Evaluatie van de schade door aantasting van de zelfredzaamheid (nood aan derdenhulp)
http://www.law.kuleuven.ac.be/jura/
Fries Brackx 38 (01-02) 2
Onder wetenschappelijke begeleiding van Prof. Dr. Dries Simoens
1. Woord vooraf
Volgens artikel 1382 B.W. heeft een benadeelde recht op integrale vergoeding
van de schade, eens de voorwaarden van aansprakelijkheid (fout of een andere
aansprakelijkheidsgrond, schade en oorzakelijk verband) zijn vervuld. Schade
doet zich echter voor in de meest uiteenlopende vormen, waarvan verlies van
zelfredzaamheid er één is. Voor de evaluatie van deze schadepost bestaan er in
het gemene recht geen positiefrechtelijke criteria. Ze werden bij gebreke
hiervan uitgewerkt door rechtspraak en rechtsleer. De voorliggende bijdrage wil
dan ook de gemeenrechtelijke problematiek rond de evaluatie van schade door
aantasting van de zelfredzaamheid (nood aan derdenhulp) op een gestructureerde
manier uiteenzetten, via een kritische bespreking en evaluatie van de bestaande
rechtspraak en rechtsleer.
Om deze problematiek enigszins inzichtelijk te maken, bestaat dit werk uit twee
delen. In het eerste deel wordt ingegaan op de inhoud van het begrip
"schade door verlies van zelfredzaamheid", terwijl het tweede deel de
evaluatie en de vergoeding van de schade door verlies van zelfredzaamheid
behandelt.
2. De schade : verlies van zelfredzaamheid
In dit deel wordt besproken waaruit schade door verlies van zelfredzaamheid
juist bestaat, uit welke concrete elementen ze opgebouwd is en hoe de
rechtspraak en rechtsleer deze schade kwalificeren.
2.1 Begrippen
2.1.1 Definities
In het regime van het burgerrechtelijke aansprakelijkheidsrecht moet de schade
in principe zo concreet mogelijk beschreven worden [1] . De schadeloosstelling
moet de schade dan weer zo goed mogelijk opheffen of goedmaken. Voor een juiste
en billijke schadeloosstelling is de werkelijke schade bijgevolg de enige
mogelijke maatstaf.
Hoe kan de schade door verlies van zelfredzaamheid bijgevolg gedefinieerd
worden? SIMOENS [2] beschrijft ze als volgt: "Schade door aantasting van
de zelfredzaamheid is gelegen in de psycho-fysieke ongeschiktheid om de gewone
bezigheden van het dagelijkse leven uit te voeren, die zich buiten de
arbeidssfeer bevinden en die de mens nodig heeft om zich zelfstandig te kunnen
beredderen en handhaven in zijn persoonlijke leven, zijn gezin, de buurt, de
maatschappij,…".
De schadeloosstelling (meer bepaald het herstel, infra nrs. 22 en 23) wordt
gevormd door het inzetten van (materiële) middelen en (menselijke) hulp,
waardoor de schade zo goed mogelijk dient te worden opgeheven. De term
derdenhulp valt onder deze laatste categorie, namelijk onder de menselijke
hulp. Meer algemeen kan ze beschreven worden als zijnde de hulp, de bijstand en
het toezicht die een gehandicapte nodig heeft wanneer hij niet meer in staat is
de gewone handelingen van het dagelijkse leven op een zelfstandige wijze uit te
voeren [3] . Concreter gaat het bijvoorbeeld om de hulp die hij nodig heeft bij
het zich verplaatsen, zich voeden, zich aan- en uitkleden, zich wassen…
2.1.2 Oorsprong
Schade door verlies van zelfredzaamheid is nog niet zo lang als een
afzonderlijke schadepost erkend: in de standaardwerken van J. RONSE (1957) en
R.O. DALCQ (1962) wordt aan de term niet de minste aandacht besteed. Over de
oorsprong van de term bestaan verschillende opvattingen. DE BRAEKELEER meent
dat de term uit het gemene recht afkomstig is [4] . SIMOENS daarentegen meent
dat de term afkomstig is uit het arbeidsongevallenrecht, en "ontdekt"
is geweest door het burgerlijke recht in de jaren zeventig [5] . Aanwijzingen
hiervoor vindt hij in de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, die een bijkomende
vergoeding toekent "indien de toestand van de getroffene volstrekt de
geregelde hulp van een andere persoon vergt" [6] .
2.1.3 Kwalitatieve en kwantitatieve beschrijving
De schade door verlies van zelfredzaamheid kan op verschillende manieren worden
beschreven. Ze kan kwalitatief worden beschreven, door op te sommen bij welke
handelingen de gehandicapte menselijke hulp nodig heeft. Ze kan tevens
kwantitatief worden bepaald door de hoeveelheid tijd op te sommen die een
hulpverlener moet ter beschikking staan van de gehandicapte.
Kwalitatief: Een gehandicapte zal vaak bij tal van activiteiten hulp nodig
hebben van een derde persoon. Deze handelingen kunnen beperkt zijn tot de
primaire levensverrichtingen: het wassen, kleden, voeden, verplaatsen, … Soms
is de schade echter uitgebreider. Ook andere bezigheden, zoals het onderhoud
van woning en tuin, het uitvoeren van karweitjes in de woning, het beheer van
geld en goederen, en een hele reeks van sociale activiteiten, kan een
gehandicapte vaak onmogelijk uitvoeren zonder hulp van een derde. Zij maken
tevens deel uit van de schade.
De rechtsleer spreekt in dat verband van ADL-schade, waarbij ADL staat voor
“Activities of Daily Life” (“Activiteiten van het Dagelijkse Leven”). Hierbij
wordt een onderscheid gemaakt tussen p-ADL, en i-ADL. Onder de eerste term vat
men de persoonlijke zorgtaken : wassen, kleden, eten, verplaatsen, opmaak en
toiletgebruik/continentie. Met de tweede term bedoelt men de instrumentele
activiteiten van het dagelijkse leven : telefoneren, boodschappen doen,
huishoudelijke taken, inname van medicatie, bereiden van maaltijden, de was,
verplaatsing in- en buitenshuis, beheer van financiën en administratie..
Kwantitatief: De hoeveelheid tijd die een hulpverlener ter beschikking moet
staan van een gehandicapte varieert van geval tot geval. Soms is 24 uur op 24
hulp vereist. Soms volstaan slechts enkele uren per week.
In de praktijk zal hier toch enkele normering vereist zijn: men kan geen twee
uren assistentie vragen voor het gebruik van een maaltijd. Evenmin kan men voor
een locomotorische gehandicapte een permanente hulp eisen met als voorwendsel
dat de gehandicapte zich steeds moet kunnen verplaatsen. Anderzijds moet
iedereen aanvaarden dat men op tien minuten geen maaltijd kan bereiden, opdienen
en afruimen. Ook komt het als logisch voor dat de locomotorisch gehandicapte
gedurende enkele weken per jaar assistentie vraagt om met vakantie te kunnen
gaan.
2.1.4 Afbakening van andere begrippen
De ongeschiktheid die tot een verlies of vermindering van de zelfredzaamheid
leidt, is duidelijk te onderscheiden van de arbeidsongeschiktheid. De twee
schadebegrippen dekken immers een andere schade: de arbeidsongeschiktheid
situeert zich in de sfeer van de arbeid, terwijl de eerste juist alle taken
buiten deze sfeer, dus in het privé-leven omvat. Ook de vergoeding van de twee
schadeposten gebeurt met een ander doel. De schadevergoeding wegens
arbeidsongeschiktheid compenseert het vermogen om te verdienden, de
schadevergoeding wegens verlies van zelfredzaamheid compenseert een bijkomende
uitgave.
De twee schadeposten vallen in de klassieke leer allebei onder de noemer
materiële schade. Deze onderverdeling in materiële en morele schade wordt
echter herhaaldelijk onder vuur genomen door de rechtsleer (infra). Deze stelt
als summa divisio zelfs het onderscheid tussen schade door verlies van
arbeidsinkomen en schade door welzijnsverlies. Arbeidsongeschiktheid valt dan
onder de noemer verlies van arbeidsinkomen, terwijl schade door verlies van
zelfredzaamheid onder de noemer welzijnsverlies zou vallen.
Het onderscheid tussen huishoudschade en schade door verlies van
zelfredzaamheid kan niet zo strak worden doorgetrokken. Er werd immers reeds
gesproken over verlies van zelfredzaamheid als zijnde ADL-schade, waarbij ADL
stond voor activiteiten van het dagelijkse leven. Ook huishoudelijk
activiteiten behoren tot deze activiteiten van het dagelijkse leven. Wordt
hiermee dan bedoeld dat er, wanneer een uitkering wegens verlies van
zelfredzaamheid toegekend wordt, hierin automatisch een vergoeding wegens
huishoudschade begrepen is?
Het Hof van Cassatie sprak zich over dit probleem voor de eerste keer uit in
een arrest van 11 maart 1999 [7]. Het Hof bepaalde dat in het hem voorgelegde
geval, de bodemrechter door een soevereine appreciatie van de feiten terecht
kon oordelen dat met de schadeloosstelling wegens derdenhulp ook de
huishoudschade werd vergoed. Hierbij kan enkel de opmerking worden gemaakt dat
huishoudschade ook de andere gezinsleden treft en dat bij de begroting van de
huishoudschade ook rekening moet worden gehouden met de gezinsleden. De
redenering van het hoogste rechtscollege kan dan ook slechts worden bijgetreden
op voorwaarde dat het arrest met deze sociale dimensie van het verrichten van
gezinsarbeid rekening houdt. Dit valt te verwachten aangezien deze dimensie bij
elke vorm van schade aan de mens zou moeten worden ingecalculeerd.
2.2 Het cassatiearrest van 30 november 1977
2.2.1 Probleemschets
In het gemene aansprakelijkheidsrecht komt het vaak voor dat een gehandicapte
die hulp en toezicht nodig heeft van iemand anders, pas een beroep kan doen op
zo'n persoon nadat hij door de derde aansprakelijke is vergoed. Daarvóór wordt
de hulp vaak op vrijwillige en gratis basis verstrekt door vrienden of
familieleden.
De rechtspraak was echter van oordeel dat de vrijwillige hulp van familieleden
of vrienden niet in aanmerking kwam voor vergoeding. Een vergoeding werd pas
toegekend wanneer het slachtoffer het bewijs kon voorleggen dat vrienden of
familie effectief werden betaald voor hun diensten.
Zo had het Hof van Beroep te Brussel zich uit te spreken over een zaak voor
waarin een man, voor 100% arbeidsongeschikit verklaard, een zo aanzienlijke en
alleen door zijn echtgenote verstrekbare verzorging nodig had dat zijn vrouw
theoretisch een beroep moest doen op een bediende om in haar plaats een deel
van het huishoudelijk werk te verrichten. Het Hof van Beroep weigerde op basis
van de volgende redeneringen een vergoeding toe te kennen : "het is inderdaad
waarschijnlijk dat de toestand van de burgerlijke partij zo aanzienlijke en
alleen door zijn echtgenote verstrekbare verzorging vereist dat deze laatste
verplicht is een beroep te doen op een bezoldigde bediende om ter compensatie
van de aan die verzorging bestede tijd en de daardoor veroorzaakte
vermoeidheid, in haar plaats een deel van gewoonlijk huishoudelijk werk te
verrichten; (…) dat de burgerlijke partij niet bewijst dat zij inderdaad een
beroep gedaan heeft op een dergelijke gezinsverzorging" [8] .
In een later arrest wordt door hetzelfde Hof geargumenteerd dat "het
bijkomend werk en de extra vermoeidheid slechts een persoonlijke schade van de
echtgenote kunnen uitmaken" [9] . Op grond van deze overwegingen had het
slachtoffer zelf geen recht op een vergoeding voor schade die voor hem ontstaan
is uit het feit dat hij nood had aan hulp van een derde persoon.
2.2.2 Het cassatiearrest van 30 november 1977
Het Hof verbrak beide arresten van het Hof van Beroep te Brussel. Op de
redenering van de appelrechter dat het bijkomend werk en de vermoeidheid een
persoonlijke schade van de echtgenote uitmaakten antwoordde het hoogste
rechtscollege beknopt door te stellen dat “het feit genoodzaakt te zijn een
beroep te doen op de hulp van een derde persoon, op zichzelf een materiële
schade oplevert”. Hoe aan de nood aan hulp van derden tegemoetgekomen wordt, is
volgens het Hof van Cassatie van geen belang. Ook als ze door familieleden of
vrienden word verstrekt komt ze dus in aanmerking voor vergoeding.
Met betrekking tot de redenering van het Hof van Beroep dat de burgerlijke
partij niet het bewijs had geleverd dat hij een beroep had gedaan op een
bezoldigde dienst voor gezinsverzorging, stelde het Hof van Cassatie als volgt:
“Overwegende dat de door eisers verleende hulp op een oorzaak stoelt die zonder
enig verband is met de fout van de veroorzaker van het ongeval en dus niet in
aanmerking kan genomen worden bij de beoordeling van de omvang van de
vergoeding waartoe deze laatste gehouden is,…”.
Kort gesteld kunnen uit het cassatiearrest van 30 november 1977 deze drie
principes worden afgeleid :
de nood aan derdenhulp maakt een materiële schade uit.
deze schade bestaat in hoofde van het slachtoffer zelf.
voor deze schade kan vergoeding worden gevorderd, ook als de hulp gratis wordt
verstrekt.
De onderliggende argumentatie met betrekking tot dit laatste punt verraste wel
enigzins. In zijn arrest van 30 november 1977 verwees het Hof naar het principe
dat inspanningen ter beperking of ter herstel van de schade, gedaan door de
benadeelde of door derden, niet ten goede mogen komen aan de schuldige
schadeverwekker. In zijn vorige arresten had het Hof van Cassatie echter altijd
verwezen naar het onweerlegbare vermoeden van loonverlies. Zo moest het Hof
zich in een arrest van 13 november 1972 uitspreken over een vergoeding voor
derdenhulp vervat in de Arbeidsongevallenwet. Ook hier werd door de
arbeidsongevallenverzekeraar aangevoerd dat deze uitkering door hem niet was
verschuldigd aangezien de hulp gratis door gezinsleden werd verstrekt. Deze
redenering werd door het Hof weerlegd op grond van de volgende redenering : ²
de vergoeding voor geregelde hulp van derden vindt haar bestaansreden in de
wettelijk vermoede loonderving van de personen die de getroffene verzorgen
ongeacht zij bloedverwanten, aanverwanten of vreemden zijn, al dan niet bij hem
inwonen of al dan niet een eigen loon verdienen ² . Volgens het Hof wordt de
hulpverlener, door het feit dat hij een deel van zijn tijd aan de verzorging
van het slachtoffer besteedt, verhinderd voor die tijd een bezoldigde
arbeidstaak op zich te nemen en wordt hij dus wettelijk en onweerlegbaar
vermoed een loon te derven. Dit vormt voor hem een verlies dat door de
arbeidsongevallenverzekeraar dient te worden gedekt.
2.2.3 Twee punten van kritiek op het arrest van 30 november 1977
a. kwalificatie als materiële schade:
In het richtinggevende cassatiearrest (supra) bepaalde het Hof het volgende:
"Overwegende dat voor het slachtoffer van een ongeval, het feit van
genoodzaakt te zijn een beroep te doen op de hulp van een derde persoon, op
zichzelf een materiële schade oplevert". Het Hof kwalificeerde de schade
door derdenhulp dus als een materiële schadepost, en geeft het op die manier
een plaats in de klassieke onderverdeling tussen materiële en morele schade, of
anders uitgedrukt tussen patrimoniale en extrapatriomoniale schade:
Materiële schade bestaat uit een aantasting, onder welke gedaante ook, van het
vermogen van de benadeelde [10] : hij lijdt loonverlies, moet anderen betalen
om dagdagelijkse handelingen te laten uitvoeren, heeft medische en
hospitalisatiekosten, lijdt zaakschade…
Morele schade laat het vermogen onberoerd maar raakt het slachtoffer in zijn
gevoelens, eer en goede naam, waardigheid, enz. [11]
Deze klassieke indeling stuit in de recente rechtsleer echter op kritiek:
VANDEWEERDT bijvoorbeeld, wijst erop dat het begrip materiële schade weinig
geschikt is om er de menselijke schade onder te laten vallen. Hij merkt op dat
het menselijk lichaam geen beschadigd en levenloos voorwerp is. Bovendien
ontbreekt bij menselijke schade de tweede betekenis van "materieel",
namelijk een aangetast kapitaal waarvan de waardevermindering in geld kan
worden uitgedrukt, zodat de term nog moeilijker te gebruiken valt. Hij pleit
dan ook voor de invoering van een ander begrippeninstrumentarium zoals dat
wordt aangegeven door VIAENE, LAHAYE en VAN STEENBERGE. Deze auteurs proberen
een nieuwe indeling te brengen in de categorie persoonsschade. Persoonsschade
kan volgens hen verdeeld worden in enerzijds "verlies van
arbeidsinkomen" en anderzijds "gezondheidsschade" of
"welzijnsverlies" [12] :
"Verlies van arbeidsinkomen" is het verschil tussen wat verder aan
inkomen uit arbeid verdiend zou zijn was er geen schade opgetreden en het
eventuele restinkomen dat nog uit arbeid kan worden verdiend.
. "Gezondheidsschade" of "welzijnsverlies" is alle andere
schade dan het verlies van arbeidsinkomen. Ze kan zich manifesteren op het
lichamelijk, het psychisch en het sociaal vlak. Vaak situeert ze zich zelf op
al deze vlakken tegelijk. In deze optiek bestaat de gezondheidsschade vooral
uit de hinder die de beschadigde mens ontmoet bij zijn omgang met de medemensen
en de dingen.
De diverse schadeposten die onder het welzijnsverlies kunnen worden gebracht,
kunnen op hun beurt worden herleid tot: de geneeskundige verzorging (alles wat
nodig is om de mens te herstellen door een ingreep binnen zijn persoon) en de
situationele verzorging (de aanpassing van de omgeving aan de gehandicapte
mens).
Wanneer iemand hulp van derden nodig heeft, kan men spreken van een vorm van
welzijnsverlies voortspruitend uit het teloorgaan van de eigen zelfstandigheid
of zelfredzaamheid. Meer bepaald valt de term '"hulp van derden"
onder de zogenaamde "situationele verzorging". Deze verzorging
bestaat immers zowel uit het verstrekken van hulpmiddelen en voorzieningen aan
een gehandicapte als uit het ter beschikking stellen van menselijke hulp. Het
is deze menselijke hulp die wordt bedoeld met de term "hulp van
derden".
Deze kritiek op de gangbare indeling van schade, wordt op zijn beurt aan een
kritiek onderworpen door SIMOENS [13] . Een eerste kritiekpunt betreft de term
gezondheidsschade: ze doet volgens de auteur te veel denken aan uitgaven gedaan
voor geneeskundige verzorging. Hij pleit dan ook voor het gebruik van de term
welzijnsverlies i.p.v. gezondheidsschade. Bovendien meent hij dat bepaalde
schadeposten onder beide hoofdrubrieken kunnen vallen. Zo kan een verlies aan
zelfredzaamheid, waaraan de vergoeding voor derdenhulp beantwoordt, als
welzijnsverlies worden bestempeld wanneer men de nadruk legt op het sociale
isolement waarin de betrokkene dreigt te belanden, maar ook als een verlies van
arbeidsinkomen als men wil beklemtonen dat de getroffene zijn inkomen moet
aanspreken om de derde die hem helpt, te betalen.
b. kwalificatie als schade in hoofde van het slachtoffer zelf :
De bepaling dat de schade door nood aan derdenhulp bestaat in hoofde van het
slachtoffer zelf, wordt door de rechtsleer aan heel wat kritiek onderworpen.
Een vaak geformuleerd argument is dat het in geval van vrijwillige hulp door
familieleden of vrienden veel logischer zou zijn dat de personen die de hulp
verleend hebben (zeker voor hulp geboden vooraleer de rechter uitspraak heeft
gedaan) voor de rechter schadevergoeding zouden kunnen vorderen in plaats van
de getroffene. Volgens deze strekking zijn het de personen die de hulp bieden
die in feite de schade lijden.
Deze kritiek komt echter onvermijdelijk in botsing met het eerder vernoemde,
door het Hof van Cassatie vooropgestelde principe, dat de inspanningen gedaan
door familieleden en vrienden, gestoeld zijn op een oorzaak die vreemd is aan
de fout van de dader (supra nrs. 14 en 16). Daaruit volgt dat het slachtoffer
in principe wordt verondersteld zelf de kosten van het herstel te dragen door
een beroep te doen op professionele hulpverleners. Beslist hij dit niet te
doen, of slaagt hij er in via bovenmenselijke inspanningen het zonder hulp van
derden te stellen, dan mag dit niet aan de veroorzaker ten goede komen. De
vordering ingesteld door het slachtoffer zelf kan dus op basis van dit principe
niet worden geweigerd. Een tweede maal een vordering toekennen aan de
familieleden en vrienden zou dus op basis van dit principe tot dubbeltellingen
leiden.
3. Evaluatie en vergoeding van de schade
In dit deel wordt besproken welke vorm de schadeloosstelling aanneemt, welke
elementen volgens de rechtspraak en rechtsleer in aanmerking komen voor de
begroting van de schadeloosstelling, en op welke manier deze schadeloosstelling
moet worden berekend en uitbetaald.
3.1 Situering
Op het gebied van persoonsschade wordt het onderscheid gemaakt tussen het
herstel van schade en het vergoeden van schade, twee termen die in het recht
vaak door elkaar worden gebruikt. Er bestaat echter een grondig verschil tussen
beide [14] . Herstel brengt het slachtoffer terug in de toestand waarin het zou
zijn geweest indien er geen schade was opgetreden, een vergoeding heeft een
vervangend karakter: zij compenseert de schade die in het verleden blijft
bestaan ten gevolge van de traagheid van het herstel.
Herstel is altijd beter dan een vergoeding en heeft dan ook altijd voorrang.
Bij elke schadeloosstelling moet daarom eerst aan het voeren van herstelacties
gedacht worden. Vergoedingen moeten slechts worden aangeboden voor zover en
zolang deze herstelacties er niet in slagen de schade volledig te doen
verdwijnen.
In dat verband kan worden gesproken van een herstelplicht en zelfs van een
herstelrecht: de beschadigde mens heeft het recht met voorrang de inzet te
eisen van alle middelen die zijn schade werkelijk opheffen. Van hem kan niet
worden verlangd dat hij genoegen neemt met een vergoeding, zolang niet alle
mogelijke herstelpogingen zijn ondernomen.
Ook schade door verlies van zelfredzaamheid komt in aanmerking voor herstel.
Zij kan als volgt in het volgende schema worden geplaatst [15] :
STOORNIS BEPERKINGHANDICAP
Herstel:Herstel:
medischsituationeel
heelkunde
revalidatie1. materiële omgeving
prothesen2. menselijke hulp
enz.
De eerste vorm van herstel die zich zal voordoen in geval van persoonsschade is
het medisch herstel: medische ingrepen en behandelingen proberen op de eerste
plaats de stoornissen die het menselijk organisme vertoont geheel of
gedeeltelijk op te heffen. Dit medisch herstel is echter niet altijd volledig:
nadien kunnen er zich nog altijd beperkingen voordoen bij allerlei
activiteiten. Deze beperkingen kunnen op hun beurt leiden tot een handicap in
het maatschappelijk functioneren. Zij komen echter in aanmerking voor een vorm
van herstel: door in te grijpen in de materiële omgeving van de gehandicapte of
door van uit de omgeving menselijke hulp te verschaffen, kunnen de beperkingen
tot een minimum worden herleid, zodat de daaruit volgende handicap vermindert.
Men spreekt in dit verband van situationeel herstel. De menselijke hulp die in
dat kader wordt verschaft, valt onder de term "derdenhulp".
De indeling in twee vormen van herstel mag natuurlijk niet te ver worden
doorgedreven. Beweren dat de behoefte aan hulp van derden van een persoon met
een handicap pas moet worden beoordeeld na een doorgedreven medische en
paramedische revalidatie en na het verstrekken van adequate technische
hulpmiddelen, is verkeerd. Deze maatregelen zijn weliswaar van grote betekenis
voor de mate waarin een persoon met een handicap hulp van een derde nodig
heeft. Niettemin getuigt deze gedachtengang van een onvolledige perceptie van
het revalidatieproces van een gehandicapte persoon. Er wordt als het ware
gesuggereerd dat eerst maximale medische herstelacties dienen te worden
ingezet, dat in een tweede fase deficiënte functies moeten worden gecompenseerd
met technische hulpmiddelen en materiële aanpassingen, en dat pas daarna dient
te worden onderzocht wat rest aan nood aan derdenhulp. Een revalidatieproces is
een voortdurend, in sommige gevallen zelfs een levenslang proces, waarbij vaak
alle vormen van herstelacties permanent noodzakelijk zijn.
HUYS stelt in dit verband zelfs dat voor een adequate medische en technische
herstelactie, de hulp van derden reeds een onontbeerlijke schakel is [16] . Hij
geeft het voorbeeld van een persoon die voor het behoud van zijn motorische
mogelijkheden verscheidene keren per week intensief moet oefenen in en onder
water. Dit veronderstelt hulp van derden bij het aan- en uitkleden, de transfer
in en uit het zwembad en de verplaatsing naar en van het zwembad. Daarenboven
moet hij dagelijks enkele uren wandeloefeningen uitvoeren met begeleiding.
Daarbij maakt hij gebruik van aangepast schoeisel, dat in België niet te
verkrijgen is en dat hij bij de fabrikant in Duitsland gaat kopen. Ook al is
zijn auto perfect aan zijn handicap aangepast, toch is zo’n tocht, met tal van
onderbrekingen voor maaltijden, toiletgebruik en dergelijke, uitgesloten zonder
hulp van een derde. Op die manier illustreert HUYS de voortdurende
wisselwerking en de werderzijdse afhankelijkheid tussen medische herstelacties,
technische hulpmiddelen en de hulp van derden.
HUYS gebruikt dit inzicht om de gangbare praktijk, waarbij de vergoeding voor
hulp van derden pas wordt toegekend vanaf de volledige consolidatie, op de
korrel te nemen. Hij meent dat een persoon die na een ongeval wordt
gehospitaliseerd met een prognose van een blijvende handicap vanaf de eerste
maanden ziekenhuisverblijf nood heeft aan hulp van derden. De gehandicapte moet
immers de ‘markt van rolstoelen’ verkennnen, moet instaan voor het onderhoud
van zijn woning, de beveiliging tegen diefstal, het opvolgen van
administratieve formaliteiten,… Zonder deze inbreng van derden zou de terugkeer
van de gehandicapte in het gewone leven al van meet af aan sterk worden
gehypothekeerd. Hij vraagt zich dan ook terecht af waarom de rechtspraktijk dan
niet erkent dat deze hulp van derden reeds in de beginfase van het
herstelproces noodzakelijk is.
3.2 Evaluatie van de hulp
3.2.1 Naargelang van de personen die de hulp bieden
Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 30 november 1977 (supra) reeds
bepaald dat ook de hulp van familieleden en vrienden in aanmerking komt voor vergoeding.
De vraag die hier rijst is of de hulp geboden door familieleden in dezelfde
mate dient te worden vergoed als hulp geboden door derden. Op dit punt blijkt
de rechtspraak verdeeld.
Sommige rechters zijn ervan overtuigd dat de schade in generlei mate kleiner is
wanneer derdenhulp wordt verschaft door familieleden of vrienden en niet door
professionele vaklieden [17] :
Het Hof van Beroep te Luik gaat in dat verband nog verder: de rechtbank
overweegt dat het zelfs zonder belang is na te kijken of de hulp bezoldigd is
of uitgaat van een verwante die daarvoor geen enkele vergoeding ontvangt [18] .
Het Hof van Beroep te Antwerpen deelt deze zienswijze op grond van de reden dat
de hulp van derden niet nodig zou zijn geweest zonder de fout van de pleger van
de onrechtmatige daad: deze laatste diende dan ook de schade wegens de hulp van
derden volledig te vergoeden, ook al werd zij in casu verleend door de ouders
[19] .
De rechtbank te Brussel meent in dat verband dat de familie alleen maar de hulp
vervangt die anders door derden zou zijn verschaft [20] . Hij meent dat dit
gebeurt ten koste van de carrière van de familieleden. Het is volgens de
rechtbank dan ook billijk dat deze familieleden op dezelfde wijze worden
vergoed als de vreemde hulpverleners.
Andere rechters menen dat de hulpverlening door verwanten aanleiding geeft tot
een lagere vergoeding [21] . Sommigen wijzen, ingaande tegen de
cassatierechtspraak, de vergoeding zelfs helemaal af [22] .
De eerste stelling wordt echter door de rechtsleer op basis van de volgende
argumenten als de beste naar voor geschoven [23] :
Het aanvaarden van de tweede stelling zou een onaanvaardbaar voordeel
meebrengen voor de aansprakelijke. De familie verleent immers enkel hulp die
anders door niet-familieleden zou moeten worden verschaft (en die meestal wel
door de getroffene zou moeten worden betaald).
Familieleden offeren vaak hun eigen beroepswerkzaamheden en carrièrevoorzichten
op.
De getroffenen kunnen vaak hun familieleden zelf niet vergoeden, aangezien zij
niet over de nodige fondsen beschikken.
Deze stelling komt naar onze mening echter onvermijdelijk in botsing met het
principe van de concrete schadebegroting, toch zeker in de gevallen waar de
hulp beperkt blijft tot enkele uren per week. Er kan immers moeilijk worden
betwist dat in zo’n geval de kosten van het herstel lager liggen als de hulp
door familieleden en vrienden wordt verschaft en niet door professionele
hulpverleners. In erge gevallen van letselschade waar familieleden of vrienden
hun job of carrièremogelijkheden moeten opgeven om bijna fulltime derdenhulp te
verschaffen, lijkt ons de eerste stelling dan weer wel verdedigbaar.
In verband met de zorgverstrekking door familieleden moet bovendien de
opmerking worden gemaakt dat ze slechts in aanmerking voor vergoeding zou mogen
komen indien zij omvattender is dan de gebruikelijke hulpverlening binnen het
gezinsverband [24] . Is dit het geval, dan moet alleen de meerinspanning worden
vergoed.
3.2.2 Naargelang van de aard van de hulp zelf:
a. Welke hulp komt in aanmerking voor vergoeding?
Alle onderzochte rechtspraak is het erover eens dat de hulp verleend bij
elementaire levensbehoeften in aanmerking komt voor vergoeding [25] . Over wat
er juist valt onder de term "elementaire levensbehoeften" bestaat
heel wat discussie:
Het Hof van Beroep te Luik soms enkele van deze behoeften op [26] : het zich
kunnen verplaatsen, zich voeden, persoonlijke hygiëne, aan en uitkleden,
wassen… Het Hof neemt ook de hulp bij het voeren van de huishouding in
aanmerking.
Het Hof van Beroep te Antwerpen meent dat ook moeilijkheden om het toilet te
gebruiken, met de auto te rijden of boodschappen te doen, alsook de problemen
bij incontinentie in aanmerking.
Nochtans zou men naast de hulp bij elementaire levensbehoeften, ook hulp moeten
kunnen vragen voor andere bezigheden, zoals het onderhouden van woning en tuin,
het beheer van geld en goederen, alsook voor een hele reeks van sociale
activiteiten die voor de gehandicapte een gesloten gebied vormen.
Of de hulp actief moet worden verleend dan wel een passieve aanwezigheid met
het oog op het uitoefenen van toezicht volstaat, zijn vragen die in concrete
gevallen uiteenlopende antwoorden krijgen.
Sommige rechtspraak meent dat een bestendige aanwezigheid bij de getroffene in
aanmerking komt voor dezelfde vergoeding als actieve hulp, indien zulke
aanwezigheid vereist is [27] .
Het Hof van Beroep te Antwerpen daarentegen meent dat de hulp niet permanent
kan worden genoemd, wanneer 24 u op 24 iemand aanwezig moet zijn. De effectieve
hulp bedroeg in het voorgelegde geval volgens het Hof maar 4 uur per dag en de
resthulp bestond uit waakperiodes. Het Hof besliste vervolgens op basis van de
redelijkheid een vergoeding toe te kennen ten belope van 6 uur per dag [28] .
Een "tussenoplossing" wordt gegeven door de rechtbank te Brussel. Hij
verdeelt de hulp die permanent wordt gegeven wordt aan een persoon die aan
tetraplegie lijdt in verschillende perioden: er zijn 4 uur technische
prestaties vereist waarvoor de helper het niveau van ambulancier zou moeten
hebben, 7 uur hulp die normaal wordt verstrekt door een gezinshelpster en voor
de overige 14 uur volstaat een passieve aanwezigheid [29] .
Deze laatste methode valt wellicht aan te raden. Ze beantwoordt het meest aan
de concrete evaluatie van de hulp en kent een vergoeding toe naargelang van het
niveau van de verleende prestaties.
b. Is de getroffene vrij de hulp te kiezen die hij wil?
De getroffene is niet verplicht een beroep te doen op één of ander organisme.
Hij moet binnen de regels van beperking van de schade vrij kunnen kiezen door
wie hij wenst te worden geholpen. Pas wanneer de geboden middelen even goed
zijn, maar de financiële kosten eraan verbonden duidelijk verschillen, kan de
keuzevrijheid worden beperkt, overeenkomsig de regels van de
schadebeperkingsplicht die rust op het slachtoffer [30] . Een belangrijk
criterium hierbij is de redelijkheid [31] .
3.3 Evaluatiemethode
3.3.1 Foute evaluatietechnieken
De wet bepaalt nergens welke evaluatiemethode moet worden gehanteerd. In de
praktijk bestaat hierover dan ook heel wat verwarring. Vaak begint deze
verwarring al bij de experten, die door de rechtbanken om een advies worden
gevraagd. Deze beroepen zich vaak op schadebegrotingen die zijn ontleend aan
andere systemen. Sommigen spreken van arbeidsongeschiktheid, of hanteren de
Schaal voor het vaststellen van de Integratietegemoetkoming. Ook de Officiële
Belgische Schaal ter bepaling van de graad van Invaliditeit, die eveneens een
schaal voor hulp van derden bevat, maar die enkel wettelijk is opgelegd voor
militairen en oorlogsslachtoffers, wordt soms aangehaald.
Vaak wordt zonder enige precisering door de rechters een bedrag vooropgesteld
dat door hen ex aequo et bono werd begroot. Deze vorm van schadeloosstellen
moet echter zo veel mogelijk worden gemeden. De basis voor zo’n berekening is
weliswaar te vinden in artikel 1382 B.W., maar ze zou in feite slechts in
subsidiaire orde mogen worden gebruikt, namelijk wanneer geen andere
berekeningsbasis kan gevonden worden die de schade op een preciezere manier kan
benaderen. Indien voor de schade een precieze berekeningbasis voorhanden is,
wat het geval is voor verlies van zelfredzaamheid (infra nrs. 36 en 37), moet
deze berekingsbasis toegepast worden en mag niet zonder meer een bedrag worden
vastgesteld.
Het Hof van Cassatie treedt deze opvatting bij: het heeft in dat verband
bepaald dat de feitenrechter bij een schadebegroting ex aequo et bono de reden
moet aangeven waarom de door de getroffene voorgestelde berekeningswijze niet
kan worden aangenomen en tevens moet vaststellen dat het niet mogelijk is de
schade, zoals hij deze heeft omschreven, anders te bepalen [32] . De
schattingstechniek ex aequo et bono heeft immers slechts tot doel aan een
tekortkoming van het bewijsvoorschrift van de benadeelde te verhelpen, in
gevallen waar deze wel het bestaan van de schade kan bewijzen, maar niet de
juiste omvang ervan.
3.3.2 Correcte evaluatietechniek: arbeidsuren waarvoor wordt betaald.
Uit artikel 1382 B.W. volgt dat de schade in concreto dient te worden
geëvalueerd. De rechtsleer pleit dan ook grotendeels voor een concrete
schatting, waarbij men nagaat hoeveel uren een bepaald persoon hulp nodig
heeft, en dit urental vermenigvuldigt met de prijs die de getroffene per uur
moet betalen voor de hulp waaraan hij behoefte heeft. Deze visie wordt jammer
genoeg niet algemeen door de rechtspraak gevolgd. Toch zijn er een aantal
arresten van beroepshoven die reeds in die richting gaan:
In een arrest van 7 mei 1987 overweegt het Hof dat de getroffene door de
vergoeding in staat moet zijn gekwalificeerd personeel aan te werven (indien
het gaat om een zaak van levensbelang). Het Hof kent in casu (een geval van
tetraplegie) een vergoeding toe die de getroffene in staat moet stellen om vier
verpleegkundigen te betalen. Bij berekening van hun loon werd rekening gehouden
met de kwalificatie van de helpers alsmede met sociale patronale
zekerheidsbijdragen en het vakantiegeld. Het Hof nam dus niet het beginloon
binnen de betrokken sector in aanmerking, maar het loon van een verpleegster
met een zekere ervaring, op grond dat van de betrokkene niet kan worden
verwacht dat hij elk jaar beginnende verpleegkundigen aan het werk zet.
Bovendien was omwille van de toestand van de getroffene een zekere ervaring vereist.
In een eerder arrest sprak het Hof zich in dezelfde richting uit en kende het
een rente van 200.000 fr. per maand toe voor hulp van derden aan een
gehandicapt kind. Dit bedrag werd echter alleen toegekend voor de periode
waarin het kind geen beroep meer zal kunnen doen op hulp van zijn moeder.
Zolang dit wel kon wordt slechts 45.000 fr. per maand toegekend.
Deze techniek volgt perfect art. 1382 B.W.: ze probeert de schade in concreto
te berekenen en ze integraal te vergoeden.
Niettemin kan bij deze arresten opgemerkt worden dat zij de theorie van
concrete schadeberekening niet in zijn volle consequenties doortrekken. In de
hypothese waarin de hulp 24 op 24 uur diende te worden verleend, schiet de
vergoeding voor vier verpleegkundigen wellicht nog te kort. Rekening houdend
met 38 arbeidsuren per week, vakantieperiodes, afwezigheid wegens ziekte en
alle andere redenen van schorsing van de arbeidsovereenkomst, heeft de
betrokkene immers behoefte aan de hulp van bijna vijf voltijdse verpleegsters
om op een normale wijze de nodige bijstand te krijgen.
3.4 Het beginsel van de vrije beschikking over de schadevergoeding
3.4.1 Principe
Zodra de schadevergoeding in het vermogen van de getroffene treedt, mag hij
erover beschikken zoals hij dat zelf wil. Hij mag, net zoals voor elk ander
goed, de schadevergoeding aanwenden voor om het even welk doel [33] . Dit
beginsel werd bevestigd in artikel 83 van de wet van 2 juni 1992 op de
landverzekeringsovereenkomst. Dit artikel bepaalt dat de benadeelde vrij
beschikt over de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding en voegt
eraan toe dat het bedrag van de schadevergoeding niet mag verschillen
naargelang het gebruik dat de benadeelde ervan zal maken. Hoewel deze bepaling
is opgenomen in de wet op de landverzekeringsovereenkomst, bevestigt ze een
vanzelfsprekend beginsel in het gemene aansprakelijkheidsrecht. Het slachtoffer
van een ongeval, veroorzaakt door de fout van een derde, mag de hem toegekende
schadevergoeding steeds gebruiken zoals hij dat wenst, zonder dat hij de
bestemming ervan moet rechtvaardigen en zonder dat de derde aansprakelijke het
bedrag van de schadevergoeding kan beïnvloeden [34] .
3.4.2 Het vrije beschikkingsbeginsel en de schadevergoeding voor hulp aan een
derde
Zoals reeds gezegd bij de bespreking van het cassatiearrest van 30 november
1977, heeft het slachtoffer van een onrechtmatige daad die daardoor de hulp
nodig heeft van een derde, recht op schadeloosstelling voor deze hulp, zelfs
wanneer deze hem vrijwillig wordt verstrekt door familieleden. Hij heeft dus de
vrije beschikking over zijn schadevergoeding. Hij mag dit bedrag aanwenden om
een te bezoldigen persoon aan te stellen, maar hij mag er eveneens een andere
bestemming aan geven. Niettegenstaande deze cassatierechtspraak, blijven de
rechters terughoudend om de reële kostprijs van een bezoldigde hulp toe te
kennen, wanneer er geen bewijsstukken voorhanden zijn die deze kosten
vermelden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit een arrest van het Hof van Beroep te
Brussel van 1987 [35] . In deze zaak had het slachtoffer behoefte aan een
permanente bijstand. Deze werd verleend door zijn moeder. Voor de schade in de
toekomst werd een rente toegekend. Voor de periode waarin de moeder bijstand
kon verlenen, wordt slechts 1.500 fr. per dag toegestaan. Voor de periode van
betaalde bijstand door derden werd wel rekening gehouden met de werkelijke
kostprijs. Deze uitkering werd echter slechts toegekend voor zover de
getroffene documenten kon voorleggen om de gemaakte kosten te staven. Er
bestaat dus een tendens om lagere vergoedingen toe te kennen, die ex aequo et
bono worden vastgesteld. Die tendens gaat niet alleen in tegen het voornoemde
arrest van het Hof van Cassatie, maar schendt evenzeer de rechten van het
slachtoffer dat immers geen enkele zekerheid heeft ook in de toekomst op
vrijwillige hulp van familieleden te kunnen rekenen [36] . Stelt men de
schadevergoeding afhankelijk van de bestemming de men eraan zal geven, dan
blijft er van het vrije beschikkingsbeginsel niet veel meer over.
4. Besluit
Hoewel men in het Belgische sociale recht een tamelijk ruime literatuur vindt
inzake hulp van derden, is het in het gemene recht vrij stil gebleven rond deze
materie. Nochtans kunnen de kosten van hulpverlening door derden een
belangrijke schadepost uitmaken bij de evaluatie van menselijke schade. Men is
het er over eens dat een slachtoffer, dat ten gevolge van de fout van een derde
hulp nodig heeft van een ander, schadevergoeding kan vragen voor deze
schadepost. Ook wanneer deze hulp wordt verleend wordt door familieleden en
vrienden van het slachtoffer, heeft het slachtoffer recht op schadevergoeding.
Dit alles wordt gekaderd binnen het principe van de concrete berekening van de
schade en de integrale schadevergoeding.
Er blijft echter een probleem bestaan. De situatie van familieleden en vrienden
die derdenhulp op vrijwillige en gratis basis verstrekken en die ten gevolge
daarvan al dan niet tijdelijk hun werk opgeven, blijft onbevredigend. Kunnen
deze nauwe verwanten schadevergoeding vorderen van de derde aansprakelijke voor
hun inkomensverlies ? Het cassatiearrest van 30 november 1977 heeft, door te
stellen dat de nood aan derdenhulp een materiële schadepost in hoofde van het
slachtoffer uitmaakt, negatief op die vraag geantwoord. De meeste arresten van
de Hoven van Beroep volgen de theorie van dit cassatiearrest. Slechts een
handvol arresten kent aan de familieleden een vergoeding toe. Het Belgische
recht zou dus nog een stap verder kunnen gaan en naar analogie met het
arbeidsongevallenrecht een vergoeding toekennen aan de familieleden die bereid
zijn hun bezoldigd werk op te geven om het slachtoffer op behoorlijke wijze te
kunnen verzorgen. Het Hof van Cassatie erkent in het arbeidsongevallenrecht
immers reeds het onweerlegbaar vermoeden van loonderving in hoofde van het
slachtoffer als grondslag voor de vergoeding wegens derdenhulp (supra). Het
feit dat deze familieleden de mogelijkheid hebben om hiervoor een vergoeding te
ontvangen, zal voor hen een extra stimulans zijn om hun werk op te geven en hulp
te verschaffen. Wie kan er immers beter voor het slachtoffer zorgen dan een
familielid dat hem door en door kent ?
[1] J., RONSE, Schade en schadeloosstelling, I, Gent, E. Story-Scientia, 1984,
173; M.., VANDEWEERDT e.a., Hulp van derden. Schade evalueren in de praktijk 5,
Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 1992, 19.
[2] D., SIMOENS, Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en
schadeloosstelling, II, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 233.
[3] M., VANDEWEERDT e.a., Hulp van derden. Schade evalueren in de praktijk 5,
Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 1992, 12.
[4] I., DE BRAEKELEER, "Het beginsel van de vrije beschikking over de
schadevergoeding en de begroting van de schade in geval van hulp van derden: de
vrijwillige hulp door familieleden", Jura. Falc. 1998-99, 78.
[5] D., SIMOENS, Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en
schadeloosstelling, II, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 234.
[6] Art. 24, vierde lid Arbeidsongevallenwet
[7] Cass. 11 maart 1999, J.T.T. 2000, 142
[8] Brussel 25 mei 1976, onuitg.
[9] Brussel 16 februari 1977, onuitg.
[10] J., RONSE, Schade en schadeloosstelling, Gent, E. Story-Scientia, 1984,
35; D., SIMOENS, Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en
schadeloosstelling, II, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 60.
[11] Cass. 3 februari 1987, R.W. 1987-88, 220; Bergen 5 februari 1990, De.
Verz. 1990, 370; Brussel 26 juni 1990, R.G.A.R. 1991, 11774; J., RONSE, Schade
en schadeloosstelling, Gent, E. Story-Scientia, 1984, 35; D., SIMOENS,
Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en schadeloosstelling, II,
Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 60.
[12] M., VANDEWEERDT, "De schadeloosstelling van menselijke schade in het
regime van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid", R.W. 193-84,
1249-1251; J., VIAENE, D., LAHAYE en J., VAN STEENBERGE, "Een
begrippenkader voor de hervorming van de sociale zekerheid", Soc. Kron.
[13] D., SIMOENS, Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en
schadeloosstelling, II, Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 123.
[14] VANDEWEERDT, M., "De schadeloosstelling van menselijke schade in het
regime van de burgerrechtelijke aansprakelijkheidd", R.W. 1983-84, 1251.
[15] M.., VANDEWEERDT e.a., Hulp van derden. Schade evalueren in de praktijk 5,
Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 1992, 12.
[16] J., HUYS, “Hulp van derden in de praktijk”, Medi-jus 1996, afl.2, 14-15.
[17] Bergen 1 juni 1987, R.G.A.R. 1988, 11375.
[18] Luik 27 februari 1985, R.G.A.R. 198, 11302.
[19] Antwerpen 6 november 1987, Limb. Rechtsl. 1987, 217.
[20] Rb. Brussel 16 december 1988, Bull. Ass. 1989, 517.
[21] Corr. Huy
21 december 1984, Bull. Ass. 1989, 533; Brussel 19 januari 1987, R.G.A.R. 1988,
11380.
[22]
Rb. Hasselt 21 juni 1995, De. Verz. 1995, 630.
[23] J., ROODHOOFT, "De vergoeding voor hulp van derden in de
Arbeidsongevallenwet en het burgerlijk aansprakelijkheidsrecht", T.B.B.R.
1991, 606; M., VANDEWEERDT e.a., Hulp van derden, schade evalueren in de
praktijk 5, Antwerpen-Appeldoorn, Maklu, 1992, 41.
[24] Corr. Brugge 28 mei 1997, R.W. 1997-98, 1265; D. SIMOENS,
Buitencontractuele aansprakelijkheid. Schade en schadeloosstelling, II,
Antwerpen, Story-Scientia, 1999, 240.
[25] Luik 27 februari 1985, R.G.A.R. 1987, 11302; Antwerpen 6 november 1987,
Limb. Rechtsl., 1987, 217; Brussel 7 mei 1987, R.G.A.R. 1988, 11361.
[26] Luik 27 februari 1985, R.G.A.R. 1987, 11302.
[27] Brussel 19 januari 1987, R.G.A.R. 1988, 11380; in dezelfde zin: Bergen
1juni 1987, R.G.A.R. 1988, 11375.
[28] Antwerpen 6 november 1987, Limb. Rechtsl.1987, 217.
[29] Rb. Brussel 16 december 1988, Bull. Ass. 1989, 512.
[30] Antwerpen 6 november 1987, Limb. Rechtsl. 1987, 217; I., DE BRAEKELEER,
"Het beginsel van de vrije beschikking over de schadevergoeding en de
begroting van de schade in geval van hulp van derden: de vrijwillige hulp door
familieleden", Jura Falc. 1998-99, 82; J., ROODHOOFT, "De vergoeding
voor hulp van derden in de Arbeidsongevallenwet en het burgerlijk
aansprakelijkheidsrecht", T.B.B.R. 1991, 606; M., VANDEWEERDT e.a., Hulp
van derden, schade evalueren in de praktijk 5, Antwerpen-Appeldoorn, Maklu,
1992, 44.
[31]
J., Ronse, Schade en schadeloosstelling, Gent, Story-Scientia, 1984, 173.
[32] Cass. 16 februari 1956, Pas. 1956, I, 622; Cass. 6 maart 1967, Arr. Cass.
1967, 840; Cass. 3 november 1982, Arr. Cass. 1982-83, 320; Cass. 23 oktober 1991,
Arr. Cass. 1991-92, 180; Cass. 30 maart 1994, Arr. Cass . 1994, 340.
[33] R.O. DALCQ, Traité de la responsabilité civile, II, Les novelles, Brussel,
Larcier, 1962, nr. 42789.
[34]
I. DE BRAEKELEER, "Het beginsel van de vrije beschikking over de
schadevergoeding en de begroting van de schade in geval van hulp van derden: de
vrijwillige hulp door familieleden", Jura. Falc. 1998-99, 84.
[35] Brussel 19 januari 1987, R.G.A.R. 1988, nr. 11387.
[36] I. DE BRAEKELEER, "Het beginsel van de vrije beschikking over de
schadevergoeding en de begroting van de schade in geval van hulp van derden: de
vrijwillige hulp door familieleden", Jura. Falc. 1998-99, 85.