De geneesheer ten dienste van de gemeenschap

 

http://www.health.fgov.be/AGP/nl/gezondheidsberoepen/artsen/plichtenleer_en_aanbevelingen/geneeskundige_plichtenleer/deontologie-geneesheer_gemeenschap.htm

 

 

Terug naar index

Hoofdstuk I :

Sociale en economische verantwoordelijkheid van de geneesheer

Art. 99 - 103

Hoofdstuk II :

Preventieve geneeskunde

Art. 104 - 112

Hoofdstuk III :

Continuïteit van de verzorging, wachtdiensten en dringende medische hulp

Art. 113 - 118

Hoofdstuk IV :

De geneesheer als adviseur, controleur, deskundige of ambtenaar

Art. 119 - 130

Hoofdstuk V :

Gerechtelijke geneeskunde

Art. 131 - 135


DE SOCIALE EN ECONOMISCHE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE GENEESHEER

Art. 99

De geneesheer moet zowel de onaantastbare rechten van de menselijke persoon eerbiedigen als zijn plichten tegenover de gemeenschap vervullen.

Art. 100

Elke geneesheer moet, in welk milieu hij ook werkt, ernaar streven de kwaliteit van de verzorging te verbeteren.

Art. 101

De geneesheer moet zijn persoonlijke bijdrage leveren in de gezamenlijke opdracht van het medisch korps om de volksgezondheid te verbeteren.
In eerbied voor de medische deontologie en de rechten van de enkeling werkt het medisch korps mee aan die vormen van de sociale zekerheid die als doel hebben alle burgers de beste gezondheidszorgen te verstrekken.

Art. 102

De geneesheer moet gewetensvol en in alle objectiviteit elk voor het verkrijgen van sociale voordelen vereist document opstellen.

Art. 103

Onverminderd de bepalingen van artikel 36, alinea 1, betreffende de diagnostische en therapeutische vrijheid, moet de geneesheer zich bewust zijn van zijn sociale verantwoordelijkheid. Het bestaan van privé- of openbare verzekeringen betekent niet dat hij mag afwijken van de in alinea 2 van artikel 36 opgenomen bepaling inzake misbruik van de diagnostische of therapeutische vrijheid.

arrw06b.gif (371 bytes)

PREVENTIEVE GENEESKUNDE

Art. 104

Elke geneesheer moet, ongeacht zijn medische activiteiten, naast het louter curatieve karakter ook rekening houden met het preventieve en educatieve aspect van zijn taak.

Art. 105

Binnen de in artikels 55 tot 70 vastgelegde grenzen van het beroepsgeheim moet de geneesheer, in het belang van zijn patiënten, actief samenwerken met zijn collega's die aan preventieve geneeskunde doen en hun medewerkers.

Art. 106

Bij een medisch-sociale consultatie mag de behandelende geneesheer met de toestemming van de betrokkene, aan de arbeidsgeneesheer of aan de geneesheer van het medisch schooltoezicht, gegevens verstrekken die hij voor zijn patiënt nuttig acht.

 

Art. 107

Geneesheren werkzaam in centra of instellingen voor preventieve geneeskunde zijn gebonden door de bepalingen van onderhavige code.

Art. 108

De geneesheer, werkzaam in een centrum voor preventieve geneeskunde, of de arbeidsgeneesheer moeten alle nuttige resultaten overhandigen aan de geneesheer aangeduid door de betrokkene; wanneer het een kind of een onbekwame persoon betreft, aan de geneesheer aangeduid door de wettelijke vertegenwoordigers.

Art. 109

De geneesheer van een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde mag slechts met de goedkeuring van de betrokken persoon en met inachtneming van het beroepsgeheim, een medisch dossier overmaken aan een verantwoordelijke practicus van een ander centrum voor preventieve geneeskunde.

Art. 110

De geneesheer, werkzaam in een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde mag, behoudens hoogdringende gevallen, geen zorgen toedienen in het kader van deze activiteiten.
Wanneer hij een ziekte vaststelt, verzoekt hij de zieke beroep te doen op zijn huisarts of raadt hij hem aan een huisarts te kiezen.

Art. 111

De geneesheer verbonden aan een centrum of instelling voor preventieve geneeskunde mag van deze functie geen gebruik maken om zijn persoonlijk cliënteel of dat van één of andere verzorgingsinstelling uit te breiden.

Art. 112

Overeenkomstig de beschikkingen van artikels 13 en 15, moeten de geneesheren betrokken bij de preventieve geneeskunde, ervoor waken dat de noodzakelijk verstrekte informatie nooit de indruk wekt als zouden de centra of instellingen voor preventieve geneeskunde over uitsluitende bevoegdheden en rechten beschikken op gebied van de één of andere tak van de geneeskunde.

arrw06b.gif (371 bytes)

DE CONTINUITEIT VAN DE VERZORGING, DE WACHTDIENSTEN
EN DE DRINGENDE MEDISCHE HULP

Art. 113

De continuïteit van de verzorging verzekeren is een deontologische plicht.

Art. 114

Elke geneesheer moet, naargelang van het geval, de nodige maatregelen nemen om de continuïteit van de verzorging van zijn zieken te waarborgen.

Art. 115

Wachtdiensten worden eensdeels opgericht om de geneesheer in staat te stellen de continuïteit van de verzorging te waarborgen en anderdeels om aan dringende oproepen gevolg te kunnen geven.

Art. 116

De organisatie van deze wachtdiensten berust bij de beroepsverenigingen of de met dat doel opgerichte plaatselijke organisaties.
De werkingsmodaliteiten van deze diensten en de wachtrol dienen aan de provinciale raad te worden medegedeeld.

Art. 117

Elke geneesheer ingeschreven op de Lijst van de Orde moet, overeenkomstig zijn bevoegdheid, aan deze wachtdiensten deelnemen.
Uitzonderingen worden om gezondheidsredenen, omwille van hoge leeftijd of om andere geldige redenen, toegestaan.
Geschillen worden aan de provinciale raad voorgelegd.
De provinciale raden nemen maatregelen tegen de geneesheren die weigeren aan de wachtdienst deel te nemen of tot de werkingskosten ervan bij te dragen.

Art. 118

Onverminderd de bepalingen van de wet van 6 januari 1961 die enkele gevallen van schuldig verzuim bestraft of van de wet van 8 juli 1964 inzake de dringende geneeskundige hulpverlening, mag de geneesheer zich slechts aan een dringende oproep onttrekken na zich ervan overtuigd te hebben dat er geen echt gevaar bestaat of wanneer hij door een even belangrijk spoedgeval wordt weerhouden.

arrw06b.gif (371 bytes)

DE GENEESHEER ALS ADVISEUR, CONTROLEUR, DESKUNDIGE
OF AMBTENAAR

Deel I. - Zijn taak

Art. 119

De geneesheer belast met een deskundig onderzoek naar de lichamelijke of geestelijke bekwaamheid of geschiktheid van een persoon of met om het even welk klinisch onderzoek, met de controle van een diagnose of met het toezicht op een behandeling, of nog met een onderzoek naar de medische prestaties voor rekening van een verzekeringsinstelling, moet de bepalingen van deze code naleven.
Hij mag geen opdracht aanvaarden die tegen de medische ethiek indruist.

 

Art. 120

De onder artikel 119 bedoelde geneesheren die voormelde functies geregeld uitoefenen, moeten hun uitoefeningsvoorwaarden doen vastleggen in een geschreven contract of statuut dat vooraf moet worden voorgelegd aan de raad van de Orde van de provincie waar zij zijn ingeschreven tenzij hun opdracht door de wet of door een gerechtelijke beslissing werd vastgelegd.

 

Art. 121

§ 1.

De geneesheer die belast is met één van de opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel zouden kunnen beïnvloeden.

 

§ 2.

De onder artikel 119 bedoelde taken of functies ten opzichte van één of meer personen zijn onverenigbaar met die van behandelende geneesheer van die personen.
De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag behoudens gevallen van overmacht of opeising, niet optreden als behandelende geneesheer vóór het verstrijken van een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn opdracht of functie.

 

§ 3.

De geneesheer die als raadgever van een partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij niet aanvaarden.

 

§ 4.

Bij opeising moet de behandelende geneesheer zijn tussenkomst beperken tot louter monsterafname indien hij zich gebonden acht door het beroepsgeheim ten opzichte van de te onderzoeken persoon en indien geen andere geneesheer hem kan vervangen.

 

§ 5.

Een geneesheer mag niet optreden als gerechtelijk deskundige voor personen die hij reeds in een andere hoedanigheid heeft onderzocht.

 

Art. 122

De geneesheer belast met één van de opdrachten opgesomd in artikel 119 moet zijn beroepsonafhankelijkheid volledig behouden ten opzichte van zijn opdrachtgever en ten opzichte van andere eventuele partijen.
Bij het formuleren van zijn besluiten als geneesheer moet hij enkel volgens zijn geweten handelen.

Deel II. - Zijn betrekkingen met de patiënt

Art. 123

De geneesheer belast met een in artikel 119 vermelde opdracht moet vooraf aan de betrokkene mededelen in welke hoedanigheid hij optreedt en hem in kennis stellen van zijn opdracht.
De geneesheer-gerechtelijk deskundige vooral zal hem waarschuwen dat hij aan de verzoekende overheid alles dient mede te delen wat betrokkene hem zal toevertrouwen in het kader van zijn opdracht.

Art. 124

Wanneer deze geneesheren menen een diagnose te moeten stellen of een prognose te moeten maken, mogen zij slechts besluiten formuleren nadat zij de patiënt hebben gezien en persoonlijk hebben ondervraagd, zelfs indien zij gespecialiseerde onderzoekingen hebben laten uitvoeren of over elementen beschikken die hen door andere geneesheren werden medegedeeld.

 

Art. 125

§ 1.

De onder artikel 119 beoogde geneesheer moet de filosofische overtuigingen en de menselijke waardigheid van de patiënt eerbiedigen.

 

§ 2.

Hij moet omzichtig zijn in zijn uitspraken. Indien hij een aandoening ontdekt, brengt hij de behandelende geneesheer ervan op de hoogte of verzoekt hij de patiënt er één te raadplegen.

 

§ 3.

Hij moet zich beperken tot de voor zijn opdracht dienstige maatregelen. Hij mag mits de patiënt daarin toestemt, de voor de diagnose vereiste onderzoeksmethoden aanwenden. De patiënt mag er echter geen nadeel van ondervinden.

 

§ 4.

Hij mag geen technieken of farmacodynamische middelen aanwenden met het doel een persoon van zijn vrij beschikkingsrecht te beroven om inlichtingen ten behoeve van het gerecht in te winnen.

 

§ 5.

Hij moet blijk geven van bedachtzaamheid bij het opstellen van de besluiten in zijn verslag en mag slechts gegevens aanbrengen die een antwoord verstrekken op de vragen van zijn opdrachtgever.

Deel III. - Zijn betrekkingen met de behandelende geneesheer

Art. 126

§ 1.

De adviserende of controlerende geneesheer vervult zijn opdracht met inachtneming van de voorschriften van collegialiteit.
Hij moet zich in het bijzijn van de patiënt onthouden van elke beoordeling over de diagnose, de behandeling of over de persoon van de behandelende geneesheer, zijn geschiktheid of de kwaliteit van de verleende zorgen.

 

§ 2.

Indien de medische adviseur of de controlerende geneesheer bij de patiënt onderzoekingen wil laten doen die hijzelf niet kan uitvoeren, verzoekt hij de behandelende geneesheer ze te doen uitvoeren en zorgt hij er slechts zelf voor met de toestemming van de behandelende geneesheer of bij duidelijke nalatigheid van deze laatste.

 

§ 3.

De adviserende of controlerende geneesheer moet in elk geval de behandelende geneesheer inlichten over de resultaten van deze speciale onderzoekingen. Hij mag hem zijn mening over de behandeling laten kennen zonder daarbij afbreuk te doen aan de rechten van de behandelende geneesheer.

 

§ 4.

De adviserende of controlerende geneesheer onthoudt zich van elke rechtstreekse inmenging in de behandeling; hij moet in elk geval contact opnemen met de behandelende geneesheer vooraleer een beslissing te nemen die deze van de behandelende geneesheer wijzigt.

 

§ 5.

Indien de patiënt een raadgevende geneesheer heeft, vervult de deskundige geneesheer zijn opdracht in samenwerking ermee, behoudens afwijkende wetsbepalingen. Hij mag geen rekening houden met de mededelingen van een partij die in het dossier niet zijn opgenomen.

Art. 127

De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag van zijn functie geen misbruik maken om patiënten te ronselen voor zichzelf of voor derden en zeker niet voor verzekeringsinstellingen of andere instellingen waarmee hij samenwerkt. Hij moet zich onthouden van elke handeling die de vrije keuze van de patiënt zou kunnen beïnvloeden.

Deel IV. - Zijn plichten inzake het beroepsgeheim

Art. 128

§ 1.

De geneesheer die door een werkgever, een verzekeringsinstelling of een andere instelling met een controle-onderzoek wordt belast, mag aan zijn niet-medische opdrachtgevers of aan derden de medische redenen die aan de basis liggen van zijn besluiten, niet bekend maken.

 

§ 2.

Binnen het welomlijnde kader van hun opdracht zijn de geneesheren, verbonden aan maatschappijen voor levens- of ongevallenverzekeringen, niettemin gemachtigd hun opdrachtgevers in te lichten over alle nuttige vaststellingen gedaan bij kandidaat-verzekerden, of bij verzekerde zieken, gekwetsten of slachtoffers.

 

§ 3.

De geneesheer-deskundige mag aan de rechtbank slechts de feiten bekendmaken die rechtstreeks betrekking hebben op het deskundig onderzoek en die hij bij die gelegenheid heeft ontdekt.
Al wat hij bij dit onderzoek heeft vernomen buiten het kader van zijn opdracht, moet hij verzwijgen.

 

§ 4.

De geneesheer-gerechtelijk deskundige, die in het bezit wordt gesteld van een in beslag genomen medisch dossier, zal er zich van vergewissen dat de zegels niet werden verbroken.
Na studie van dit dossier zal hij het opnieuw verzegelen.

 

Art. 129

De geneesheer met een van de door artikel 119 bedoelde opdrachten belast, moet vermijden de behandelende geneesheer ertoe te brengen het beroepsgeheim te schenden, dat laatstgenoemde zelfs tegenover hem moet bewaren.
De medische adviseur of controlerende geneesheer, van wie de beslissing betwist wordt, mag aan het rechtscollege bij wie de zaak aanhangig is gemaakt of aan de aangestelde deskundige de bescheiden of fotocopies overmaken van al de onderzoekingen die door hem werden uitgevoerd of die hij heeft laten uitvoeren, voor zover hij ze aan de raadgevende geneesheer van de patiënt heeft medegedeeld.

 

Art. 130

De onder artikel 119 bedoelde geneesheer mag nooit een medisch dossier raadplegen zonder het akkoord van de patiënt en de toestemming van de geneesheer die voor de behandeling verantwoordelijk is; aan beiden moet hij zijn bevoegdheid en zijn opdracht kenbaar maken.
De behandelende geneesheer of de geneesheer-diensthoofd in een ziekenhuis die verantwoordelijk is voor het dossier van de zieke, moet beslissen welke documenten mogen worden medegedeeld.
Het onderzoek van deze documenten geschiedt op tegenspraak.

arrw06b.gif (371 bytes)

GERECHTELIJKE GENEESKUNDE

Art. 131*

De geneesheer die krachtens de wet van 15 april 1958 en van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte, wordt opgevorderd, dient de gevraagde bloedproef te verrichten. Hij mag zich aan deze verplichting slechts onttrekken :

 

  • wanneer hij een medische tegenindicatie tegen de bloedproef vaststelt of wanneer hij de redenen die de persoon aanvoert om zich aan de bloedproef te onttrekken, als gegrond erkent;

 

  • wanneer de betrokkene weigert zich aan de afname te onderwerpen. De bloedproef mag niet met geweld op de betrokkene worden toegepast;

 

  • wanneer de betrokkene één van zijn patiënten is, op voorwaarde dat de opvorderende overheid een beroep kan doen op een andere geneesheer.

 

De opgevorderde geneesheer moet altijd weigeren het klinisch formulier in te vullen of een klinisch oordeel te uiten nopens de staat van dronkenschap van de betrokkene, wanneer het één van zijn patiënten betreft.
* (Gewijzigd op 19 februari 1994)

Art. 132

§1.

In een overlijdensattest bestemd voor de burgerlijke stand, maakt de geneesheer geen gewag van de doodsoorzaak. Hij moet niettemin de strook "statistieken" invullen, maar zal die zorgvuldig dichtkleven, om een eventuele schending van het beroepsgeheim te voorkomen.

 

§2.

Hij is gemachtigd te verklaren of het een natuurlijke of gewelddadige dood betreft.
Indien hij zich niet kan uitspreken, zal hij in volle letters neerschrijven : "doodsoorzaak niet te bepalen".

Art. 133

Behoudens opeising of bijzondere wettelijke bepalingen, kan een lijkschouwing alleen worden verricht wanneer er geen uitdrukkelijk of stilzwijgend verzet is geweest vanwege de patiënt of vanwege de naastbestaanden.

Art. 134

De geneesheer die een lijkschouwing verricht, zal tactvol en omzichtig handelen.
Hij moet de nodige maatregelen nemen opdat na de lijkschouwing, het lijk zodanig wordt getoond dat de gevoelens van de naastbestaanden geëerbiedigd worden.

Art. 135

De gewone regels van het beroepsgeheim zijn van toepassing voor alle bij een lijkschouwing gedane vaststellingen.

arrw06b.gif (371 bytes)