Eindconclusies
met betrekking tot de referentiecentra die volwassen CVS-patiënten behandelen
Het RIZIV heeft heel wat kritiek op de wijze van verzameling van gegevens door de
referentiecentra.
Uit de inventaris die de Dienst heeft opgesteld op basis van de antwoorden van de
centra blijkt dat er met betrekking tot de inhoud en het verloop van de
ten lastenemingen verschillen bestaan tussen de centra, die onder meer verband
houden met de criteria die de centra hanteren voor de selectie van de patiënten,
het
specifieke revalidatieprogramma en de inhoud ervan.
Zo zijn er tal van methodologische beperkingen die te wijten zijn aan het
gebrek aan kwaliteit van de geregistreerde gegevens. Uit het rapport: "Er
kunnen
enkele methodologische kanttekeningen geplaatst worden waarmee rekening
gehouden moet worden bij de interpretatie van de gegevens.
Ten tweede schort er wat aan de onderlinge vergelijkbaarheid van de gegevens
van de verschillende centra die "in zekere mate verstoord is doordat elk
centrum
apart voor zijn eigen patiënten de parameters registreert."
Ten derde werd soms door bepaalde centra voor relatief grote aantallen
patiënten onderzoeken die conform de afgesloten revalidatie-overeenkomsten
verplicht
moesten afgenomen worden, niet gedaan werden. M.a.w. de centra hebben de gehandeld
naar eigen goeddunken en niet wetenschappelijk.
Een zwakte van dit pilootproject is zeker dat er, voor de evaluatie van het effect
van de revalidatie, geen controlegroep van patiënten voorzien werd. Een
dergelijk opzet zou toegelaten hebben om op basis van de evaluatie meer gefundeerde
conclusies te formuleren over het effect van de specifieke
interdisciplinaire revalidatie in de centra (door hun evolutie te vergelijken met
die van de controlegroep).
Een andere methodologische beperking tenslotte heeft betrekking op de
verwerking van de gegevens. Deze verschillen tussen de centra bemoeilijken soms
de
interpretatie van de gegevens.
Ook is er kritiek op de methode van statistische verwerking van de gegevens niet
alleen omdat de meetmomenten van centrum tot centrum verschillen, maar ook
binnen de centra zelf verschillende meetmomenten gehanteerd werden.
Uit het rapport: "De centra hebben hun conventionele capaciteit dus zeker
niet ten volle benut."
Van de 3 000 patiënten die wel verwezen zijn naar de centra heeft tot en met eind
2004 slechts 54% een vorm van begeleiding genoten in de centra.
Volgens de capaciteiten die vastgesteld zijn in de overeenkomsten, hadden de centra
van 1 april 2002 tot en met 30 juni 2005 samen normaal 1.205 en maximaal
1.903 volledige revalidatieprogramma's kunnen verstrekken. Maar op 31 december 2004
waren er slechts 601 specifieke interdisciplinaire revalidatieprogramma's
afgerond (op 785 aangevangen programma's).
In sommige centra lijkt de behandelingscapaciteit onvoldoende te zijn. Dringt een
uitbreiding of een herverdeling van de middelen zich dan op? Andere centra
realiseren namelijk ook in 2005 nog steeds slechts de helft van hun normale bezettingsgraad
en zijn daardoor ernstig financieel verlieslatend. Het
personeelskader dat vergoed wordt via de overeenkomsten moet krachtens de bepalingen
van de overeenkomst namelijk steeds (onafhankelijk van de
bezettingsgraad) volledig ingezet worden voor de activiteiten van de overeenkomsten
waarvan de onkosten vergoed worden via de overeenkomsten. Een
normale bezettingsgraad (van 100%) is noodzakelijk om kostendekkend te werken.
Doordat elk centrum werkt met een gesloten enveloppe (die enkel door het
centrum in kwestie besteed kan worden) en sommige centra slechts een heel
beperkte
bezettingsgraad realiseren, blijft een belangrijk deel van het budget dat vrijgemaakt
werd om beter tegemoet te komen aan de hoge onkosten voor
geneeskundige verzorging van de CVS-patiënten, ook onbesteed.
Verschillende centra zijn traag opgestart en hebben misschien in aanvang een reserve
van patiënten opgebouwd die ze nadien niet meer hebben kunnen wegwerken.
Hoe kunnen deze centra hun wachtlijsten (van soms meer dan 600 verwezen maar
nog niet begeleide patiënten) ooit nog wegwerken als in de toekomst ook nog
nieuwe
patiënten verwezen worden en hun capaciteit op jaarbasis beperkt is tot minder dan
100 volledige behandelingen?
De overeenkomst werd afgesloten met vijf Universitaire ziekenhuizen. In de veronderstelling
dat de prevalentie van CVS in België gelijkmatig verspreid is
van regio tot regio, blijkt uit de evaluatie dat de centra onvoldoende toegankelijk
zijn voor (fysiek vaak ernstig geïnvalideerde) patiënten die
woonachtig zijn in regio's waar geen centra gevestigd zijn.
De erkenning als CVS-referentiecentrum werd oorspronkelijk beperkt tot centra die
verbonden zijn aan een Universiteit omdat de kennis over dit syndroom en de
behandeling ervan nog vooral beperkt was tot de meer academische milieus. De overeenkomst
werd afgesloten met al de geïnteresseerde centra die aan deze
voorwaarde (en ook aan de andere criteria van de overeenkomst) voldeden.
Sinds de start van de overeenkomsten hebben een aantal kandidaten uit de provincies
West- Vlaanderen, Brussel en Antwerpen interesse getoond om de overeenkomst
eveneens af te sluiten. Indien men de erkenning van de centra niet langer zou
beperken tot enkel de universitaire centra zal dit de patiëntenstroom
bevorderen en de
bereikbaarheid van de centra voor de patiënten vergroten.
Het is wel niet duidelijk in welke mate andere (niet-universitaire)
ziekenhuizen ondertussen wel een voldoende wetenschappelijk onderbouwde
expertise verworven hebben over de CVSaandoening. Misschien kan er een
netwerking worden uitgebouwd waarbij centra die (door de overeenkomst) reeds
beschikken over een grote expertise
inzake CVS, samenwerken met andere centra (die vooralsnog geen
referentiecentrum zijn)?
De centra zijn er dus niet echt in geslaagd om de hoopvolle resultaten uit de evidence
based onderzoeken met cognitieve gedragstherapie of progressieve
fysieke revalidatie (de behandelingsvormen die obligaat deel uitmaken van het specifiek
interdisciplinair revalidatieprogramma van de centra) over te doen in
de klinische praktijk.
Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat sommige onderzoekers van mening zijn
dat bevindingen uit gecontroleerd onderzoek niet zomaar geëxtrapoleerd kunnen
worden naar de klinische praktijk, onder andere omdat de patiënten in die gecontroleerde
onderzoeken dikwijls een geselecteerde, minder zware populatie
vormen. Om die redenen menen deze onderzoekers dat in de klinische praktijk een
langer durende behandeling vereist is (dan in de gecontroleerde onderzoeken) om
tot een substantiële verbetering te komen.
De centra zijn wel vragende partij om tot een - naar inhoud en organisatie van de
behandelingen - meer gediversifieerd aanbod te komen (zonder dat de evidence
based piste verlaten wordt).
ALGEMENE CONCLUSIE
Het Chronisch vermoeidheidssyndroom kenmerkt zich vooral door een vermoeidheid gedurende
6 maanden of meer, waarvan de etiologie en de pathofysiologie
momenteel wetenschappelijk nog niet zijn vastgesteld. Deze aandoening geeft aanleiding
tot een ernstige daling van het professioneel, sociaal, familiaal en
persoonlijk functioneren, en treft een groot aantal patiënten (prevalentie: 20.000
à 25.000 patiënten in België). Bij gebrek aan een causale behandeling,
blijft de prognose van deze aandoening gereserveerd.
De patiënten waarbij de CVS-diagnose gesteld is in het kader van de
overeenkomst hebben subjectieve klachten van vermoeidheid en geassocieerde
symptomen
(concentratiestoornissen, vermindering van fysieke activiteiten) die duidelijk pathologisch
zijn in vergelijking tot de normen van een gezonde populatie,
terwijl ze geen significante klinisch-biologische afwijkingen hebben en evenmin
een psychologisch profiel vertonen dat overeenstemt met de normen van een
psychiatrische populatie (depressie, angst, etc.) Op het einde van de revalidatie
is er bij de patiënten een significante verbetering van de
subjectieve klachten, al blijven die klachten nog steeds duidelijk groter dan
in een gezonde populatie, waardoor het functioneren van de patiënten blijvend
ondermijnd wordt wat implicaties heeft voor de modaliteiten waaronder een socioprofessionele
reïntegratie mogelijk is. Het effect van de revalidatie vlakt
af op langere termijn. Deze vaststelling wijst op het belang van de
revalidatie, en roept vragen op omtrent de duur ervan.