CVS en cognitieve gedragstherapie_Het domein van de huisarts

 

BELEID BIJ LANGDURIGE EN ONBEGREPEN MOEHEIDSKLACHTEN

 

http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6469&printlink=true&highlight=cognitieve<SEP&PHPSESSID=824754330bcfd0c142b440792487a21b>gedragstherapie

 

                   ---------------------------------------------------------------

 UNIVERSITEIT ANTWERPEN
 UNIVERSITAIRE INSTELLING ANTWERPEN
 Faculteit medische & farmaceutische wetenschappen


 Te verdedigen door    : Femke Wouters
 Promotor                    :  Prof. Dr. J. Denekens
                                       Prof. Dr. P. Van Royen


 Co-promotor/begeleider:   Dr. L. Ferrant
                                            Dr. H. Stuer
                                             H. Verrept

 Eindwerk ter verkrijgen van het diploma van arts
 Academiejaar 1999-2000



Leren.


Leren ver-dragen
doe je niet zomaar ineens

dat vraagt oefening.

 

Marcel Gebruers.
Uit 'Gedichten CFS HOOP en VERTWIJFELING'


 Dankwoord
 ---------

 Ik zou graag alle mensen willen danken die hun bijdrage hebben geleverd tot
 het tot stand komen van dit werk. Op de eerste plaats mijn directe
 begeleider dr. H. Stuer, die mij met zijn kritische opmerkingen steeds weer
 aan het werk zette. De andere begeleiders van mijn eindwerkgroep dr. L.
 Ferrant en H. Verrept, die ook met veel interesse de tekst hebben willen
 lezen en hun kritiek hebben gegeven. Mijn in de Germaanse taal- en
 letterkunde afgestudeerde vriend Luc Jordaens, die met veel geduld -alhoewel
 dat soms (terecht) opraakte- mij heeft geholpen met het tot stand komen van
 een leesbare tekst. Mijn ouders, die mijn 'soms slecht gezind zijn' wisten
 te verdragen. En niet in de laatste plaats gaat mijn dank uit naar de
 ouders van mijn vriend en dan vooral naar zijn moeder. Zij heeft immers met
 veel geduld geluisterd naar mijn uitleg over de therapiemogelijkheden in het
 U.Z. Pellenberg in Leuven, ondanks dat zij momenteel bij prof. De Meirleir
 gevolgd wordt vanwege haar CVS. Als laatste wil ik graag mijn broer nog
 bedanken, die mij geholpen heeft om een goede printer aan te schaffen. Deze
 kwam helaas te laat.

 Allemaal bedankt!

 Femke Wouters


 Inleiding
 ---------

 Iedereen is wel eens moe en meestal zal deze klacht vanzelf verdwijnen of
 wordt er een oorzaak gevonden waarvoor een behandeling bestaat. Het komt
 echter ook voor dat de vermoeidheid langere tijd aanwezig blijft. De klacht
 'moe zijn' is zeer aspecifiek en is daardoor een klacht waar een arts weinig
 mee kan. Hiertegenover staat dat langdurige vermoeidheid een veel voorkomende
 klacht is in de eerstelijns geneeskunde: het zou bij een vierde tot een
 vijfde van de patienten die zich aanmelden bij een eerstelijns arts,
 aanwezig zijn. (1)

 Patienten met de klacht van langdurige vermoeidheid zijn in drie groepen
 te verdelen:
 1.   Patienten met langdurige vermoeidheid op basis van een
      specifieke pathologie: M.S., hepatitis, kanker, depressie,
      slaapstoornis, en andere aandoeningen, zoals systeemziekten.
 2.   Patienten met langdurige vermoeidheid, die voldoen aan de
      diagnostische criteria voor het chronisch vermoeidheid syndroom (CVS).
 3.   Patienten met langdurige vermoeidheid, die niet tot de hierboven
      genoemde groepen behoren, meer dan 50% van hun activiteit moeten
      missen en zich niet gerecupereerd voelen na rust. Deze patienten
      behoren tot de groep die idiopatische moeheid wordt genoemd.

 De diagnostische criteria om onderscheid te maken tussen CVS en
 idiopathisehe moeheid zijn opgesteld voor wetenschappelijk onderzoek. Voor
 de klinische praktijk zijn deze echter niet geeigend. De klinische diagnose
 CVS is een beschrijvende diagnose: er kan van CVS gesproken worden als het
 gaat om minstens 6 maanden aanwezige, door de patient zelf gerapporteerde,
 medisch geevalueerde moeheidsklachten waarvoor geen lichamelijke verklaring
 is gevonden en die leiden tot aanzienlijke beperkingen in het beroepsmatige,
 sociale en/of persoonlijke functioneren. (2) Voor de duidelijkheid zal ik
 hieronder enkel de term CVS-patient gebruiken als er duidelijk in een
 publicatie vermeld wordt dat voor inclusie in de studie aan de
 wetenschappelijke criteria voor CVS voldaan moest worden. In de andere
 gevallen, waar niet duidelijk is of de patienten aan de criteria voor
 wetenschappelijk onderzoek naar CVS voldoen, zal ik de term chronisch
 vermoeide patient gebruiken.

 CVS is al lange tijd onderwerp van discussie. Tot ver in de jaren negentig
 werd het onderzoek naar de pathogenese van CVS beheerst door monocausale
 theorieen. Onderzoekers uit verschillende wetenschappelijke richtingen
 gingen op zoek naar het fysiologisch agens dat alle klachten zou verklaren.
 Virale oorzaken, musculaire defecten, doorbloedingsstoornissen van bepaalde
 hersenregio's of psychiatrische stoornissen, alle werden als oorzaak
 gepostuleerd, maar bewijzen bleven uit of de verklaringen werden herroepen.
 (3)

 De laatste tijd wint de overtuiging veld, dat in het ontstaan van CVS
 predisponerende factoren, uitlokkende factoren en onderhoudende factoren
 onderscheiden kunnen worden, waartussen een circulaire interactie bestaat.
 In 1996 stelde Demitrack een multifactorieel model voor als werkhypothese.
 Door steeds meer onderzoekers wordt deze werkhypothese positief onthaald
 vanwege zijn integrerend karakter. (3)

 Ook bij het beleid bij CVS is deze multifactoriele benadering nuttig. Vaak
 wordt er teveel aandacht besteed aan het zoeken naar een fysieke afwijking
 en pas in tweede instantie wordt er naar psychosociale elementen gekeken.
 Deze benadering van het probleem heeft een nefaste invloed op de
 ziektetheorie van de patient, die somatisch gefixeerd raakt. Meestal volstaat
 een globaal bloedonderzoek om een mogelijk somatische oorzaak op te sporen.
 In de literatuur zijn er verschillen in opvatting wat er bij dit
 bloedonderzoek aangevraagd moet worden. (1 2 3) De overeenkomst in de
 verschillende artikels is dat men het bloedonderzoek zo beperkt mogelijk
 moet houden en moet gebruiken om organische aandoeningen uit te sluiten.
 Tegelijkertijd moet er voldoende tijd worden besteed aan het psychosociale
 vlak. Meer bepaald luisteren naar het verhaal van de patient: de klachten en
 functiebeperkingen, de ziekte- en levensgeschiedenis, de actuele stressoren,
 copingstrategieen en eventuele psychiatrische stoornissen. (3)

 Voor de behandeling is deze mu1tifactoriele benadering ook belangrijk. Uit
 een recente review in Clinical Evidence, waarin de verschillende onderzochte
 behandelingen zijn samengevat, blijkt dat naast opbouwende trainingen vooral
 cognitieve gedragstherapie een gunstig effect op de klachten heeft. (4)
 Cognitieve gedragstherapie voor CVS is gebaseerd op een cognitieve theorie
 over de pathogenese van CVS. Deze theorie gaat net als het multifactorieel
 model uit van predisponerende, uitlokkende en onderhoudende factoren. (5)

 Met deze literatuurstudie wil ik verder ingaan op een cognitieve theorie
 over de pathogenese van CVS en het nut van cognitieve gedragstherapie in de
 behandeling van CVS. Hierbij hoop ik uiteindelijk een antwoord te vinden op
 mijn onderzoeksvraag, waarmee ik een link wil leggen tussen de
 huisartspraktijk en cognitieve gedragstherapie.


 Onderzoeksvraag
 ---------------

 Is er een rol voor de huisarts in cognitieve gedragstherapie als behandeling
 van CVS en zo ja, welke rol? Naast deze vraag lijkt het mij ook interessant
 om na te gaan of voor de huisarts aspecten van de cognitieve aanpak
 toepasbaar zijn in de praktijk.


 Methode
 -------

 Dit onderzoek is een literatuurstudie waarbij voor het vinden van relevante
 artikels met betrekking tot het onderwerp gezocht werd op Medline 1995-2000.
 Voor algemene artikels aangaande het beleid bij CVS werden de volgende
 keywords gebruikt: chronic fatigue syndrome, diagnosis en management. Naast
 het nalezen van de abstracts op relevantie heeft de beschikbaarheid in
 Antwerpen van deze artikels een belangrijke rol gespeeld in de selectie van
 de hierbij gevonden artikels.

 Voor het vinden van artikels met betrekking tot CVS en cognitieve therapie
 werden chronic fatigue syndrome en cognitive therapy als keywords gebruikt.
 Ook hier bepaalde de beschikbaarheid van relevante artikels in Antwerpen de
 selectie van de artikels. Bij beide zoektochten leverde het combineren van
 de verschillende keywords met general practitioner of primary care geen
 bijkomende artikels op, die relevant konden zijn voor het vinden van een
 antwoord op de onderzoeksvraag.

 Naast deze zoektochten op Medline heb ik gebruik gemaakt van een review
 artikel uit BJM, dat door een van mijn begeleiders werd aangeboden. (4) In
 dit artikel wordt er verwezen naar een systematische review dat in Cochrane
 Library is gepubliceerd. Deze review heb ik opgezocht in Cochrane en in
 mijn literatuuronderzoek gebruikt. Ook is in december 1999 in het
 Tijdschrift voor Geneeskunde een reeks artikels met betrekking tot CVS
 verschenen. Van deze artikels heb ik ook gebruik kunnen maken.


 Chronisch vermoeidheidsyndroom en een cognitieve theorie
 --------------------------------------------------------

 Het woord cognitief is afgeleid van cognitie, wat een breed begrip is dat
 alles beslaat wat met intellect en kennis te maken heeft. (5) Nog anders
 gezegd omvat cognitief alles wat met informatie te maken heeft, het
 begrijpen van de informatie en het verwerken ervan.

 In het tijdschrift Behaviour Research and Therapy van juni 1995 is een
 artikel verschenen over een cognitieve benadering van CVS. (6) In deze
 cognitieve benadering wordt voorgesteld om cognitieve factoren meer in de
 verklaring van het ontstaan van CVS te betrekken. Hierdoor kan de etiologie
 beter begrepen worden wat consequenties heeft voor de behandeling en zou
 een betere uitleg van de kliniek van CVS gegeven kunnen worden.

 Het doel van het onderzoek dat in dit artikel besproken wordt, is de
 typische klinische eigenschappen van patienten met CVS te omschrijven, de
 gedachten rond hun ziekte duidelijk te maken en een cognitieve theorie,
 d.w.z. een theorie waarin cognitieve factoren een sleutelrol spelen, over
 de etiologie van de aandoening voor te stellen.

 De auteurs van dit artikel hebben meer dan 100 patienten, die voldeden aan
 de criteria voor CVS, psychologisch beoordeeld en meer dan 50 patienten
 behandeld met behulp van een cognitieve benadering. Deze patienten waren
 allemaal verwezen naar een polikliniek voor infectieziekten. De onderzoekers
 stelden vast dat de meerderheid van de patienten bepaalde opvallende
 overeenkomsten vertoonden betreffende de symptomen, emoties,
 verklaringsmodellen voor hun ziekte en hun gedrag in de omgang met deze
 ziekte. Ook wat betreft persoonlijkheid, premorbide levensgewoonten en de
 gebeurtenissen bij het begin van de ziekte werden belangrijke gelijkenissen
 gevonden:

 Symptomen: de fysieke en mentale moeheid heeft de eigenschap om te
 verergeren bij activiteit. Andere vaak gemelde symptomen waren
 concentratie- en geheugenproblemen, spierpijn, kortademigheid en
 duizeligheid.

 Emoties: de patienten hadden vaak frustraties over hun beperkingen om
 dingen te kunnen doen, maar zelden meldden ze spontaan een gevoel van
 bezorgdheid of depressie. Als een bezorgde of depressieve stemming door
 direct navragen duidelijk werd, dan werd dit door de patienten als gevolg
 van de vermoeidheid verklaard en niet als het primaire probleem.

 Verklaringsmodellen voor hun ziekte: de meeste patienten geloofden dat hun
 ziekte veroorzaakt werd door een fysische afwijking ten gevolge van een
 virale infectie. Elke suggestie dat de ziekte veroorzaakt zou kunnen zijn
 door psychologische of sociale factoren stuitte op weerstand. De patienten
 gingen er ook vanuit dat elke activiteit die de symptomen doet verergeren
 schadelijk is.

 Gedrag: de patienten meenden dat activiteit vermeden moet worden en dat
 verlengde perioden van rust dienen nagestreefd te worden: er is sprake van
 bewegingsfobie. De dagboeknotities van de patienten toonden aan dat
 perioden van rust vaak afwisselden met explosies van activiteit. Een
 herhaaldelijke schommeling tussen rust en 'overactiviteit' werd vastgesteld.

 Persoonlijkheid en premorbide levensgewoonten: de persoonlijkheid van de
 patienten voor hun ziekte was prestatiegericht en perfectionistisch. Ze
 beschreven zichzelf ook als personen die hun problemen opkroppen en ze
 vonden belangrijk wat anderen over hen dachten. Er is bij deze patienten
 sprake van een externe 'locus of control', waarbij ze de omgeving steeds
 willen overtuigen.

 Gebeurtenissen bij begin van de ziekte: meestal vermeldden de patienten dat
 de ziekte begonnen is met symptomen van een virale infectie. Verder
 informeren toonde belangrijke psychosociale stressoren en problemen
 voorafgaand aan het begin van de ziekte.

 Belangrijk zijn de gedachtegang en veronderstellingen van de patienten,
 die leiden tot de hierboven vermelde karakteristieken van de patienten:

 Gedachten:  hierbij zijn drie grote groepen te onderscheiden:
 1. De gedachte dat activiteit de ziekte zou verergeren.
 2. Het vergelijken van huidige prestaties met het vroegere hoge niveau
    van functioneren.
 3. Het belang dat de patienten hechten aan wat anderen over hen denken.
    Veronderstellingen: hierbij werden de volgende weerkerende
    elementen gevonden.
 1. Als ze niet aan hun hoge eisen voldoen dan zou dit wijzen op persoonlijk
    falen en zouden ze niet geaccepteerd worden door anderen.
 2. De patienten hechten veel belang aan psychologische sterkte en het niet
    toegeven aan zwakte en negatieve gevoelens.
    De patienten veronderstellen dus dat zelfrespect en respect van anderen
    afhangt van het bereiken van een hoog niveau in verschillende aspecten
    van het leven.

 De hierboven besproken eigenschappen van de patienten zijn door de
 onderzoekers verwerkt in een cognitief model voor de etiologie van CVS. Dit
 model probeert uit te leggen hoe bepaalde stressoren in het leven CVS kunnen
 uitlokken bij personen die hiervoor gevoelig zijn en hoe fysiologische,
 sociale, cognitieve en gedragsfactoren de ziekte kunnen onderhouden.

 De auteurs vermelden in het artikel de beperkingen van hun onderzoek. De
 patientengroep die zij hebben onderzocht is onderhevig aan een belangrijke
 bias. Ten eerste zijn het patienten die door huisartsen zijn verwezen en
 zijn het patienten die een hulpzoekend gedrag vertonen. Het is daarnaast
 mogelijk dat een grotere steekproef van CVS-patienten een grotere
 heterogeniteit van de verschillende besproken klinische kenmerken aan de dag
 brengt. Ook wordt er vermeld dat de observaties gedaan zijn tijdens
 behandeling en dat de observaties bevestigd moeten worden door objectieve
 meettechnieken. Als laatste wordt er gesteld dat er nagegaan moet worden in
 welke mate de vaststellingen specifiek zijn voor CVS-patienten.

 Het zou voor verder onderzoek nuttig zijn de specificiteit van de gedachten
 en veronderstellingen na te gaan door te vergelijken met normale personen
 en patienten uit andere diagnostische groepen. De rol van de cognitie in de
 etiologie en het onderhouden van de ziekte moet ook verder nagegaan worden,
 onder andere door onderzoek naar behandeling waarin de cognitie van de
 patienten betrokken wordt.

 De kritiek die op deze publicatie gegeven kan worden is dat er geen concrete
 cijfers gegeven worden. Het is een beschrijvend artikel, zonder vermelding
 van kwantitatieve gegevens.


 Cognitieve gedragstherapie
 --------------------------

 Uitgaande van dit cognitief model kan men een behandeling ontwikkelen voor
 CVS: de cognitieve gedragstherapie. Cognitieve gedragstherapie is een korte
 therapie met een probleemgerichte benadering, die als bedoeling heeft de
 patient te helpen om disfunctionele gedachten, veronderstellingen en
 gedragspatronen te identificeren en aan te passen. (7)

 De toepassingen van cognitieve gedragstherapie wordt besproken in het
 British Medical Journal van juni 1997. (7) Dit artikel is een review in
 verband met cognitieve gedragstherapie en de klinische toepassing hiervan.
 Het is een literatuuronderzoek van alle papers, boeken en hoofdstukken die
 te maken hebben met de toepassing van cognitieve gedragstherapie in de
 mentale gezondheidszorg en de algemene gezondheidszorg. De methode van de
 studie wordt duidelijk omschreven. De review betrekt de majeure klinische
 toepassingen van de therapie en richt zich op die gebieden van
 de psychologie, psychiatrie en geneeskunde waarvan de onderzoeksgegevens het
 meest degelijk zijn.

 Cognitieve gedragstherapie is oorspronkelijk ontwikkeld voor de behandeling
 van depressie. De laatste 25 jaar is de toepassing van deze therapie enorm
 uitgebreid. Deze uitbreiding is gebaseerd op de veronderstelling dat
 cognitieve en gedragsfactoren van belang zijn voor alle persoonlijke
 ervaringen. (7)

 Er bestaan verschillende varianten van cognitieve gedragstherapie. Het
 gemeenschappelijke uitgangspunt is dat psychologische problemen ontstaan
 als direct gevolg van disfunctionele denk- en gedragspatronen. Patienten
 interpreteren situaties of symptomen verkeerd en door een verkeerd
 gedragspatroon vergroten en consolideren ze de problemen. (7) Anders gezegd
 is er sprake van misperceptie en maladaptatie. Volgens de cognitieve
 benadering van CVS is dit ook het geval bij deze aandoening.

 Bij cognitieve gedragstherapie werken de therapeut en patient samen om
 specifieke denk- en gedragspatronen waarop de problemen van de patient
 gebaseerd zijn, op te sporen. Tussen de sessies door krijgt de patient
 huiswerk mee om zowel specifieke denkpatronen vast te stellen en te kunnen
 bespreken, als gedragsveranderingen toe te passen. (7)

 De methoden die bij cognitieve gedragstherapie worden gebruikt worden
 vermeld in het artikel:

 Cognitieve methoden:
 *  Gedetailleerde uitleg en discussie over het cognitieve model.
 *  Het bijhouden van een dagboek om situaties, gedachten en gevoelens
    op te sporen en zich hiervan bewust te worden.
 *  Verbanden tussen gedachten, gevoel en gedrag opsporen.
 *  Evidentie 'voor' en 'tegen' de gedachten onderzoeken.
 *  Patienten te ondersteunen om negatieve gedachten in twijfel te
    brengen door vraag- en rationaliseringstechnieken.
 *  Disfunctionele veronderstellingen, die een vertekend beeld geven,
    te leren identificeren.
 *  Cognitieve oefeningen om te leren om gaan met moeilijke situaties.

 Gedragselementen:
 *  Gedragsexperimenten opzetten om de irrationele gedachten te testen.
 *  Geleidelijke blootstelling aan gevreesde situaties in werkelijkheid
    of in nagebootste situaties.
 *  Een doel vaststellen en een activiteitschema opzetten.
 *  Specifieke technieken aanleren, zoals relaxatietraining.
 *  Rollenspelen en gedragsoefeningen.


 Naast het bespreken van de verschillende toepassingsgebieden en het
 beoordelen van het therapeutisch effect van cognitieve gedragstherapie
 worden in het artikel een aantal belangrijke opmerkingen geplaatst. Er wordt
 gesteld dat er weinig gekwalificeerde therapeuten bestaan. Men geeft echter
 wel aan van welke personen verwacht mag worden dat zij de therapie kunnen
 toepassen. Daarnaast wordt gesteld dat de huisarts moet beoordelen of
 de patient geschikt is om de therapie te volgen. Ze moeten erover waken dat
 de patient op een actieve manier met een praktische methode aan zijn
 behandeling wil werken en open staat voor een psychologisch model van zijn
 ziekte.

 De auteurs vermelden nog enkele andere punten waar rekening mee gehouden
 moet worden. Voor veel diagnostische groepen wordt in het beste geval
 slechts bij ongeveer de helft van de patienten een klinisch significante
 verbetering met de behandeling aangetoond. Daarnaast zouden minder ervaren
 therapeuten of therapeuten met een andere theoretische achtergrond vaak niet
 dezelfde resultaten behalen. Bepaalde toepassingen van CGT zijn ook nog heel
 experimenteel en moeten verder onderzocht worden. Tenslotte vermelden de
 auteurs dat een belangrijke stijging van het aantal getrainde beoefenaars
 van CGT noodzakelijk is.


 Onderzoek naar de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie bij
 chronisch vermoeidheidsyndroom:
 de conclusies van een systematische review (8)
 ------------------------------------------------------------------

 In The Cochrane Library van Oxford Update Software heb ik een systematische
 review gevonden die handelt over cognitieve gedragstherapie (CGT) voor CVS
 bij volwassenen. (8) In deze review zijn alle gerandomiseerde gecontroleerde
 trials van CGT voor volwassenen met CVS onderzocht om de hypothese te
 toetsen dat CGT meer effectief is dan een orthodox medisch beleid of andere
 behandelingen.

 Alle gerandomiseerde, gecontroleerde trials, gepubliceerd en niet
 gepubliceerd, die hierover handelden en waarvan de therapieresultaten op een
 acceptabele manier werden bepaald, werden in de review opgenomen. De
 zoekstrategie van de studie wordt duidelijk omschreven. De twee auteurs
 hebben afzonderlijk de geselecteerde trials doorgenomen. Alleen als er
 verschil in mening was tijdens de selectie van de studies en de
 gegevensverzameling werd dit besproken en werd er een consensus opgesteld.
 Relevante trials werden onderverdeeld in drie kwaliteitscategorieen. Alleen
 van studies met een hoge of gemiddelde kwaliteit werden de gegevens
 verzameld. Studies met een lage kwaliteit werden niet in de review opgenomen.
 Voor het behandelingsresultaat werd vooral het functionele resultaat bekeken,
 maar andere toepasselijke resultaten werden waar mogelijk ook vergeleken.

 Slechts drie van de gevonden dertien studies voldeden aan de
 inclusiecriteria: alle deelnemende patienten voldeden aan de diagnostische
 criteria voor CVS, er werd op een adequate manier gerandomiseerd, er werd
 gebruik gemaakt van een controlegroep en er werd gebruik gemaakt van
 cognitieve en gedragselementen in de therapie. Twee van deze drie studies
 waren van hoge methodologische kwaliteit. (9 10) 1 studie was van gemiddelde
 methodologische kwaliteit. (11) Deze drie studies worden in de review
 afzonderlijk geanalyseerd, omdat in de drie studies verschillende
 interventies vergeleken worden.

 Het doel van de 'reviewers' was om voorzichtige conclusies te trekken,
 gebaseerd op duidelijke evidentie en bijkomende vragen te formuleren. Er
 bleken maar weinig relevante studies van hoge kwaliteit voorhanden te zijn.
 De onderzoekers geven toe dat hun inclusiecriteria om studies in de review
 op te nemen streng waren, maar dat dit noodzakelijk was om een goede
 validiteit te bekomen. De patienten die deelnamen aan de drie studies, die
 voldeden aan de inclusiecriteria, waren alle poliklinische patienten met
 CVS. Evidentie van effectiviteit van CGT voor mildere vormen van CVS, die
 vooral gezien worden in de huisartsenpraktijk, en voor meer ernstige vormen
 van CVS, waarbij de patienten niet kunnen deelnemen aan poliklinische
 behandeling, is dus niet aangetoond. Ook evalueerde de drie studies
 individuele CGT, dus over de effectiviteit van cognitieve gedragstherapie
 in groep bestaat er geen evidentie. Slechts een van de drie studies hield
 rekening met het mogelijk gunstig effect van contacten met een therapeut en
 gaven daarom relaxatietrainingen in de controlegroep. (9) In een andere
 studie gaf men aan de patienten placebo-injecties, waardoor een
 placebo-effect het gunstige resultaat van CGT gemaskeerd kan hebben. (11)

 Het resultaat waar in deze review vooral naar gekeken wordt, is het effect
 van de therapie op de fysische functie. Twee van de studies toonden een
 gunstig effect aan van de CGT. (9 10) 'The number needed to treat' voor de
 fysische verbetering, gemeten met vooraf bepaalde criteria voor een
 succesvol resultaat, was in deze studies 2.1. Dat betekent dus dat voor
 telkens twee patienten behandeld met CGT in vergelijking met
 relaxatietraining of routine medische zorg een bijkomend teleurstellend
 functioneel resultaat voorkomen werd. Dit gunstige effect op het fysisch
 functioneren werd in een van deze twee studies vooral na het eind van de
 behandeling bereikt. 'The number needed to treat' is direct na het
 beeindigen van de behandeling in deze studie veel hoger dan twee. (10)
 Deze aanhoudende verbetering na het eind van de behandeling is ook in de
 andere studie waar te nemen. (9) In de derde studie lijkt er geen
 significant verschil te bestaan in de behandelingsresultaten tussen de
 verschillende groepen. (11) Er zijn verschillende mogelijke oorzaken voor
 het verschil in uitkomst ten opzichte van de andere twee studies. Het
 hierboven reeds genoemde placebo-effect kan hierin een rol spelen. Dat de
 totale therapieduur van de sessies van CGT slechts 6 uur bedroeg, terwijl
 dit in de andere studies 15 uur was, kan eveneens een verschil in uitkomst
 geven. Ook leden de patienten in deze studie gemiddeld al 66 maanden aan
 CVS, wat aanzienlijk langer was dan de patienten in de andere twee studies.

 Hoewel soms anders gedacht wordt, blijkt in deze drie studies dat
 CVS-patienten CGT een acceptabele therapie vinden. Dit is af te leiden uit
 het laag aantal patienten dat afhaakte gedurende de studies.

 In de review wordt ook melding gemaakt van een studie die de effectiviteit
 van opbouwende trainingen onderzoekt en een significant gunstig resultaat
 van deze behandeling aantoonde. Deze studie van Fulcher en White was een
 gerandomiseerde gecontroleerde trial maar werd niet in de review opgenomen
 omdat er geen cognitief element in de behandeling aanwezig was. (12) Het
 zou interessant zijn om de effectiviteit van een progressief opgebouwde
 training en CGT in een studie met elkaar te vergelijken. CGT is immers een
 meer complexe en ook duurdere behandeling dan progressieve training. (8)


 Vijf jaar Psychosomatische Revalidatieafdeling
 in het U.Z. Pellenberg in Leuven (13)
 ----------------------------------------------

 In het Tijdschrift voor Geneeskunde van 15 december 1999 is een overzicht
 gepubliceerd over de Psychosomatische Revalidatieafdeling in het
 U.Z. Pellenberg. Hierin is terug te vinden dat de Psychosomatische
 Revalidatieafdeling (PSR-afdeling) vijf jaar geleden is opgericht omdat
 patienten met chronische, organisch onverklaarde lichamelijke klachten vaak
 tussen de mazen van het net van de klassieke medische en psychiatrische
 hulpverlening terechtkomen. Deze PSR-afdeling is gebaseerd op verschillende
 reeds lang bestaande therapeutische modellen. Het therapieprogramma sluit
 ook aan bij cognitief-gedragstherapeutische programma's. De afdeling telt
 nu 15 bedden en een 30-tal patienten kunnen aan ambulante programma's
 deelnemen.

 Patienten met chronische, organisch onverklaarde lichamelijke klachten
 komen voor PSR in aanmerking. Meer dan 75% van hen voldoet aan de diagnose
 voor CVS of voor fibromyalgie. Bij veel patienten zijn comorbide affectieve
 en angststoornissen aanwezig, evenals verschillende
 persoonlijkheidsstoornissen. Ze zijn vaak al jaren van arts tot arts aan
 het lopen en in aanraking geweest met allerlei takken van de klassieke en
 alternatieve geneeskunde. Ook zijn ze meestal terechtgekomen in een fysieke
 en psychosociale neerwaartse spiraal met een ernstige vermindering van hun
 levenskwaliteit.

 De behandeling is erop gericht om de patient te leren 'zijn lot in eigen
 handen te nemen' en zoveel mogelijk controlegevoel ('self-efficacy') te
 bekomen in het omgaan met zijn ziekte. Het uiteindelijke doel van de
 behandeling is het fysieke, psychische en sociale functioneren van de
 patient te optimaliseren en hem te helpen dit op lange termijn vol te
 houden, rekening houdend met eventueel blijvende beperkingen.

 In de behandeling wordt zowel gebruik gemaakt van biologische/ fysische
 therapieen als psychosociale behandelingsmethoden. Er zijn zowel
 groepsactiviteiten als individuele gesprekstherapieen. Aan het eind van elke
 behandelingsperiode zijn er systematische evaluatiemomenten waar de patient
 bij aanwezig is. Vaak wordt ter ondersteuning antidepressiva gegeven.
 Pijncontrole wordt op een rationele manier toegepast, rekening houdend met
 de voor- en nadelen.

 Het opbouwen van een vertrouwensrelatie met de patient is zeer belangrijk.
 Hij moet zich in zijn ziekte erkend voelen, er moet geluisterd worden naar
 zijn ziekte- en levensverhaal en er moet respectvol omgegaan worden met
 weerstanden die het gevolg zijn van somatische attributies. Pas vanuit een
 goede vertrouwensrelatie kan er begonnen worden aan een biopsychosociale
 herdefiniering van het probleem. Het verstrekken van correcte en duidelijke
 informatie over de biologische, psychologische en sociale aspecten van de
 klachten is hierbij belangrijk.

 Als de biopsychosociale herdefiniering tot een vollediger inzicht in de
 fysieke en psychosociale onderhoudsfactoren heeft geleid, kunnen stappen
 worden ondernomen om deze factoren tegen te gaan. De gedaalde fysieke
 conditie moet men progressief proberen op te bouwen en de patient leren om
 op zorgvuldige wijze met zijn lichamelijke grenzen om te gaan, zijn
 activiteiten beter te doseren en er ook meer van te genieten.

 De meeste chronisch vermoeide patienten hebben het gevoel dat hun situatie
 uitzichtloos is en er niets meer aan te doen is. Doordat duidelijk wordt
 dat 'zelfhulp' mogelijk is, bouwen de patienten geleidelijk weer
 zelfvertrouwen en controlegevoel ('self-efficacy') op.

 Aan de patienten moet ook uitgelegd worden dat hun levenssituatie op lange
 termijn aangepast moet worden. Heel wat patienten hebben het hier moeilijk
 mee, maar degenen die tot aanvaarding komen van hun waarschijnlijk blijvende
 beperkingen, leren uiteindelijk op een realistische wijze met hun resterende
 mogelijkheden omgaan.

 De PSR-afdeling heeft volgens de auteurs ook bepaalde beperkingen:
 * Doordat de PSR zich bevindt op een grensvlak tussen de somatische
   geneeskunde en de psychiatrie is de indicatiestelling vaak onduidelijk.
   Er zijn patienten waarvan psychiaters zich afvragen of zij niet eerder
   thuishoren in de klassieke psychiatrie en patienten waarvan specialisten
   vinden dat ze eerder op een 'gewone' afdeling thuishoren. Sommige
   patienten blijken achteraf gezien niet vatbaar voor een biopsychosociale
   herdefiniering en motivering tot zelfwerkzaamheid.
 * Er is nog weinig bekend over de werkzame factoren van het
   behandelingspakket. Alleen van het cognitief-gedragstherapeutische en het
   fysieke reconditionering aspect van de behandeling is effectiviteit
   bewezen.
 * Een adequate RIZIV-nomenclatuur voor dit type van multidisciplinaire
   zorg is niet voorhanden.


 Bespreking
 ----------

 Deze literatuurstudie in verband met cognitieve gedragstherapie, CVS en de
 rol van de huisarts hierin leverde geen concrete publicaties met betrekking
 tot de huisartsenpraktijk op. Wel is gebleken dat de cognitieve benadering
 van CVS net als het multifactoriele model van CVS uitgaat van
 voorbeschikkende, uitlokkende en onderhoudende factoren. Met cognitieve
 gedragstherapie wordt er ingegaan op de onderhoudende factoren om zo
 verbetering van de klachten te bekomen. In twee studies van hoge kwaliteit
 werd de effectiviteit en acceptabiliteit van cognitieve gedragstherapie
 aangetoond. Hierbij zijn een aantal kanttekeningen te plaatsen:

 * De studies onderzochten beide poliklinische patienten, zodat er verder
   onderzoek nodig is naar de effectiviteit van CGT bij mildere en
   ernstigere vormen van CVS. Vooral onderzoek van CGT voor patienten met
   een mildere vorm van CVS is voor de huisartsenpraktijk van belang. Het
   zijn immers deze patienten waarmee de huisarts het meest te maken heeft.
   Rekening houden met de duur van de aandoening is ook belangrijk voor het
   nagaan van de effectiviteit van de behandeling. Een langer durende
   aandoening is moeilijker te behandelen en de huisarts ziet vooral de
   patienten in het begin van hun moeiheidsklachten.

 * Alleen individuele cognitieve gedragstherapie werd in deze studies
   onderzocht. Het zou interessant zijn om ook groepstherapie te onderzoeken
   in vergelijking met individuele therapie. Groepstherapie is immers
   kostenbesparend en vereist ook een kleiner aantal therapeuten met goede
   kwaliteiten in de gedragstherapeutische vaardigheden.

 * In beide studies was er een aanhoudende verbetering van de klachten na
   het einde van de behandeling. Het zou daarom interessant zijn om een
   langere follow-up te doen om te zien hoelang deze aanhoudende verbetering
   blijft voortduren en wat het uiteindelijke resultaat is van de
   behandeling.

 * Een andere studie bevestigde het gunstige effect van CGT niet. Er zijn
   echter belangrijke verschillen tussen de therapieen gebruikt in deze
   studie en de ander twee studies, waardoor het verschil in de
   therapieresultaten verklaard kan worden.

 * Een behandeling met progressief opgebouwde trainingen zou ook effectief
   zijn. Het is daarom interessant om in de toekomst te onderzoeken of er een
   significant verschil is in de resultaten met CGT en behandeling met
   progressieve trainingen. Als de trainingen even effectief zouden blijken
   te zijn als CGT dan zou dit belangrijke gevolgen op economisch vlak kunnen
   hebben. Ook zou het probleem dat nu bestaat, namelijk dat er maar weinig
   therapeuten bekwaam zijn om kwalitatief goede CGT te bieden hiermee
   opgelost kunnen worden door kinesisten op te leiden in specifieke
   behandelingstechnieken voor chronisch vermoeide patienten.

 Wat betreft de rol van de huisarts kan er wel vastgesteld worden dat het
 belangrijk is om niet enkel naar specifieke oorzaken voor de klachten van
 de patient te zoeken. Dit bevestigt de somatische fixatie. Het is natuurlijk
 wel belangrijk om organische oorzaken uit te sluiten, maar als deze niet
 gevonden worden dan moet de begeleiding van de patient vooral bestaan uit
 goede psychosociale ondersteuning. De patient moet zich begrepen voelen in
 zijn ziekte.

 Als huisarts heb je vaak meer zicht op eventuele persoonlijke problemen die
 de ziekte zijn voorafgegaan. Het bespreekbaar maken van deze problemen is de
 eerste stap in de richting van het aanvaarden door de patient dat er meer
 mogelijkheden bestaan dan louter lichamelijke oorzaken voor zijn ziekte. Het
 is ook meteen een eerste stap in de richting van het bespreekbaar maken van
 het volgen van cognitieve gedragstherapie.

 Voordat je als huisarts deze stap neemt moet je je eerst verdiepen in de
 cognitieve benadering van CVS en de cognitieve gedragstherapie. Alleen zo
 kan je de patient hierover informeren en ook motiveren tot het volgen van
 deze behandelingsvorm. Je moet natuurlijk ook weten waarheen je de patient
 kan verwijzen voor deze therapie. De beschikbaarheid van bekwame therapeuten
 is gering, dus is het belangrijk te informeren of er in de buurt
 mogelijkheden zijn voor het volgen van cognitieve gedragstherapie.

 Het zou interessant zijn om na te gaan of bet mogelijk is geinteresseerde
 artsen en paramedici op te leiden in het toepassen van cognitieve
 vaardigheden. Voordat deze stap gezet kan worden moet onderzocht worden of
 een eventuele opleiding leidt tot voldoende bekwaamheid. Een andere
 voorwaarde waaraan voldaan moet worden om zo'n opleiding op te zetten is dat
 voldoende artsen geinteresseerd zijn om de opleiding te volgen en met behulp
 van deze opleiding bun CVS-patienten te begeleiden. Ook moeten de technieken
 die gebruikt worden in cognitieve gedragstherapie niet te complex zijn.
 'Eenvoud' van de therapie verhoogt de reproduceerbaarheid van de resultaten:
 hoe ingewikkelder de therapie is, hoe meer bet therapieresultaat afhangt van
 de speciale bekwaamheden van de therapeut. Als het mogelijk zou zijn
 huisartsen in te leiden in cognitieve gedragstherapieen, dan kan hierin ook
 een oplossing gevonden worden voor het tekort en de slechte bereikbaarheid
 van cognitieve gedragstherapeuten. Voordat het echter zover kan komen is
 er nog een lange weg te gaan om te voldoen aan de hierboven vermelde
 voorwaarden.


 Besluit
 -------

 Het uitgangspunt van deze literatuurstudie was de vraag of de huisarts een
 rol heeft in cognitieve gedragstherapie als behandeling voor CVS en wat deze
 eventuele rol van de huisarts is. Een bijkomende vraag is of aspecten van
 de cognitieve aanpak toepasbaar zijn voor de huisarts in de praktijk. Ik ben
 tot deze onderzoeksvraag gekomen doordat uit een reviewartikel, waarin de
 verschillende onderzochte therapieen voor CVS naast elkaar gezet werden,
 bleek dat enkel de effectiviteit van opbouwende trainingen en cognitieve
 gedragstherapie is aangetoond. (4)

 Mijn zoektocht op Medline leverde interessante artikels op, maar geen
 artikels die zich specifiek richten op huisartsen en cognitieve
 gedragstherapie.

 De cognitieve benadering van CVS leidt tot een acceptabele theorie over de
 pathogenese van CVS, (5) die net als het multifactoriele model onderscheid
 maakt in voorbeschikkende, uitlokkende en onderhoudende factoren.

 Er zijn nog veel zaken op het gebied van cognitieve gedragstherapie voor de
 behandeling van CVS, die nog nader onderzocht zouden moeten worden:
 1. De effectiviteit van CGT bij mildere en ernstigere vormen van CVS.
 2. De effectiviteit van groepstherapie in vergelijking met individuele
    therapie.
 3. De effectiviteit van opbouwende trainingen in vergelijking met CGT.
 4. De effecten van CGT op lange termijn.

 Wat de rol van de huisarts betreft in CGT zijn er geen specifieke gegevens
 beschikbaar. Uit de specifieke plaats die de huisarts in de zorg voor
 patienten inneemt zijn wel een paar belangrijke conclusies te trekken:
 1. De huisarts is vaak op de hoogte van mogelijke persoonlijke problemen,
    die mede de ziekte veroorzaken of onderhouden. En kan daardoor de juiste
    persoon zijn om de eerste stap zetten tot het bespreekbaar maken van
    andere dan lichamelijke oorzaken.
 2. De huisarts moet weten dat cognitieve gedragstherapie bestaat en de
    nodige uitleg hierover kunnen geven.

 Het zou interessant zijn om na te gaan of het mogelijk is geinteresseerde
 huisartsen cognitieve gedragstherapeutische technieken aan te leren, zodat
 zij CVS-patienten zelf kunnen begeleiden in hun ziekte.


 Samenvatting
 ------------

 Deze literatuurstudie gaat uit van de vraag of de huisarts een rol heeft in
 cognitieve gedragstherapie als behandeling voor het chronisch
 vermoeidheidsyndroom en wat deze eventuele rol van de huisarts is. Een
 bijkomende vraag is of aspecten van de cognitieve aanpak toepasbaar zijn
 voor de huisarts.

 De gebruikte methode is een literatuurstudie op Medline 1995-2000. Er werd
 gezocht naar artikels aangaande het beleid bij chronisch
 vermoeidheidsyndroom en artikels over chronisch vermoeidheidsyndroom en
 cognitieve gedragstherapie.

 In een onderzoek naar denk- en gedragspatronen van patienten met chronisch
 vermoeidheidsyndroom worden opvallende overeenkomsten teruggevonden.
 Uitgaande van deze vaststelling hebben de onderzoekers een cognitieve
 theorie voor de pathogenese van het chronisch vermoeidheidsyndroom opgesteld,
 waarin voorbeschikkende, uitlokkende en onderhoudende factoren belangrijk
 zijn.

 Uitgaande van deze cognitieve theorie kan men een behandeling ontwikkelen
 voor het chronisch vermoeidheidsyndroom: cognitieve gedragstherapie. Er
 bestaan verschillende varianten en vele toepassingsgebieden van cognitieve
 gedragstherapie. Het gemeenschappelijk uitgangspunt is dat de patienten
 disfunctionele denk- en gedragspatronen vertonen, waarop in de behandeling
 wordt ingegaan.

 In een systematische review waarin de effectiviteit van cognitieve
 gedragstherapie bij chronisch vermoeidheidsyndroom nagegaan wordt blijkt dat
 slechts drie van de dertien in de review gevonden studies voldeden aan de
 inclusiecriteria van de auteurs. In twee van de drie studies werd een
 gunstig resultaat aangetoond. De derde studie bevestigde dit gunstige effect
 niet. Wat verklaard zou kunnen worden door verschillen in de therapievorm.

 Het therapieprogramma op de Psychosomatische Revalidatieafdeling in het
 U.Z. in Leuven sluit aan bij cognitief-gedragstherapeutische programma's.
 Concrete publicaties aangaande cognitieve gedragstherapie en de huisarts
 werden niet gevonden.


 
Literatuurlijst
 ---------------

 1. Epstein KR.
    The chronically fatigued patient.
    Medical clinics of North America 1995: 79(2): 3 15-327.
 
2. Meer JWM van der, Rijken PM, Bleijenberg G, Thomas S,
    Hinloopen RI, Bensing IM.
    Aanwijzingen voor het beleid bij langdurige,
    lichamelijk onverklaarde moeheidsklachten.
    Ned. Tydschr. Geneeskd. 1997: 141: 1516-1519.
 3. Neerinckx E, Van Houdenhove B.
    Het chronische-vermoeidheidsyndroom anno 1999:
    een terugblik en een perspectief.
    Tydschr. Voor Geneeskunde 1999: 24: 1726-1731.
 4. Reid S, Chalder T, Cleare A, HotopfM, Wessely S.
    Extracts from 'Clinical Evidence' Chronic fatigue syndrome.
    BMJ 2000: 320: 292-296.
 5. Cullberg J.
    Moderne psychiatrie. Een psychodynamische benadering.
    7e druk Ambo. p.486.
 
6. Surawy C, Hackmann A, Hawton K, Sharpe M.
    Chronic fatigue syndrome: a cognitive approach
    Behav. Res. Ther. 1995: 33(5): 535-544.
 7. Enright SJ.
    Fortnightly review Cognitive behaviour therapy-clinical applications.
    BMJ 1997: 314:1811-1816.
 8. Price JR, Couper J.
    Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue syndrome
    in adults (Cochrane review).
    In: The Cochrane Library, issue 4, 1999. Oxford: Update Software.
 9. Deale A, Chalder T, Marks I, Wessely S.
    Cognitive behavior therapy for chronic fatigue syndrome:
    a randomized controlled trial.
    Am J Psychiatry 1997: 154: 408-414.
 10.Sharpe M, Hawton K, Simkin S, Surawy C, Hackmann A,
    Klimes I, Peto T, Warrell D, Seagroatt V.
    Cognitive behaviour therapy for the chronic fatigue syndrome:
    a randomised controlled trial.
    BMJ 1996: 312: 22-26.
 11.Lloyd AR, Hickie I, Brockman A, Hickie C,
    Wilson A, Dwyer J, Wakefield D.
    Immunologic and psychologic therapy for patients with
    chronic fatigue syndrome: a double blind, placebo-controlled trial.
    Am JMed 1993: 94: 197-203.
 12.Fulcher KY, White PD.
    Randomised controlled trial of graded exercise in patients
    with the chronic fatigue syndrome.
   
BMJ 1997: 314: 1647-1652.
 13.Van Houdenhove B, Wyckaert S, Goossens L, Ackaert Y, Neerinckx E.
    Psychosomatische revalidatie: leren omgaan met chronische vermoeidheid
    en pijn.
    Tydschr. Voor Geneeskunde 1999: 24: 1746-1752.
 14.Moorkens G, Leroy B, Stuer H, Wynants H, Eyskens J.
    Bijlage bij Sleutelelementen voor de CVS/FMS - brief aan de
    federale minister van sociale zaken. 26/04/2000.