Minder moe met gedragstherapie

 

http://medischcontact.artsennet.nl/search/minder%20moe%20met%20gedragstherapie&os=2&sc=7.45003175735474

 

 

dr. E. van Hoof, Chronic Fatigue Clinic, Vrije Universiteit Brussel
 



Ondanks het schitterende onderzoek van Prins naar het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en gedragstherapie (MC 26-27/2003: 1069), zijn enkele kanttekeningen op zijn plaats.
Bij gebrek aan een empirisch gefundeerde en algemeen aanvaarde wetenschappelijke definitie werden op basis van consensus exclusiecriteria ontwikkeld om de diagnose ‘CVS’ te stellen. Volgens de criteria van het Center for Disease Control and Prevention (1994) moet er sprake zijn van persisterende of terugkerende medisch onverklaarbare moeheid die een duidelijk beginpunt heeft, die niet het gevolg is van geleverde inspanningen en die niet significant vermindert door rust. Tevens dient het familiaal, sociaal en professioneel functioneren ernstig te zijn beperkt door de vermoeidheid. Een tweede voorwaarde is de aanwezigheid van ten minste vier van de acht symptomen (mineure criteria): stoornissen in het korte termijn geheugen en/of de concentratie, keelpijn, pijnlijke en/of gevoelige lymfeklieren, spierpijn, pijn in verschillende gewrichten, niet-verkwikkende slaap, vermoeidheid die minstens 24 uur aanhoudt na een relatief kleine inspanning en dit ten minste gedurende zes maanden.
De meeste studies uit het proefschrift van Prins behelzen patiënten met idiopathische vermoeidheid en zonder CVS! Prins selecteert patiënten op basis van de majeure criteria en níet van de mineure criteria. Vervolgens stopte 28 procent de cognitieve gedragstherapie (CBT) vroegtijdig. De mensen die uit de studie stapten, kwamen voornamelijk uit de groep die CBT kreeg. Meer nog, dit aantal kwam overeen met het percentage mensen dat een gunstig resultaat had. In deze studie werd geen onderscheid gemaakt tussen chronisch vermoeide mensen met en zonder depressie (psychiatrische stoornis). Ook is er weinig bekend over de langetermijneffecten van CBT.
Patiënten moeten anderhalf uur kunnen reizen. Op die manier worden bedlegerige patiënten en mensen die voor transport afhankelijk zijn van derden, uitgesloten. Bovendien mogen mensen die een legale procedure hebben opgestart, niet beginnen. Zo valt een groot aantal chronisch vermoeide patiënten uit de boot!

Brussel, juli 2003