Wetsvoorstel tot oprichting van de Orde van artsen

 

 

http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub.html&COLL=S&LEG=3&NR=413&PUID=50332180&LANG=nl

 

3-413/1

3-413/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

11 DECEMBER 2003

---

Wetsvoorstel tot oprichting van de Orde van artsen

(Ingediend door mevrouw Mia De Schamphelaere)

---

TOELICHTING

---

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 9 september 1999 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-85/1).

Reeds sinds haar oprichting vormt de Orde van geneesheren een bron van kritiek. In vlugschriften van weleer werd smalend gesproken over de « horde van geneesheren ». Ook vandaag weer wordt de « ivoren toren » van de orde aangevallen. Vaak om dezelfde redenen als bij haar totstandkoming in 1938. De geboorte van de Orde van geneesheren was dan ook een moeilijke bevalling, hoewel zowel het artsenkorps als de wetgever vragende partij waren.

Herhaaldelijk werd de vrees geuit dat de orde als syndicaal wapen zou worden aangewend. Deze vrees bleek achteraf niet altijd zo onterecht. Het motief om een orde op te richten bestond er evenwel hoofdzakelijk in bepaalde wantoestanden in de medische zorgverlening tegen te gaan en aldus de patiënten te beschermen. Wat minister Wauters in december 1937 bij de parlementaire discussies over de oprichting van de Orde van geneesheren verklaarde, blijft het citeren waard : « Wij willen de orde tuchtrechtelijke bevoegdheid geven om de misbruiken te bestrijden waartegen onze rechters niet gewapend zijn. » Hierbij vernoemde hij onder meer misbruik van de goedgelovigheid van het publiek, commerciële geest en moreel verval, maar hij voegde eraan toe dat het « het Belgische geneesherencorps tot eer strekt dat het zijn eigen politie wil zijn ».

Net zoals de noodzaak van een grondige politiehervorming is gebleken, werden ook de huidige structuur en werking van de Orde van geneesheren de jongste tijd steeds meer in vraag gesteld. Terecht, het is voor niemand nog een geheim dat de orde dringend aan orde toe is. Volgens een recente enquête van de Artsenkrant is een overgrote meerderheid van de artsen (73 %) van mening dat de orde haar nut heeft en behouden moet blijven, weliswaar met de nodige hervormingen.

In de publieke opinie wordt de orde gepercipieerd als een orgaan voor de artsen ­ niet voor de patiënten, dat het beroepspotje liefst gedekt houdt. De beoordeling door beroepsgenoten roept sowieso altijd bedenkingen inzake de (on)partijdigheid op, die in de ene of andere zin gaan. De beroepsbeoefenaar die terecht staat, moet zich verantwoorden ten aanzien van collegae die op professioneel vlak niet zelden zijn naaste concurrenten zijn. Anderzijds kan bij de klager die een tuchtzaak bij de orde aanhangig maakt, twijfel rijzen over de bereidheid tot bestraffing van leden-collegae.

De indruk kan ontstaan dat de tuchtsprekende raad eerder de bescherming van de beroepsgroep beoogt dan die van de gemeenschap of van de patiënt. Die beeldvorming wordt nog versterkt door de beslotenheid van de tuchtprocedure en van de orde in het algemeen. Het adagium « Justice does not only have to be done, it also has to be seen to be done » blijkt ook in de tuchtrechtspraak meer dan ooit te gelden.

Niet alleen de orde als tuchtrechtelijk orgaan, maar ook het tuchtrecht in se wordt ter discussie gesteld. Het tuchtrecht zou geen toegevoegde waarde hebben. De handelingen van artsen kunnen perfect getoetst worden aan het gewone recht, zowel het burgerlijk als het strafrecht, zo luidt het. Noch de strafrechter, noch de burgerlijke rechter spreken evenwel een rechtstreeks oordeel uit over de kwaliteit van de door de arts gestelde handelingen. De strafrechter gaat na of de daden gekwalificeerd kunnen worden als in de strafwet opgenomen handelingen, terwijl de burgerlijke rechter oordeelt of de arts de zorgvuldigheidsnorm heeft nageleefd.

Daarenboven wordt de arts in dit laatste geval meestal beoordeeld op de inspanning die hij leverde, en niet op het resultaat. In die zin heeft het medisch tuchtrecht zeker een rol te vervullen naast het (medisch) strafrecht en het (medisch) aansprakelijkheidsrecht. Het tuchtrecht vormt met name het instrument bij uitstek om de « kwaliteit » zelf van het medisch handelen stelselmatig te controleren en tekortkomingen snel te registreren en te corrigeren.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe het medisch tuchtrecht zo in te vullen, dat het zo goed mogelijk beantwoordt aan de bovenvermelde opdracht en dat tegelijk de rechten van het individu, inzonderheid de rechten van de verdediging, gevrijwaard blijven. We houden vast aan een publiekrechtelijke tuchtregeling die voor alle artsen geldt. Dus geen privaatrechtelijke regeling uitsluitend ten dienste van beroepsbelangen of verenigingsbelangen, wel een tuchtrecht ten dienste van het algemeen belang.

Een privaatrechtelijke tuchtregeling schiet immers tekort om het algemeen belang als zodanig te dienen ­ algemeen belang en beroepsbelangen overlappen elkaar misschien occasioneel maar zeker niet systematisch. In Nederland heeft de overheid dan ook, in aanvulling van de privaatrechtelijke tuchtregeling van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij van Geneesheren, zelf een tuchtrecht georganiseerd.

Het tuchtrecht van de Orde van geneesheren vertoonde tot op heden misschien te veel het karakter van een « verenigingstuchtrecht », waarbij derden totaal niet betrokken worden. Dit wetsvoorstel heeft tot doel aan de tuchtprocedure binnen de Orde van geneesheren, die toch een publiekrechterlijke organisatie is, een meer publiekrechtelijk karakter te geven.

Aldus kan het belang van de patiënt en de gemeenschap, dat nu slechts een beperkt gewicht heeft, in belangrijke mate versterkt worden. Dit betekent op de eerste plaats een grotere openbaarheid en onpartijdigheid. Het gebrek aan openbaarheid doet immers af aan de pretentie dat het belang van de patiënt voorop staat. Vervolgens beoogt het wetsvoorstel een grotere betrokkenheid van derden bij de procedure.

Tot op heden bleef de tussenkomst van externen beperkt tot het aanbrengen van klachten door de klager en het toezicht door een of meer magistraten op de naleving van de essentiële procedureregels. Het verdient aanbeveling de samenleving een groter aandeel toe te kennen in de tuchtorganen. De Nationale Raad wordt uitgebreid met een aantal door de bevoegde minister aan te duiden leden, terwijl de nieuwe interprovinciale tuchtraden voor de helft uit niet verkozen magistraten zullen bestaan.

Op die manier wordt niet alleen de « corporatistische sfeer » doorbroken en het « juridische element » ­ ook in eerste aanleg ­ versterkt maar kan het tuchtrecht van de artsen blijven bestaan. Dit zal reeds op korte termijn een betere oplossing blijken dan het overhevelen van alle tuchtrechtspraak naar de gewone rechtbanken, die voor deze heel specifieke geneeskundige problemen niet de nodige bevoegdheid bezitten.

Ten slotte wijzigt het voorstel een aantal bepalingen van de in koninklijk besluit nr. 79 beschreven procedure, waarbij zowel aan de beklaagde arts als aan de klagende patiënt meer waarborgen worden verleend. De procedure krijgt een tegensprekelijk karakter; de arts mag zich op alle mogelijke manieren verdedigen. Hij staat niet langer enkel tegenover zijn beroepsgenoten, maar tevens tegenover een derde. Deze wijziging vormt een belangrijke kentering; tot op heden werd de medewerkingsplicht van de arts bij de bewijsvoering steeds aangehaald als de voornaamste rechtvaardiging voor het geheime karakter van de tuchtprocedures.

Ook de betrokkenheid van de patiënt bij de procedure wordt vergroot, maar hij wordt geen partij. Hij kan een klacht indienen en wordt gehoord door de onderzoekscolleges en eventueel door het tuchtcollege zelf. Hij moet tevens op de hoogte worden gebracht van de beslissing van het tuchtcollege, maar, gezien hij geen rechtstreeks belang kan laten gelden, heeft hij slechts een onrechtstreeks beroepsrecht. Daarvoor moet hij de voorzitter van de Nationale Raad aanspreken. De reden hiervoor is dat het doel van het tuchtrecht het onmiddellijke privé belang van de klager overstijgt; het is niet de bedoeling de patiënt individuele genoegdoening te bieden in de vorm van bijvoorbeeld een schadevergoeding.

Het tuchtrecht is er daarentegen wel op gericht om, in het belang van de « collectieve patiënt » en de gemeenschap, de goede beroepsuitoefening te handhaven en inbreuken te bestraffen. De patiënt vervult hierbij een signaalfunctie. Hij kan de beroepsgroep op eventuele fouten en tekortkomingen in de beroepsuitoefening van een van diens leden wijzen, maar wordt zelf geen partij in de procedure. Ten behoeve van de volledigheid van het onderzoek moet hij wel gehoord worden.

Bovendien past het in de trend naar een grotere transparantie binnen de orde dat de klager ook op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van het tuchtcollege. Door de versterking van de positie van de patiënt wordt uiteraard zijn « inkijkrecht » in het tuchtproces vergroot. Het komt tevens de geloofwaardigheid van de tuchtrechtspraak ten goede. In die zin vormt het tuchtrecht dan ook een onderdeel van het patiëntenrecht, dat, ter aanvulling van de bestaande en zich ontwikkelende mogelijkheden, de patiënten bescherming biedt. Wil de klagende patiënt echter zijn volledige klachtrecht laten gelden, wendt hij zich bij voorkeur in eerste instantie tot een klachtencommissie.

Tot slot mag niet worden voorbijgegaan aan de andere functies die de orde kan vervullen. Het tuchtrecht maakt slechts een klein onderdeel uit van de opdracht van de orde. De meeste artsen kennen de orde immers als een instantie waarbij ze terecht kunnen voor advies inzake vragen die opduiken bij de dagelijkse uitoefening van hun beroep. Deze functie blijft behouden, meer nog; door de publicatie van de adviezen krijgt de adviserende taak van de orde extra aandacht.

De meest opvallende, maar minst ingrijpende, hervorming is de naamswijziging van de orde in « Orde van artsen ». Het artsencorps telt steeds meer « geneesvrouwen »; tussen 1977 en 1995 steeg het aandeel vrouwelijke artsen van 12 % naar 26 %. De benaming « Orde van geneesheren » is dan ook achterhaald. Uit hetgeen volgt zal evenwel blijken dat dit wetsvoorstel meer veranderingen aanbrengt, dan het louter oppoetsen van het naamplaatje van de ter discussie staande orde.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Het wetsvoorstel is opgevat als een eigentijdse versie van het achterhaalde koninklijk besluit nr. 79 op de Orde van geneesheren, dat dateert van 1967. De structuur is dan ook grotendeels analoog.

Artikel 2

Aan de structuur van de orde wordt een nieuw orgaan toegevoegd; de interprovinciale tuchtraden (IPTR). Deze raden treden op na verwijzing van de provinciale raden, wanneer de schorsing of schrapping van de arts als tuchtmaatregel gepast lijkt (infra). De overkoepelende werking van de interprovinciale tuchtraden moet een grotere eenvormigheid in de tuchtrechtspraak, en meer bepaald in de strafmaat, brengen.

Artikel 3

De bijzondere regeling voor legerartsen, opgenomen in artikel 2, derde lid, en artikel 5, eerste lid, van het bij deze wet opgeheven koninklijk besluit nr. 79 wordt niet overgenomen. Ook al oefenen legerartsen de geneeskunde uitsluitend in het kader van hun militair ambt uit, dan nog zijn ze verplicht zich in te schrijven bij de orde. Zij vallen dan ook voor hun volledige activiteit onder het gezag en de rechtsmacht van de raden van de orde. De uitsluiting van de legerartsen werd destijds verantwoord door het feit dat zij reeds onderworpen waren aan het militaire tuchtrecht. De toepassing van het militaire tuchtrecht slaat evenwel eerder op de hoedanigheid van militair dan op die van arts. In de praktijk blijkt trouwens dat slechts zeer weinig militaire artsen geen enkele medische bedrijvigheid buiten hun militair ambt uitoefenen.

Artikel 4

De bijdrage van de ingeschreven artsen aan de Orde is voortaan voor iedereen dezelfde. Er wordt geen afzonderlijke bijdrage per provincie opgelegd; de Nationale Raad legt één enkele bijdrage vast. Ze wordt geïnd door de provinciale raden, die, na afhouding van hun aandeel, de rest aan de Nationale Raad doorstorten.

Artikel 6

Om al te grote verschillen tussen de door de provinciale raden opgestelde huishoudelijke reglementen te vermijden, stelt de Nationale Raad een modelreglement op, dat daarna door de raden kan worden aangevuld. Hetzelfde geldt voor de IPTR en de raden van beroep.

Artikel 7

De provinciale raden verliezen een aantal bevoegdheden, maar krijgen er andere bij.

1º De raden blijven bevoegd voor de inschrijving van de artsen op de lijst van de Orde. De inschrijving kan, zoals voorheen, geweigerd of uitgesteld worden. Nu wordt uitdrukkelijk in de wet ingeschreven dat het uitstellen van de inschrijving op de lijst niet eindeloos mag aanslepen. Het zou de betrokken arts te lang in onzekerheid laten. Naar analogie met de maximale schorsingstermijn van twee jaar, geldt dat ook het uitstel van inschrijving niet langer dan twee jaar mag duren.

Wanneer een van de lijst geschrapte arts eerherstel verkrijgt volgens de procedure bepaald bij deze wet, kan hij zijn herinschrijving op de lijst aanvragen. Dezelfde mogelijkheid bestaat in geval van herziening van de schrapping. De provinciale raden zijn bevoegd voor de herinschrijving. Hun beslissing moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als een beslissing tot weigering of uitstel van een eerste aanvraag. Tegen de weigering of het uitstel van herinschrijving kan beroep worden ingesteld bij de raad van beroep. Naar analogie met de procedure voor de architecten en accountants moeten voortaan ook de artsen gehoord worden vooraleer de provinciale raad de beslissing over de inschrijving op de lijst neemt.

2º De provinciale raden staan ook nog steeds in voor de bewaking van de naleving van de medischdeontologische regels. Op dat vlak worden een aantal wijzigingen aangebracht.

Ten eerste wordt de rechtsprekende bevoegdheid beperkt. De provinciale raden kunnen alleen nog verbale sancties uitspreken; voor zwaardere sancties verwijzen ze de zaak naar de bevoegde interprovinciale tuchtraad. De provinciale raden krijgen daarentegen de opdracht meer bemiddelend en preventief op te treden.

Ten tweede worden de begrippen « medische plichtenleer » en « deontologie » geherdefinieerd en geactualiseerd; niet langer het achterhaalde principe van de eer en de waardigheid van het beroep » maar wel het meer maatschappelijk geëngageerde beginsel van een « deskundige en goede beroepsuitoefening » staat centraal. De orde had tot op heden onder meer de opdracht te waken over de naleving van de eer en de waardigheid van het beroep. Dit eerder corporatistische begrip is vaak bekritiseerd. Daarom wordt het nu aangepast aan het huidige gezondheidsstelsel.

Dit betekent dat de orde de opdracht krijgt er op toe te zien dat er kwalitatief hoogstaande geneeskunde wordt geleverd, op een wijze die gekenmerkt wordt door discretie, beroepsernst en toewijding, in het belang van de patiënt en de gemeenschap. De beoordeling van de « kwaliteit » gebeurt dus niet op basis van wat de overige beroepsgenoten verwachten, maar van wat de patiënt mag verwachten. De orde bevordert deze eigentijdse sociale en gezondheidsmoraal en treft, indien ze niet wordt nageleefd, de nodige tuchtmaatregelen om haar collectief te vrijwaren.

Het nieuwe artikel 7, 2º, verwijst voor de inhoud van de beginselen van medische plichtenleer naar de in artikel 19 genoemde code. Deze verwijzing moet de onduidelijkheid en verwarring opheffen die door de verschillen in de oorspronkelijke tekst van artikel 6, 2º, enerzijds en artikel 15, § 1, anderzijds, werden veroorzaakt. Er moet evenwel opgemerkt worden dat de toezichtsbevoegdheid van de provinciale raden niet beperkt is tot de regels vervat in de code.

De orde kan ook optreden in geval van extraprofessionele fouten, maar dan enkel indien het zware fouten betreft die bovendien het vertrouwen van de bevolking in de arts ernstig schaden. Deze dubbele beperking is nodig indien men wil vermijden dat de orde op overdreven wijze in het privé leven van haar leden binnendringt.

Een nieuw lid wordt aan het eind van artikel 7, 2º, c), toegevoegd. Het maakt het mogelijk, naar analogie met artikel 461 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin het tuchtrecht voor advocaten is geregeld, dat de raden tuchtrechtelijk optreden, ook wanneer de betrokkene niet langer op de lijst staat. Deze bepaling heeft tot doel te vermijden dat een arts, die ­ wetende dat hij een ernstige inbreuk op de plichtenleer heeft gepleegd en bij ontdekking hiervan zal worden gestraft ­ zelf vraagt om van de lijst te worden weggelaten, aan een tuchtstraf zou ontsnappen.

3º Niet enkel het treffen van tuchtmaatregelen, maar ook de adviserende bevoegdheid past binnen de toezichthoudende opdracht van de provinciale raden, evenals hun nieuwe taak om te bemiddelen tussen artsen en derden. Bij de uitoefening van hun adviserende opdracht zijn de provinciale raden veel minder soeverein dan bij hun tuchtrechtelijke opdracht. Er wordt een onderscheid gemaakt naargelang het advies betrekking heeft op een probleem dat al dan niet is geregeld in de code. In het eerste geval kan het advies zonder meer worden medegedeeld aan de betrokken arts. In het tweede geval echter dient het voorstel te worden voorgelegd aan de Nationale Raad, die advies uitbrengt en het voorstel geheel of gedeeltelijk kan wijzigen. Dit komt de eenduidigheid en de rechtszekerheid ten goede.

4º Een nieuwe taak van de provinciale raden is de opstelling van een lijst van de artsen die gewoonlijk alternatieve behandelwijzen toepassen. Hierdoor kan het fenomeen van de toenemende vraag naar (en aanbod van) niet conventionele behandelwijzen beter in kaart gebracht worden.

5º De opdracht van de provinciale raden om te waken over de naleving van de plichtenleer blijft, zoals reeds eerder is gesteld, niet beperkt tot het post factum nemen van repressieve maatregelen. De provinciale raad kan tevens preventief optreden om een inbreuk te voorkomen. Daarom mogen de raden bijvoorbeeld eisen dat de artsen de met ziekenhuizen of collega's gesloten overeenkomsten aan de raad voorleggen.

6º De bevoegdheid van de provinciale raden om de bijdragen te bepalen valt weg. Alleen de Nationale Raad kan de hoogte van de bijdrage nog bepalen zodat deze dezelfde is voor alle artsen. De provinciale raden staan nog wel in voor de inning. Ook de arbitragebevoegdheid inzake honorariumbetwistingen wordt aan de provinciale raden ontnomen en naar de raden van beroep overgeheveld.

Artikel 8

De opbouw van de provinciale raden wordt behouden. De kritiek op de zeer eenzijdige samenstelling en de mogelijke invloed ervan op de tuchtuitspraken, wordt ondervangen door de overheveling van een groot deel van de tuchtrechtelijke bevoegdheden naar de interprovinciale tuchtraden, die uit meer magistraten dan artsen zijn samengesteld.

Artikel 9

Dit artikel somt de verkiesbaarheidsvoorwaarden op. De vereiste periode van inschrijving op de lijst wordt verlaagd. In plaats van 10 jaar volstaat voortaan 5 jaar. De bedoeling is de aanwezigheid van jonge artsen in de organen van de orde te bevorderen. Deze anciënniteitsvoorwaarde sluit aan bij degene die geldt bij de andere beroepsgroepen zoals de Orden van dierenartsen en architecten. De verlaging van de anciënniteitsvoorwaarde verhoogt de kans op een verjonging maar kan ze niet garanderen. De relatieve ondervertegenwoordiging van jongere beroepsbeoefenaars lijkt immers een eerder algemeen gegeven. Ook binnen andere tuchtrechtscolleges, die minder strenge normen hanteren, stelt men dit vast. Zo bedraagt de gemiddelde leeftijd van de leden voor de tuchtcommissie van accountants ongeveer 50 jaar, ofschoon na de stage geen enkele verdere ervaring wordt gevraagd.

Bovendien worden de gevolgen van tuchtsancties ten aanzien van de verkiesbaarheid aanzienlijk gemilderd; enkel de schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen brengt het verlies mee van het recht op verkiesbaarheid in de organen van de orde. De arts die geschrapt is, zal uiteraard ook niet verkozen kunnen worden, daar hij niet meer op de lijst is ingeschreven.

Ten slotte moet men om verkiesbaar te zijn, zijn bijdrageplicht hebben vervuld sedert de voorgaande verkiezingen. De niet betaling vormt evenwel geen aanleiding meer tot een tuchtstraf (infra).

Artikel 10

Het beginsel van de verplichte stemming blijft behouden. De sanctie in geval van onthouding bij de stemming wordt evenwel beperkt tot een verbale straf (waarschuwing bij eerste verzuim en eventueel berisping bij recidive). Een dergelijke beperking is ook van toepassing bij de Orde van dierenartsen.

Artikel 12

Tuchtzaken voor de provinciale raden worden voortaan onderzocht door een daartoe aangesteld onderzoekscollege. De leden van dit college nemen daarna geen deel aan de beraadslagingen en de beslissing. Op deze wijze komt, naar analogie met het gemene recht, een duidelijke scheiding tot stand tussen de onderzoeksfase en de beoordelingsfase. In meerdere arresten oordeelde het Hof van Cassatie dat het algemeen beginsel van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid wordt geschonden, wanneer leden van de provinciale raad die hebben deelgenomen aan de beslissing van die raad, voorheen de zaak mee hadden onderzocht. In dat geval kan immers terecht worden gevreesd dat deze rechters niet de waarborgen van onpartijdigheid bieden.

De provinciale raden hebben zich in de praktijk dan ook zo georganiseerd dat de leden die het onderzoek hebben gedaan, zich onthouden van deelneming aan de berechting ten gronde. De rechtszekerheid gebiedt dat deze praktijk in de wet wordt ingeschreven.

Artikel 13

Dit artikel breidt de regels voor de vervallenverklaring van het mandaat uit tot de leden van de nieuwe onderzoekscolleges.

Artikelen 14 en 15

De Orde van artsen krijgt er een nieuw orgaan bij : de interprovinciale tuchtraad (IPTR). Deze raad treedt enkel op na verwijzing van de provinciale raden in tuchtzaken. Wanneer de provinciale raden oordelen dat de oplegging van een verbale tuchtstraf niet volstaat en dat, wegens de ernst van de door de arts begane fout of tekortkoming, een zwaardere sanctie gepast is, dienen zij de tuchtzaak te verwijzen naar de IPTR. De IPTR oordeelt soeverein; hij kan een schorsing of schrapping uitspreken, maar kan tevens beslissen de arts enkel een verbale sanctie of zelfs helemaal geen sanctie op te leggen. Zoals hierna nog wordt uiteengezet, kan ook uitstel of probatie worden toegestaan.

De voordelen van de groepering van de « zwaardere » zaken bij de IPTR zijn, ten eerste, de grotere eenvormigheid in de uitspraken, en, ten tweede, de grotere kans op (of althans schijn van) onpartijdigheid vermits de arts niet door collega's uit dezelfde streek wordt beoordeeld ­ hetgeen voor de arts trouwens zowel een voordeel als een nadeel kan zijn.

De IPTR is tevens bevoegd voor de tuchtzaken waarin de beklaagde een lid van een van de organen van de orde is, alsmede voor die tuchtzaken waarin de bevoegde provinciale raad niet tijdig tot actie overgaat.

De Nederlandstalige en Franstalige IPTR zijn elk samengesteld uit vijf artsen ­ één lid van elke provinciale raad ­ en zes magistraten. De Koning kan bovendien de magistraten ook kiezen uit de (beroeps) rechters van de arbeidsrechtbanken. Door de aard van de geschillen die zij behandelen, komen zij vaker in aanraking met problemen van medische aard (RIZIV geschillen, arbeidsongevallen en beroepsziekten enz.), wat een surplus kan betekenen.

Ook een lid van de Nationale Raad krijgt een zetel in de IPTR. Dit lid kan concrete problemen die er behandeld worden, aan de orde stellen in de Nationale Raad, met het oog op een eventuele wijziging van de regels. Dit lid heeft het statuut van gewone waarnemer en kan slechts tussenkomen op verzoek van de leden van de IPTR. Hij neemt deel aan de zittingen maar niet aan de beraadslagingen.

Artikel 17

De raden van beroep zetelen als orgaan in tweede aanleg, zowel voor tuchtrechtelijke beslissingen van de provinciale raden en interprovinciale tuchtraden, als voor beslissingen van een provinciale raad tot weigering of uitstel van inschrijving op de lijst. Vermits personen waarvan de inschrijving geweigerd of uitgesteld wordt, (nog) geen lid zijn van de Orde, kan er geen sprake zijn van tuchtrechtelijk optreden, ook al hebben de raden op dit vlak een zekere beoordelingsvrijheid.

Inzake de weglating van de lijst met toepassing van artikel 7, 1 , tweede lid, is de bevoegdheid van de raad van beroep beperkt tot het verbeteren van eventuele feitelijke vergissingen die de provinciale raad beging. De orde en haar organen zijn immers gebonden door de beslissingen van de provinciale geneeskundige commissie terzake zodat een inhoudelijke herziening niet mogelijk is.

De raden van beroep blijven tevens bevoegd voor geschillen inzake de verkiezingen, territorialiteitsgeschillen en de vervallenverklaring van mandaten. Een nieuwe bevoegdheid is de arbitrage inzake honorariumbetwistingen; die wordt overgeheveld van de provinciale raden naar de raden van beroep. Daar het toch om arbitrage gaat, lijkt het gepast één enkele instantie te handhaven. Gelet op de samenstelling van de raden van beroep kan men verwachten dat die alle nodige garanties van onpartijdigheid kunnen bieden. Deze wijziging zou de vrees moeten wegnemen die, vooral in deze materie, vaak geuit wordt ten aanzien van de provinciale raden, met name dat de artsen geneigd zouden zijn elkaar te steunen en dat een zekere partijdigheid ten nadele van de patiënt bijgevolg niet uit te sluiten is.

De bevoegdheid om, met toepassing van het oorspronkelijke artikel 24, § 2 (nu artikel 31, § 2), op te treden wanneer de provinciale raden niet binnen een bepaalde termijn tot behandeling van de zaak overgaan, wordt aan de raden van beroep ontnomen en aan de interprovinciale raad toevertrouwd.

Artikel 18

Dit artikel wijzigt de samenstelling van de Nationale Raad. De tien verkozen leden blijven behouden. Het aantal vertegenwoordigers van de universiteiten stijgt met twee; één voorgedragen door de medische faculteit van de Universitaire Instelling Antwerpen en één door de drie Franstalige medische faculteiten tesamen. Voorts worden twee leden door de Koning benoemd op voordracht van de Koninklijke Academies voor geneeskunde in België. Zij hebben enkel een raadgevende stem. Ten slotte worden nog vier leden ambtenaren artsen aangewezen door de ministers van Volksgezondheid en Sociale Zaken. Elk van de ministers zal dus een Nederlandstalig en een Franstalig ambtenaar kunnen aanduiden. Ook deze leden hebben enkel een raadgevende stem. Een laatste vernieuwing betreft de griffiers; zij treden niet langer op als leden van de Nationale Raad, maar staan hem bij.

Ook de verkiesbaarheidsvoorwaarden worden versoepeld : de vereiste termijn van inschrijving wordt van 10 op 7 jaar gebracht.

Artikel 19

De inhoud van de medische plichtenleer wordt bijgewerkt teneinde rekening te houden met de huidige maatschappelijke eisen. Met name wordt de nadruk gelegd op de voortaan onontbeerlijke bijdrage die de artsen dienen te leveren aan de ontwikkeling, in het belang van de patiënt, van een kwalitatief hoogstaande geneeskunde.

Artikel 19 herschikt verder de bevoegdheden van de Nationale Raad en kent er daarnaast nog een aantal nieuwe toe, zoals het opleggen van een model van huishoudelijk reglement aan de provinciale raden, de IPTR en de raden van beroep en de publicatie van een jaarverslag waarin melding wordt gemaakt van het gevolg dat aan klachten werd gegeven en waarin een overzicht wordt gegeven van de genomen tuchtbeslissingen. De toekenning van deze laatste opdracht beoogt een grotere transparantie van de werkzaamheden van de Orde, zowel ten aanzien van de artsen als ten aanzien van de buitenwereld.

Een verschil met de oude bepaling inzake de opstelling van een repertorium, is dat het repertorium niet enkel de tuchtrechtelijke beslissingen gewezen in laatste aanleg dient te bevatten, maar alle door de provinciale raden, de IPTR en de raden van beroep getroffen tuchtrechtelijke beslissingen. Daarmee moet het repertorium, veeleer dan een verzameling van gevestigde rechtspraak, een stuk met meer documentaire waarde worden. Aldus wordt de precedentwerking van de provinciale raden en de IPTR verzwakt, hetgeen neerkomt op een nuancering van hun normatieve bevoegdheid.

De adviserende opdracht van de Nationale Raad wordt behouden. Een nieuwigheid is dat de raad voortaan een openbaar repertorium dient bij te houden van alle adviezen en voorstellen van adviezen. Die worden eveneens gepubliceerd.

Zoals eerder vermeld, bepaalt de Nationale Raad het bedrag van de te betalen bijdrage.

Artikelen 20 tot 26

Wat de sancties betreft, worden de volgende wijzigingen aangebracht.

De censuur, de meest vage en daarom ook minst toegepaste straf, wordt afgeschaft. Het onderscheid tussen de censuur en de waarschuwing ­ een soort plechtige verwittiging ­ is immers te onduidelijk. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen de censuur en de berisping, die een afkeuring van de begane fout inhoudt, zonder dat ze de schorsing wettigt.

Anderzijds wordt, naar het voorbeeld van de nieuwe Nederlandse medische tuchtcolleges, de mogelijkheid ingevoerd een geldboete op te leggen. In Nederland bepaalt de wet een maximumbedrag van 10 000 gulden; dit wetsvoorstel laat het aan de Koning over een maximumbedrag te bepalen.

De provinciale raden kunnen enkel nog verbale sancties uitspreken; de interprovinciale tuchtraden daarentegen kunnen een keuze maken uit het hele gamma van sancties, gaande van een waarschuwing tot schrapping van de lijst.

Een uitzondering op de ontneming van de « zwaardere » sancties aan de provinciale raden, is de mogelijkheid tot het nemen van dringende maatregelen. In bepaalde ernstige gevallen kan het immers nodig zijn dringende maatregelen te nemen wanneer er een risico ontstaat voor de volksgezondheid. Daarom wordt de provinciale raad gemachtigd voorlopige maatregelen te treffen die kunnen gaan tot het opleggen aan de arts van een verbod voor een maand om het beroep uit te oefenen.

De mogelijkheid van uitstel en probatie wordt ingevoerd ter uitbreiding van de waaier van tuchtmaatregelen. Zo wordt het mogelijk de arts een proefperiode toe te staan.

Naar analogie van de wetgeving betreffende de Orde van advocaten en de Orde van architecten worden de procedures van kwijtschelding van sanctie en eerherstel ingevoerd. Dezelfde voorwaarden als in het strafrecht zijn van toepassing. Eerherstel is slechts mogelijk mits een tweederde meerderheid van de raad er zich voor uitspreekt. Een geschrapte arts kan slechts eerherstel vragen wanneer een termijn van minstens vijf jaar is verstreken. De proefperiode bedraagt vijf jaar omdat de tuchtraad, met het uitspreken van een schrapping, duidelijk de bedoeling had de arts meer dan twee jaar het recht te ontzeggen de geneeskunde uit te oefenen. Anders had de tuchtraad wel een schorsing uitgesproken, waarvan de wettelijke maximumtermijn twee jaar bedraagt. Naar het voorbeeld van de Orde van advocaten wordt bij artikel 23 in een herzieningsprocedure voorzien.

De mogelijkheid tot tuchtrechtelijke bestraffing van niet betaling van bijdragen wordt opgeheven. In Frankrijk is de niet betaling van de bijdrage al sinds 1986 geen tuchtmisdrijf meer. Ook bij ons zal de nietbetaling geen reden meer zijn om een arts een tuchtstraf op te leggen. Dit sluit niet uit dat de inning van de bijdragen afdwingbaar blijft voor de burgerlijke rechter. Vermits evenwel alleen de Nationale Raad rechtspersoonlijkheid bezit, kan enkel hij in rechte optreden voor de invordering van de bijdrage. De niet betaling van de bijdrage maakt wel nog een belemmering uit voor de verkiesbaarheid (zie artikel 9, 3º).

Artikel 27

Dit artikel voert een aantal belangrijke wijzigingen door op het vlak van het onderzoek.

Het onderzoek wordt door het bureau van de provinciale raad toevertrouwd aan het onderzoekscollege. In geval van klacht poogt het college vooraf de partijen te verzoenen. Lukt de poging, dan wordt hiervan proces verbaal opgemaakt. Lukt dit niet, dan brengt het college verslag uit bij de provinciale raad. De klager en beklaagde worden hiervan op de hoogte gebracht.

In geval van verwijzing van de tuchtzaak naar de interprovinciale tuchtraad, licht het lid van de verwijzende provinciale raad de feiten, de elementen van het reeds gevoerde onderzoek en de motieven voor verwijzing toe. De IPTR kan steeds bijkomende onderzoeken laten uitvoeren. Hiertoe stelt hij een verslaggever aan. Klager en beklaagde worden gehoord. De arts die deel uitmaakt van dezelfde provinciale raad als de beklaagde arts, wordt van de beraadslaging geweerd. Dit versterkt het onpartijdige karakter van de tuchtraden; de IPTR kan zich in grotere onafhankelijkheid over het geschil buigen indien er geen vertegenwoordiger zitting heeft van de provinciale raad, waaronder ook de vervolgde arts ressorteert.

De verslaggever die de eventuele bijkomende onderzoeken deed, mag evenmin deelnemen aan de beraadslagingen en de beslissing.

Artikel 28

Tegen de beslissingen van de provinciale raden en de interprovinciale tuchtraden kan beroep worden ingesteld bij de raden van beroep. Beroep kan worden ingesteld door de arts zelf, door de minister indien hij partij was en door de voorzitter van de Nationale Raad. De klager heeft enkel een onrechtstreeks beroepsrecht, dat hij via de voorzitter van de Nationale Raad moet uitoefenen. Dit impliceert dat hij minstens op de hoogte moet zijn van de genomen beslissing. Deze garantie is in dit artikel ingeschreven.

Tegen de door de provinciale raad getroffen dringende maatregelen kan alleen de betrokken arts beroep instellen. Aangezien die beslissing geen echte tuchtstraf is, maar een louter bewarend karakter heeft, wordt het recht van beroep aan de betrokkene voorbehouden.

Artikel 31

Dit artikel waarborgt een grotere participatie van de klager in de tuchtrechtspraak, in die zin dat hij steeds gehoord moet worden. Ook de rechten van de verdediging krijgen meer grondslag; de zittingen van de raden zijn openbaar tenzij de beschuldigde arts zich hiertegen uitdrukkelijk verzet. Ten slotte wordt ook de motiveringsplicht versterkt; de raden hebben de verplichting te motiveren waarom voor een bepaald tuchtmisdrijf deze en geen andere sanctie wordt opgelegd.

De bevoegdheid van de raden van beroep om op te treden in tuchtzaken die blijven aanslepen bij de provinciale raden, wordt overgeheveld naar de interprovinciale tuchtraden.

Artikel 34

Dit artikel brengt wijzigingen aan in de kennisgeving van genomen beslissingen aan derden. De definitieve beslissingen over weglating, schorsing of schrapping van de lijst worden voortaan ook aan het RIZIV betekend. Alle tuchtbeslissingen ­ niet alleen de definitieve ­ worden bovendien aan de minister van Volksgezondheid bekendgemaakt. Deze verplichte mededeling houdt niet enkel verband met het recht van de minister om zich in Cassatie te voorzien.

Artikel 35

De gekwalificeerde meerderheden vereist voor bepaalde beslissingen worden voortaan wettelijk vastgesteld op minstens twee derde van de stemmen.

Artikel 36

Deze bepaling beantwoordt aan een veelvuldig en sinds lang geformuleerde eis. Ze strekt ertoe elke inmenging in de schoot van de orde te vermijden, en dit met een drievoudig doel :

­ bij de buitenwereld elk risico van verwarring te voorkomen, die zou kunnen ontstaan door de gelijktijdige aanwezigheid van personen in de orde en in andere groeperingen;

­ aan het artsencorps een gelijke behandeling te garanderen op het vlak van de bevoegdheden van de orde;

­ elke invloed uit te sluiten die niet door deontologische bekommernissen is ingegeven. Teneinde de draagwijdte van de tekst niet tot concrete gevallen en situaties te beperken, is het onverenigbaarheidsbeginsel in algemene termen geformuleerd. Bijgevolg kan het worden toegepast in alle gevallen die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de orde in het gedrang kunnen brengen. De interpretatie van deze bepaling en de toepassing ervan op concrete situaties worden voorbehouden aan de raden van beroep.

Artikel 37

Dit artikel strekt ertoe de deelname van een groter aantal artsen in de orde te stimuleren door sneller in de vervanging van de verkozen en benoemde leden te voorzien. Daarom wordt een absolute grens gesteld aan het aantal mandaten dat een arts ononderbroken mag uitoefenen in de diverse raden. De toegelaten maximumduur wordt op 18 jaar bepaald ­ hetgeen overeenkomt met 3 opeenvolgende volledige mandaten ­ ongeacht de hoedanigheid van de verkozene.

Artikelen 41 en 42

Deze artikelen bevatten de regels inzake de inwerkingtreding van de voorgestelde bepalingen en de vereiste overgangsmaatregelen.

 

Mia DE SCHAMPHELAERE.

---

WETSVOORSTEL

---

HOOFDSTUK I

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II

De Orde van artsen

AFDELING 1

Inrichting

Art. 2

Er wordt een Orde van artsen ingesteld.

Haar organen zijn : de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden, de raden van beroep en de Nationale Raad.

Zij geniet publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid.

Art. 3

De Orde van artsen omvat alle doctors in de genees-, heel- en verloskunde, in België woonachtig en ingeschreven op de lijst van de orde van de provincie waar zij hun woonplaats hebben. Volgens deze wet wordt als woonplaats beschouwd de plaats waar de arts zijn voornaamste bedrijvigheid uitoefent.

Onverminderd de bepalingen van artikel 44septies van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunde, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies moet iedere arts, om de geneeskunde in België te mogen uitoefenen, ingeschreven zijn op de lijst van de orde.

Niemand mag ingeschreven zijn op meer dan één van de provinciale lijsten, die samen de lijst van de orde vormen.

Art. 4

Zowel in rechte als om te bedingen of om zich te verbinden, treedt de orde op door de Nationale Raad en wordt zij vertegenwoordigd door de voorzitter, of bij diens afwezigheid, door de plaatsvervangende voorzitter van deze raad, samen met een ondervoorzitter.

De orde mag, in eigendom of anders, enkel die onroerende goederen bezitten die voor haar werking nodig zijn.

Beschikkingen onder de levenden of bij testament ten voordele van de orde behoeven machtiging van de Koning.

Teneinde de orde in staat te stellen haar opdracht te vervullen mag een jaarlijkse bijdrage van de op de lijst ingeschreven artsen geëist worden; deze bijdrage wordt vastgesteld door de Nationale Raad, met aanduiding van het gedeelte dat bestemd is om de werking te organiseren van de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden en de raden van beroep.

Art. 5

Voor het gebruik van de talen in de administratieve betrekkingen van de orde, gelden de wettelijke bepalingen op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

AFDELING 2

De provinciale raden

Art. 6

In iedere provincie wordt een provinciale raad van de Orde van artsen opgericht die gezag en rechtsmacht heeft over de artsen die overeenkomstig artikel 3 op de lijst van de orde van die provincie zijn ingeschreven en over de onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die in een andere lidstaat als arts gevestigd is en die een dienstverrichting uitoefent in het ambtsgebied van die provinciale raad.

De artsen die hun voornaamste bedrijvigheid uitoefenen in het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad mogen zich naar keuze inschrijven bij hetzij de provinciale raad met gezag en rechtsmacht in Vlaams Brabant, hetzij de provinciale raad met gezag en rechtsmacht in Waals Brabant.

De Koning regelt de inrichting en de werking van de provinciale raden.

Hij bepaalt de plaats van hun zetel. Elke provinciale raad vult het model van huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 19, § 2, 6º, aan en legt de aangevulde tekst ter goedkeuring voor aan de Nationale Raad.

Art. 7

De provinciale raden zijn bevoegd om :

1º de lijst van de orde op te maken. Zij kunnen de inschrijving op een lijst weigeren of uitstellen indien de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt, hetzij aan een zodanig ernstig feit dat dit voor een lid van de orde schrapping van de lijst of schorsing van ten minste een jaar zou betekenen, hetzij aan een zware fout die het vertrouwen van de bevolking in de beroepsuitoefening van de aanvrager verhindert of ernstig schendt.

Indien de aanvrager een onderdaan is van een andere lidstaat van de Europese Unie, wint de provinciale raad bij de betrokken overheid van het land van oorsprong of van herkomst dezelfde inlichtingen in als die gevraagd worden van de Belgische kandidaten.

Wanneer de daartoe bevoegde geneeskundige commissie of de geneeskundige beroepscommissie bepaald bij artikel 37, § 4, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies heeft beslist en aan de orde heeft laten weten dat een arts de vereiste voorwaarden voor de uitoefening van de geneeskunde niet meer vervult, of om redenen van lichamelijke of geestelijke onvolwaardigheid, op een beperkte uitoefening van de geneeskunde is aangewezen, laat de betrokken provinciale raad in het eerste geval de naam van de arts uit de lijst weg en in het tweede geval maakt hij het behoud ervan afhankelijk van het nakomen van de opgelegde beperking.

De naam van de arts wordt ook uit de lijst weggelaten wanneer hij daarom verzoekt.

De beslissing waarbij een inschrijving op de lijst wordt geweigerd of uitgesteld, waarbij de naam van een arts wordt weggelaten of waarbij onder beperkende voorwaarden de naam op de lijst wordt behouden, wordt met redenen omkleed.

Deze beslissing kan niet worden genomen tenzij de betrokken arts ten minste 30 dagen vooraf bij aangetekende brief is uitgenodigd om te worden gehoord op de vergadering van de raad, tijdens dewelke zijn zaak zal worden onderzocht.

Het uitstellen van de inschrijving op de lijst mag maximaal twee jaar duren.

In geval van eerherstel, zoals bepaald in artikel 24, § 2, alsmede in geval van herziening, zoals bepaald in artikel 23, oordelen de raden onder dezelfde voorwaarden over de herinschrijving op de lijst;

2º te waken over de naleving van de regels van de medische plichtenleer, onder meer geformuleerd in de code bedoeld in artikel 19, § 1. Te dien einde zijn zij ermee belast :

a) uit preventieve overwegingen, op eigen initiatief of op verzoek van een lid van de orde, advies te verlenen over problemen van medische plichtenleer. Wanneer deze problemen niet geregeld worden in de in artikel 19, § 1, bedoelde code, leggen de provinciale raden voorstellen van advies ter goedkeuring aan de Nationale Raad voor. Binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst brengt de Nationale Raad een definitief advies uit, dat de voorstellen geheel of gedeeltelijk kan wijzigen. De Nationale Raad deelt zijn adviezen mee aan de betrokken provinciale raad, die ze aan de betrokken artsen overzendt;

b) te bemiddelen tussen artsen enerzijds en patiënten, instellingen of verenigingen anderzijds om conflicten of betwistingen inzake de medische plichtenleer op te lossen;

c) tuchtrechtelijk op te treden ten aanzien van artsen in geval van : ­ tekortkomingen en misbruiken begaan bij of naar aanleiding van de uitoefening van hun beroep; ­ zware fouten begaan buiten de beroepssfeer, wanneer deze het vertrouwen van de bevolking in de beroepsuitoefening van de betrokken arts ernstig schaden. De provinciale raden blijven bevoegd om uitspraak te doen over tuchtrechtelijke vervolgingen ingesteld op grond van feiten begaan vóór de beslissing waarbij de beklaagde, al dan niet op zijn verzoek, uit de lijst werd weggelaten, indien het onderzoek uiterlijk zes maanden na die beslissing werd ingesteld;

3º een register bij te houden van de op hun lijst ingeschreven artsen die gewoonlijk ook alternatieve geneeswijzen toepassen;

4º de bevoegde overheden kennis te geven van de daden van onwettige uitoefening van de geneeskunde waarvan zij kennis hebben;

5º te beslissen of de contracten die de artsen bij de uitoefening van hun beroep onder elkaar of met derden sluiten, verenigbaar zijn met de regels van medische plichtenleer. In geen enkel geval mag die controle dentiste betrekking hebben op clausules van het contract die het voorwerp van dwingend recht uitmaken. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit de nadere regels betreffende die taak;

6º gevolg te geven aan elk verzoek om advies vanwege de hoven en rechtbanken omtrent betwistingen betreffende honoraria;

7º ieder jaar de bijdrage te innen waarvan sprake is in artikel 4. De bijdragen worden overgemaakt aan de Nationale Raad, na afhouding van het gedeelte dat bestemd is voor de werking van de provinciale raden.

Art. 8

§ 1. Elke provinciale raad is samengesteld uit :

1º gewone en plaatsvervangende leden, te verkiezen door de artsen die op zijn lijst ingeschreven en niet geschorst zijn.

De duur van het mandaat is zes jaar.

De raad wordt om de drie jaar voor de helft vernieuwd. Het aantal gewone en plaatsvervangende leden, te verkiezen per rechterlijk arrondissement van de provincie, wordt door de Koning vastgesteld. Het moet een even getal zijn.

De Koning bepaalt de regelen om in de vertegenwoordiging van de Duitstalige artsen in de provinciale raad van Luik te voorzien; te dien einde kan hij een afzonderlijk kiesdistrict oprichten;

2º een gewoon en een plaatsvervangend bijzitter, die voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd worden; de bijzitter heeft een raadgevende stem.

Die bijzitters worden gekozen uit de werkende of eremagistraten van de rechtbanken van eerste aanleg, met uitzondering van de onderzoeksrechters en van de leden van de parketten. Hun benoeming als raadsheer in het hof van beroep vormt geen beletsel voor de verdere uitoefening van hun ambt als bijzitter.

De bijzitters moeten in de provincie woonachtig zijn.

§ 2. Het gewone lid van de Nationale Raad, of bij afwezigheid, zijn plaatsvervanger, verkozen door de provinciale raad buiten zijn midden, neemt van ambtswege met raadgevende stem deel aan de zittingen van de provinciale raad.

Art. 9

Als gewone of als plaatsvervangende leden van de provinciale raad zijn verkiesbaar de artsen van Belgische nationaliteit of die welke onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, die aan volgende voorwaarden voldoen :

1º op het ogenblik van de verkiezing sedert ten minste één jaar op de lijst van deze raad, en sedert ten minste vijf jaar op één van de provinciale lijsten van de orde zijn ingeschreven;

2º niet zijn geschorst in het recht de geneeskunde uit te oefenen;

3º sedert de vorige verkiezing de bij artikel 4, vierde lid, opgelegde verplichtingen nagekomen zijn.

Art. 10

De verkiezing van de leden geschiedt bij geheime stemming. Het kiesrecht wordt beperkt tot twee derde van de voor de provincie te begeven zetels.

De stemming is verplicht. Een eerste onthouding zonder wettige reden bij de stemming kan gestraft worden met een waarschuwing. Dezelfde sanctie of de berisping kan worden toegepast in geval van herhaalde onthouding zonder wettige reden bij de stemming.

Iedere kiezer die de regelmatigheid van de verkiezingsverrichtingen betwist, heeft het recht tegen de uitslagen van de verkiezingen bezwaar in te dienen.

De Koning bepaalt, op advies van de Nationale Raad, de wijze waarop de verkiezingen plaatsvinden alsmede de vormen en de termijnen voor het indien van de bezwaren en de termijn binnen dewelke over die bezwaren uitspraak wordt gedaan.

Art. 11

De provinciale raad verkiest uit zijn midden een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris, die met de bijzitter het bureau vormen.

Hij verkiest eveneens uit zijn midden de leden die het bureau vervolledigen bij afwezigheid van de voorzitter, de ondervoorzitter of de secretaris.

Het gewone lid van de Nationale Raad of, bij afwezigheid, zijn plaatsvervanger, verkozen door de provinciale raad in of buiten zijn midden, neemt van ambtswege met raadgevende stem deel aan de zittingen van het bureau van de provinciale raad.

Art. 12

§ 1. De provinciale raad richt in zijn midden een of meer onderzoekscolleges op, waarin telkens minstens twee artsen zitting hebben.

De raad stelt een lijst op van zijn leden en hun plaatsvervangers die zitting hebben in de onderzoekscolleges. De leden van het bureau mogen geen lid zijn van de onderzoekscolleges.

De leden van het onderzoekscollege wijzen een voorzitter en een verslaggever aan.

§ 2. Het onderzoekscollege is belast met het onderzoek van de tuchtzaken die bij de provinciale raad aanhangig worden gemaakt.

De leden van het onderzoekscollege nemen geen deel aan de beraadslagingen, noch aan de uitspraak in tuchtzaken.

Art. 13

Onverminderd de toepassing van tuchtstraffen, kan elk verkozen lid van een provinciale raad dat, na regelmatige oproeping, zonder wettige reden drie achtereenvolgende zittingen van de raad of van het of de onderzoekscolleges niet bijwoont, van zijn mandaat vervallen verklaard worden.

AFDELING 3

De interprovinciale tuchtraden

Art. 14

§ 1. De interprovinciale tuchtraden, de ene met het Nederlands en de andere met het Frans als voertaal, zijn elk samengesteld uit :

1º vijf gewone en vijf plaatsvervangende artsen. Elke provinciale raad verkiest uit zijn midden een gewoon en een plaatsvervangend lid van de interprovinciale tuchtraad van zijn taalstelsel. Hun mandaat duurt zes jaar;

2º zes gewone en zes plaatsvervangende leden, benoemd door de Koning op de gezamenlijke voordracht van de ministers bevoegd voor de Justitie en de Volksgezondheid. Hun mandaat duurt zes jaar. Deze leden worden gekozen uit de werkende of eremagistraten van de rechtbank van eerste aanleg of van de arbeidsrechtbanken, met uitsluiting van de onderzoeksrechters en de leden van de parketten;

3º een gewone en plaatsvervangende griffier, door de Koning benoemd. Hun mandaat duurt zes jaar.

§ 2. De Koning benoemt uit de leden die magistraat zijn, de voorzitter en, uit de leden die arts zijn, de verslaggever.

§ 3. Een niet verkozen lid van de Nationale Raad, dat daartoe is afgevaardigd, woont van rechtswege de zittingen bij om er het advies van de Nationale Raad uit te brengen inzake de regels van de medische plichtenleer, die naar aanleiding van een onderzochte tuchtzaak worden opgeworpen.

§ 4. De bezoldiging van de griffiers en van de plaatsvervangende griffiers valt ten laste van de orde. Zij wordt door de Nationale Raad vastgesteld.

§ 5. Onverminderd de toepassing van tuchtstraffen, kan elk verkozen lid van een interprovinciale tuchtraad dat, na regelmatige oproeping, zonder wettige reden drie achtereenvolgende zittingen niet bijwoont, van zijn mandaat vervallen verklaard worden.

§ 6. Elke interprovinciale tuchtraad vult het model van huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 19, § 2, 6º, aan en legt de aangevulde tekst ter goedkeuring voor aan de Nationale Raad.

§ 7. De interprovinciale tuchtraden hebben hun zetel in het administratief arrondissement Brussel Hoofdstad.

Art. 15

Volgens de regels bepaald in artikel 27, § 3, neemt elke interprovinciale tuchtraad kennis van de zaken die, met toepassing van artikel 20, § 2, door een provinciale raad met respectievelijk het Nederlands of het Frans als voertaal worden verwezen. Onder dezelfde voorwaarden neemt de tuchtraad kennis van :

1º alle tuchtzaken waarin de beklaagde arts een lid van één van de organen van de orde is;

2º alle zaken die bij hem aanhangig worden gemaakt met toepassing van artikel 31, § 2.

AFDELING 4

De raden van beroep

Art. 16

§ 1. De raad van beroep met het Nederlands als voertaal en de raad van beroep met het Frans als voertaal zijn elk samengesteld uit :

1º vijf gewone en vijf plaatsvervangende leden die artsen zijn. Zij worden verkozen voor een termijn van zes jaar en zijn herkiesbaar. Elke provinciale raad verkiest een van de vijf leden van de raad van beroep van zijn taalstelsel. De provinciale raad kiest zijn vertegenwoordigers onder de artsen van Belgische nationaliteit of die welke onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, die op het ogenblik van de verkiezing sedert ten minste één jaar op zijn lijst en sedert ten minste vijf jaar op een van de provinciale lijsten van de orde zijn ingeschreven en die niet zijn geschorst in het recht de geneeskunde uit te oefenen;

2º vijf gewone en vijf plaatsvervangende leden, raadsheren in het hof van beroep, door de Koning benoemd voor een termijn van zes jaar;

3º een gewone en een plaatsvervangend griffier, voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd. Een zelfde griffier of plaatsvervangend griffier kan bij de twee raden van beroep worden benoemd, op voorwaarde dat hij de beide landstalen machtig is.

§ 2. De Koning benoemt uit de leden die magistraten zijn, de voorzitter en de verslaggevers van elke raad.

§ 3. Een niet verkozen lid van de Nationale Raad, dat daartoe is afgevaardigd, woont van rechtswege de zittingen bij van elke raad van beroep om er het advies van de Nationale Raad uit te brengen over beginselkwesties of over regelen van de plichtenleer die ter gelegenheid van een onderzocht geval worden opgeworpen.

§ 4. De bezoldiging van de griffiers en van de plaatsvervangende griffiers valt ten laste van de Orde. Zij wordt door de Nationale Raad vastgesteld.

§ 5. Onverminderd de toepassing van tuchtstraffen, kan elk verkozen lid van een raad van beroep dat, na regelmatige oproeping, zonder wettige reden drie achtereenvolgende zittingen niet bijwoont, van zijn mandaat vervallen verklaard worden.

§ 6. Elke raad van beroep vult het model van huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 19, § 2, 6º, aan en legt de aangevulde tekst ter goedkeuring voor aan de Nationale Raad.

§ 7. De raden van beroep hebben hun zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

Art. 17

Volgens de regels bepaald in de artikelen 31 en 32, neemt elke raad van beroep kennis van het hoger beroep tegen de beslissingen die onderscheidenlijk zijn genomen door de provinciale raden, respectievelijk de interprovinciale tuchtraden, met het Nederlands of het Frans als voertaal, en die artikel 7, 1 of 2º, respectievelijk artikel 15, toepassen.

Onder dezelfde voorwaarden doet hij uitspraak in eerste en in laatste aanleg :

1º over de bezwaren bepaald in artikel 10. Indien deze bezwaren slaan op feiten die de uitslag van de stemming zouden hebben kunnen wijzigen, kan hij de verkiezing nietig verklaren;

2º over de vervallenverklaringen bepaald in de artikelen 13, 14, 16, 18 en 25;

3º op gezamenlijk verzoek van de betrokkenen, over betwistingen over honoraria die door een arts van zijn patiënt worden gevorderd, behoudens bevoegdheidsverlenende bepalingen in overeenkomsten inzake verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering die door de arts zouden zijn aangegaan.

Elk geschil tussen provinciale raden omtrent de woonplaats van een arts wordt, naar gelang van het geval, voorgelegd aan de ene of aan de andere raad van beroep, of aan beide raden samen wanneer het geschil is gerezen tussen provinciale raden met een verschillend taalstelsel. In dit laatste geval wordt de zitting geleid door diegene van de beide voorzitters die als kamervoorzitter of als raadsheer de meeste dienstjaren telt.

AFDELING 5

De Nationale Raad

Art. 18

§ 1. De Nationale Raad van de Orde van artsen omvat twee afdelingen : de ene met het Nederlands, de andere met het Frans als voertaal. Zij kunnen samen beraadslagen en beslissen. De raad is samengesteld uit :

1º tien gewone en tien plaatsvervangende leden verkozen voor een termijn van zes jaar. Deze leden zijn éénmaal herkiesbaar. Elke provinciale raad kiest uit zijn midden of er buiten, een gewoon en een plaatsvervangend lid van de Nationale Raad onder de artsen van Belgische nationaliteit of die welke onderdaan zijn van een andere lidstaat van de Europese Unie, die op ogenblik van de verkiezing sedert ten minste één jaar op zijn lijst en sedert ten minste zeven jaar op een van de provinciale lijsten van de orde zijn ingeschreven en die niet zijn geschorst in het recht de geneeskunde uit te oefenen;

2º acht gewone en acht plaatsvervangende leden voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd onder de artsen die door de faculteiten geneeskunde op een lijst van dubbeltallen worden voorgedragen.

De geneeskundige faculteiten van de Nederlandstalige universiteiten van Antwerpen, Brussel, Gent en Leuven stellen elk een gewoon en een plaatsvervangend lid voor; de geneeskundige faculteiten van de Franstalige universiteiten van Brussel, Luik en Louvain-la-Neuve stellen elk een gewoon en een plaatsvervangend lid voor. Samen dragen zij een vierde gewoon en een vierde plaatsvervangend lid voor;

3º twee gewone en twee plaatsvervangende leden voor een termijn van zes jaar door de Koning benoemd onder de leden die door de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België en de Academie royale de médecine de Belgique op een lijst van dubbeltallen worden voorgedragen. Elke academie stelt een gewoon en een plaatsvervangend lid voor. Deze leden hebben een raadgevende stem;

4º vier gewone en vier plaatsvervangende leden ambtenaren artsen, aangewezen door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid en de minister bevoegd voor Sociale Zaken. Deze leden hebben een raadgevende stem.

§ 2. De twee afdelingen van de Nationale Raad worden voorgezeten door dezelfde magistraat, benoemd door de Koning onder de raadsheren of ereraadsheren bij het Hof van Cassatie die de twee landstalen machtig zijn. Eén plaatsvervangend voorzitter wordt eveneens door de Koning aangewezen.

Iedere afdeling kiest in haar midden een ondervoorzitter, die ook ondervoorzitter is van de Nationale Raad.

De Koning stelt de regels betreffende de inrichting en de werking van de Nationale Raad vast.

§ 3. Het lidmaatschap van de Nationale Raad is onverenigbaar met het lidmaatschap van een raad van beroep.

§ 4. Onverminderd de toepassing van tuchtstraffen, kan elk verkozen lid van de Nationale Raad dat, na regelmatige oproeping, zonder wettige reden drie achtereenvolgende zittingen niet bijwoont, van zijn mandaat vervallen verklaard worden.

§ 5. De Nationale Raad wordt bijgestaan door een griffier, doctor of licentiaat in de rechten, voor een termijn van zes jaar benoemd door de Koning. De Koning kan eveneens een plaatsvervangend of adjunct griffier aanwijzen.

De bezoldiging van de griffiers komt ten laste van de Orde. Zij wordt door de Nationale Raad vastgesteld.

§ 6. De Nationale Raad maakt zijn reglement van orde.

§ 7. De Nationale Raad heeft zijn zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.

Art. 19

§ 1. Onverminderd dwingende wetsbepalingen, stelt de Nationale Raad de algemene beginselen en de regels van medische plichtenleer vast, die artsen bij de uitoefening van hun beroep dienen na te leven om op een door beroepsernst, discretie en toewijding gekenmerkte wijze, bij te dragen tot een kwalitatief hoogstaande geneeskunde in het belang van de patiënten en de gemeenschap. Die regels en beginselen vormen de code van medische plichtenleer.

De Koning kan, bij een in de Ministerraad overgelegd besluit, bindende kracht verlenen aan de code van medische plichtenleer en aan de aanpassingen die door de Nationale Raad zouden worden aangebracht.

De code bevat inzonderheid regels betreffende de continuïteit van de verzorging, waartoe ook het inrichten van de wachtdienst behoort, het beroepsgeheim, het doorgeven van bescheiden of medische inlichtingen aan confraters, meer bepaald in het kader van de uitoefening van de preventieve geneeskunde, alsmede betreffende de individuele betrekkingen tussen de arts, enerzijds, en de zieken, de confraters, de beoefenaars van de tandheelkunde, de apothekers en de titularissen van de paramedische beroepen, anderzijds.

In de code worden de beginselen geformuleerd op grond waarvan de sociale verplichtingen van de arts worden vastgesteld.

§ 2. De Nationale Raad heeft bovendien tot taak :

1º op eigen initiatief of op verzoek inlichtingen te verstrekken aan het publiek omtrent het bestaan en de draagwijdte van de beginselen en regels waarvan sprake is in § 1;

2º een repertorium bij te houden van de door de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden en de raden van beroep getroffen tuchtrechtelijke beslissingen; zo nodig de code van medische plichtenleer aan te passen om de bepalingen ervan aan te vullen of te verduidelijken op grond van deze rechtspraak;

3º op eigen initiatief of op verzoek van de provinciale raden, van de overheid, van openbare instellingen, van beroepsorganisaties van artsen of van elke andere vereniging die hiervoor een belang kan laten blijken, gemotiveerde adviezen te verstrekken over algemene zaken en over principiële problemen in verband met de regels van de medische plichtenleer en de in artikel 7, 2º, a), bedoelde definitieve adviezen te geven. De raad houdt een repertorium bij van deze adviezen. Hij stelt tevens de regels betreffende de toegang tot dit repertorium vast. Deze regels moeten goedgekeurd worden door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid. De adviezen en voorstellen van advies worden gepubliceerd;

4º het bedrag van de in artikel 4 bepaalde jaarlijkse bijdrage vast te stellen, met vermelding van het aandeel dat voor hem is bestemd;

5º alle nodige maatregelen te nemen om de doelstellingen van de orde te verwezenlijken;

6º aan de provinciale raden, aan de interprovinciale tuchtraden en aan de raden van beroep, geheel of gedeeltelijk, een door hem opgesteld model van huishoudelijk reglement op te leggen;

7º aan artsen die hun beroep wensen uit te oefenen in een andere lidstaat van de Europese Unie een attest af te geven waaruit blijkt dat aan de voorwaarden inzake de naleving van de algemene beginselen en de regels van de medische plichtenleer voor de toegang tot het beroep van arts, is voldaan;

8º aan de betrokken overheden mededeling te doen van de conclusies die hij trekt uit de beoordeling van ernstige en duidelijk omschreven feiten die gevolgen kunnen hebben voor de toegang tot of voor de uitoefening van de geneeskunde en die ter kennis werden gebracht door een andere lidstaat van de Europese Unie, waar zich een Belgisch arts of een arts afkomstig uit België gaat vestigen;

9º binnen zes maanden na het verstrijken van elk kalenderjaar een jaarverslag te publiceren, waarin de werkzaamheden van de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden, de raden van beroep en de Nationale Raad worden beschreven. In dit jaarverslag worden de jaarrekeningen vermeld en wordt met name, per onderwerp en per raad, anoniem melding gemaakt van het gevolg dat aan klachten werd gegeven. De Orde geeft onder dezelfde voorwaarden een overzicht van de genomen tuchtbeslissingen.

De Nationale Raad stelt de richtlijnen op die de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden en de raden van beroep dienen te volgen bij het opmaken van dit jaarverslag. Dit jaarverslag wordt gepubliceerd en het wordt overgezonden aan alle ingeschreven artsen, aan de minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, de gemeenschapsministers die het Gezondheidsbeleid onder hun bevoegdheid hebben, alsmede aan eenieder die er in een gemotiveerde aanvraag om verzoekt.

De Koning kan, na advies van de Nationale Raad, nadere regels vaststellen betreffende dit jaarverslag.

§ 3. Met het oog op het vervullen van zijn taak, raadpleegt de Nationale Raad wie hij nodig acht.

AFDELING 6

Sancties en vervallenverklaringen

Art. 20

§ 1. De provinciale raad kan een waarschuwing en een berisping opleggen.

§ 2. Indien de provinciale raad van mening is dat de arts zo ernstige tekortkomingen ten laste gelegd kunnen worden, dat een geldboete, een schorsing in het recht de geneeskunde uit te oefenen of een schrapping van de lijst te rechtvaardigen is, kan de provinciale raad beslissen de zaak naar de interprovinciale tuchtraad te verwijzen.

§ 3. Wanneer wegens de aan een arts ten laste gelegde feiten gevreesd kan worden dat de verdere uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid de gezondheid van zijn patiënten of de volksgezondheid kan schaden, kan de provinciale raad de bewarende maatregelen nemen die de voorzichtigheid eist en de arts zelfs verbieden de geneeskunde te beoefenen gedurende ten hoogste een maand.

Deze beslissing moet met redenen omkleed worden. Deze beslissing is bij voorraad uitvoerbaar niettegenstaande het beroep waarvoor ze vatbaar is.

Art. 21

De interprovinciale tuchtraad kan de volgende sancties opleggen : een waarschuwing, een berisping, een disciplinaire geldboete waarvan het maximale bedrag door de Koning wordt bepaald, een schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen gedurende een periode van ten hoogste twee jaar en de schrapping van de lijst van de orde.

De geschorste arts onthoudt zich tijdens de duur van zijn straf van iedere beroepswerkzaamheid. Hij blijft onderworpen aan de tuchtverplichtingen van de orde, waartoe hij blijft behoren. Gedurende de schorsing verliest hij het recht om aan de verkiezingen van de organen van de orde deel te nemen en te worden verkozen.

Art. 22

§ 1. De interprovinciale tuchtraad of, desgevallend, de raad van beroep kan beslissen uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde tuchtstraf toe te staan aan de schuldig bevonden arts.

§ 2. Indien de arts voorheen nooit langer dan zes maanden werd geschorst of nooit werd geschrapt, kan de raad, bij een met redenen omklede beslissing, gelasten dat de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf of van een gedeelte ervan wordt uitgesteld. De duur van het uitstel mag niet minder dan een jaar en niet meer dan vijf jaar bedragen, te rekenen van de datum van de beslissing.

§ 3. De raad kan eveneens, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, probatie verlenen op voorwaarde dat de arts zich verbindt tot naleving van de probatievoorwaarden.

§ 4. Op de tenuitvoerlegging van de probatiemaatregelen wordt toegezien door de provinciale raad, op de lijst waarvan de arts is of zou moeten zijn ingeschreven overeenkomstig artikel 3. De provinciale raad wijst een van zijn leden aan om hierover een rapport op te maken.

§ 5. Het uitstel wordt van rechtswege herroepen wanneer de beginselen en de regels van de medische plichtenleer tijdens de proeftijd opnieuw worden overtreden en voor zover deze overtreding wordt bestraft met schrapping of met een schorsing zonder uitstel van ten minste vier maanden.

Het probatie-uitstel kan eveneens worden herroepen indien de arts de opgelegde voorwaarden niet naleeft. In dat geval roept de raad, die het uitstel verleend heeft, de betrokkene op teneinde het uitstel te doen herroepen of er nieuwe voorwaarden aan te verbinden.

De vordering tot herroeping wegens niet naleving van de opgelegde voorwaarden moet worden ingesteld binnen een jaar na het verstrijken van de in § 2 vermelde termijn. Ze verjaart een jaar na de dag waarop zij bij de raad is aangebracht.

§ 6. De tuchtstraffen uitgesproken ten gevolge van de herroeping van het uitstel worden samengevoegd met degene die worden uitgesproken voor de nieuwe overtreding.

§ 7. In alle gevallen waarin een arts die onderworpen is aan een maatregel van uitstel opnieuw wordt vervolgd of de opgelegde voorwaarden niet naleeft, worden de stukken betreffende de overtredingen die aanleiding hebben gegeven tot het uitstel, gevoegd bij het dossier van de nieuwe vervolgingen en, in voorkomend geval, bij het dossier van de vervolgingen met het oog op de herroeping van het uitstel.

Art. 23

De arts tegen wie een definitief geworden tuchtstraf is uitgesproken kan om herziening van de beslissing vragen, indien een nieuw gegeven dat hij tijdens het onderzoek niet heeft kunnen aantonen, deze herziening zou kunnen rechtvaardigen. Hiertoe richt de arts een gemotiveerd verzoekschrift, samen met de nodige stukken, aan de voorzitter van de provinciale raad, de interprovinciale tuchtraad of de raad van beroep die de betwiste beslissing genomen heeft. De raad doet uitspraak over de ontvankelijkheid en, indien nodig, over de gegrondheid van het verzoek.

Art. 24

§ 1. De definitief geworden tuchtstraffen, andere dan de schorsing van het recht de geneeskunst te beoefenen en de schrapping van de lijst van de orde, worden van rechtswege uitgewist, na verloop van drie jaar vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen, op voorwaarde dat intussen geen nieuwe tuchtstraf tegen de arts is uitgesproken.

§ 2. De definitief geworden tuchtstraffen die niet voor uitwissing in aanmerking komen, kunnen aanleiding geven tot een met redenen omkleed verzoek om eerherstel, ingediend door de arts bij de raad van beroep. Eerherstel is slechts mogelijk indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :

1º de arts heeft de tuchtstraf ondergaan of, indien aan de straf uitstel was verbonden, het uitstel kan niet meer herroepen worden;

2º de verzoeker heeft voorheen geen zodanig eerherstel genoten;

3º er is een proeftijd van minstens vijf jaar verlopen sinds de dag van de uitspraak van de definitieve straf. Tijdens die periode heeft de arts blijk gegeven van verbetering en de beginselen en regels van de medische plichtenleer nageleefd;

4º wanneer de tuchtstraf is uitgesproken voor een feit dat tevens aanleiding heeft gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling, is de arts voordien reeds strafrechtelijk in eer en rechten hersteld.

Indien de raad van beroep de aanvraag afwijst, mag ze pas opnieuw worden ingediend na verloop van twee jaar na de dag van de beslissing tot afwijzing. De beslissingen worden met een tweederde meerderheid genomen.

Het eerherstel wordt als kanttekening aangebracht op de definitieve tuchtrechtelijke beslissing waarvoor het werd verleend.

Art. 25

Van zijn mandaat kan vervallen verklaard worden het verkozen, gewoon of plaatsvervangend lid van een provinciale raad, een interprovinciale tuchtraad, een raad van beroep of de Nationale Raad, aan wie een tuchtstraf werd opgelegd die niet meer vatbaar is voor beroep, of dat strafrechtelijk veroordeeld werd door een in kracht van gewijsde gegane beslissing waaruit de morele of beroepsonwaardigheid van de arts om zijn mandaat uit te oefenen blijkt.

Art. 26

Geen enkele beslissing, genomen ter voldoening aan artikel 7, 1º en 2º, mag gegrond worden op redenen in verband met ras of op motieven van godsdienstige, wijsgerige, politieke, taalkundige of syndicale aard, noch op het feit dat de arts verbonden is aan een instelling die geneeskundige verzorging verstrekt aan leden van een groepering of aan een categorie van personen.

Elke inmenging in die aangelegenheid is verboden.

AFDELING 7

Procedure ­ Rechtsmiddelen

Art. 27

§ 1. De provinciale raad treedt op, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de Nationale Raad, van de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, van de procureur des Konings of van de geneeskundige commissie, hetzij op klacht van een arts of van een derde.

Klachten of verzoeken worden ingesteld bij de provinciale raad van de woonplaats van de betrokken arts.

De arts wordt onverwijld op de hoogte gebracht van de hem ten laste gelegde feiten.

Het onderzoekscollege bedoeld in artikel 12 stelt de zaak in onderzoek. Het wordt bijeengeroepen door het bureau. Het onderzoekscollege wijst een verslaggever aan.

In geval van klacht worden de arts tegen wie een klacht werd ingediend en degene die de klacht indiende, door het onderzoekscollege gehoord. Ook derden kunnen worden gehoord.

Het college bemiddelt tussen de partijen en probeert een verzoening tot stand te brengen. Het stelt een proces verbaal op, waarin de verzoening of de afwezigheid ervan wordt geconstateerd. De klachten waarvoor binnen een termijn van een maand na de ontvangst geen verzoening kan worden bereikt, worden aan de provinciale raad overgezonden.

Het onderzoekscollege stelt de arts en de klager hiervan op de hoogte. Het college brengt bij de raad verslag uit over het onderzoek. De provinciale raad doet uitspraak over de betrokken arts, die gehoord wordt. De leden van de provinciale raad die als lid van het onderzoekscollege kennis hebben genomen van de zaak, nemen geen deel aan de beraadslaging en de beslissing.

De provinciale raad kan beslissen de zaak naar de interprovinciale tuchtraad te verwijzen indien hij van mening is dat de arts zo'n ernstige tekortkomingen ten laste kunnen worden gelegd, dat ze een disciplinaire geldboete, een schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen of een schrapping van de lijst van de orde rechtvaardigen.

§ 2. In geval van verwijzing naar de interprovinciale tuchtraad, licht het lid van de provinciale raad waaronder de verdachte arts ressorteert, de feiten van de verwezen zaak en het reeds gevoerde onderzoek, alsmede de motieven voor de verwijzing, toe aan de tuchtraad. Dit lid neemt geen deel aan de beraadslagingen en beslissingen van de tuchtraad in die zaak.

Indien nodig stelt de interprovinciale tuchtraad een verslaggever aan om bijkomend onderzoek te doen. De verdachte arts wordt gehoord. In geval van klacht wordt ook de klager gehoord.

Wat de tuchtzaken die de interprovinciale tuchtraad krachtens artikel 31, § 2, werden voorgelegd betreft, wordt de procedure hervat in het stadium waarin zij zich bij de provinciale raad bevond, onverminderd de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksopdrachten te laten verrichten door een of meerdere verslaggevers.

De leden die bijkomende onderzoeksopdrachten hebben uitgevoerd nemen met betrekking tot die zaak geen deel aan de beraadslaging en de besluitvorming in de raad.

§ 3. De raad van beroep belast een verslaggever met het onderzoek van de zaak. Hij wordt bijgestaan door een arts, lid van de raad van beroep. De verslaggever brengt verslag uit aan de raad. De verslaggever en het lid van de raad die hem heeft bijgestaan nemen geen deel aan de beraadslaging en de beslissing over de zaak.

Art. 28

§ 1. Tegen de in artikel 20, § 1, bedoelde beslissingen van de provinciale raad en de in artikel 21 bedoelde beslissingen van de interprovinciale raad kan beroep worden aangetekend door :

1º de minister tot wiens bevoegdheid Volksgezondheid behoort, indien hij tussengekomen is;

2º de voorzitter van de Nationale Raad;

3º de betrokken arts. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.

De klager wordt, geheel of gedeeltelijk, in kennis gesteld van de in het eerste lid bedoelde beslissingen. Hij kan aan de voorzitter van de Nationale Raad de redenen bekend maken waarom hij niet akkoord kan gaan met de beslissing. In dat geval maakt de voorzitter van de Nationale Raad, indien hij het opportuun acht, gebruik van zijn recht van beroep.

De beslissing van de voorzitter wordt ter kennis gebracht van de klager.

Een beroep tegen de voorbereidende beslissingen of tegen de onderzoeksbeslissingen kan slechts worden aangetekend samen met een beroep tegen de definitieve beslissing.

§ 2. Tegen de in artikel 20, § 3, bedoelde beslissingen van de provinciale raad kan beroep worden ingesteld door de betrokken arts. De raad doet uitspraak binnen een termijn van 15 dagen vanaf de ontvangst van het beroep.

Art. 29

De arts tegen wie een beslissing werd gewezen bij verstek, kan hiertegen in verzet komen binnen een termijn van vijftien vrije dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.

De zaak wordt opnieuw gebracht voor de raad die de uitspraak heeft gedaan.

De eiser in verzet die een tweede maal verstek laat gaan, kan niet meer in verzet komen.

Art. 30

Beslissingen, in laatste aanleg gewezen door de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden of de raden van beroep, kunnen hetzij door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, hetzij door de voorzitter van de Nationale Raad, hetzij door de betrokken arts, voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens overtreding van de wet of schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven formaliteiten.

Een voorziening tegen voorbereidende beslissingen of onderzoeksbeslissingen, kan alleen geschieden samen met een voorziening tegen de eindbeslissing.

De procureur generaal bij het Hof van Cassatie kan zich in Cassatie voorzien in het belang van de wet.

De voorziening schorst de tenuitvoerlegging.

In geval van Cassatie wordt de zaak verwezen hetzij naar de provinciale raad, hetzij naar de interprovinciale raad, hetzij naar de raad van beroep anders samengesteld. Deze raden zijn verplicht zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie wat betreft het daarin gesproken recht.

Art. 31

§ 1. De verdachte arts kan zich laten bijstaan door een of meer raadslieden.

De klager wordt steeds opgeroepen om, tijdens het onderzoek van de zaak en tijdens de behandeling ervan, te worden gehoord door de instanties die er, op het niveau van de organen van de orde, kennis van nemen.

De debatten voor de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden en de raden van beroep heb ben plaats in openbare terechtzitting tenzij de verdachte arts zich hiertegen uitdrukkelijk verzet. Van de openbaarheid kan ook worden afgeweken in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden.

De beslissingen van de provinciale raden, van de interprovinciale tuchtraden en van de raden van beroep, zitting houdend in tuchtzaken, worden met redenen omkleed; ze vermelden de feiten waaraan de arts schuldig werd bevonden, evenals de straf. De provinciale raden vermelden desgevallend de redenen voor de verwijzing van de zaak, met toepassing van artikel 20, § 2, naar de interprovinciale tuchtraad.

De Koning bepaalt voor het overige welke procedure voor deze raden wordt gevolgd.

Het koninklijk besluit, genomen ter uitvoering van het vijfde lid, stelt onder meer bepalingen vast betreffende de contradictoire aard van de rechtspleging, de openbaarheid van de zittingen, de mogelijkheid of de verplichting een beroep te doen op experts, onder andere op verzoek van de verdachte arts, de rogatoire commissie, het uitoefenen van het recht van wraking, met daarbij de rechtsmiddelen tegen de beslissingen terzake en het geheim van de beraadslagingen.

§ 2. Wanneer de provinciale raad geen uitspraak heeft gedaan binnen de door de Koning vastgestelde termijn, die aanvangt hetzij op de datum van de aanvraag tot inschrijving op de lijst, hetzij op de datum van de indiening van de klacht of het verzoek bedoeld in artikel 27, wordt de gehele zaak aanhangig gemaakt bij de interprovinciale tuchtraad op verzoek hetzij van de betrokken arts, hetzij van de verslaggever van het onderzoekscollege, hetzij van de voorzitter van de Nationale Raad. De voorzitter van de Nationale Raad handelt op eigen initiatief of op verzoek van de klager indien hij dit opportuun acht.

Voor de in artikel 27 bedoelde klachten en verzoeken mag de in het eerste lid bedoelde termijn niet minder dan vier maanden bedragen.

§ 3. De Koning regelt het gebruik der talen bij de procedure op grond van de bepalingen van de hoofdstukken II, III en IV van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Art. 32

§ 1. De in artikel 17 bedoelde beroepen worden ingesteld binnen dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van de bestreden beslissing.

Indien de beslissing bij verstek is gewezen, vangt de termijn van beroep slechts aan na het verstrijken van de termijn van verzet.

§ 2. Het instellen van het beroep geschiedt verder volgens de regels bepaald door de Koning.

§ 3. Om uitspraak te doen over de vervallenverklaringen bepaald in de artikelen 13, 14, 16, 18 en 25, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de raad van beroep, hetzij door de magistraat die de tuchtzittingen van de provinciale raad voorzit wanneer het om een lid van die raad gaat, hetzij door de magistraat die de tuchtzittingen van de interprovinciale tuchtraad voorzit wanneer het om een lid van die raad gaat, hetzij ambtshalve wanneer het om een lid van de raad van beroep gaat, hetzij door de voorzitter van de Nationale Raad wanneer het om een lid van die raad gaat.

§ 4. De raden van beroep nemen kennis van het geheel van de zaak, zelfs indien enkel hoger beroep werd ingesteld door de arts.

Alleen met een tweederde meerderheid kan de raad van beroep een sanctie toepassen wanneer de provinciale raad of de interprovinciale raad er geen heeft uitgesproken of de door die raad uitgesproken sanctie verzwaren.

§ 5. De raden van beroep beslechten het geschil bepaald in artikel 17, derde lid, ten verzoeke hetzij van de betrokken arts, hetzij van de voorzitter of, bij diens afwezigheid, een magistraat van een van de betrokken provinciale raden.

Art. 33

Voor de procedure in cassatie gelden, zowel wat de pleegvormen als wat de termijnen betreft, dezelfde regelen als in burgerlijke zaken, behalve volgende afwijkingen :

1º de voorzieningstermijn bedraagt een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing;

2º de voorziening in cassatie wordt ingesteld per aangetekend stuk gericht, naar gelang van het geval, tot de griffier van de raad van beroep, tot de griffier van de interprovinciale tuchtraad, of tot de bijzitter van de provinciale raad. Zij wordt op dezelfde wijze en binnen een termijn van vijftien dagen door hem, die zich voorziet, ter kennis gebracht van, naar gelang van het geval, de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de voorzitter van de Nationale Raad en de betrokken arts;

3º van de arresten door het Hof van Cassatie gewezen, wordt door de griffier van het Hof bij gerechtsbrief kennis gegeven aan de partijen en, naar gelang van het geval, aan de griffier van de raad van beroep, aan de griffier van de interprovinciale tuchtraad of aan de bijzitter van de provinciale raad.

Art. 34

§ 1. De tenuitvoerlegging van een definitief geworden tuchtstraf gaat in na het verstrijken van een termijn van dertig vrije dagen, vanaf de kennisgeving aan de arts van die beslissing of, in voorkomend geval, vanaf de kennisgeving van het arrest waarbij de voorziening in cassatie afgewezen wordt.

Alle beslissingen betreffende de weglating uit de lijst van de orde of betreffende de beperking van het recht om de geneeskunde uit te oefenen, bepaald in artikel 7, 1º, alsook betreffende de vervallenverklaringen bepaald in de artikelen 13, 14, 16, 18 en 25, stellen de datum vast met ingang waarvan die beslissingen uitwerking hebben.

§ 2. Alle definitief geworden beslissingen over weglating uit de lijst van de orde, schorsing van het recht de geneeskunde uit te oefenen, schrapping van die lijst of beperking van de uitoefening van de geneeskunde, alsmede de beslissingen bedoeld in artikel 20, § 3, worden ter kennis gebracht van de bevoegde geneeskundige commissie, van de diensten voor geneeskundige verzorging en voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering, alsook van de procureurgeneraal bij het hof van beroep binnen het rechtsgebied waarvan de provinciale raad waartoe de arts behoort, zitting houdt.

§ 3. Alle tuchtbeslissingen van de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden en de raden van beroep worden, overeenkomstig de regels en binnen de termijnen die door de Koning worden vastgesteld, ter kennis gebracht :

1º van de betrokken arts. Bij de kennisgeving wordt aan de arts meegedeeld welke openbaarheid eventueel aan de uitspraak zal worden gegeven;

2º van de voorzitter van de Nationale Raad;

3º van de minister tot wiens bevoegdheden de Volksgezondheid behoort. De beslissingen van de raden van beroep met toepassing van artikel 17 worden bovendien ter kennis gebracht van de betrokken provinciale raad en van de Nationale Raad.

AFDELING 8

Algemene bepalingen

Art. 35

De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden, de raden van beroep en de Nationale Raad geldig kunnen beraadslagen en beslissen.

Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

De beslissingen waarbij de inschrijving op de lijst wordt geweigerd of uitgesteld, alsook de in artikel 20, § 3, bedoelde beslissingen, worden met een meerderheid van twee derden van de stemmen genomen.

Voor de goedkeuring van de code van medische plichtenleer en voor de aanpassingen ervan is een meerderheid van zes tienden van de leden van de Nationale Raad vereist.

Art. 36

Het lidmaatschap van de provinciale raad, van de interprovinciale tuchtraden, van de raden van beroep en van de Nationale Raad is onverenigbaar met een functie buiten de orde die de onafhankelijkheid of de onpartijdigheid van de betrokkene kan aantasten.

Betwistingen die voortspruiten uit de toepassing van het eerste lid behoren tot de bevoegdheid van de raden van beroep volgens de regels en binnen de termijnen vastgesteld door de Koning.

Art. 37

Geen enkel verkozen, gewoon of plaatsvervangend lid kan langer dan 18 jaar in totaal zitting hebben in de verschillende raden van de orde.

Art. 38

De Koning bepaalt de regelen betreffende de voltooiing der mandaten bij ontslag, overlijden of vervallenverklaring van de verkozen, gewone of plaatsvervangende leden van de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden, de raden van beroep en de Nationale Raad.

De ontslagnemende leden blijven in dienst totdat in hun vervanging is voorzien.

Art. 39

De leden van de provinciale raden, de interprovinciale tuchtraden, de raden van beroep en de Nationale Raad zijn door het beroepsgeheim gebonden in alle zaken waarvan zij kennis hebben gekregen bij of ter gelegenheid van de uitoefening van hun ambt.

Hetzelfde geldt voor alle personen die, in welke hoedanigheid ook, deelnemen aan de werking van de orde.

De schending van dit geheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.

Art. 40

Met de straffen bepaald in artikel 38, § 1, 1º, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967, betreffende de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, wordt gestraft de arts die de geneeskunde uitoefent indien hij niet op de lijst van de orde is ingeschreven dan wanneer hij hiertoe verplicht is, of van deze lijst is weggelaten of geschrapt, alsmede de arts die de geneeskunde uitoefent tijdens de duur van de hem opgelegde schorsing.

AFDELING 9

Opheffings, overgangs en inwerkingtredingsbepalingen

Art. 41

§ 1. Het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, betreffende de Orde der geneesheren wordt opgeheven.

§ 2. De Koning bepaalt de datum waarop de lijst van de Orde, bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, betreffende de Orde der geneesheren wordt afgesloten, om te dienen voor de eerste verkiezingen gehouden bij toepassing van artikel 10 en voor de vaststelling der verkiesbaarheid bij toepassing van artikel 9.

De Koning bepaalt de wijze waarop de bevoegdheden van de provinciale raden, de raden van beroep en de Nationale Raad, geregeld bij het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, betreffende de Orde der geneesheren, overeenkomstig de bepalingen van deze wet worden gewijzigd of worden overgedragen aan de interprovinciale tuchtraden. Hij bepaalt eveneens de datum waarop de overdracht gebeurt.

Tot deze datum blijven de provinciale raden, de raden van beroep en de Nationale Raad ten volle hun bevoegdheden uitoefenen overeenkomstig het vermelde besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan.

De zaken die aanhangig werden gemaakt vóór de datum van de overdracht van bevoegdheden bedoeld in het tweede lid, worden afgehandeld overeenkomstig deze wet. Alle vóór deze datum gestelde procedure akten en genomen beslissingen worden echter voor geldig gehouden indien zij voldoen aan de regeling van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967, betreffende de Orde der geneesheren.

Voor de beslissingen die uitvoerbaar zijn doch niet uitgevoerd worden vóór de datum van de overdracht van bevoegdheden bedoeld in het tweede lid, gelden de bepalingen van deze wet.

Art. 42

De Koning bepaalt de datum waarop de bepalingen van deze wet in werking treden.

16 september 2003.

 

Mia DE SCHAMPHELAERE.

 

Bovenkant formulier

Onderkant formulier