|
TITEL
I - Algemene bepalingen
Hoofdstuk
I - Doel en toepassing van de code
Artikel 1
De geneeskundige plichtenleer is het geheel van de beginselen, gedragsregels
en gebruiken die iedere geneesheer moet eerbiedigen of als leidraad nemen bij
de uitoefening van zijn beroep.
Artikel 2
De bepalingen van deze code zijn van toepassing op alle geneesheren die
ingeschreven zijn op de Lijst van de Orde. Zij worden bij wijze van
vermelding en niet beperkend aangegeven. Zij kunnen bij analogie worden
toegepast.
Hoofdstuk II - Algemene plichten van de geneesheer
Artikel 3
De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht;
de geneesheer waakt in alle omstandigheden over de gezondheid van de enkeling
en van de gemeenschap.
Teneinde deze opdracht te vervullen moet de geneesheer,
welke discipline van de geneeskunde hij ook uitoefent, ten volle bevoegd zijn
en de menselijke persoon steeds eerbiedigen.
Artikel 4
Om zijn patiėnt met de beste zorgen te kunnen omringen, moet de geneesheer
zich op de hoogte houden van de vooruitgang van de geneeskundige wetenschap.
Artikel 5
De geneesheer moet al zijn zieken even gewetensvol verzorgen, ongeacht hun
sociale stand, hun nationaliteit, hun overtuiging, hun faam en zijn
persoonlijke gevoelens jegens hen.
Artikel 6
Elke geneesheer moet, ongeacht zijn functie of specialiteit, onverwijld hulp
bieden aan een zieke die in onmiddellijk gevaar verkeert.
Artikel 7
Bij algemene noodsituaties mag een geneesheer zijn zieken niet verlaten
tenzij hij daartoe door de bevoegde overheid wordt verplicht.
Artikel 8
De geneesheer moet zich bewust zijn van zijn sociale plichten tegenover de
gemeenschap.
Artikel 9
De geneesheer moet ervoor waken, zelfs buiten zijn beroepsactiviteiten,
geen daden te stellen die de eer of de waardigheid van het beroep zouden
kunnen schaden.
Artikel 10
De geneeskunde mag in geen geval en op geen enkele wijze als een handelszaak
worden opgevat.
Artikel 11
De geneesheren moeten goede collegiale betrekkingen met elkaar onderhouden en
elkaar bijstaan.
Hoofdstuk III - Reclame (Gewijzigd op 21 september
2002)
Artikel 12
Mits naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen geneesheren hun
medische activiteit kenbaar maken aan het publiek.
Artikel 13
§1. De verstrekte informatie dient
waarheidsgetrouw, objectief, relevant, verifieerbaar, discreet en duidelijk
te zijn. Zij mag in geen geval misleiden. Zij mag niet vergelijkend zijn.
Resultaten van onderzoeken en behandelingen mogen niet voor publicitaire
doeleinden worden aangewend.
§2. Publiciteit mag het algemeen belang inzake de
volksgezondheid niet schaden. Zij mag niet aanzetten tot overbodige
onderzoeken of behandelingen.
Ronseling van patiėnten is niet toegelaten.
De campagnes voor preventie en vroegdetectie dienen wetenschappelijk
onderbouwd te zijn en vereisen de voorafgaande toelating van de bevoegde
ordinale instantie.
§3. Bij het voeren van publiciteit dienen de
geneesheren de regels van het medisch beroepsgeheim te eerbiedigen.
Artikel 14
De verwoording en vormgeving van de publiciteit evenals de hierbij gebruikte
methoden en technieken - inclusief internetsites, naamborden, briefhoofden en
vermeldingen in gidsen - moeten beantwoorden aan de bepalingen van artikel
13.
Artikel 15
Geneesheren dienen zich daadwerkelijk te verzetten tegen elke door derden
gevoerde publiciteit, betreffende hun medische activiteit, die de bepalingen
van dit hoofdstuk niet naleeft.
Artikel 16
Geneesheren mogen hun medewerking verlenen aan de media met het oog op het
verstrekken van medische informatie die belangrijk en nuttig kan zijn voor
het publiek.
Hierbij dienen de bepalingen van dit hoofdstuk nageleefd te worden..
De geneesheer zal voorafgaandelijk de provinciale raad waarbij hij
ingeschreven is inlichten over zijn medewerking met de media.
Artikel 17
Wanneer patiėnten door de media betrokken worden bij het informeren van het
publiek mogen geneesheren alleen meewerken voor zover de persoonlijke
levenssfeer en de waardigheid van deze patiėnten geėerbiedigd worden. In die
omstandigheden dienen de geneesheren er zich van te vergewissen dat de
patiėnten volledig geļnformeerd werden en vrij toestemden tot medewerking.
Hoofdstuk IV - Cliėnteel
Artikel 18 (Gewijzigd op 14 september 1991)
§1. De materiėle en immateriėle bestanddelen van
een geneeskundige praktijk kunnen het voorwerp uitmaken van een inbreng of
quasi-inbreng in een geneesherenvennootschap en van een overdracht aan een
geneesheer, een geneesherenassociatie of een geneesherenvennootschap.
§2. Zowel inbreng, quasi-inbreng als overdracht
moeten door een schriftelijke overeenkomst worden geregeld.
Deze overeenkomst dient voorafgaandelijk ter goedkeuring te worden voorgelegd
aan de bevoegde provinciale raad.
§3. Door deze overeenkomst mag geen afbreuk gedaan
worden aan de deontologische verplichtingen van de betrokken geneesheren.
Artikel 19
§1. Het is verboden, onder welke vorm ook,
patiėnten te ronselen.
§2. Een geneesheer zijn cliėnteel onttrekken of
pogen te onttrekken is verboden.
§3. Een geneesheer mag in zijn kabinet elke
patiėnt ontvangen.
§4. De geneesheer die geroepen wordt bij een zieke
die in behandeling is bij een collega, moet de volgende regels in acht nemen
:
a) indien de zieke de zorgen van de eerste dokter
verzaakt, moet de bijgeroepen geneesheer zich ervan vergewissen of zulks de
uitdrukkelijke wil van de zieke is en ervoor waken dat zijn collega wordt
verwittigd;
b) zo de zieke niet de zorgen van zijn behandelende
geneesheer verzaakt, maar enkel een advies wou vragen, moet de bijgeroepen
geneesheer een consult voorstellen en zich terugtrekken na het eventueel toedienen
van dringende zorgen;
indien echter om een gegronde reden, het consult onmogelijk of niet wenselijk
blijkt, mag hij de zieke onderzoeken op voorwaarde dat deze ermee akkoord
gaat dat de diagnose en
de voorgestelde behandeling aan de behandelende geneesheer worden
medegedeeld;
c) indien de zieke, bij afwezigheid van zijn
behandelende geneesheer, een beroep doet op een andere geneesheer, mag deze
de patiėnt gedurende die afwezigheid verzorgen maar de behandeling slechts
wijzigen indien het noodzakelijk is; hij moet de verzorging staken zodra zijn
collega is teruggekeerd en hem alle nuttige inlichtingen verstrekken.
Hoofdstuk V - Het Geneeskundig Kabinet
Artikel 20 (Gewijzigd op 12 april 2003)
Een geneeskundig kabinet is de plaats waar de geneesheer patiėnten ontvangt,
onderzoekt, adviezen geeft of zorgen toedient.
Artikel 21 (Gewijzigd op 12 april 2003)
De uitrusting van een kabinet en de organisatie van de praktijk dienen de
geneesheer toe te laten zijn beroep op een kwalitatief hoogstaand niveau uit
te oefenen en de continuļteit van de zorg te verzekeren. De inrichting van
een kabinet dient de waardigheid en de intimiteit van de patiėnt te
eerbiedigen.
Artikel 22
§1. (Gewijzigd op 12 april 2003) De geneesheer zal
zijn praktijk bij voorkeur op één plaats uitoefenen. Zo hij nochtans zijn
activiteiten over meer dan één kabinet spreidt of wenst te spreiden moet hij
zijn provinciale raad hiervan op de hoogte brengen, de spreiding van zijn
activiteiten motiveren en de plaats van zijn hoofdactiviteit aanduiden.
§2. (Gewijzigd op 12 april 2003) De
geneesheer zal zijn praktijk bij voorkeur op één plaats uitoefenen. Zo hij
nochtans zijn activiteiten over meer dan één kabinet spreidt of wenst te
spreiden moet hij zijn provinciale raad hiervan op de hoogte brengen, de
spreiding van zijn activiteiten motiveren en de plaats van zijn
hoofdactiviteit aanduiden.
§3. Wanneer een geneesheer zijn bedrijvigheid
spreidt over verscheidene kabinetten, gevestigd in verschillende provincies
of in een gemeente die uitsluitend onder de bevoegdheid valt van de
provinciale raad van Brabant, hetzij met het Frans, hetzij met het Nederlands
als voertaal, moet op initiatief van de provinciale raad waaronder de
geneesheer ressorteert, het advies van de betrokken provinciale raad worden
gevraagd.
Artikel 23
Het uitoefenen van marktgeneeskunde is verboden.
Artikel 24
Het is de geneesheer verboden een geneeskundig kabinet door een collega te
laten beheren of zelf het beheer van een geneeskundig kabinet voor een
collega op zich te nemen.
Artikel 25
Het is verboden zowel preventieve als curatieve geneeskunde uit te oefenen in
commerciėle vertrekken of aangrenzende lokalen, onverminderd de reglementen
die de plaatsen voor de uitoefening van arbeidsgeneeskunde omschrijven.
Artikel 26
Behoudens onderling akkoord, mag een geneesheer zich niet vestigen in een
kabinet dat, al dan niet vrijwillig, verlaten werd door een collega die nog
praktizeert in het land, tenzij na het verstrijken van de termijn en onder de
voorwaarden bepaald door de raad van de Orde van de provincie waartoe de
tweede bewoner behoort.
TITEL
II - De geneesheer ten dienste van de patiėnt
Hoofdstuk I - Geneesheer-patient verhouding
Artikel 27
De vrije keuze van een geneesheer door de patiėnt is een basisbeginsel van de
betrekkingen in de geneeskunde. Elke geneesheer moet deze vrije keuze
eerbiedigen en er voor zorgen dat ze wordt geėerbiedigd.
Artikel 28
Behalve in geval van hoogdringendheid of wanneer hij in zijn menslievende
plichten tekort zou schieten, staat het de geneesheer steeds vrij om
persoonlijke of beroepsredenen de behandeling van een zieke te weigeren.
De geneesheer mag eveneens van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat hij de
patiėnt of de naastbestaanden ervan in kennis stelt, de continuļteit van de
verzorging verzekert en aan de geneesheer die zijn taak overneemt, alle
nuttige inlichtingen verstrekt.
Artikel 29
De geneesheer moet pogen de patiėnt voor te lichten over het waarom van elke
voorgenomen diagnostische of therapeutische maatregel.
Indien de zieke een voorgesteld onderzoek of behandeling weigert, mag de
geneesheer onder de in lid 2 van artikel 28 bepaalde voorwaarden, van zijn
opdracht afzien.
Artikel 30
Indien de patiėnt minderjarig is of indien het een andere onbekwame persoon
betreft, en het onmogelijk of niet wenselijk is de instemming van zijn
wettelijke vertegenwoordiger te bekomen, moet de geneesheer gewetensvol de
passende zorgen toedienen.
Artikel 31
De geneesheer, of hij nu vrij door de patiėnt werd gekozen of aan de patiėnt
door een wet, een bestuurlijke verordening of bepaalde omstandigheden werd
opgelegd, moet altijd correct zijn en begrip tonen; behalve in gevallen met
een duidelijke therapeutische weerslag zal hij zich van inmenging in
familiale aangelegenheden onthouden; hij zal er op bedacht zijn geen
filosofische, godsdienstige of politieke overtuiging te kwetsen.
Artikel 32
De al dan niet vrij gekozen geneesheer zal enkel op gewetensvolle wijze en op
wetenschappelijke gronden beslissingen nemen.
Artikel 33 (gewijzigd op 15 april 2000)
De arts deelt tijdig aan de patiėnt de diagnose en de prognose mede; dit
geldt ook voor een erge en zelfs voor een noodlottige prognose. Bij de
informatie van de patiėnt houdt de arts rekening met diens draagkracht en met
de mate waarin hij wenst geļnformeerd te worden.
De arts verzekert de patiėnt in ieder geval van een verdere aangepaste
behandeling en begeleiding. De arts betrekt hierbij de naastbestaanden tenzij
de patiėnt zich daartegen verzet. Hij contacteert op verzoek van de patiėnt
de door deze aangewezen personen.
Hoofdstuk II - Kwaliteit van de verzorging
(Gewijzigd op 18 augustus 2001)
Artikel 34
§1. Zowel voor het stellen van een diagnose als
voor het instellen en voortzetten van de behandeling, verbindt de geneesheer
er zich toe zijn patiėnt zorgvuldig en gewetensvol de zorgen toe te dienen
die stroken met de thans geldende wetenschappelijke kennis.
§2. Een slachtoffer van een medische fout heeft
recht op vergoeding van de door die fout veroorzaakte schade en elke
geneesheer dient hiervoor verzekerd te zijn.
Artikel 35
Behalve in geval van overmacht mag de geneesheer zijn beroep enkel uitoefenen
onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorgen en van de medische
behandeling niet in het gedrang brengen.
a) Behoudens in spoedeisende gevallen mag de geneesheer
slechts zoveel personen in behandeling nemen als hij aankan om aan ieder van
hen gewetensvol, zorgvuldig en met eerbied voor de menselijke persoon zorgen
te verstrekken.
b) De geneesheer mag zijn bevoegdheid niet overschrijden.
Hij moet het advies inwinnen van confraters, onder meer van specialisten,
hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de patiėnt, telkens wanneer
dit binnen de diagnostische of therapeutische context nuttig of noodzakelijk
blijkt.
c) Wanneer de toestand van de patiėnt dit vereist laat de
geneesheer zich bijstaan door bevoegde verpleegkundige, paramedische,
technische en sociale medewerkers.
Artikel 36
De geneesheer beschikt over de diagnostische en therapeutische vrijheid.
a) Hij zal niettemin vermijden onnodig dure
onderzoekingen en behandelingen voor te schrijven of overbodige
verstrekkingen te verrichten.
b) Hij zal eveneens vermijden behandelingen of
geneesmiddelen voor te schrijven op eenvoudig verzoek van de patiėnt, zonder
dat diens toestand dit medisch rechtvaardigt.
c) Hij zal er over waken geneesmiddelen voor te schrijven
in gepaste vorm en hoeveelheid teneinde overconsumptie en overdosering tegen
te gaan.
d) Wanneer een degelijk vooringelichte patiėnt er
vrijwillig mee instemt zijn medewerking te verlenen aan een wetenschappelijk
onderzoek, mogen hem geen behandelingen onthouden worden die onontbeerlijk
zijn voor zijn toestand.
Wanneer een patiėnt weigert mee te werken aan of zich terugtrekt uit het
wetenschappelijk onderzoek, moet de geneesheer hem de beste zorgen blijven
verstrekken.
Artikel 37
De geneesheer stelt alles in het werk om elke vorm van verslaving te
voorkomen. Binnen de grenzen van zijn competentie zal hij alles ondernemen om
de verslaafde te behandelen en diens verslaving stop te zetten.
a) Hij zal, door zijn raadgevingen en voorschriften, het
verkeerd gebruik , het misbruik en de ontwikkeling van afhankelijkheid van
geneesmiddelen, die aanleiding kunnen geven tot toxicomanie, voorkomen.
b) De geneesheer die een patiėnt in behandeling neemt
voor diens verslaving en hem vervangingsmiddelen, die eveneens tot
afhankelijkheid kunnen leiden meent te moeten voorschrijven, mag zich niet
beperken tot het voorschrijven alleen.
Hij zal de noodzaak nagaan :
- een multidisciplinair team te verzoeken om een evaluatie van de
verslavingsproblematiek en haar behandelingsmogelijkheden alsmede de
psycho-sociale toestand van de patiėnt;
- de patiėnt globaal in behandeling te nemen, zich te laten bijstaan door
specialisten die competent zijn inzake de medische, psychologische en sociale
problemen, en zich niet te beperken tot het voorschrijven van
vervangingsmiddelen op vraag van de patiėnt;
- zich ervan te vergewissen dat de patiėnt uitsluitend het voorgeschreven
geneesmiddel gebruikt en dat hij niet om dezelfde reden behandeld wordt door
een ander geneesheer;
- er bij de ambulant verzorgde patiėnt over te waken enkel oraal toe te
dienen vervangingsmiddelen voor te schrijven en alle voorzorgsmaatregelen te
treffen opdat het voorschrift noch de verstrekking van deze middelen
aanleiding kunnen geven tot opslag, manipulatie, uitwisseling, overdracht,
verkoop of enig ander misbruik;
- samen met een multidisciplinair team op gezette tijden het resultaat van de
behandeling te herevalueren om de behandeling aan te passen opdat de patiėnt
in een optimale fysieke en psychische toestand zou verkeren, zijn sociale
integratie zou herwinnen en zijn verslavingsziekte zou genezen.
c) De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing
op de behandeling en de palliatieve zorgen van patiėnten in naderend
levenseinde.
Hoofdstuk III - Het medisch dossier
Artikel 38
De geneesheer moet in principe voor elke patiėnt een medisch dossier
bijhouden.
Artikel 39
De geneesheer die persoonlijk het medisch dossier heeft samengesteld en
aangevuld, is verantwoordelijk voor de bewaring ervan. Hij beslist over de
overdracht van het geheel of een gedeelte van het dossier met inachtneming
van het beroepsgeheim.
Artikel 40
Wanneer de medische dossiers evenwel worden samengesteld door een team en
gecentraliseerd worden in een verzorgings- of andere instelling, hebben enkel
de voor de verzorging van de zieken opgeroepen geneesheren toegang tot die
dossiers. De inhoud en de bewaring ervan mogen door deze geneesheren enkel
worden toevertrouwd aan personen die eveneens door het beroepsgeheim zijn
gebonden.
Artikel 41
Op vraag van de patiėnt of met diens toestemming moet de geneesheer zo
spoedig mogelijk aan een andere behandelende geneesheer alle inlichtingen
verstrekken die nuttig of nodig zijn voor de vervollediging van de diagnose
of de voortzetting van de behandeling.
Artikel 42
Op vraag van de patiėnt of wanneer hij het zelf nuttig oordeelt, mag de
geneesheer zo het belang van de patiėnt het vergt, objektieve gegevens uit
het dossier, zoals radiografieėn en resultaten van onderzoekingen, aan de
zieke mededelen.
Artikel 43
Bij zijn wetenschappelijke werkzaamheden mag de geneesheer gebruik maken van
zijn medische dossiers op voorwaarde dat geen namen of details in zijn
publikaties voorkomen die de identificatie van patiėnten door derden zou
mogelijk maken.
Artikel 44
De geneesheer mag met het oog op het wetenschappelijk belang bepaalde
gegevens uit medische dossiers, waarvoor hij verantwoordelijk is, aan derden
mededelen voor zover hij het beroepsgeheim niet schendt en de interpretatie
van die gegevens geschiedt onder toezicht van een geneesheer.
Artikel 45
De geneesheer heeft geen recht van terughouding op de medische gegevens van
het dossier in geval van niet-betaling van honoraria.
Artikel 46 (Gewijzigd op 20 april 2002)
De geneesheer moet de medische dossiers gedurende 30 jaar na het laatste
contact met de patiėnt bewaren; desgevallend moet hij erop toezien dat de
dossiers derwijze worden vernietigd dat het beroepsgeheim gewaarborgd blijft.
Artikel 47 (Gewijzigd op 14 september 1991)
In geval van overdracht van een geneeskundige praktijk, dient de
schriftelijke overeenkomst waarvan sprake in artikel 18 §2 en §3 te bepalen
dat de geneesheer-overnemer de bewaarder wordt van de medische dossiers en er
zich toe verbindt alle voor de continuļteit van de verzorging nuttige
gegevens van het dossier mee te delen aan de door de patiėnt aangeduide
geneesheer.
(Gewijzigd op 24 oktober 1998)
Indien de geneeskundige praktijk bij stopzetting van de beroepsactiviteit
niet overgedragen wordt dient de arts ervoor te zorgen dat alle medische
dossiers ter bewaring worden overgemaakt aan een praktiserend arts. Wanneer
dit uit hoofde van de arts niet mogelijk is, is het aangewezen dat de naaste
verwanten zorgen voor de overdracht. Bij het uitblijven van een oplossing
betreffende de bewaring van de medische dossiers kan elke belanghebbende de
Provinciale Raad van de arts hieromtrent informeren.
Hoofdstuk IV - Heelkunde
Artikel 48
Elke geneesheer moet ervoor waken dat de zieke in alle omstandigheden vrij
een chirurg kan kiezen. De behandelende geneesheer zal de zieke in geweten
bij deze keuze helpen.
Artikel 49
De chirurg mag weigeren tot een ingreep over te gaan wanneer de indicatie hem
onvoldoende verantwoord lijkt of om een andere gegronde reden.
Artikel 50
Om de patiėnt met de beste zorgen te omringen, moet de chirurg bevoegde
assistenten kiezen. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor die keuze.
Artikel 51
Indien een geneesheer met de anesthesie wordt belast, krijgt hij van de
chirurg of ieder ander opererend geneesheer alle nuttige informatie en neemt
hij zijn eigen verantwoordelijkheid op zich.
De geneesheer-anesthesist moet toezicht houden op de anesthesie gedurende
heel de tijd van de ingreep. Hij moet de medische en paramedische medewerkers
die hem bijstaan evenals het nodige materiaal kunnen kiezen en er zich
verantwoordelijk voor stellen.
Artikel 52
In het belang van de zieke moet de chirurg in vertrouwen met de behandelende
geneesheer samenwerken.
Artikel 53
Bij preleveren van weefsels of organen "ex vivo" met het oog op
transplantaties, wordt verondersteld dat de donor of, bij onomkeerbaar coma,
diens wettelijke vertegenwoordigers, voorafgaandelijk hun toestemming hebben
gegeven; voor het wegnemen van organen "post mortem", dient men
zich nauwgezet te houden aan de regels welke thans gelden voor de
vaststelling van de dood van de donor.
De impliciete of uitdrukkelijke weigering van de patiėnt tot preleveren op
zijn lijk, moet worden geėerbiedigd.
Artikel 54 (Gewijzigd op 16 juli 1988)
Hoewel het doorgaans slechts een kleine ingreep betreft, heeft de heelkundige
sterilisatie verstrekkende gevolgen.
De sterilisatie mag bijgevolg slechts worden uitgevoerd na een degelijke
voorlichting van de echtgenoten of partners over de ingreep en de gevolgen
ervan.
De persoon die de ingreep zal ondergaan moet vrij kunnen beslissen en het
gebeurlijk verzet van echtgenoot of partner blijft zonder gevolg.
Hoofdstuk V - Beroepsgeheim van de geneesheer
Artikel 55
Het beroepsgeheim dat de geneesheer moet bewaren, is van openbare orde. De
door patiėnten geraadpleegde of om zorgen of raad verzochte practici zijn in
alle omstandigheden door het beroepsgeheim gebonden.
Artikel 56
Het beroepsgeheim van de geneesheer omvat zowel al wat de patiėnt hem heeft
gezegd of toevertrouwd, als wat de geneesheer weet of heeft ontdekt ten
gevolge van onderzoekingen of van door hem gedane of aangevraagde
navorsingen.
Artikel 57
Het beroepsgeheim omvat alles wat de geneesheer heeft gezien, gehoord,
vernomen, vastgesteld, ontdekt of opgevangen tijdens of bij gelegenheid van
de uitoefening van zijn beroep.
Artikel 58 (Gewijzigd op 22 september 1993)
Binnen uitdrukkelijk vastgelegde perken, gelden wettelijke uitzonderingen
voor de hierna opgesomde gevallen. De geneesheer moet in geweten oordelen of
hij door het beroepsgeheim toch niet wordt verplicht bepaalde gegevens niet
mede te delen.
a) Het verstrekken van inlichtingen, in het kader van de
wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aan de
geneesheren-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle van het
RIZIV, in zoverre die inlichtingen noodzakelijk zijn voor hun
controle-opdracht en binnen de perken ervan blijven.
Het verstrekken van deze inlichtingen en het aanwenden ervan door de
geneesheren-inspecteurs zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het
beroepsgeheim.
b) Het verstrekken van inlichtingen of medische gegevens
over de verzekerde, aan de geneesheren-adviseurs van verzekeringsinstellingen
tegen ziekte en invaliditeit en binnen de perken van de medisch-sociale
raadplegingen.
De geneesheer-adviseur van een verzekeringsinstelling is, zoals elke andere
geneesheer, gebonden door het beroepsgeheim; hij moet aan die instelling
uitsluitend zijn besluiten op administratief vlak mededelen.
c) De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van
overdraagbare epidemische ziekten, overeenkomstig de modaliteiten en
voorwaarden in de wet vastgelegd.
d) De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van
geslachtsziekten, overeenkomstig de wetgeving inzake de voorkoming van deze
ziekten.
e) De kennisgevingen en aangiften aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand inzake geboorten, overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
f) De afgifte van reglementaire geneeskundige
getuigschriften nodig voor de aangifte van werkongevallen met vermelding van
alle indicaties die rechtstreeks in verband staan met het oorzakelijk trauma.
g) Het afleveren van geneeskundige verslagen en
verklaringen in uitvoering van de wettelijke voorschriften inzake de
bescherming van de persoon van de geesteszieke en inzake de bescherming van
de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel
of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren.
h) Het afleveren van medische verslagen in uitvoering van
de wettelijke voorschriften met betrekking tot de beroepsziekten.
i) Het afleveren van geneeskundige verklaringen in
uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de
landverzekeringsovereenkomsten.
Artikel 59
§ 1. De geneesheer van het medisch schooltoezicht
deelt slechts binnen de strikte perken van zijn opdracht de resultaten van
zijn onderzoek mede aan de leerlingen, de ouders, de voogden van leerlingen,
de geneesheer-ambtenaar of de inrichtende overheid.
Aan de feiten die hij verneemt tijdens zijn onderzoek maar die geen uitstaans
hebben met zijn opdracht, mag hij geen ruchtbaarheid geven.
§ 2. De arbeidsgeneesheer mag de personeelsleden
van het medisch team, die zelf gebonden zijn door het beroepsgeheim, alleen
van die inlichtingen in kennis stellen die noodzakelijk zijn voor het
vervullen van hun opdracht.
De door de wet voorgeschreven medische steekkaart, waarmee de
arbeidsgeneesheer zijn beslissing aan de werkgever meedeelt, mag geen enkele
aanduiding van diagnose bevatten.
Artikel 60 (Gewijzigd op 21 januari 1995)
De geneesheer is gerechtigd aan een door de bevoegde overheid aangeduide
geneesheer, alle geneeskundige gegevens mede te delen teneinde het onderzoek
van pensioenaanvragen van militairen of oorlogsslachtoffers en de toepassing
van de wettelijke bepalingen inzake gehandicapten te vergemakkelijken.
De mededeling van deze gegevens en het gebruik ervan door de in het eerste
lid vermelde geneesheren kan slechts gebeuren mits eerbiediging van het
beroepsgeheim van de geneesheer.
Artikel 61 (Gewijzigd op 16 november 2002)
§1. Als een geneesheer vermoedt dat een kind wordt
mishandeld, seksueel wordt misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd dient hij
te opteren voor een multidisciplinaire benadering zoals bijvoorbeeld de
inschakeling van een voor die problematiek opgerichte specifieke voorziening.
Indien een geneesheer vaststelt dat een kind in ernstig gevaar verkeert dient
hij onmiddellijk het nodige te doen om het kind te beschermen. Indien het
gevaar dreigend is en er geen andere middelen zijn om het kind te beschermen,
kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis stellen van zijn
bevindingen.
De ouders of de voogd van het kind zullen door de geneesheer geļnformeerd
worden over zijn bevindingen en de initiatieven die hij wenst te nemen tenzij
dit de belangen van het kind kan schaden.
Alvorens om het even welk initiatief te nemen, dient de geneesheer
voorafgaandelijk met het kind te overleggen in de mate dat zijn
onderscheidingsvermogen dit toelaat.
§2. Als een geneesheer vermoedt dat een door
ziekte, handicap of leeftijd weerloze patiėnt wordt mishandeld, misbruikt of
ernstig wordt verwaarloosd zal hij, indien de verstandelijke mogelijkheden
van de patiėnt dit toelaten, zijn bevindingen met de patiėnt bespreken. De
geneesheer zal de patiėnt ertoe aansporen zelf de nodige initiatieven te
nemen, zoals onder meer het informeren van zijn naaste verwanten.
Indien deze bespreking met de patiėnt niet mogelijk is, kan de behandelend
geneesheer met een terzake bevoegde collega overleggen aangaande diagnostiek
en benadering van de problematiek.
Indien de patiėnt in ernstig gevaar verkeert en er geen andere middelen zijn
om hem te beschermen, kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis
stellen van zijn bevindingen.
De geneesheer zal de naaste verwanten in kennis stellen van zijn bevindingen
en de initiatieven die hij wenst te nemen om de patiėnt te beschermen indien
dit de belangen van deze laatste niet schaadt.
Artikel 62 (Gewijzigd op 16 april 1994)
Binnen de perken van volstrekte noodzaak, mag een diagnose of een inlichting
van geneeskundige aard worden medegedeeld :
a) aan de wettelijke of feitelijke vertegenwoordiger van
een onbekwame of bewusteloze patiėnt;
b) aan de geneesheer met een gerechtelijk-geneeskundig
onderzoek belast, voor zover de inlichtingen beperkt blijven tot de
objectieve medische gegevens die rechtstreeks verband houden met het doel van
het onderzoek en de patiėnt daarmee instemt;
c) aan instellingen met een wetenschappelijke opdracht,
zonder vermelding van naam;
d) aan de geneesheren van het "Europees Comité
inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende
behandeling of bestraffing", bij de uitvoering van hun opdracht.
De in vertrouwen door een patiėnt medegedeelde gegevens mogen nooit openbaar
worden gemaakt.
Artikel 63
De voor de gerechtelijke overheid gedagvaarde geneesheer mag weigeren
getuigenis af te leggen over door het beroepsgeheim gedekte feiten, door zich
te beroepen op dit beroepsgeheim.
Artikel 64
De verklaring van een zieke waarbij hij de geneesheer van zijn zwijgplicht
ontheft, volstaat niet om de geneesheer van zijn verplichting te ontslaan.
Artikel 65
De dood van een zieke ontheft de geneesheer niet van zijn beroepsgeheim. De
erfgenamen kunnen hem er evenmin van ontslaan of erover beschikken.
Artikel 66
De inbeslagneming van medische stukken door de onderzoeksrechter of, bij op
heterdaad betrapte misdaden, door de Procureur des Konings, is toegestaan
wanneer die stukken betrekking hebben op aan de geneesheer ten laste gelegde
beschuldigingen; dit gebeurt in aanwezigheid van een lid van de Raad van de
Orde.
Wanneer alleen de zieke wordt verdacht, is het zoeken naar medische dossiers
of andere stukken betreffende de hem verstrekte zorgen, door het
beroepsgeheim niet toegelaten.
Artikel 67
De geneesheer heeft het recht maar is niet verplicht aan een patiėnt, die hem
erom verzoekt, een getuigschrift betreffende zijn gezondheidstoestand te
overhandigen.
De geneesheer mag een getuigschrift weigeren. Hij alleen beslist over de
inhoud en de wenselijkheid om het aan de patiėnt te overhandigen.
Wanneer een patiėnt om een getuigschrift verzoekt met het oog op sociale
voordelen, mag de geneesheer hem dit getuigschrift afleveren maar moet hij
het voorzichtig en discreet opstellen; hij mag dit getuigschrift, met de
goedkeuring van zijn patiėnt of diens naastbestaanden, zo nodig ook
rechtstreeks, overhandigen aan de geneesheer van de instelling waarvan de
toekenning van bedoelde sociale voordelen afhangt.
Artikel 68 (Gewijzigd op 22 september 1993)
§ 1. Voor de uitvoering van een
levensverzekeringscontract zal de geneesheer, die het bericht van overlijden
heeft ingevuld, desgevraagd een verklaring nopens de doodsoorzaak toezenden
aan de met naam aangeduide adviserend arts van de verzekeraar, mits deze
laatste aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde daartoe te
bezitten.
§ 2. Verklaringen nopens de omstandigheden en de
oorzaak van het overlijden ten behoeve van het Fonds voor de Beroepsziekten
of van de Verzekeringsmaatschappij voor Arbeidsongevallen, zullen desgevraagd
aan de met naam aangeduide adviserend geneesheer van het F.B.Z. of van de
Verzekeringsmaatschappij voor Arbeidsongevallen worden toegezonden door de
geneesheer die het bericht van overlijden heeft ingevuld.
Artikel 69
De geneesheer die als beschuldigde voor de Raad van de Orde verschijnt mag
zich niet beroepen op de zwijgplicht, maar is de gehele waarheid
verschuldigd. Hij is echter gerechtigd de vertrouwelijke mededelingen van de
patiėnt te verzwijgen.
De geneesheren die verzocht worden getuigenis af te leggen in tuchtzaken
zijn, voor zover de regels van het beroepsgeheim jegens hun patiėnten het
toelaten, ertoe gehouden alle feiten die het onderzoek aanbelangen, bekend te
maken.
Artikel 70
De geneesheer zal ervoor waken dat het medisch geheim door zijn helpers
dwingend wordt nageleefd.
Hoofdstuk VI - Erelonen
(Art. 71 t.e.m. 78 gewijzigd op 19 januari 1991)
Artikel 71
De geneesheer moet gematigd en bescheiden zijn bij het vaststellen van het
ereloon betreffende zijn prestaties. Binnen deze perken mag hij rekening
houden met de belangrijkheid van de geleverde prestaties, de economische
toestand van de patiėnt, zijn eigen faam en de eventuele bijzondere omstandigheden.
Hij weigert niet aan de zieke of diens vertegenwoordigers uitleg te
verstrekken omtrent het bedrag van het ereloon betreffende zijn prestaties.
Artikel 72
Het ereloon is volkomen eigendom van de geneesheer ongeacht of dit
rechtstreeks of door bemiddeling van een gemachtigde wordt geļnd. Indien de
geneesheer werkzaam is in een instelling moet deze bepaling uitdrukkelijk
worden vermeld in elk contract tussen de geneesheer en die instelling.
Indien de geneesheer zijn beroep uitoefent als vennoot in een professionele
vennootschap met rechtspersoonlijkheid, wordt het ereloon betreffende zijn
prestaties geļnd in naam en voor rekening van de vennootschap. Is de
geneesheer-vennoot werkzaam in een instelling, dan moet deze bepaling
uitdrukkelijk worden vermeld in elk contract tussen die instelling en de
vennootschap.
Artikel 73
De geneesheer moet in principe de ereloonnota's met betrekking tot door hem
uitgevoerde prestaties persoonlijk opmaken.
Dit geldt ook voor consult onder geneesheren.
Artikel 74
Indien hij daarvoor een beroep doet op administratief personeel of op een
administratieve dienst, dan moet de geneesheer controle uitoefenen en draagt
hij de verantwoordelijkheid.
Artikel 75
De ereloonstaat dient binnen het jaar na de prestatie te worden toegestuurd.
Bij het innen van erelonen dient elke handelwijze vermeden te worden die niet
strookt met de vereiste waardigheid van de geneesheer-patiėntverhouding.
Artikel 76
In de gevallen waarin een gezamenlijke ereloonstaat wordt opgesteld, moet het
voor de prestaties van elke geneesheer aangerekend bedrag afzonderlijk worden
vermeld.
Artikel 77
Een schadeloosstelling mag gevraagd worden voor een nutteloos geworden
huisbezoek of voor een verzuimde afspraak indien zij niet tijdig werden
afgezegd.
Artikel 78
Het vragen van honoraria die merkelijk te hoog liggen duidt op een gebrek aan
eerlijkheid en bescheidenheid en kan, onverminderd de bevoegdheid van de
provinciale raden om uitspraak te doen over ereloonbetwistingen, aanleiding
geven tot tuchtmaatregelen.
Indien geneesheren bepaalde verbintenissen hebben aangegaan of handelen
overeenkomstig plaatselijke gebruiken, mogen zij geen daden stellen die een
misbruik zouden betekenen van het recht lagere erelonen te vragen en vooral
geen cliėnteel werven door, op welke wijze dan ook, van hun stelselmatig
lagere erelonen melding te maken.
Artikel 79 (Gewijzigd op 18 maart 1995)
Het is gebruikelijk dat een geneesheer geen ereloon aanrekent voor de
verzorging van zijn naaste verwanten en zijn medewerkers, alsook van zijn
collega's en de personen ten laste van deze laatsten.
Niettemin mag een vergoeding gevraagd worden voor de kosten die eruit
voortspruiten.
Artikel 80
Ereloonverdeling tussen geneesheren is toegestaan wanneer zij betrekking
heeft op een aan de zieke rechtstreeks of onrechtstreeks bewezen dienst in
het kader van de groepsgeneeskunde.
Behoudens deze gevallen, is het aanvaarden, het aanbieden of het vragen van
een ereloonverdeling, zelfs zonder gevolg, een ernstige fout.
Artikel 81
Elke ereloonverdeling tussen geneesheren en niet-geneesheren is verboden.
Artikel 82
Wanneer de geneesheer een forfaitaire vergoeding krijgt, mag zijn
beroepsactiviteit daardoor niet ondergeschikt worden aan de financiėle
belangen van de natuurlijke of rechtspersonen die hem bezoldigen.
Laatstgenoemden mogen geen enkel voordeel halen uit een mogelijk verschil
tussen het ereloon dat zij innen als gemachtigden van de geneesheer en zijn
forfaitaire vergoeding.
Enkel de normale kosten die voortvloeien uit de medische activiteiten kunnen,
indien zij door de geneesheer gekend en goedgekeurd zijn, een dergelijk
verschil rechtvaardigen. De forfaitaire vergoeding mag niet lager liggen dan
het overeenkomstige inkomen van een geneesheer die voor gelijkwaardige
activiteiten per prestatie wordt vergoed.
Elk contract of statuut, dat in forfaitaire vergoeding van de geneesheer
voorziet, moet vóór de afsluiting of goedkeuring ervan door de geneesheer,
voor advies aan de bevoegde provinciale raad van de Orde worden voorgelegd.
Artikel 83
Het is de geneesheer verboden forfaitaire erelonen te aanvaarden die
terzelfdertijd prestaties en leveringen van geneesmiddelen of prothesen
dekken.
Artikel 84
Wanneer na onderling overleg, een honorariumpool door een medische groep
wordt ingesteld, mag deze laatste, onverminderd de beschikkingen van artikel
80, slechts bestaan uit actieve leden-geneesheren die allen aan de verzorging
van de patiėnten deelnemen.
Het associatiecontract moet vooraf aan de provinciale raad van de Orde worden
voorgelegd.
De raad moet nagaan of de regels van deontologie in het contract worden
geėerbiedigd en zal er in het bijzonder voor waken dat de voorwaarden voor de
vrije keuze van de patiėnt en de onafhankelijkheid van de geneesheer
voldoende zijn gewaarborgd.
Hij zal verder nagaan of deze verenigingsvorm geen aanleiding kan geven tot
de uitbuiting van de activiteiten van sommige leden van de pool door anderen
of tot praktijken die misbruiken van de therapeutische en diagnostische
vrijheid in de hand werken.
Hoofdstuk VII - Problemen in verband met de
voortplanting
(Gewijzigd op 17 oktober 1992)
Artikel 85
De geneesheer speelt een belangrijke rol in de bevordering van de gezondheid.
Hij moet de betrokken personen op een objectieve en aan iedere situatie
aangepaste wijze alle noodzakelijke inlichtingen verstrekken, onder meer in
verband met seksualiteit en anticonceptie.
Indien de geneesheer van oordeel is dat hij niet kan afzien van zijn
persoonlijke mening, geeft hij dit duidelijk te kennen en hij zal zijn
patiėnt de mogelijkheid bieden het advies en de aanbevelingen van andere
confraters in te winnen.
Artikel 86
In geval van pathologie van de moeder of van de foetus, bestaat de
allereerste verplichting van de geneesheer erin de patiėnte volledig voor te
lichten.
De geneesheer kan een zwangerschapsafbreking overwegen of erom verzocht
worden, inzonderheid in het raam van bepaalde wettelijke beschikkingen.
De geneesheer beslist in elk geval vrij of hij zijn medewerking verleent; om
persoonlijke redenen mag hij zijn medewerking weigeren.
Zijn medewerkers moeten in alle opzichten over dezelfde vrijheid beschikken.
In alle gevallen moet het zelfbeschikkingsrecht van de patiėnte en
desgevallend van het koppel, geėerbiedigd worden. Daartoe moet elke medische
beslissing op dit vlak voorafgegaan worden door een volledige en nauwkeurige
voorlichting nopens alle aspecten van het medisch en sociaal probleem, en
door de uitdrukkelijke en weloverwogen toestemming van de patiėnte.
De zwangerschapsafbreking moet uitgevoerd worden in verzorgingsinstellingen
die beschikken over een infrastructuur die waarborgen biedt voor een veilige
en continue zorgverstrekking en waarbinnen een deskundige psychologische
begeleiding voorzien is.
Artikel 87
Men moet de mening van de patiėnte betreffende de eindbestemming van haar
vrucht vragen en deze ook respecteren. Commerciėle aanwending van de vrucht
is verboden.
Het aanwenden van de vrucht van de zwangerschapsafbreking met
wetenschappelijke of therapeutische doeleinden moet voorgelegd zijn aan een
commissie voor medische ethiek. Dit mag in geen enkel geval noch het moment
noch de techniek noch de algemene modaliteiten van de ingreep beļnvloeden.
Artikel 88
De geneesheer moet alle personen en koppels die op een kunstmatige
voortplantingstechniek beroep willen doen, gedetailleerde en uitvoerige
inlichtingen verstrekken om hen de mogelijkheid te bieden een bewuste en
weloverwogen keuze te maken. In geval van schenking van gameten vreemd aan
het koppel moet om een schriftelijke toestemming verzocht worden.
De geneesheer zal er zich van vergewissen dat het kind kan opgroeien in een
evenwichtig affectief gezinsleven, daarbij rekening houdend met bepaalde
sociale en juridische omstandigheden. Hij moet steeds het advies van
competente personen inwinnen.
Ieder experiment op het vlak van procreatie vereist een
hoogstaande competentie, een buitengewone omzichtigheid, de instemming van de
betrokken personen en het te rade gaan bij een commissie voor ethiek.
Hoofdstuk VIII - Experimenten op mensen
Artikel 89
Het is volstrekt noodzakelijk nieuwe geneesmiddelen en nieuwe medische
technieken op de mens te beproeven. Dit mag echter slechts gebeuren na
uitgebreide en ernstige proefnemingen op dieren.
Artikel 90
Het experimenteren op een gezonde persoon is slechts toegestaan wanneer de
proefpersoon meerderjarig is en bewust zijn vrije toestemming kan geven, wat
niet het geval is voor gevangenen, en in omstandigheden waar een afdoende
medische controle elke verwikkeling kan voorkomen.
Artikel 91
De zieken verwachten van de geneesheer verzachting van de pijn en genezing.
Zij mogen in geen geval uitsluitend worden gebruikt voor observatie- en
navorsingsdoeleinden.
Zonder hun toestemming of, indien ze daartoe onbekwaam zijn, die van iemand
die voor hen instaat, mogen zij niet onderworpen worden aan ingrepen of
prelevementen waarvan ze de geringste hinder zouden kunnen ondervinden zonder
dat ze hen van rechtstreeks nut zijn.
Artikel 92
§1. Het beproeven van nieuwe geneesmiddelen en
inzonderheid de "dubbel blind" proeven mogen de zieke niet
opzettelijk beroven van een erkende waardevolle behandeling; de
wetenschappelijke gegevens en de voorafgaande proefnemingen op dieren met
deze behandeling, moeten een redelijke kans op slagen in uitzicht stellen.
(Gewijzigd op 14 november 1998)
§2. Ieder arts die deelneemt aan biomedisch
onderzoek op mensen vergewist er zich van of het onderzoeksprotocol wel
degelijk werd voorgelegd aan een door de Nationale Raad van de Orde van
geneesheren erkende commissie voor medische ethiek en neemt kennis van het
uitgebracht advies.
§3. Bij ongeneeslijke aandoeningen volgens de
huidige stand van de medische kennis en in de eindfasen van deze
aandoeningen, moet het beproeven van nieuwe therapieėn of nieuwe chirurgische
technieken voldoende redelijke kansen inhouden om nuttig te zijn en vooral
rekening houden met het moreel en lichamelijk welzijn van de zieke. Deze
proeven mogen hem nooit bijkomende pijn of zelfs ongemak bezorgen.
Artikel 93
De geneesheer of de geneesherengroep die een experiment of een therapeutische
proef op een mens verricht, moet financieel volledig onafhankelijk staan ten
opzichte van elke instelling die commerciėle belangen heeft bij de promotie
van een nieuwe behandeling of een nieuw instrumentarium.
Artikel 94
De medische ethiek verbiedt alle onderzoekingen die het psychisme of het
morele bewustzijn van de proefpersoon zouden kunnen schaden of een aanslag
zouden kunnen betekenen op zijn waardigheid.
Hoofdstuk IX - Het naderende levenseinde
(Gewijzigd op 17 oktober 1992)
Artikel 95
De geneesheer mag niet met opzet de dood van zijn patiėnt veroorzaken noch
hem helpen zich te doden.
Artikel 96
Wanneer het levenseinde van de patiėnt nadert en hij nog
in enige mate bewust is, moet de geneesheer hem moreel bijstaan en de
middelen aanwenden die nodig zijn om zijn geestelijk en fysiek lijden te
verzachten en hem waardig te laten sterven.
Wanneer de patiėnt definitief in een toestand van diepe bewusteloosheid
verkeert, zal de geneesheer zich tot comfortzorgen beperken.
Artikel 97
Over de houding die hij zal aannemen in de sub art. 96 vermelde gevallen en
over het op gang brengen of beėindigen van een behandeling zal de geneesheer
beslissen nadat hij de raad van tenminste één collega heeft ingewonnen, de
patiėnt of desgevallend diens naastbestaanden of wettelijke vertegenwoordiger
daarover heeft ingelicht en zijn (hun) mening heeft gevraagd.
Artikel 98
Wanneer op grond van de thans geldende wetenschappelijke kennis vastgesteld
is dat de hersenfuncties volledig en definitief uitgevallen zijn, moet de
patiėnt overleden verklaard worden. Vanaf dat ogenblik worden alle medische
middelen tot kunstmatige bewaring stopgezet. Deze middelen mogen wel
tijdelijk in stand gehouden worden met het oog op het wegnemen van organen
met transplantatiedoeleinde, waarbij de wilsbeschikking van de patiėnt en de
wettelijke beschikkingen geėerbiedigd worden.
TITEL
III - De geneesheer ten dienste van de gemeenschap
Hoofdstuk
I - De sociale en economische verantwoordelijkheid van de heneesheer
Artikel 99
De geneesheer moet zowel de onaantastbare rechten van de menselijke persoon
eerbiedigen als zijn plichten tegenover de gemeenschap vervullen.
Artikel 100
Elke geneesheer moet, in welk milieu hij ook werkt, ernaar streven de
kwaliteit van de verzorging te verbeteren.
Artikel 101
De geneesheer moet zijn persoonlijke bijdrage leveren in de gezamenlijke
opdracht van het medisch korps om de volksgezondheid te verbeteren.
In eerbied voor de medische deontologie en de rechten
van de enkeling werkt het medisch korps mee aan die vormen van de sociale
zekerheid die als doel hebben alle burgers de beste gezondheidszorgen te
verstrekken.
Artikel 102
De geneesheer moet gewetensvol en in alle objectiviteit elk voor het
verkrijgen van sociale voordelen vereist document opstellen.
Artikel 103
Onverminderd de bepalingen van artikel 36, alinea 1, betreffende de
diagnostische en therapeutische vrijheid, moet de geneesheer zich bewust zijn
van zijn sociale verantwoordelijkheid. Het bestaan van privé- of openbare
verzekeringen betekent niet dat hij mag afwijken van de in alinea 2 van
artikel 36 opgenomen bepaling inzake misbruik van de diagnostische of
therapeutische vrijheid.
Hoofdstuk II - Preventieve geneeskunde
Artikel 104
Elke geneesheer moet, ongeacht zijn medische activiteiten, naast het louter
curatieve karakter ook rekening houden met het preventieve en educatieve
aspect van zijn taak.
Artikel 105
Binnen de in artikels 55 tot 70 vastgelegde grenzen van het beroepsgeheim
moet de geneesheer, in het belang van zijn patiėnten, actief samenwerken met
zijn collega's die aan preventieve geneeskunde doen en hun medewerkers.
Artikel 106
Bij een medisch-sociale consultatie mag de behandelende geneesheer met de
toestemming van de betrokkene, aan de arbeidsgeneesheer of aan de geneesheer
van het medisch schooltoezicht, gegevens verstrekken die hij voor zijn
patiėnt nuttig acht.
Artikel 107
Geneesheren werkzaam in centra of instellingen voor preventieve geneeskunde
zijn gebonden door de bepalingen van onderhavige code.
Artikel 108
De geneesheer, werkzaam in een centrum voor preventieve geneeskunde, of de
arbeidsgeneesheer moeten alle nuttige resultaten overhandigen aan de
geneesheer aangeduid door de betrokkene; wanneer het een kind of een
onbekwame persoon betreft, aan de geneesheer aangeduid door de wettelijke
vertegenwoordigers.
Artikel 109
De geneesheer van een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde
mag slechts met de goedkeuring van de betrokken persoon en met inachtneming
van het beroepsgeheim, een medisch dossier overmaken aan een
verantwoordelijke practicus van een ander centrum voor preventieve
geneeskunde.
Artikel 110
De geneesheer, werkzaam in een centrum of een instelling voor preventieve
geneeskunde mag, behoudens hoogdringende gevallen, geen zorgen toedienen in
het kader van deze activiteiten.
Wanneer hij een ziekte vaststelt, verzoekt hij de zieke beroep te doen op
zijn huisarts of raadt hij hem aan een huisarts te kiezen.
Artikel 111
De geneesheer verbonden aan een centrum of instelling voor preventieve
geneeskunde mag van deze functie geen gebruik maken om zijn persoonlijk
cliėnteel of dat van één of andere verzorgingsinstelling uit te breiden.
Artikel 112
Overeenkomstig de beschikkingen van artikels 13 en 15, moeten de geneesheren
betrokken bij de preventieve geneeskunde, ervoor waken dat de noodzakelijk
verstrekte informatie nooit de indruk wekt als zouden de centra of
instellingen voor preventieve geneeskunde over uitsluitende bevoegdheden en
rechten beschikken op gebied van de één of andere tak van de geneeskunde.
Hoofdstuk III - De continuiteit van de verzorging, de
wachtdiensten en de dringende midische hulp
Artikel 113
De continuļteit van de verzorging verzekeren is een deontologische plicht.
Artikel 114
Elke geneesheer moet, naargelang van het geval, de nodige maatregelen nemen
om de continuļteit van de verzorging van zijn zieken te waarborgen.
Artikel 115
Wachtdiensten worden eensdeels opgericht om de geneesheer in staat te stellen
de continuļteit van de verzorging te waarborgen en anderdeels om aan
dringende oproepen gevolg te kunnen geven.
Artikel 116
De organisatie van deze wachtdiensten berust bij de beroepsverenigingen of de
met dat doel opgerichte plaatselijke organisaties.
De werkingsmodaliteiten van deze diensten en de wachtrol dienen aan de
provinciale raad te worden medegedeeld.
Artikel 117
Elke geneesheer ingeschreven op de Lijst van de Orde moet, overeenkomstig
zijn bevoegdheid, aan deze wachtdiensten deelnemen.
Uitzonderingen worden om gezondheidsredenen, omwille van hoge leeftijd of om
andere geldige redenen, toegestaan.
Geschillen worden aan de provinciale raad voorgelegd.
De provinciale raden nemen maatregelen tegen de geneesheren die weigeren aan
de wachtdienst deel te nemen of tot de werkingskosten ervan bij te dragen.
Artikel 118
Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 januari 1961(1)
die enkele gevallen van schuldig verzuim bestraft of van de wet van 8 juli
1964 inzake de dringende geneeskundige hulpverlening, mag de geneesheer zich
slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben
dat er geen echt gevaar bestaat of wanneer hij door een even belangrijk
spoedgeval wordt weerhouden.
Hoofdstuk IV - De geneesheer als adviseur, controleur,
deskundige of ambtenaar
Deel I. - Zijn taak
Artikel 119
De geneesheer belast met een deskundig onderzoek naar de lichamelijke of
geestelijke bekwaamheid of geschiktheid van een persoon of met om het even
welk klinisch onderzoek, met de controle van een diagnose of met het toezicht
op een behandeling, of nog met een onderzoek naar de medische prestaties voor
rekening van een verzekeringsinstelling, moet de bepalingen van deze code
naleven.
Hij mag geen opdracht aanvaarden die tegen de medische ethiek indruist.
Artikel 120
De onder artikel 119 bedoelde geneesheren die voormelde functies geregeld
uitoefenen, moeten hun uitoefeningsvoorwaarden doen vastleggen in een
geschreven contract of statuut dat vooraf moet worden voorgelegd aan de raad
van de Orde van de provincie waar zij zijn ingeschreven tenzij hun opdracht
door de wet of door een gerechtelijke beslissing werd vastgelegd.
Artikel 121
§ 1. De geneesheer die belast is met één van de
opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met
wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel
zouden kunnen beļnvloeden.
§ 2. De onder artikel 119 bedoelde taken of
functies ten opzichte van één of meer personen zijn onverenigbaar met die van
behandelende geneesheer van die personen.
De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag behoudens gevallen van overmacht
of opeising, niet optreden als behandelende geneesheer vóór het verstrijken
van een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn opdracht of
functie.
§ 3. De geneesheer die als raadgever van een
partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij
niet aanvaarden.
§ 4. Bij opeising moet de behandelende geneesheer
zijn tussenkomst beperken tot louter monsterafname indien hij zich gebonden
acht door het beroepsgeheim ten opzichte van de te onderzoeken persoon en
indien geen andere geneesheer hem kan vervangen.
§ 5. Een geneesheer mag niet optreden als
gerechtelijk deskundige voor personen die hij reeds in een andere
hoedanigheid heeft onderzocht.
Artikel 122
De geneesheer belast met één van de opdrachten opgesomd in artikel 119 moet
zijn beroepsonafhankelijkheid volledig behouden ten opzichte van zijn
opdrachtgever en ten opzichte van andere eventuele partijen.
Bij het formuleren van zijn besluiten als geneesheer moet hij enkel volgens
zijn geweten handelen.
Deel II. - Zijn betrekkingen met de patiėnt
Artikel 123
De geneesheer belast met een in artikel 119 vermelde opdracht moet vooraf aan
de betrokkene mededelen in welke hoedanigheid hij optreedt en hem in kennis
stellen van zijn opdracht.
De geneesheer-gerechtelijk deskundige vooral zal hem waarschuwen dat hij aan
de verzoekende overheid alles dient mede te delen wat betrokkene hem zal
toevertrouwen in het kader van zijn opdracht.
Artikel 124
Wanneer deze geneesheren menen een diagnose te moeten stellen of een prognose
te moeten maken, mogen zij slechts besluiten formuleren nadat zij de patiėnt
hebben gezien en persoonlijk hebben ondervraagd, zelfs indien zij
gespecialiseerde onderzoekingen hebben laten uitvoeren of over elementen
beschikken die hen door andere geneesheren werden medegedeeld.
Artikel 125
§ 1. De onder artikel 119 beoogde geneesheer moet
de filosofische overtuigingen en de menselijke waardigheid van de patiėnt
eerbiedigen.
§ 2. Hij moet omzichtig zijn in zijn uitspraken.
Indien hij een aandoening ontdekt, brengt hij de behandelende geneesheer
ervan op de hoogte of verzoekt hij de patiėnt er één te raadplegen.
§ 3. Hij moet zich beperken tot de voor zijn
opdracht dienstige maatregelen. Hij mag mits de patiėnt daarin toestemt, de
voor de diagnose vereiste onderzoeksmethoden aanwenden. De patiėnt mag er
echter geen nadeel van ondervinden.
§ 4. Hij mag geen technieken of farmacodynamische
middelen aanwenden met het doel een persoon van zijn vrij beschikkingsrecht
te beroven om inlichtingen ten behoeve van het gerecht in te winnen.
§ 5. Hij moet blijk geven van bedachtzaamheid bij
het opstellen van de besluiten in zijn verslag en mag slechts gegevens
aanbrengen die een antwoord verstrekken op de vragen van zijn opdrachtgever.
Deel III. - Zijn betrekkingen met de behandelende geneesheer
Artikel 126
§ 1. De adviserende of controlerende geneesheer
vervult zijn opdracht met inachtneming van de voorschriften van
collegialiteit.
Hij moet zich in het bijzijn van de patiėnt onthouden van elke beoordeling
over de diagnose, de behandeling of over de persoon van de behandelende
geneesheer, zijn geschiktheid of de kwaliteit van de verleende zorgen.
§ 2. Indien de medische adviseur of de
controlerende geneesheer bij de patiėnt onderzoekingen wil laten doen die
hijzelf niet kan uitvoeren, verzoekt hij de behandelende geneesheer ze te
doen uitvoeren en zorgt hij er slechts zelf voor met de toestemming van de
behandelende geneesheer of bij duidelijke nalatigheid van deze laatste.
§ 3. De adviserende of controlerende geneesheer
moet in elk geval de behandelende geneesheer inlichten over de resultaten van
deze speciale onderzoekingen. Hij mag hem zijn mening over de behandeling
laten kennen zonder daarbij afbreuk te doen aan de rechten van de
behandelende geneesheer.
§ 4. De adviserende of controlerende geneesheer
onthoudt zich van elke rechtstreekse inmenging in de behandeling; hij moet in
elk geval contact opnemen met de behandelende geneesheer vooraleer een
beslissing te nemen die deze van de behandelende geneesheer wijzigt.
§ 5. Indien de patiėnt een raadgevende geneesheer heeft, vervult
de deskundige geneesheer zijn opdracht in samenwerking ermee, behoudens
afwijkende wetsbepalingen. Hij mag geen rekening houden met de mededelingen
van een partij die in het dossier niet zijn opgenomen.
Artikel 127
De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag van zijn functie geen misbruik
maken om patiėnten te ronselen voor zichzelf of voor derden en zeker niet
voor verzekeringsinstellingen of andere instellingen waarmee hij samenwerkt.
Hij moet zich onthouden van elke handeling die de vrije keuze van de patiėnt
zou kunnen beļnvloeden.
Deel IV. - Zijn plichten inzake het beroepsgeheim
Artikel 128
§ 1. De geneesheer die door een werkgever, een
verzekeringsinstelling of een andere instelling met een controle-onderzoek
wordt belast, mag aan zijn niet-medische opdrachtgevers of aan derden de
medische redenen die aan de basis liggen van zijn besluiten, niet bekend
maken.
§ 2. Binnen het welomlijnde kader van hun
opdracht zijn de geneesheren, verbonden aan maatschappijen voor levens- of
ongevallenverzekeringen, niettemin gemachtigd hun opdrachtgevers in te lichten
over alle nuttige vaststellingen gedaan bij kandidaat-verzekerden, of bij
verzekerde zieken, gekwetsten of slachtoffers.
§ 3. De geneesheer-deskundige mag aan de
rechtbank slechts de feiten bekendmaken die rechtstreeks betrekking hebben op
het deskundig onderzoek en die hij bij die gelegenheid heeft ontdekt.
Al wat hij bij dit onderzoek heeft vernomen buiten het kader van zijn
opdracht, moet hij verzwijgen.
§ 4. De geneesheer-gerechtelijk deskundige, die
in het bezit wordt gesteld van een in beslag genomen medisch dossier, zal er
zich van vergewissen dat de zegels niet werden verbroken.
Na studie van dit dossier zal hij het opnieuw verzegelen.
Artikel 129
De geneesheer met een van de door artikel 119 bedoelde opdrachten belast,
moet vermijden de behandelende geneesheer ertoe te brengen het beroepsgeheim
te schenden, dat laatstgenoemde zelfs tegenover hem moet bewaren.
De medische adviseur of controlerende geneesheer, van wie de beslissing
betwist wordt, mag aan het rechtscollege bij wie de zaak aanhangig is gemaakt
of aan de aangestelde deskundige de bescheiden of fotocopies overmaken van al
de onderzoekingen die door hem werden uitgevoerd of die hij heeft laten
uitvoeren, voor zover hij ze aan de raadgevende geneesheer van de patiėnt
heeft medegedeeld.
Artikel 130
De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag nooit een medisch dossier
raadplegen zonder het akkoord van de patiėnt en de toestemming van de
geneesheer die voor de behandeling verantwoordelijk is; aan beiden moet hij
zijn bevoegdheid en zijn opdracht kenbaar maken.
De behandelende geneesheer of de geneesheer-diensthoofd in een ziekenhuis die
verantwoordelijk is voor het dossier van de zieke, moet beslissen welke
documenten mogen worden medegedeeld.
Het onderzoek van deze documenten geschiedt op tegenspraak.
Hoofdstuk V - Gerechtelijke geneeskunde
Artikel 131 (Gewijzigd op 19 februari 1994)
De geneesheer die krachtens de wet van 15 april 1958 en van het koninklijk
besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen
van het alcoholgehalte, wordt opgevorderd, dient de gevraagde bloedproef te
verrichten.
Hij mag zich aan deze verplichting slechts onttrekken :
- wanneer hij een medische tegenindicatie tegen de bloedproef vaststelt of
wanneer hij de redenen die de persoon aanvoert om zich aan de bloedproef te
onttrekken, als gegrond erkent;
- wanneer de betrokkene weigert zich aan de afname te onderwerpen. De
bloedproef mag niet met geweld op de betrokkene worden toegepast;
- wanneer de betrokkene één van zijn patiėnten is, op voorwaarde dat de
opvorderende overheid een beroep kan doen op een andere geneesheer.
De opgevorderde geneesheer moet altijd weigeren het
klinisch formulier in te vullen of een klinisch oordeel te uiten nopens de
staat van dronkenschap van de betrokkene, wanneer het één van zijn patiėnten
betreft.
Artikel 132
§1. In een overlijdensattest bestemd voor de
burgerlijke stand, maakt de geneesheer geen gewag van de doodsoorzaak. Hij
moet niettemin de strook "statistieken" invullen, maar zal die
zorgvuldig dichtkleven, om een eventuele schending van het beroepsgeheim te
voorkomen.
§2. Hij is gemachtigd te verklaren of het een
natuurlijke of gewelddadige dood betreft.
Indien hij zich niet kan uitspreken, zal hij in volle letters neerschrijven :
"doodsoorzaak niet te bepalen".
Artikel 133
Behoudens opeising of bijzondere wettelijke bepalingen, kan een lijkschouwing
alleen worden verricht wanneer er geen uitdrukkelijk of stilzwijgend verzet
is geweest vanwege de patiėnt of vanwege de naastbestaanden.
Artikel 134
De geneesheer die een lijkschouwing verricht, zal tactvol en omzichtig
handelen.
Hij moet de nodige maatregelen nemen opdat na de lijkschouwing, het lijk
zodanig wordt getoond dat de gevoelens van de naastbestaanden geėerbiedigd
worden.
Artikel 135
De gewone regels van het beroepsgeheim zijn van toepassing voor alle bij een
lijkschouwing gedane vaststellingen.
TITEL
IV- Verhouding tussen geneesheren
HOOFDSTUK
I - De collegialiteit
Artikel 136
De collegialiteit is een voorname plicht.
Zij moet beoefend worden in eerbied voor de belangen van de zieke.
Artikel 137
De geneesheren zijn elkaar steeds morele bijstand verschuldigd : het is hun
plicht een ten onrechte aangevallen geneesheer te verdedigen.
Het is verboden een collega te belasteren, van hem kwaad te spreken of
geruchten te verspreiden die hem bij de uitoefening van zijn beroep kunnen
benadelen.
Beroepsgeschillen mogen geen aanleiding geven tot openbare polemieken.
Artikel 138
Wanneer een geneesheer uit een ambt dat hij in een openbare of privé-inrichting
uitoefende wordt ontslagen of geschorst, mag een geneesheer zijn kandidatuur
slechts stellen nadat hij contact heeft opgenomen met de betrokken collega en
met zijn eigen provinciale raad van de Orde.
Deze laatste zal er voor waken dat de regels van de plichtenleer worden
nageleefd.
De geneesheer die meent een wettige beweegreden te hebben om geen contact op
te nemen met zijn collega moet die reden ter beoordeling aan de provinciale
raad voorleggen.
Artikel 139
Het past in een goede collegialiteit een toevallig verhinderde collega in de
mate van het mogelijke te vervangen.
Hoofdstuk II - Behandelende geneesheer en consulent
Artikel 140
Het belang van de zieken evenals de collegialiteit vereisen een goede
verstandhouding tussen behandelende geneesheer en consulent.
Artikel 141
Elke geneesheer moet zich bewust zijn van de grenzen van zijn kennis en
mogelijkheden; hij mag slechts overeenkomstig hiermede handelen.
Afdeling I. - Speciale onderzoekingen
Artikel 142
§1. Wanneer de gezondheidstoestand van de zieke
een gespecialiseerd onderzoek of een bijzondere therapie vergt, moet de
geneesheer de zieke, met diens goedkeuring, zonder nadelig verwijl naar een
door hem terzake bevoegd geacht collega verwijzen. Hij moet zijn collega
inlichten over alle nuttige nosologische en sociale gegevens.
§2. Teneinde de continuļteit van de verzorging te
verzekeren, moet de consulent zo vlug mogelijk de door hem onderzochte of
behandelde zieke naar zijn collega terugsturen en hem de uitslagen en
gevolgtrekkingen van zijn onderzoekingen bezorgen.
Artikel 143
Wanneer een zieke uit eigen beweging een gespecialiseerd practicus
raadpleegt, vergt het belang van de patiėnt dat de specialist navraag doet
naar de naam van de huisarts aan wie hij de resultaten en besluiten van zijn onderzoek
kan bezorgen.
Afdeling II. - Consult
Artikel 144
Een consult onder geneesheren kan worden voorgesteld hetzij door de
behandelende geneesheer wanneer de toestand het vereist, hetzij door de
zieke, zijn verwanten of zijn vertegenwoordigers.
In beide gevallen stelt de behandelende geneesheer bevoegde collega's voor,
maar hij moet rekening houden met de wensen van de zieke of van zijn
vertegenwoordigers.
Behoudens ernstige redenen, zal hij als consulent elke
collega aanvaarden en zich daarbij in de eerste plaats door het welzijn van
de zieke laten leiden.
Artikel 145
Wanneer de behandelende geneesheer meent de gekozen consulent niet te kunnen
aanvaarden, mag hij zich terugtrekken zonder verplichting deze weigering te
motiveren op voorwaarde dat de continuļteit van de verzorging verzekerd is.
Artikel 146
De behandelende geneesheer moet de consulent verwittigen en stelt met hem dag
en uur van het consult vast.
Artikel 147
Nadat de behandelende geneesheer hem voorafgaandelijk en vertrouwelijk alle
nuttige inlichtingen heeft verstrekt, ondervraagt en onderzoekt de consulent
persoonlijk de zieke ; na overleg met zijn collega, brengt hij vervolgens de
zieke of zijn vertegenwoordigers op de hoogte van het resultaat van het
consult in aanwezigheid van de behandelende geneesheer.
Artikel 148
De behandelende geneesheer en de consulent moeten tijdens of na het consult
vermijden elkaar in de geest van de zieke of van zijn omgeving schade te
berokkenen.
Artikel 149
Bij meningsverschil tussen consulent en behandelende geneesheer, mag
laatstgenoemde een andere consulent voorstellen; indien dit voorstel niet
wordt aanvaard en het advies van de consulent de bovenhand haalt, mag de
geneesheer van zijn opdracht afzien op voorwaarde dat de continuļteit van de
verzorging verzekerd is.
Artikel 150
Tijdens de ziekte die aanleiding heeft gegeven tot het consult, mag de
consulent bij de zieke ten huize geen nieuw bezoek afleggen zonder het
goedvinden van de behandelende geneesheer.
Afdeling III - Opname in verzorgingsinstelling
Artikel 151
§1. Wanneer de zieke in een verzorgingsinstelling
wordt opgenomen, moet de behandelende geneesheer hiervan in kennis worden
gesteld.
§2. Elke belangrijke wijziging in de toestand van
de zieke tijdens zijn verblijf in die instelling moet, in de mate van het
mogelijke, zonder uitstel aan de behandelende geneesheer worden medegedeeld.
Elke overbrenging naar een andere dienst moet zoveel mogelijk gebeuren na
overleg met de behandelende geneesheer en dit zonder afbreuk te doen aan de
vrije keuze van de zieke.
§3. Op het einde van de ziekenhuisverpleging moet
de behandelende geneesheer ingelicht worden over het vertrek van zijn patiėnt
en een verslag ontvangen waarin onder meer, de diagnose, de toegepaste
therapie, de bereikte resultaten en de eventuele verdere zorgen staan
opgetekend.
Artikel 152
Het is wenselijk dat de behandelende geneesheer aanwezig is tijdens een
heelkundige ingreep.
Behoudens bij spoedgevallen en zo mogelijk, zal de chirurg met de
behandelende geneesheer dag en uur van de ingreep vaststellen.
Hoofdstuk III - De plaatsvervangende geneesheer
Artikel 153
De geneesheer die een afwezige of zieke collega vervangt, moet ingeschreven
zijn op de Lijst van de Orde.
Artikel 154
Alleen de plaatsvervangende geneesheer heeft recht op de erelonen; verdeling
van erelonen is nooit toegelaten. Indien de plaatsvervangende geneesheer
lokalen, personeel of het instrumentarium gebruikt, mag daarvoor een billijke
vergoeding worden gevraagd.
Artikel 155
Wanneer de periode van de vervanging twee maanden overschrijdt, is een
schriftelijke overeenkomst vereist, die vóór de ondertekening aan de
provinciale raad waarbij de vervangen geneesheer is ingeschreven, moet worden
voorgelegd.
Artikel 156
Behoudens schriftelijk akkoord tussen de belanghebbenden, mag een geneesheer
die een collega heeft vervangen zich niet komen vestigen in omstandigheden
die tot onttrekking van cliėnteel van de vervangen geneesheer zouden kunnen
leiden.
Artikel 157
Behoudens schriftelijk akkoord tussen de belanghebbenden, mag een geneesheer
die bij een collega als student of tijdens zijn opleiding als specialist een
stage heeft volbracht, zich niet komen vestigen in omstandigheden die
aanleiding zouden kunnen geven tot het onttrekken van patiėnten van die
collega.
Artikel 158
§1. Een geneesheer die door een gerechtelijke of
disciplinaire beslissing het recht om de geneeskunde uit te oefenen is
ontzegd, mag zich gedurende de straftijd niet doen vervangen.
§2. Dit verbod ontslaat bedoelde geneesheer er
niet van de nodige maatregelen te nemen om de continuļteit van de verzorging
te verzekeren voor de patiėnten die in behandeling zijn op het ogenblik dat
voornoemde sanctie in werking treedt.
De getroffen schikkingen moeten meegedeeld worden aan de provinciale raad
waarbij deze geneesheer is ingeschreven.
§3. Ingeval zulke schikkingen niet werden
getroffen, zal de provinciale raad de vereiste maatregelen nemen.
Hoofdstuk IV - De professionele samenwerking tussen
geneesheren
(Gewijzigd op 16 maart 2002)
Artikel 159 - Algemene regelen
§1. Geneesheren kunnen in het kader van hun
professionele samenwerking overeenkomsten afsluiten. Zij kunnen hiertoe onder
meer overgaan tot het oprichten van associaties (artikel 160), van vennootschappen
zonder (artikel 161) of met rechtspersoonlijkheid (artikels 162, 163 en 164)
evenals verenigingen zonder winstoogmerk (artikel 165).
Alle deontologische regelen die voor geneesheren gelden blijven van
toepassing op de geneesheren die in het kader van hun professionele
samenwerking deel uitmaken van een vennootschap of een vzw, of die partij
zijn bij een overeenkomst. Het is bovendien de verantwoordelijkheid van de
geneesheren dat de door hen gekozen samenwerkingsvorm voldoet aan de wettelijke
regelen die daarop toepasselijk zijn.
§2. Welke vorm en aard van professionele
samenwerking de geneesheer (geneesheren) ook kiest (kiezen), de bepalingen
van onderhavig artikel moeten geėerbiedigd worden, evenals de specifieke
bepalingen die in de hierna volgende artikelen 160 tot 165 zijn vastgelegd
voor elke overeenkomst, vennootschap of vereniging. Het staat de geneesheren
vrij om daarnaast aanvullende bepalingen op te nemen betreffende de
organisatie van hun professionele samenwerking, voorzover deze stroken met de
medische deontologie.
§3. De in §1 bedoelde mogelijkheden zijn enkel
toegelaten tussen geneesheren die hun beroep op actieve wijze uitoefenen en
ingeschreven zijn op de Lijst van de Orde der geneesheren, met uitsluiting
van elke derde.
§4. Elk ontwerp van statuten, huishoudelijk
reglement, of oprichtingsakte van een vennootschap of vereniging, elk ontwerp
van overeenkomst, evenals elk stuk waarnaar daarin verwezen wordt, dient
voorafgaandelijk door elke geneesheer ter goedkeuring voorgelegd te worden
aan zijn provinciale raad die de conformiteit van de voorgelegde stukken met
de medische deontologie in het algemeen en de bepalingen van dit hoofdstuk in
het bijzonder nagaat. Hetzelfde geldt voor elk ontwerp van wijziging van om
het even welk van deze stukken.
De voorgelegde stukken moeten alle door de Code van geneeskundige
plichtenleer vereiste gegevens bevatten, uitdrukkelijk de naleving ervan
garanderen en de bevoegdheid van de provinciale raad in dit vlak erkennen.
§5. Uit de aan de provinciale raad voorgelegde
stukken moet onder meer blijken :
- dat de belangen van de patiėnt op geen enkele manier worden geschaad.
Garanties dienen geboden te worden voor de vrije geneesherenkeuze, de
onafhankelijkheid van de geneesheer, de bescherming van het beroepsgeheim en
de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid van de geneesheren, hun
vervangers en personeel. In het bijzonder zal worden nagegaan of bij
(voortijdige) beėindiging van de samenwerking de nodige voorzieningen zijn
getroffen voor de naleving van deze garanties, de overdracht van medische
dossiers en de continuļteit van de zorg;
- dat elke vorm van commercialisatie van de geneeskunde, van directe of
indirecte collusie, dichotomie en overconsumptie uitgesloten is;
- dat een werkverdeling, een vakantieregeling evenals de nodige tijd voor
deelname aan wetenschappelijke activiteiten mogelijk gemaakt worden die
stroken met de desiderata van alle deelnemende geneesheren. In het bijzonder
zal worden nagegaan of een aanvaardbare regeling werd voorzien bij
zwangerschap, ziekte, invaliditeit en (voortijdige) beėindiging van de
samenwerking;
- dat een billijke en een door alle deelnemende geneesheren aanvaarde
verdeling van de inkomsten en/of uitgaven mogelijk wordt gemaakt;
- dat de procedure voor toetreding en uittreding vastgelegd wordt;
- dat de voorwaarden van tijdelijke schorsing en definitieve uitsluiting
bepaald zijn.
§6. Elke geneesheer die gebruik maakt van één van
de in §1 geboden mogelijkheden is verplicht aan zijn
collega's-vennoten/leden/contractanten elke beslissing van disciplinaire,
burgerrechtelijke, strafrechtelijke of administratieve aard mede te delen die
enige weerslag heeft op hun professionele relatie. Deze verplichting en de
consequenties van de bedoelde beslissingen, moeten uit de aan de provinciale
raad voorgelegde stukken blijken.
Artikel 160 - Associaties
§1. Geneesheren kunnen onderling associaties
aangaan met het oog op een professionele samenwerking.
De associatie kan slaan op het geheel van de professionele activiteit waarbij
alle beroepsinkomsten en -uitgaven worden gepoold en volgens een bepaalde
sleutel worden verdeeld (volledige associatie).
De associatie kan ook op slechts een gedeelte van de professionele activiteit
slaan waarbij alle beroepsinkomsten en-uitgaven die uit dit gedeelte van de
professionele activiteit voortvloeien worden gepoold en volgens een bepaalde
sleutel worden verdeeld (partiėle associatie).
De associatie kan zich beperken tot het poolen van de kosten en/of de
gemeenschappelijke inbreng van middelen voor het geheel van de professionele
activiteit of voor een gedeelte ervan (kostenassociatie genaamd). Deze
gepoolde kosten worden volgens een bepaalde sleutel verdeeld
§2. Een volledige associatie is slechts mogelijk
tussen geneesheren, bij volledige integratie van hun beroepsactiviteit die
een bestendig en gestructureerd karakter heeft, en als dusdanig naar buiten
treedt.
Een partiėle associatie is slechts mogelijk tussen geneesheren, bij volledige
integratie van een gedeelte van hun beroepsactiviteit die een bestendig en
gestructureerd karakter heeft, en als dusdanig naar buiten treedt. Een
partiėle associatie is eveneens mogelijk wanneer geneesheren, elk vanuit hun
eigen deskundigheid, gewoonlijk samenwerken op het vlak van diagnostiek en
behandeling van een specifieke pathologie.
Een kostenassociatie is niet alleen mogelijk tussen geneesheren die aan de
criteria van een volledige of partiėle associatie voldoen, maar ook tussen
geneesheren zonder enige vorm van integratie van hun beroepsactiviteit en
zonder enige vorm van patiėntgerichte samenwerking.
§3. In afwijking van artikel 159, §3, kunnen
associaties ook aangegaan worden tussen geneesheren, professionele
(eenpersoons)vennootschappen en vzw's van geneesheren.
Bij een volledige, partiėle of kostenassociatie kan uitdrukkelijk worden
bepaald dat het de leden verboden is een vennootschap met
rechtspersoonlijkheid op te richten om in hun plaats deel uit te maken van de
associatie.
§4. In een associatie int elk lid zijn honoraria
in persoonlijke naam en voor eigen rekening en levert daartoe de nodige
getuigschriften af. De door de associatie geaccepteerde beroepskosten worden
betaald, ofwel via een gemeenschappelijke rekening, ofwel door de individuele
leden die op afgesproken tijdstippen deze betalingen onderling afrekenen.
§5. De associatie kan naar buiten treden onder de
naam van haar leden met vermelding van het uitgeoefende specialisme maar kan
ook een eigen naam kiezen. Deze benaming moet door de bevoegde provinciale
raad worden aanvaard.
§6. Een associatie kan overgaan tot de
aanstelling van een voorzitter, secretaris of schatbewaarder mits de
modaliteiten vooraf in een geschrift bepaald werden. De mandaten van de aldus
aangestelde personen kunnen niet van onbeperkte duur zijn, noch vergoed
worden. Enkel de reėle onkosten kunnen vergoed worden.
§7. Geneesheren kunnen met het oog op een
professionele samenwerking overeenkomsten afsluiten die niet de kenmerken
hebben van een associatie. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan artikel
159.
Artikel 161 - De professionele vennootschap zonder
rechtspersoonlijkheid
§1. Geneesheren kunnen voor de uitoefening van
hun beroep overgaan tot de oprichting van een professionele vennootschap
zonder rechtspersoonlijkheid zoals omschreven in artikel 46 van het Wetboek
van Vennootschappen, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voorzien in de
hierna volgende paragrafen 2 tot en met 5.
§2. Bij de oprichting van een professionele
vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid brengen de vennoten hun volledige
medische activiteit of een gedeelte ervan in gemeenschap.
§3. Het maatschappelijk doel van de vennootschap
is burgerlijk en is de uitoefening van de geneeskunde door haar vennoten
zelf. Elke handelsactiviteit is verboden.
§4. De geneeskunde wordt in een professionele
vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid uitgeoefend door de geneesheren‑vennoten
in naam en voor rekening van de gezamenlijke geneesheren‑vennoten. De
honoraria die voortvloeien uit de in gemeenschap gebrachte medische
activiteit, evenals de daaruit voortvloeiende onkosten worden gepoold en
verdeeld volgens een bij overeenkomst vastgelegde sleutel.
§5. Geneesheren kunnen enkel tot de oprichting
van een professionele vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid overgaan
wanneer wordt voldaan aan de artikelen 159, 160, §2, alinea's 1 en 2, en §5
en §6.
Enkel geneesheren die hun beroep uitoefenen of zullen uitoefenen in het kader
van een professionele vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid kunnen
vennoten zijn van deze vennootschap.
Art. 162 - De professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid
§1. Geneesheren kunnen voor de uitoefening van
hun beroep overgaan tot de oprichting van een professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voorzien in de
hierna volgende paragrafen 2 tot en met 8.
§2. Bij de oprichting van de vennootschap brengen
de geneesheren hun volledige of een gedeelte van hun medische activiteit in
gemeenschap.
§3. Het maatschappelijk doel van de vennootschap
is burgerlijk en is de uitoefening van de geneeskunde door haar vennoten
zelf. Elke handelsactiviteit is verboden. De vennootschap wordt niet als
dusdanig op de Lijst van de Orde der geneesheren ingeschreven.
§4. In een professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid wordt de geneeskunde uitgeoefend door de vennoten in
naam en voor rekening van de vennootschap. Alle inkomsten voortvloeiend uit
de ingebrachte medische activiteit worden geļnd voor en door de vennootschap,
zoals alle uit de medische activiteit voortvloeiende uitgaven door de
vennootschap worden vereffend.
§5. Geneesheren kunnen enkel een professionele
vennootschap met rechtspersoonlijkheid oprichten wanneer wordt voldaan aan
alle bepalingen van artikel 159.
De provinciale raad zal daarbij in het bijzonder aandacht schenken aan
bepalingen inzake:
a. de inbreng van roerende en onroerende goederen in de
vennootschap en hun bestemming bij de beėindiging van de vennootschap;
b. de verdeling van de deelbewijzen die enkel op naam en
in het bezit mogen zijn van de vennoten die het beroep van geneesheer
uitoefenen of zullen uitoefenen in het kader van de vennootschap;
c. de wijze van herschikking van de deelbewijzen bij
omstandigheden die daartoe verplichten en de rechten en verplichtingen van de
vennoot van de te herschikken deelbewijzen of van zijn rechtsopvolgers;
d. de wijze van verkiezing van bestuurders en de duur
van hun mandaten, die niet onbeperkt mag zijn;
e. de eventuele vergoeding van de bestuurders, die
dient overeen te stemmen met de werkelijk uitgeoefende bestuursactiviteiten;
f. het aanleggen van een toereikende reserve rekening
houdend met het doel van de vennootschap;
g. de toelatingsvoorwaarden voor nieuwe vennoten en hun
verwerving van deelbewijzen;
h. de uitstapregeling van vennoten en de bestemming van
de vrijgekomen deelbewijzen;
i. de overeenkomsten inzake de professionele
samenwerking tussen de vennootschap en derden;
j. de noodzaak dat ingeval van ontbinding van de
vennootschap de vereffenaar(s) geneeshe(e)r(en) moet(en) zijn;
k. de afzonderlijke en bijkomende
beroepsaansprakelijkheid van de vennoten en de aansprakelijkheid van de
vennootschap;
l. het feit dat bij de afweging van de respectievelijke
rechten van de vennoten meer rekening zal worden gehouden met de in de
vennootschap verrichte prestaties dan met het geļnvesteerde kapitaal of de
anciėnniteit.
Uit de stukken die aan de provinciale raad worden voorgelegd moet een
deontologisch verantwoorde oplossing voor de hoger vermelde punten blijken.
§6. De professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid vermeldt bij het naar buiten treden haar rechtsvorm en
de namen van de vennoten met het uitgeoefende specialisme. De professionele
vennootschap kan opteren voor een eigen benaming die objectief en discreet moet
zijn en door de provinciale raad moet worden aanvaard.
§7. De professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid kan met het oog op een professionele samenwerking
overeenkomsten afsluiten met geneesheren of met de in dit hoofdstuk voorziene
(kosten)associaties, professionele (eenpersoons) vennootschappen,
middelenvennootschappen, en vzw's.
De vennoten dienen erover te waken dat de vennootschap waarvoor zij werken
naar analogie de deontologische regelen naleeft die voor elke individueel
werkende geneesheer gelden.
§8. De professionele vennootschap met
rechtspersoonlijkheid kan vennoot zijn van een (kosten)associatie of
middelenvennootschap van geneesheren en kan lid zijn van een vzw van
geneesheren. Hierbij dienen respectievelijk de bepalingen van de artikelen
16O, 164, en 165 nageleefd te worden.
Artikel 163 - De professionele eenpersoonsvennootschap
§1. Elke geneesheer kan voor de uitoefening van
zijn beroep overgaan tot de oprichting van een professionele
eenpersoonsvennootschap, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voorzien in
de hierna volgende paragrafen 2 tot en met 6.
§2. De paragrafen 2, 3, 4 en 5 van artikel 162
zijn mutatis mutandis van toepassing.
§3. Wanneer een geneesheer gebruik maakt van de
in §1 geboden mogelijkheid blijven alle deontologische regelen die voor elke
individuele geneesheer gelden van toepassing.
§4. Bij het naar buiten treden wordt de
rechtsvorm vermeld evenals de naam van de arts en het uitgeoefende
specialisme.
§5. De eenpersoonsvennootschap kan zoals elke
individuele geneesheer toetreden tot een in dit hoofdstuk voorziene
(kosten)associatie, een professionele vennootschap met rechtspersoonlijkheid,
een middelenvennootschap of een vzw, en dit met toepassing van
respectievelijk de artikelen 160, 162, 164 en 165. De vennoot stelt zijn
provinciale raad daarvan in kennis en legt de nodige stukken ter goedkeuring
voor.
§6. Wanneer een eenpersoonsvennootschap omgezet
wordt in een professionele vennootschap van meerdere geneesheren, dienen alle
op deze laatste vennootschapsvorm toepasselijke bepalingen nageleefd te
worden. De vennoot stelt zijn provinciale raad van het voornemen tot
omzetting in kennis en legt hem voorafgaandelijk alle stukken ter goedkeuring
voor.
Artikel 164 - De middelenvennootschap
§1. Geneesheren kunnen in het kader van hun
professionele samenwerking overgaan tot de oprichting van een
middelenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, indien wordt voldaan aan de
voorwaarden voorzien in de hierna volgende paragrafen 2 tot en met 7.
§2. Het maatschappelijk doel van de
middelenvennootschap is door een pooling van kosten en/of een
gemeenschappelijke inbreng van de vereiste middelen de uitoefening van de
geneeskunde voor haar vennoten te vergemakkelijken en te bevorderen.
§3. De vennoten van een middelenvennootschap kunnen
individuele geneesheren zijn, alsook professionele
(eenpersoons)vennootschappen van geneesheren met rechtspersoonlijkheid of
vzw's van geneesheren.
§4. Middelenvennootschappen kunnen zowel in het
kader van een patiėntgerichte samenwerking als buiten elke vorm van
patiėntgerichte samenwerking opgericht worden.
§5. Alle inkomsten die voortvloeien uit de
medische activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van de door de vennootschap
verstrekte middelen, blijven buiten de middelenvennootschap die losstaat van
de beroepsuitoefening zelf
De middelenvennootschap mag geen enkele vermenging noch verwarring doen
ontstaan tussen de vennootschap en haar leden-vennoten. Aldus mogen onder
meer de maatschappelijke naam, de statuten, het briefpapier of andere
documenten, en de activiteiten van de middelenvennootschap, dergelijke
vermenging of verwarring niet in de hand werken.
§6. Geneesheren kunnen enkel tot de oprichting
van een middelenvennootschap overgaan, indien wordt voldaan aan alle
bepalingen van de artikelen 159 en 162, §5, a tot i.
Bij de verdeling van de deelbewijzen tussen de vennoten dient een
evenwichtige verhouding nagestreefd te worden tussen de verrichte prestaties
en het ingebrachte kapitaal.
§7. Zoals bepaald in artikel 159, §4, dienen alle
stukken betreffende een dergelijke vennootschap ter goedkeuring voorgelegd te
worden aan de provinciale raad.
In het bijzonder zal de provinciale raad nagaan of de berekening van de
kosten en de verdeling ervan tussen de vennoten in overeenstemming met de
regelen van de medische deontologie geschieden.
Artikel 165 - De vereniging zonder winstoogmerk
§1. In het kader van hun professionele
samenwerking kunnen geneesheren overgaan tot de oprichting van een vzw
Hierbij dienen zij zich ervan te vergewissen dat de wettelijke regelen
terzake, onder meer artikel 1 van de Wet van 27 juni 1921, nageleefd worden
en dat voldaan wordt aan de voorwaarden voorzien in de hierna volgende
paragrafen 2 en 3.
§2. Artikel 159, en in het bijzonder §1, laatste
alinea is onverminderd van toepassing.
In afwijking van artikel 159, §3, kan een vzw opgericht worden tussen
geneesheren en professionele (eenpersoons)vennootschappen van geneesheren met
rechtspersoonlijkheid.
§3. Geneesheren kunnen overgaan tot de oprichting
van een vzw waarvan het statutair doel zich beperkt tot dienstverlening op
het gebied van de organisatie en administratie van hun professionele
activiteit.
Indien het statutair doel van een vzw erin bestaat om door een pooling van
kosten en/of een gemeenschappelijke inbreng van de vereiste middelen de
uitoefening van de geneeskunde voor haar leden te vergemakkelijken en te
bevorderen, dienen mutatis mutandis de bepalingen van artikel 164 nageleefd
te worden.
Indien het statutair doel van de vzw de uitoefening van de geneeskunde is door
haar leden, dienen mutatis mutandis de bepalingen van artikel 162 nageleefd
te worden.
TITEL
V - Verhouding geneesheren-derden
Hoofdstuk
I - Contracten met verzorgingsinstellingen
Artikel 166
Elke overeenkomst gesloten tussen geneesheren en verzorgingsinstellingen moet
door een schriftelijk contract worden geregeld.
De statuten, contracten en huishoudelijke reglementen moeten stroken met de
bepalingen van de geneeskundige plichtenleer.
Elke bepaling die indruist tegen de plichten die ontstaan uit het stilzwijgend
verzorgingscontract dat de geneesheer met zijn zieke verbindt, is verboden.
Artikel 167
Elk statuut of contract en elke wijziging van een bestaand statuut of
contract moet vooraf worden voorgelegd aan de provinciale raad waartoe de
geneesheren behoren, evenals het huishoudelijk reglement of de documenten
waarnaar in het contract wordt verwezen.
De provinciale raad zal binnen de drie maanden onderzoeken of de statutaire,
contractuele of reglementaire bepalingen overeenstemmen met de beginselen van
de geneeskundige plichtenleer.
Artikel 168
Wanneer de geneesheer gebruik maakt van diensten van personeelsleden, van
lokalen of van materiaal waarvan de betaling, uit welke andere hoofde ook,
niet of slechts gedeeltelijk is geregeld, moeten de voorwaarden tot gebruik
ervan in het statuut of de overeenkomst worden vastgelegd.
Alleen de werkelijke onkosten komen in aanmerking voor een
vergoeding en deze mag niet gebonden zijn aan het bedrag van de geļnde
erelonen.
Artikel 169
Geen enkele contractuele, statutaire of reglementaire bepaling mag de keuze
van de middelen beperken die moeten worden aangewend, hetzij voor het stellen
van de diagnose, hetzij voor het instellen en uitvoeren van de behandeling,
hetzij voor de raadpleging van een praktizerende geneesheer die niet tot de
instelling behoort.
Artikel 170
De geneesheren die werkzaam zijn in een verzorgingsinstelling, moeten er voor
waken dat een medische raad wordt opgericht, die wordt gekozen uit en door de
beoefenaars van de geneeskunde, die bij de werking van de instelling zijn
betrokken.
Artikel 171
Elke bepaling die de bevoegdheid om uitspraak te doen over deontologische
betwistingen tussen geneesheren, toekent aan een bestuursorgaan of enig ander
college, is verboden.
Artikel 172
Het statuut of contract moet bepalen dat de geneesheer op medisch vlak een
werkelijk gezag uitoefent over het personeel van zijn dienst.
Hoofdstuk II - Overeenkomsten met niet-geneesheren,
uitvindingen en octrooien
(Gewijzigd op 16 april 1994)
Artikel 173
Elke overeenkomst tussen geneesheren of geneesheren-vennootschappen en
niet-geneesheren en die een invloed kan hebben op de deontologische aspecten
van de beroepsuitoefening van de geneesheer dient schriftelijk vastgelegd te
worden en mag slechts ondertekend worden nadat het ontwerp ervan op
deontologisch vlak goedgekeurd werd door de bevoegde provinciale raad.
Hetzelfde geldt voor elke wijziging van een dergelijke overeenkomst.
Artikel 174
Een dergelijke overeenkomst is verboden wanneer ze kan aanleiding geven tot
misbruik of beperking van de diagnostische of therapeutische vrijheid of
wanneer ze de kwaliteit van de zorgen kan in het gedrang brengen.
Artikel 175
Behalve bij gemotiveerde noodzaak om de termijn te verlengen, beslist de
provinciale raad binnen de vier maanden over de conformiteit van het
voorgelegde dossier aan de medische deontologie.
Artikel 176
De uitvinding van diagnostische of therapeutische procédés of de verbetering
ervan verleent nooit een recht op exclusief gebruik.
Op een uitvinding, die vatbaar is voor industriėle of
commerciėle uitbating in de gezondheidszorg, kan een octrooi genomen worden
op naam van een geneesheer, mits eerbiediging van de wetten en van de
medische ethiek.
Hoofdstuk III - Verhouding met apothekers, licentiaten
in de tandheelkunde, vroedvrouwen, verplegenden en leden van paramedische
beroepen
Artikel 177
De geneesheer moet de onafhankelijkheid van apothekers, licentiaten in de
tandheelkunde en vroedvrouwen eerbiedigen en elke ongewettigde handeling
vermijden die hen nadeel zou kunnen berokkenen in hun betrekking met de
patiėnten.
In zijn beroepsverhouding met de paramedici en andere medewerkers, zal de
geneesheer zorgen voor een uitstekende samenwerking.
Artikel 178
De geneesheren zullen in hun beroepsverhouding met de apothekers de
wettelijke bepalingen eerbiedigen in verband met de vorm van de
voorschriften. Zij zullen hun voorschriften aan de behoeften van iedere
patiėnt aanpassen.
De geneesheren zullen geen geheime verstandhouding met apothekers
onderhouden.
Zij eerbiedigen de vrije keuze van apotheker door de patiėnt.
Artikel 179
§1. Behoudens de door de wet op de
medisch-farmaceutische cumulatie toegelaten afwijking, is de verkoop van
geneesmiddelen door de praktizerende geneesheer verboden.
§2. Het verkopen of verhuren aan zijn patiėnten
van geneeskundige of protheseapparaten mag de geneesheer geen enkele winst
opleveren.
§3. De geneesheer mag niet terzelfdertijd de
geneeskunde uitoefenen en fabrikant of verdeler zijn van geneesmiddelen,
geneeskundige of protheseapparaten.
Artikel 180
De uitoefening van het beroep brengt de geneesheren ertoe nauw samen te
werken met het verplegend personeel. Het eigen karakter van de functie van
deze laatsten moet worden erkend in de geest van artikel 177.
Artikel 181
Bij hun beroepscontacten met hun paramedische medewerkers, zullen de
geneesheren ieder initiatief vermijden dat deze ertoe zou kunnen aanzetten de
geneeskunde op onwettige wijze uit te oefenen.
Artikel 182
In het kader van de groepsgeneeskunde of wanneer zij in groepsverband werken
met medewerkers, moeten de geneesheren er op letten deze laatsten geen
handelingen te doen verrichten die buiten hun bevoegdheid vallen.
1. De wet van 6 januari 1961 voerde in het Strafwetboek een
aantal bepalingen in met betrekking tot het schuldig verzuim nl. art. 422bis
en art. 422ter. Deze wet bestaat dus op zichzelf niet meer en de genoemde
artikelen werden intussen reeds gewijzigd.
Opgesteld door de
Nationale Raad van de Orde der Geneesheren (aanpassing april 2003)
|