornissen neerwaartse spiralen
vormen die uiteindelijk een zware hypotheek kunnen
leggen op de arbeidscapaciteit van de patiënt.
Ten slotte kan nog worden vermeld dat het al dan niet kunnen aantonen van een
ziekteoorzaak of het kunnen stellen van een diagnose op zich evenmin relevant
is met betrekking tot arbeidsongeschiktheid (10).
Hoe arbeidsongeschiktheid evalueren?
Functionele beperkingen vormen een noodzakelijke, maar geen voldoende
voorwaarde voor arbeidsongeschiktheid. Een onvermogen tot professionele
activiteit dient immers steeds te worden gesitueerd binnen een maatschappelijke
context, meer bepaald de concrete arbeidssituatie van de patiënt en de
wettelijk geregelde modaliteiten tot inkomstvervangende
vergoedingen (11, 12).
De vraag naar de evaluatie van arbeidsongeschiktheid van de CVS- of Fibromyalgie
patiënt moet dan ook als volgt worden gepreciseerd:
Hoe kan een zo objectief mogelijk zicht worden verkregen op de functionele
beperkingen van de patiënt, zowel op fysiek als op mentaal vlak? En in welke
mate tasten deze beperkingen zijn vermogen tot bezoldigde
beroepsactiviteit aan?
In het hierna volgende zullen we vooral ingaan op de strategieën die een
objectieve evaluatie van functionele beperkingen mogelijk maken. Hiertoe moeten
we eerste enkele beschouwingen wijden aan de term "objectief".
Objectiviteit: niet alleen visueel meten
Etymologisch verwijst de term "objectief" naar datgene wat men
"voor zich uit kan plaatsen", met andere woorden, wat niet met
zichzelf samenvalt (in dit laatste geval wordt de term "subjectief"
gebruikt). Objectief meten betekent bijgevolg dat men tot valide en betrouwbare
vaststellingen kan komen, onafhankelijk van de eigen interpretatie (of bias)
van diegene die
vaststelt. Nog anders uitgedrukt: voorwaarden tot objectiviteit zijn dat de
vaststellingen beantwoorden aan de werkelijkheid en herhaalbaar zijn.
In onze westerse geneeskunde echter wordt "objectief" vaak
gelijkgesteld met wat visueel kan waargenomen of gemeten worden. Met andere
woorden, de term wordt vaak als synoniem gebruikt voor de aanwezigheid van
zichtbare afwijkingen, alsof objectiviteit in eerste instantie een kwestie zou
zijn van zien.
Nochtans kan de nadruk op het zien in relatie tot objectiviteit in vraag worden
gesteld. Bij vele psychiatrische ziektebeelden bijvoorbeeld - zoals depressie
of dwangstoornis - zijn er geen zichtbare afwijkingen, en toch twijfelt niemand
aan de objectiviteit ervan, ten minste op voorwaarde dat de klachten en
beperkingen van deze patiënten beantwoorden aan een innerlijk consistent
patroon, dat valide en betrouwbare vaststellingen mogelijk maakt.
Geldt hetzelfde niet voor CVS- en fibromyalgiepatiënten? Ook bij hen is
objectief vaststellen per definitie geen kwestie van visueel waarnemen, maar
veeleer van luisteren (10). Meer bepaald is het mogelijk om via een zorgvuldige
ondervraging van de patiënt een logisch samenhangende cluster van klachten en
functionele tekorten aan het licht te brengen, die een
herkenbare, coherente "Gestalt" vormen, waardoor bij een ervaren
onderzoeker de meeste twijfels rond het willekeurig of gesimuleerd karakter
ervan worden weggenomen.
Het objectiviteitsgehalte van het disfunctioneren kan verder op een nog meer
nauwkeurige en gedifferentieerde wijze gedocumenteerd worden via het gebruik
van psychometrische instrumenten, zoals de Sickness Impact Profile, de
Multidimensionale Pijn vragenlijst. en dergelijke (13).
Ook informatie vanwege significante derden (partner, werkgever...) kan een
nuttige aanvulling vormen om een ze waarheidsgetrouw mogelijk beeld te
verkrijgen van wat een bepaalde patiënt in het dagelijks leven en op het vlak
van de vroegere beroepsactiviteit nog kan en niet meer kan.
Ten slotte kunnen diverse fysiologische en neurocognitieve parameters aan een
systematische testing worden onderworpen. De resultaten hiervan mogen echter
nooit als "alleen-zaligmakend" worden beschouwd, maar dienen steeds
geïnterpreteerd te worden binnen de bredere context van het disfunctioneren en
tegen de achtergrond van het zorgvuldig luisteren naar het verhaal van de
patiënt.
Testen van spierkracht en inspannings(in)tolerantie
Het meten van de maximale spierkracht en inspanningscapaciteit (via
cyclo-ergometrie en/of spirometrie) kan een beeld geven van de mate waarin de
patiënt ten gevolge van zijn chronische moeheid- en pijnklachten fysiek is
gedeconditioneerd (14). Meerdere onderzoekers wijzen er echter op dat de
resultaten van deze tests in hoge mate worden beinvloed door cognitieve
factoren, bijvoorbeeld de wijze waarop de patiënt de subjectieve
gewaarwordingen tijdens de inspanningsproef voor zichzelf benoemt en
interpreteert, evenals door stress-gebonden fysiologische mechanismen zoals
hyperventilatie (15, 16).
De zaak wordt nog complexer als men rekening houdt met de bevinding van
Nederlandse onderzoekers die vonden dat bij fibromyalgiepatiënten de ernst van
de gerapporteerde beperkingen veel hoger lag dan de scoring ervan door
onafhankelijke observatoren (17). Moet men dan zo ver gaan als Wolfe die
suggereert dat men fibromyalgiepatiënten tijdens de consultatie of zelfs bij
hen thuis zou moeten kunnen gadeslaan door het oog van een verborgen camera
(18)?
Testen van neuropsychologisch disfunctioneren
Via gesofisticeerd neuropsychologisch test-onderzoek kan een zo nauwkeurig
mogelijk zicht worden verkregen op de beperkingen die zich op mentaal vlak bij
CVS- en fibromyalgie-patiënten stellen. Zowel de motorische en sensoriscbe
functies, snelheid van informatie-verwerking, aandachtsfunctie, taal,
perceptie, redenerings- en probleemoplossend vermogen, als diverse aspecten van
de geheugenfunctie kunnen worden nagegaan. Ervaren neuropsychologen kunnen
hierbij ook de rol van motivatie, gemoedstoestand en eventuele simulatie
ontdekken.
De meeste onderzoekers wijzen erop dat de door de patiënten gemelde cognitieve
tekorten niet altijd de toets van een rigoureuze neuropsychologische testing
kunnen doorstaan - met uitzondering van een verminderd vermogen tot volgehouden
aandacht en moeilijkheden met complexe informatieverwerking (19, 20).
De RNase-test: een pseudo-objectiveringsstrategie
Hoewel een mogelijk biologisch substraat van CVS vooralsnog 1 groot vraagteken
blijft, hebben recentelijk nogal wat artsen en (vooral) patiënten hun hoop
gesteld op de ontwikkeling van een "diagnostische test", onder de
vorm van een "objectief meetbare" enzymstoornis. ook de media hebben
hiertoe in de voorbije jaren geregeld hun steentje bijgedragen (3).
Veel patiënten koesteren zelfs de illusie dat een positieve enzymtest hun
ziek-zijn en de hiermee verbonden beperkingen zal bewijzen"; meer nog, ze
verwachten dat hun problemen rond arbeidsongeschiktheid hierdoor definitief van
de baan zullen zijn. Afgezien van de klinische en wetenschappelijke kritiek die
men op een dergelijke test kan uitoefenen (21, 22), willen we onderstrepen dat
de patiënt hierdoor letterlijk op het verkeerde been wordt
gezet: het weze immers herhaald dat het al dan niet positief scoren op welke
fysiologische test dan ook op zich nooit de legitimatie kan vormen van
arbeidsongeschiktheid!
Tijd voor een maatschappelijk debat
Onlangs voorspelde de Wereldgezondheids-organisatie dat depressie een van de
grootste gezondheidsproblemen van de 2lste eeuw zal worden. Aangezien veruit de
meeste depressies door psychosociale stress worden uitgelokt, kan ook een
toename van stressgebonden lichamelijke aandoeningen - zoals CVS en
fibromyalgie - worden verwacht. Hoe dient onze maatschappij hier in de
toekomst mee om te gaan?
Ziekten van deze tijd?
Stressgebonden klachten zijn van alle tijden. De laatste decennia echter lijken
vage pijnen en vermoeidheid een voorkeursrol te krijgen als somatische
uitdrukkingsvormen van psychisch onwelzijn, en steeds meer de vroegere
pseudo-neurologische conversiesymptomen te vervangen (23). Hierbij komt dat de
media een belangrijk aandeel hebben in de epidemische verspreiding van moderne
ziekte-etiketten die op deze klachten worden geplakt: naast CVS en fibromyalgie
zijn er multipele chemische overgevoeligheid, gulf-war-syndroom,
sick-building-syndroom, enzovoort (23). (De recente mini-epidemieën van
"vergiftigingsverschijnselen" door coca-cola liggen wellicht in
dezelfde lijn).
De toenemende medische belangstelling voor deze klachten, die tot voor enkele
decennia in een uitsluitend psychiatrisch kader werden geïnterpreteerd, loopt
parallel met het toenemende inzicht in de stressfysiologie: het wordt immers
steeds waarschijnlijker dat stress-gebonden disfuncties in het neuro-endocriene
systeem, het immuunsysteem en de centrale pijnverwerkings- mechanismen een
pathogenetische rol in deze klachten spelen (4).
Daarnaast stellen velen zich de vraag of onze moderne westerse maatschappij,
met haar steeds meedogenlozer wordende prestatie- en consumptiedruk, en haar
steeds losser wordende familiale en sociale verbanden, stressgebonden
aandoeningen niet in toenemende mate in de hand werkt. Zouden CVS en
fibromyalgie in die zin niet beschouwd kunnen worden als eigentijdse symptomen
van een "zieke" maatschappij, waarbij de meest kwetsbare individuen
het uiteraard als eersten begeven...?
Schadeloosstelling?
Onderzoek heeft aangetoond dat de meeste CVS- en fibromyalgiepatiënten vroeger
dynamische, actiegerichte persoonlijkheden waren. Velen onder hen vertoonden
zelfs een manifest overactieve levensstijl, een overtrokken perfectionistische
attitude, een neiging tot overschatten van de eigen mogelijkheden en grenzen,
en een sterk prestatie-afhankelijk zelf-
waardegevoel (16).
Door de vermoeidheids- en pijnklachten wordt op brutale wijze een punt achter
dit alles gezet. Zodra hun besef groeit dat een "terug-keer naar
vroeger" wellicht niet haalbaar is. gaan de meeste patiënten ervan uit dat
de maatschappij hen schadeloos moet stellen, onder de vorm van een ziekte- of
invaliditeits-uitkering. Voor eventueel werkverlies door ziekte (en de hieruit
voortvloeiende financiële gevolgen) hebben ze zich - in tempore non suspecto -
toch verzekerd?.... Nochtans is het verre van evident welke vergoedingen onze
maatschappij dient te voorzien voor mensen die bezwijken onder stressgebonden
lichamelijke klachten: een serieus medisch-sociaal debat rond deze thematiek
dringt zich onverwijld op (12, 24).
CVS- of fibromyalgiepatiënten die door de ziekteverzekering worden afgewezen,
voelen zich in ieder geval onrechtmatig behandeld. In hun beleving impliceert
dit immers een diskwalificatie van hun ziek-zijn. Velen stellen verbitterd de
vraag "waarom ze gedurende al die jaren sociale bijdragen hebben
betaald...?" Een toenemend aantal patiënten stappen - al dan niet gesteund
door een zelfhulpgroep - om via medieolegale weg alsnog "erkenning"
af te
dwingen. Tijdens soms jarenlang aanslepende juridische procedures getuigen ze
hierbij niet zelden van een verbetenheid die opvallend contrasteert met hun
onvermogen op andere terreinen van hun leven.
Invaliditeit of herstelbegeleiding?
Erkenning van het authentieke ziektegevoel, het reeële lijden en de (soms zeer
ernstige) functionele beperkingen van de CVS- of fibromyalgiepatiënt hoeft
zeker niet uit te monden in definitieve invaliditeit. Integendeel: in vele
gevallen kan deze vermeden worden als de patiënt een helpende hand wordt
gereikt om uit de neerwaartse spiralen te geraken en optimaal met zijn
beperkingen te leren omgaan. Dit vraagt echter niet alleen van de patiënt
belangrijke aanpassingen qua levensstijl, levensdoelen, financiële ambities,
enzovoort, maar het impliceert ook dat de medisch-sociale en professionele
instanties bereid zijn tot een meer tegemoetkomende, flexibele, en vooral
toekomstgerichte houding.
Het laatstgenoemde aspect mag in geen geval ontbreken in het te voeren
medisch-sociaal debat. Wordt het immers niet de hoogste tijd dat de ziekte- en
invaliditeitsverzekering afstapt van haar obsolete .,alles-of-niets"-
criteria voor het vergoeden van deficits, om zich in plaats daarvan
fundamenteel te heroriënteren op het aanbieden en aanmoedigen van een
realistische en pragmatische herstelbegeleiding (3,11,25)?
LITERATUUR
DORRESTEIN R. Heden Ik. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 1993.
SAFFLOER L. Te moe om te sterven. Overleven met het chronisch
vermoeidheidssyndroon,. Leuven: Davidsfonds, 1999.
VAN HOUDENHOCE B. Ziek zonder ziekte. Beter begrijpen van psychosomatische
klachten. Lannoo: Tielt, 1998.
WESSELY 5, HOTOPF M. SHARPE M. Chronic fatigue and its syndromes. Oxford: Oxford Liniversity Press, 1998.
HADLER N. Fibromyalgia: La Maladie est Morte. Vive le Malade! (editorial) I Rheumatol 1997; 24: 1250-1252.
VAN HOUDENHOVE B, FISCHLER B, NEERINCKX E. Chronitch vcrmoeidheidssyndroom:
eindpunt van een multifactoreel proces. Neuron 1997; 3:
31-38.
FUKUDA K, STRAUSS, HICKI. SHARPE M. DOBBINS J KOMAROFF A. The chronic fatigue
syndrome: a comprehensive approach to its definition and study.
International Chronic Fatigue Syndrome Study Group, Ann Intern Med 1994; 121:
953-959.
WOLFF F, SMYTHE H. YUNUS M, et al. The American College of Rheumatology 1990
Criteria for the Classification of Fibromyalgia. Report of the Multicenter
Criterion Committee, Arthr Rheum 1990; 33: 160-172.
REID S. WESSELY S. Somatoform disorders. Curr Opin
Psychiatry 1999; 12: 163-168.
WILLEMS JH. Verzekeringsgeneeskundige aspecten van chronische vermoeidheid.
PAOG Cursus Heyendael, KU. Nijmegen. 1998: 76-RI.
DONCEEL. P. De verzekeringsgeneeskundige beoordeling van arbeidsongeschiktheid
in de ziekteverzekering. Vervolgmakingscursus Verzekeringsgeneeskunde, 36,
Afdeling Arbeids- en Verzekeringsgeneeskunde. KU.
Leuven, 1997-98: 120-143.
VANDEVELDE I. Welke soort uitkeringen voor mensen met chronische onbegrepen
klachten? Tijdschr Geneesk 1997; 53: 1650-1658.
VAN HOUDENHOVE B, CROMBEZ G. Psychosociale, psychiatrische, en psychometrische
aspecten van de diagnostiek bij chronische pijn. Diagnostiek-Wijzer
1997; 1:147-160.
STEVENS SR. Using exercise testing to document functional disability in CFS. I
Chron Fat Syndr 1995; 1:127-129.
BAZELMANS E. Gevolgen van inspanning bij CVS. PAOG
Cursus Heyendaal, KU. Nijmegen,
1998: 31-34.
NEERINKEX E. A Multidimensional Analysis of Chro- nic Fatigue Syndrome and
Fibromyalgia (doctoraals thesis). Leuven: KU. Leuven,
Faculteit Lichamelijke
Opvoeding en Kinesitherapie, 1999.
HIDDING A, VAN SANTEN M. Dr KLERK E, et al. Comparison
het ween self-report measures and clinical observations of functional
disability in anlcylosing
spondylitis. rheumatoid artisritis and fibromyalgia. Rheumatol 1994; 21:
818-823.
WOLFE F. Report of the Multicenter Criterion Committee. The fibromyalgia
problem (editorial). I Rheumatol 1997: 24: 1247-1249,
BOMBARDIERC, BUCHWALD D. Chronic fatigue, chronic fatigue syndrome and
fibromyalgia. Disability and health-care use. Med Care 1996: 34: 924-930.
MARCEL B. KOMAROFF A. FAGIOLI L. KORNISN R 2nd. ALBERT M. Cognitive deficits in
patients with chronic fatigue syndronse, Biol Psychiatry 1996; 40:
535-541.
VAN HOUDENHOVE B. Chronisch vermoeidheidssyn- droom: test-case voor onze
geneeskunde? Campuskrant KU. Leuven 1998, 14 mei.
VANTHUYNE S. VAN HOUDENHOVE B. De RNase-test en Ampligen Voor het
chronische-vermoeidheidsyn droom: mythen en feiten. Tijdschr
Geneesk 1999; 55: 1739-1745.
SHORTER E. From paralysis to fatigue. A history of psychosomatic medicine in
the modern era. New York: Free Press, 1992.
VAN HOUDENHOVE B. "Renteneurose". De medisch sociale en medico-legale
aspecten van ziektegevoel zonder ziekte. Tijdschr Geneesk 1997; 53: 1641-1643.
LAHAYE D. De arbeidsgeneesheer en de verzekeringsgeneeskundige ten opzichte van
renteneurose. Tijdschr Geneesk 1997; .53: 1647-1649.