ANTI DISCRIMINATIE WET: een mogelijke oplossing voor benadeelden?

 

Het Belgisch federale antidiscriminatierecht hanteert, naast “handicap”, ook de “huidige of toekomstige gezondheidstoestand” en de “fysieke of genetische eigenschap” als discriminatiegronden.  http://www.mensenrechten.org/opinie.php?oid=14

Noch de Europese Kaderrichtlijn, noch het Vlaams Decreet inzake evenredige arbeidsparticipatie  en evenmin de Federale Antidiscriminatiewet geven een omschrijving van de discriminatiegronden "handicap" “gezondheidstoestand” en “fysieke of genetische eigenschappen” of van het begrip "persoon met een handicap". http://www.mensenrechten.be/main.php?action=thema&thema_ond=3&item_content=315

Het is in onderstaand artikel niet de bedoeling ook om de vakbekwaamheid van vakbekwame mensen in twijfel te trekken. Alleen moet de aandacht erop gevestigd worden dat bepaalde zaken niet echt koosjer en als dusdanig niet meer kunnen of moeten geherdefinieerd worden.

De geneeskunde ( in het algemeen) is een beroepsgroep als een andere. Daar kunnen we dus van aannemen dat ze (net als de meeste andere) grotendeels bestaat uit redelijk bekwame mensen die op een vrij integere manier proberen aan de kost te komen. Desondanks maken die fouten en  zijn er zeker anderen die niet aan die beschrijving beantwoorden.

De meest perfide leugens bestaan uit vernuftig aaneengeregen waarheden ! Mogelijks zijn (een aantal van) de getuigenissen "oprecht", in de zin van niet bewust gelogen. Maar voorbereiding, suggestie en selectie kunnen "wonderen" doen in handen van iemand die een standpunt wil verdedigen.

 

Personen met een handicap hebben het recht om hun burgerlijke, politieke, sociale, economische en culturele rechten even goed als anderen uit te oefenen. Handicap “is een verzamelnaam voor een groot aantal verschillende functionele beperkingen, die in eender welke bevolking in eender welk land ter wereld voorkomen. Mensen kunnen gehandicapt zijn als gevolg van een fysische, intellectuele of zintuiglijke beperking, maar ook als gevolg van hun medische toestand of van een geestesziekte. Zulke beperking, medische toestand of ziekte kan permanent zijn van aard, of tijdelijk.” (Standaard Regels betreffende de Gelijkschakeling van Kansen voor Personen met een Handicap).

 

Om te verwijzen naar personen met een handicap worden verschillende uitdrukkingen gebruikt. De term ‘anders-validen’ bijvoorbeeld geeft aan dat de persoon niet gezien wordt als

een afwijking van de norm. De term ‘invaliden’ kan verkeerd begrepen worden, alsof de betrokkene niet meer in staat is als een persoon te functioneren

 

Internationaal recht betreffende mensenrechten bepaalt dat elke persoon de volgende rechten heeft:

1.  Het recht op gelijkheid voor de wet.

2.  Het recht niet gediscrimineerd te worden.

3.  Het recht op gelijke kansen.

4.  Het recht om zelfstandig te leven.

5.  Het recht op volledige integratie.

6.  Het recht op veiligheid.

 

Handicap (het Engels ‘disability’):

een fysische, mentale of zintuiglijke belemmering, permanent of tijdelijk, die de mogelijkheid beperkt om één of meer essentiële activiteiten in het dagelijks leven uit te voeren.

 

Handicap (het Engels ‘handicap’):

het verlies van mogelijkheden om op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan het leven van de gemeenschap. Het beschrijft het raakvlak tussen personen met een handicap en de omgeving.

 

Revalidatie:

het proces om personen met een handicap in staat te stellen “hun optimale fysische, zintuiglijke, intellectuele, psychiatrische en/of sociale functionele niveau’s te bereiken en te

behouden” (VN Enable-Standard Rules). http://www.gripvzw.be/data/infobank/81_tekst%20van%20Vormen%20vzw.pdf

 

 

Verzoek de overheid haar grondwettelijke verantwoordelijkheid te nemen. Wereldwijd is men het er over eens, dat de medische wetgeving nood heeft aan hervorming

http://www.dimitri.nu/site/index.php?option=com_content&task=view&id=5823&Itemid=67

Zelfbeschikking van de burger is een gebied, wat met name in de medische wetgeving beter uitgewerkt mag worden. De rechten van de burger op medisch vlak zijn thans hoofdzakelijk een afgeleide van de plichten van de zorgaanbieder; en er bestonden geen afgebakende rechten voor de patiënt, waar door hen aanspraak op gemaakt kon worden.

De uitvoering van de medische wetgeving is daarmee in contradictio met het stelsel van wetgevingen . De collega-dokter kan zelf op de stoel van de rechter zitten in de beoordeling van het medisch handelen, en de patiënt heeft geen enkele inbreng. Daarnaast bestaat er de openlijk erkende contractuele verplichting tot zwijgplicht vanuit het verzekeringswezen, bij het ontstaan van schade, waardoor de patiënt zelfs geconfronteerd kan worden met een verzwijgen van ontstane schade. De zwijgplicht is echter een lagere wet dan het recht op bescherming voor de burger, immers het recht op gelijke behandeling en het verkrijgen van deugdelijke medische zorg is nota bene zelfs grondwettelijk vastgelegd! Hierbij dient ook nog opgemerkt te worden, dat de medische rapportages in het geval van ontstane schade veelal onvolledig bleken te zijn…; of wel schade kan dan beoordeeld worden op basis van een onvolledig dossier door een collega arts, die een tuchtrechterlijke functie inneemt. Wij kunnen dan spreken van belangen verstrengeling, waarbinnen onwaarachtige rechtspraak zijn bestaan kan hebben.

Daarbij komt, dat juist omdat de medische wetgeving er zo braak bij ligt, dat de patiënt ook in de letselschadeadvocatuur benadeeld kan worden in zijn rechten, waarbij opgemerkt dient te worden dat voor het beoordelen van medisch handelen er eigenlijk een voldoende hoog kennisniveau van specialisme zou moeten worden gevraagd van de beoordelaar gelijke als dat van de oorspronkelijk behandelaar. (Het is echter ondoenlijk om van een medisch adviseur (van een letselschadeadvocaat) te verlangen dat hij/zij in alle medische specialismen het zelfde kennisniveau heeft in zijn totaliteit als dat de vele diverse behandelend specialisten afzonderlijk enkel hebben in hun (afgeperkte) kennisdomein...) Het grondwettelijk recht op een deugdelijke medische hulp staat boven de voorgeschreven zwijgcultus op verzekeringstechnische gronden. Bovendien zijn de huidige relevante bepalingen in een versnipperd bestaan te bevinden in diverse wetboeken. Juist omdat in medisch handelen er sprake is van aanraking van het lichaam/geest (met toestemming?) van patiënt en/of gemachtigde is een deugdelijke installatie wenselijk. http://www.mensenrechten.org/opinie.php?oid=14

Patiënten worden gediscrimineerd in hun recht, omdat hun recht op bescherming van de staat in medische kwesties ontzegd wordt, vanwege het in gebreke blijven van de staatsrechtelijke verplichting tot het aanbieden van een deugdelijke gezondheidszorg als staatsrechtelijke garantie  wat zich met name toont in het geval van ontstane ziektes en hoe er daarna met het slachtoffer wordt omgegaan. Onderstaand staat een vergelijk in de uiteenzetting van de problematiek met de eenvoud die de oplossing biedt om de veiligheid van de patiënt ook in de medische aansprakelijkheid centraal te stellen. Als er geen analoge gelijkenis bestaat tussen het oorspronkelijk behandelingsrapport en een externe expertise over de ontstane medische status van een patiënt met een second opinion, dan is er sprake van een ernstige vorm van norm-overschrijding van één der rapporteurs in de handeling tot rapportage. Als gevolg van de ontwikkelingen van de privatisering in de medische sector bestaat private second opinion al, echter het verslag zou ondanks de beroepskundigheid nog genegeerd kunnen worden. In het beoordelen van een casus in openheid en wederzijds begrip zou een beter recht gedaan kunnen worden aan alle partijen. Bovenal zou de patiënt hierin een rechtspositie behoren te bekleden en gehoord moeten kunnen worden. Patiënten prevaleren naar vernemen een eerlijke behandeling boven het geldelijk belang. En artsen hebben vaak deze beroepsvorm ook gekozen vanuit een zeker ideaal…

In die uitvoerende macht van handelingen, en de beoordeling ervan,zouden zowel arts als patiënt daarom een gelijk recht moeten hebben.

Ongelijkheid in de beoordeling, met ook het verzwijgen van (medische) ongewenstheden, betreft een regelrechte aantasting van de rechtsstaat waarbinnen allen een bestaan moeten hebben.

Eigenlijk wordt de patiënt systematisch achter gesteld in de uitoefening van zijn rechten.

Reden om de overheid dwingend te verzoeken haar grondwettelijke verantwoordelijkheid te nemen en te dragen in het beschermen van de burger en discriminatie in de uitvoering van de medische wetgeving te bestrijden om daarmee grondwettelijk het recht op het aanbieden van een deugdelijke gezondheidszorg te garanderen.

 

Begripsomschrijving van "handicap" en aanverwante termen in het antidiscriminatierecht

Studie Jos Huys in opdracht van GRIP mbt begripsomschrijving van "handicap" (2007)

Jos Huys,is  vrijwillig wetenschappelijk medewerker, Instituut voor Sociaal Recht, Katholieke Universiteit Leuven

Art. 13 van het Europees Unieverdrag, ingevoegd door het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, bepaalt dat de Ministerraad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, alle noodzakelijke maatregelen kan nemen ter bestrijding van elke discriminatie die gebaseerd is op het geslacht, het ras of de etnische afkomst, het geloof of de levensbeschouwing, de handicap, de leeftijd of de seksuele geaardheid. Het Europees antidiscriminatierecht ten aanzien van personen met gezondheidsproblemen heeft derhalve uitsluitend betrekking op de discriminatiegrond “handicap”.

Na de wijziging door een decreet van 9 maart 2007 zijn de discriminatiegronden in het Vlaams Decreet van 8 mei 2002 houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt volledig  afgestemd op de Europese, zodat bijgevolg voortaan slechts de “handicap” in aanmerking komt voor de toepassing van dit decreet.

Het Belgisch federale antidiscriminatierecht daarentegen hanteert, naast “handicap”, ook de “huidige of toekomstige gezondheidstoestand” en de “fysieke of genetische eigenschap” als discriminatiegronden.

Voor de toepassing van deze wet wordt dus onder handicap verstaan: een fysieke, sensoriële, verstandelijke of psychische stoornis of beperking die een belemmering kan vormen voor een evenwaardige participatie aan de in § 3 vermelde toepassingsdomeinen.

De Memorie van Toelichting stelt desbetreffend dat “naar analogie met de antidiscriminatiewet er uitdrukkelijk wordt voor gekozen geen definitie in het protocol zelf op te nemen. Op die manier wil men een beperkte opvatting van het begrip handicap vermijden en evoluties in de definitie van "persoon met een handicap" niet in de weg te staan.

In elk geval komen de personen in aanmerking die een “handicap” vertonen, zoals die is omschreven in de Internationale Classificatie van het menselijk Functioneren (ICF), zoals die werd bekrachtigd door de Wereldgezondheidsorganisatie op 22 mei 2001, met name

        elk langdurig en belangrijk participatieprobleem van een persoon dat te wijten is aan het samenspel tussen

1) functiestoornissen van mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke aard

2) beperkingen bij het uitvoeren van activiteiten

3) persoonlijke en externe factoren.” Maar klaarblijkelijk in verlegenheid gebracht door haar eigen verwijzing naar enige begripsomschrijving, haast de Memorie zich eraan toe te voegen dat “een persoon kan geboren worden met een handicap of er later wegens ziekte, een ongeval of ouderdom door worden getroffen” en dat “iedere persoon wiens deelname aan het maatschappelijke of professionele leven beperkt of belemmerd is, en niet alleen de personen die door de wet worden erkend als zijnde gehandicapt, in de zin van het protocol beschouwd wordt als een persoon met een handicap.'

De ADW 2007 hanteert, naast de Europees rechtelijke discriminatiegrond “handicap”, ook de discriminatiegronden “huidige of toekomstige gezondheidstoestand” en “fysieke of genetische eigenschap”. Deze “beschermde kenmerken” zijn in de tekst van de ADW 2007 evenmin gedefinieerd. Als interpretatierichtlijnen vinden we in de parlementaire bespreking terug dat:

 

a)    de (gesloten) lijst van discriminatiegronden geïnspireerd is door de (weliswaar open) lijst van discriminatiegronden in het “Handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie (art. II-81 van het verdrag tot oprichting van een Grondwet voor Europa), dat de meest recente uiting is van een Europese ethische consensus in de strijd tegen discriminatie.

b)    Men moet echter vaststellen dat voormeld artikel wel “een handicap” en “genetische kenmerken”, maar niet de “gezondheidstoestand” en “fysieke eigenschap” als verboden discriminatiegronden omschrijft. Als enige verklaring (?) vinden we terug dat, “hoewel er vanuit mag worden gegaan dat het criterium van de «genetische eigenschappen» impliciet vervat ligt in de begrippen «fysieke eigenschappen» en «huidige of toekomstige gezondheidstoestand», dit criterium met het oog op coherentie toegevoegd werd.

Hoewel daarbij niet gerefereerd werd naar bronnen uit het Europees antidiscriminatierecht, kunnen we alvast besluiten dat er een uitdrukkelijke bedoeling van de Belgische federale wetgever voorhanden was om personen die op onrechtmatige wijze verschillend behandeld worden omdat hen een handicap, een fysiek kenmerk, een welbepaalde huidige of toekomstige gezondheidstoestand of genetische eigenschappen worden toegeschreven, die ze in werkelijkheid niet bezitten, eveneens onder de bescherming van de ADW 2007 vallen.

In een in 2004 door het EU Network of Independent Experts on Disability Discrimination uitgegeven publicatieworden tal van stellingen omtrent een interpretatie van het begrip “handicap” geargumenteerd.

In de opvatting van deze experten is de begripsomschrijving van “handicap” voor de toepassing van het antidiscriminatierecht dus erg ruim en omvat ze ook de verleden, huidige en toekomstige gezondheidstoestand. In deze ruime interpretatie is er geen enkele nood meer aan afzonderlijk beschermde criteria, zoals “gezondheidstoestand” en “fysieke of genetische kenmerken” omdat het criterium “handicap” ook bescherming verleent tegen discriminaties op deze gronden.

De experten stellen ook dat de rechtsbescherming van het antidiscriminatierecht evenzeer geldt ten voordele van personen aan wie door de “dader” van discriminatie verkeerdelijk een beschermd kenmerk wordt toegewezen. Deze op het eerste zicht vanzelfsprekende visie heeft niet onaanzienlijke consequenties. Ze vertrekt van de premisse dat niet zozeer de wezenlijke kenmerken van het slachtoffer van discriminatie, maar wel de perceptie ervan door de dader van discriminatie bepalend zijn voor de toepassing van het antidiscriminatierecht.

De experten stellen ten slotte ook dat een brede definiëring van het begrip “handicap” ertoe moet leiden dat de Europese Kaderrichtlijn bescherming biedt tegen de discriminatie op grond van associatie met een persoon met een handicap.

Met andere woorden: alleen het Europees Hof van Justitie is bevoegd om het begrip “handicap” te interpreteren voor de toepassing van de antidiscriminatiewetgevingen in de lidstaten, uiteraard voor zover die uitvoering verlenen aan de Europese Kaderrichtlijn, dus minstens in de toepassingssfeer van “arbeid en beroep” en de noodzaak aan respect voor de bevoegdheden die blijkens het EG-Verdrag aan de lidstaten blijven toebehoren, en bijgevolg diens conclusie onderschreven dat “gehandicapten personen zijn met ernstige functionele beperkingen (handicaps) die het gevolg zijn van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoening” en dat “het moet gaan om beperkingen die hun oorzaak vinden in een gezondheidsprobleem of fysiologische afwijking van betrokkene, en die hetzij een langdurig, hetzij een permanent karakter hebben "

In zijn overwegingen heeft het Europees Hof van Justitie de nadruk gelegd op de vereiste dat de beperkingen in de deelname aan het beroepsleven van langere duur moeten zijn. Dit zal zelden het geval zijn met kortstondige aandoeningen zoals een griepinfectie, maar eerder de regel zijn bij tal van chronische aandoeningen zoals diabetes of kanker.

Het Europees Hof van Justitie heeft “handicap” voor de toepassing van de Europese Kaderrichtlijn gedefinieerd als een “ernstige functionele beperking die het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoening, en waardoor de deelneming aan het beroepsleven gedurende een lange periode wordt belemmerd.”

Om deze begrippen nader te interpreteren hebben we dan ook een onderzoek verricht naar de voorbereidende werken van deze verschillende antidiscriminatiewetgevingen en naar de schaarse rechtspraak. Onze commentaar wordt uitdrukkelijk beperkt tot de wetgevende instrumenten met rechtskracht hetzij in het federale België en in  Vlaanderen, dus met uitsluiting van het antidiscriminatierecht dat uitsluitend toepassing vindt in de Franstalige Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap.

De anti discriminatie wet werd op 17 oktober 2002 in de Kamer gestemd. Op grond van de nieuwe wet zouden mensen met een chronische ziekte, mensen met een handicap en hun omgeving voor alles wat te maken heeft met levering van goederen of diensten, dus ook verzekeringen, niet langer gediscrimineerd worden.

In de wet staat dat er sprake is van directe discriminatie als er een verschil in behandeling is, dat niet objectief en op een redelijke wijze kan gerechtvaardigd worden, en als het gebaseerd is op het geslacht, een zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst, de nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, de burgerlijke staat, de geboorte, het fortuin, de leeftijd, het geloof of de levensbeschouwing, de huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap of een fysieke eigenschap.

Wat verzekeringsinstellingen betreft betekent dit dat de verzekeraar dus zal moeten aantonen dat hij een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft om een chronisch zieke een bepaalde verzekering te weigeren, hen tegen veel zwaardere voorwaarden of premies te verzekeren, of tussenkomst te weigeren op basis van verkeerde interpretaties.

Personen met psychische problemen of problemen die psychiaters kunstmatig psychisch maken en hun mantelzorgers, krijgen te maken met pesten/onheuse bejegening op verschillende levens- gebieden. Dit vermindert de kans op herstel en integratie in de samenleving.

Schijnbaar neutrale maatregelen (reglementen, bedrijfscultuur, …) kunnen als effect hebben dat personen op basis van een discriminatiegrond bijzonder benadeeld worden.  Men spreekt dan van indirecte discriminatie als deze maatregelen niet gerechtvaardigd kunnen worden.

 

De antidiscriminatiewet verbiedt eveneens bepaalde vormen van ongewenst gedrag dat verband houdt met één van de beschermde criteria, en dat tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.

Volgens de antidiscriminatiewet is er sprake van directe discriminatie wanneer een direct onderscheid op grond van een beschermd criterium tot gevolg heeft dat een persoon minder gunstig wordt behandeld dan een andere persoon in een vergelijkbare situatie en wanneer hiervoor geen rechtvaardiging kan gegeven worden. http://www.kvg.be/SociaalDienstbetoon/AntiDiscriminatie

 

Gelijkekansenbeleid

Sinds 1995 is Gelijke Kansen formeel erkend als een Vlaams beleidsdomein. Sinds de beginjaren richt het beleid zich op gelijke kansen voor vrouwen, holebi’s, personen van vreemde afkomst en personen met een handicap. Later kwam er ook aandacht voor jongeren en ouderen die slachtoffer waren van leeftijdsdiscriminatie.

Het Vlaamse Gelijke Kansenbeleid is een inclusief en gecoördineerd beleid. Aangezien achterstelling en uitsluiting zich op vele domeinen van het maatschappelijke leven voordoen, is het nodig dat alle ministers binnen hun eigen beleidsdomein aandacht hebben voor gelijke kansen. De minister van Gelijke Kansen heeft hierbij een coördinerende functie: zij ondersteunt en stimuleert de andere ministers in het nemen van initiatieven die gelijke kansen bevorderen.

www.gripvzw.be/data/.../242_071214%20def%20Definitie%20handicap

http://www.gripvzw.be/infobank/thema.asp?parentid=27

 


 

 

[iv] “BaselineLaw in the EU, http://_social/fundamental_rights/pdf/aneval/ 11.

[v] Overwegingen 76 en 77 van de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed, http://curia.europa.eu