Relaxatie en haar mogelijke paradoxale effecten  bij patienten met chronisch vermoeidheidssyndroom/fibromyalgie.
 ---------------------------------------------------------------

 Universiteit Gent
 FACULTEIT PSYCHOLOGIE EN PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN
 Vakgroep Gedragstherapie en Psychologische begeleiding.

 Promotor: Prof. Dr. G. Crombez
 Co-promotor: Dr. A. Van Duyse

 Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graad van
 Licentiaat in de Psychologie door Stefanie Haezebrouck


 2001


 Woord vooraf.

Aan het schrijven van deze verhandeling ging heel wat werk vooraf. Alle mensen vermelden die mij op één of andere manier hierbij geholpen hebben  is haast onbegonnen werk. Het zijn er teveel. Ik wil hen allen van harte   bedanken.

In de eerste plaats wil ik mijn promotor Prof. Dr. G. Crombez bedanken voor   zijn begeleiding bij de verwezenlijking van dit onderzoek, voor zijn nuttige  tips en het kritisch lezen van mijn teksten.

Mijn co-promotor Dr. An Van Duyse wil ik eveneens bedanken, omdat ze mij
bij  het hele proces, vanaf het prille begin van het onderzoek tot en met het
schrijven van deze verhandeling, begeleid heeft. Ze liet me de kans  zelfstandig te werken, maar was steeds bereid om mijn vragen te beantwoorden en advies te geven. Ze stond bovendien altijd klaar een oplossing te zoeken voor opduikende problemen.

Prof. Dr. J. Devulder en Mevr. Myriam Mornie mag ik zeker niet vergeten,  omdat zij ervoor gezorgd hebben dat dit onderzoek kon plaatsvinden in de  pijnkliniek van het Universitair Ziekenhuis Gent. Ik wil Myriam in het > bijzonder bedanken voor de nodige steun en hulp, maar vooral voor de  aangename samenwerking.

 De patienten wil ik eveneens bedanken voor hun bereidheid aan dit onderzoek  mee te

 werken.
>
> Prof. Dr. W. Michielsen wil ik nog graag vermelden voor het gebruik van de
> accommodatie binnen het psychosomatisch centrum. Ik heb er in het kader
van
> mijn thesis heel wat dagen doorgebracht.
>
> Prof. Dr. G. Bleijenberg wil ik hier ook vernoemen omwille van zijn
> toestemming en advies bij het gebruik van verschillende vragenlijsten.
>
> Mijn woord van dank gaat nog uit naar mijn vriendin Bieke omdat zij steeds
> met het nodig enthousiasme klaarstond om mijn teksten te lezen en te
> corrigeren. Haar suggesties en opmerkingen droegen bij tot de verfraaiing
van
> deze thesis.
>
> Tot slot wil ik mijn ouders bedanken die er voor gezorgd hebben dat ik
deze
> studies kon aanvatten en voltooien. Zij hebben steeds in mij geloofd...
>
>
>
> Stefanie,
> mei 2001.
>
> Inhoudstafel
>
>
Inleiding..................................................................
> I.
Literatuuroverzicht.....................................................
> 1. Chronisch
vermoeidheidssyndroom.........................................
> 1.1.
Inleiding.............................................................
> 1.2. Definitie en
ziektebeeld..............................................
> 1.3. Chronische vermoeidheid doorheen de
geschiedenis......................
> 1.4.
Epidemiologie.........................................................
> 1.5. Verloop van
CVS.......................................................
> 1.6. Oorzakelijke en onderhoudende
factoren................................
> 1.7. Omgaan met
CVS-klachten...............................................
> 2. Habituele
actiebereidheid...............................................
> 2.1.
Inleiding.............................................................
> 2.2.
Onderzoeksbevindingen.................................................
> 2.3. Overactiviteit:
hypothesen............................................
> 2.4. Premorbide overactiviteit en
CVS......................................
> 2.5. HAB en
piekeren.......................................................
> 3. Relaxation-induced
anxiety..............................................
> 3.1.
Inleiding.............................................................
> 3.2.
Onderzoeksbevindingen.................................................
> 3.3. Mechanismen van
RIA...................................................
> 3.4. Hypothesen over
RIA...................................................
> 4. Algemeen
besluit........................................................
> 5.
Probleemstelling........................................................
>
> II.
Methode................................................................
> 2.1.
Deelnemers............................................................
> 2.2.
Meetinstrumenten......................................................
> 2.2.1.
Moeheid.............................................................
> 2.2.2. Dagelijks
functioneren..............................................
> 2.2.3. Attributies en
self-efficacy........................................
> 2.2.4. Psychologisch
welbevinden...........................................
> 2.2.5. Habituele
actiebereidheid...........................................
> 2.2.6.
Piekeren............................................................
> 2.2.7.
Relaxatie-vragenlijsten.............................................
> 2.2.8. Semi-gestructureerd
interview.......................................
> 2.3.
Procedure.............................................................
>
> III.
Resultaten............................................................
> 3.1. Kenmerken van onze
onderzoeksgroep....................................
> 3.1.1.
Moeheidklachten.....................................................
> 3.1.2. Dagelijks
functioneren..............................................
> 3.1.3. Attributies en
self-efficacy........................................
> 3.1.4. Psychologisch
welbevinden...........................................
> 3.2. Correlaties tussen
vragenlijstgegevens................................
> 3.3. Effect van HAB op
relaxatie...........................................
> 3.3.1.
ANOVA's.............................................................
> 3.3.2. Exploratief
onderzoek...............................................
>
> IV.
Discussie..............................................................
>
Referenties................................................................
> Lijst van
bijlagen.........................................................
>
>
>
> Lijst van tabellen
>
> Tabel 1 Gemiddelde waarden en standaarddeviaties op de CIS20R voor
> onze onderzoeksgroep, een CVS-populatie en een gezonde
populatie.
> Tabel 2 Gemiddelde waarden en standaarddeviaties van de SIP68 voor
> onze onderzoeksgroep, een reuma-populatie en een groep
> individuen met diverse gezondheidsklachten.
> Tabel 3 Gemiddelde waarden en standaarddeviaties op de subschalen
> niet-lichamelijke en lichamelijke attributies en de
> SE-vragenlijst voor onze onderzoeksgroep, een CVS-populatie.
> Tabel 4 Gemiddelde waarden (standaarddeviaties) van de SCL-90 van
onze
> onderzoeksgroep, CVS-patienten, patienten met functionele
> buikklachten, een gezonde en psychiatrische populatie.
> Tabel 5 Gemiddelde scores (standaarddeviaties) van de HADS-subschalen
> depressie en angst voor onze onderzoeksgroep, CVS-patienten
> zonder en met een psychiatrische stoornis (CVS 1 resp. CVS
2),
> depressieve patienten en een gezonde controlegroep.
> Tabel 6 Pearson correlatiecoëfficiënten tussen de verschillende
> vragenlijsten.
> Tabel 7 Gemiddelden, F-waarden en significantiewaarden voor de
clusters
> van de eigen vragenlijst rond relaxatie-ervaringen
> voor hoge en lage HAB.
>
> Lijst van figuren
>
> Figuur 1 Gemiddelde score van de hoog en laag HAB op positief
affect
> voor en na de relaxatie.
> Figuur 2 Gemiddelde score van de hoog en laag HAB op negatief affect
> voor en na de relaxatie.
> Figuur 3 Gemiddeld spanningsniveau voor, tijdens en na de relaxatie
> voor lage en hoge HAB.
> Figuur 4 Gemiddelde score van de hoog en laag HAB op het aantal
> somatische klachten voor en na de relaxatie.
>
>
> Inleiding
> ---------
>
> Moeheid is voor elk van ons een herkenbare toestand. Het is een
belangrijke
> klacht. Ongeveer twintig procent van de consultaties bij de dokter zijn
> te wijten aan moeheid (Blondell-Hill & Shafran, 1993). Een kleine
minderheid
> beantwoordt aan de criteria van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
> Deze aandoening vertoont veel overeenkomsten met fibromyalgie (FM). Beide
> syndromen worden gekenmerkt door moeheid, slaapproblemen,
> concentratieproblemen, gewrichtspijn, hoofdpijn... Bij het chronisch
> vermoeidheidssyndroom is de hoofdklacht echter een ernstige invaliderende
> vermoeidheid, die langer dan zes maand duurt en waarvoor geen lichamelijke
> verklaring gevonden wordt. Bij fibromyalgie daarentegen staat een algemeen
> verspreide musculoskeletale pijn (11 van de 18 lichaamspunten zijn
> pijngevoelig) gedurende tenminste drie maand op de voorgrond. Sommige
auteurs
> gaan ervan uit dat beide aandoeningen dezelfde conditie representeren
> (Buchwald, 1996). Gezien alle patienten van mijn onderzoek voldeden aan de
> criteria van CVS, leek het me in het kader van deze thesis niet relevant
een
> onderscheid te maken tussen beide syndromen. Er zal bijgevolg niet dieper
> ingegaan worden op het concept fibromyalgie. Het leek me daarentegen wel
> belangrijk CVS in een eerste hoofdstuk nader toe te lichten. Deze
aandoening
> is immers complexer dan het zich hier laat vermoeden. Dit blijkt uit de
vele
> vragen die nog onbeantwoord blijven over dit syndroom.
>
> Een aantal aspecten die men in verband kan brengen met dit syndroom,
worden
> in hoofdstuk twee en drie behandeld. De rol van activiteit en rust neemt
een
> niet onbelangrijke plaats in binnen de problematiek. Het is echter een
> paradoxaal gegeven, waar patienten voortdurend mee worstelen. Enerzijds
zien
> we heel wat CVS-patienten met een premorbide overactieve levensstijl of
> habituele actiebereidheid. Ze hebben hoge verwachtingen ten aanzien van
hun
> gezondheid en vrij hoge persoonlijke ambities (Van Houdenhove, 1995).
Vanuit
> deze levensstijl zijn ze sneller geneigd hun vroegere activiteiten te
vroeg
> of te heftig te hervatten. Ze rusten veel te weinig (Van Duyse, Mariman &
> Michielsen, 1999).
>
> Anderzijds worden ze door hun ziekte gedwongen tot rust. Rust kan echter
niet
> altijd gelijk gesteld worden aan ontspanning bij deze patienten. Vaak
vormt
> frustratie en spanning een blokkade met angst tot gevolg. Deze
tegenstrijdige
> angst tijdens relaxatie staat in de literatuur bekend als
"relaxation-induced
> anxiety" RIA). In hoofdstuk drie wordt op dit gegeven verder ingegaan.
>
> Het is juist dit verband tussen habituele actiebereidheid en relaxation-
> induced anxiety bij mensen met CVS die mijn interesse wekte. "Ervaren
mensen
> met een hoge habituele actiebereidheid meer negatieve gevoelens tijdens
> relaxatie (RIA) en hebben ze een trek tot piekeren?" In mijn thesis had ik
> als bedoeling deze hypothese door middel van een experimenteel onderzoek
te
> bevestigen. De onderzoeksopzet, de resultaten alsook de discussie worden
in
> het tweede deel besproken.
>
>
> I. Literatuuroverzicht.
> -----------------------
>
> 1. Het chronisch vermoeidheidssyndroom.
> ---------------------------------------
>
> 1.1. Inleiding.
> ---------------
>
> Zoals reeds in de inleiding besproken, wil ik in dit eerste hoofdstuk het
> chronisch vermoeidheidssyndroom kort belichten omwille van zijn
complexiteit.
> Eerst wordt het ziektebeeld uiteengezet, vervolgens wordt kort ingegaan op
> de geschiedenis van chronische vermoeidheid. Daarna komen de
epidemiologie,
> het verloop van de ziekte en de oorzakelijke en onderhoudende factoren aan
> bod. Tot slot wordt gekeken hoe patienten omgaan met hun ziekte.
>
> Vanuit deze inzichten kan dan in het tweede hoofdstuk verder ingegaan
worden
> op het fenomeen "habituele actiebereidheid".
>
>
> 1.2. Definitie en ziektebeeld.
> -------------------------------
>
> Het chronisch vermoeidheidssyndroom (door patienten ook Myalgische
> Encephalomyelitis of M.E. genoemd) is zeker geen eenduidige aandoening.
Het
> klachtenbeeld verschilt van patient tot patient en bestaat vaak uit een
brede
> waaier van medische en psychiatrische symptomen. Daarom heeft men een
aantal
> criteria opgesteld, die gebaseerd zijn op een consensus. Ze zijn in eerste
> instantie bedoeld voor structuuronderzoek (Neerinckx, 1999). Om te kunnen
> spreken van CVS dient er een "klinisch geëvalueerde, onverklaarde
aanhoudende
> of terugkerende chronische moeheid aanwezig te zijn met een nieuw of
> duidelijk begin, die niet het resultaat is van voortdurende inspanning,
niet
> verbetert door rust en die geleid heeft tot een forse afname van vroegere
> niveaus van beroepsmatig, sociaal of persoonlijk functioneren. Verder
dienen
> tenminste vier van de volgende symptomen gedurende tenminste 6 maanden
> voortdurend of herhaaldelijk aanwezig te zijn, en welke niet aanwezig
waren
> voor het ontstaan van de vermoeidheid: keelpijn, pijnlijke klieren,
> spierpijnen, veralgemeende hoofdpijn, migrerende gewrichtspijnen,
cognitief:
> achteruitgang van het kortetermijngeheugen of de concentratie,
> slaapstoornissen, postoefening malaise/moeheid die langer dan 24 u duurt".
>
> Deze criteria - kortweg de CDC-criteria genoemd- werden in 1994 opgesteld
> door het Center of Disease Control in Atlanta (Fukuda et al., 1994). De
> criteria werden opgesteld om een aantal tekortkomingen van de eerdere
> werkdefinitie (Holmes, Kaplan, Gantz et al.,1988) op te lossen. Deze
eerdere
> definitie werd inconsistent toegepast door onderzoekers. Daarenboven
> vertoonde ze een grote mate van symptoomoverlap met psychiatrische
> stoornissen (Friedberg & Jason, 1998).
>
> Differentiaaldiagnostisch dienen we CVS te onderscheiden van verschillende
> lichamelijke en psychiatrische aandoeningen (Bleijenberg, Vercoulen, &
> Bazelmans, 1996; Van der Meer & Elving, 1997). Bij CVS is er vaak een
> psychiatrische comorbiditeit aanwezig: 50 % lijdt naast CVS aan een
> depressie, 25 % aan een angststoornis (David, Wessely & Pelosi, 1991;
Manu,
> Lane & Matthews, 1993). We dienen dus een onderscheid te maken tussen CVS
en
> depressie, gegeneraliseerde angststoornis, ssomatisatiestoornis en
chronische
> moeheid tengevolge van activiteiten of bepaalde belangrijke
> levensveranderingen (Friedberg & Jason, 1998).
>
>
> 1.3. Chronische vermoeidheid doorheen de geschiedenis.
> -------------------------------------------------------
>
> CVS is geen nieuwe medische aandoening. Het syndroom werd voor het eerst
in
> 1750 door Sir Richard Manningham vermeld onder de naam "febricula"
(Lievens,
> 1999). In de negentiende eeuw (1869) sprak de neuroloog George Beard over
> neurasthenie. Het werd toen beschouwd als een volledig organische ziekte
die
> een diepe vermoeidheid van geest en lichaam inhield (Friedberg & Jason,
1998).
> Tegen het einde van de 19e eeuw was neurasthenie één van de meest
> gediagnosticeerde ziekten, waarbij meestal een rustkuur als behandeling
> voorgeschreven werd (Friedberg & Jason, 1998).
>
> Tegen WO I was deze diagnose zo goed als verdwenen en begon men de
klachten
> te beschouwen als een psychiatrische ziekte. Deze zou meer voorkomen bij
de
> lagere sociale klassen (Friedberg & Jason, 1998). Dit leidde tot een
> stigmatisatie en medisch scepticisme, wat er voor gezorgd heeft dat de
ziekte
> van WO I tot 1980 minder leek voor te komen, waarschijnlijk omdat de
artsen
> minder geneigd waren de diagnose te stellen en/of patienten niet zo vlug
meer
> naar de dokter gingen (Friedberg & Jason, 1998). In die periode waren er
wel
> een aantal moeheidepidemieën ("epidemische neuromyasthenie"): tenminste 23
> in de periode 1934-1958 (Henderson & Shelokov, 1959 in Shafran, 1991).
> De meeste situeerden zich in de VS, maar ook IJsland, Duitsland,
Australie,
> Griekenland en Zuid-Afrika bleven niet gespaard. De epidemieen kregen
> allerlei namen: Akureyri ziekte, epidemische vegetatieve neuritis, acute
> infectieve encephalomyelitis, en benigne myalgische encephalomyelitis
> (Shafran, 1991). Men kon ze moeilijk verklaren: ze manifesteerden zich in
> ziekenhuizen en vaak troffen ze de medische staf en niet de patienten
> (Shafran, 1991). In 1948 zag Isaacs een mononucleose-infectie als
verklaring
> voor de aanhoudende vermoeidheid ("infectieuze mononucleosis") (Shafran,
> 1991). Vanaf 1960-1970 werden chronische brucellose en hypoglycemie
> regelmatig als oorzaak naar voren geschoven. In het midden van de jaren 80
> sprak men van het "Epstein Barr virus syndrome" (Friedberg & Jason, 1998).
> Deze link leidde tot de medicalisering van CVS (Friedberg & Jason, 1998).
> In 1984 tenslotte deed zich een nieuwe epidemie voor in het noorden van
> Nevada, wat de naam chronisch vermoeidheidssyndroom kreeg (Friedberg &
> Jason, 1998).
>
>
> 1.4. Epidemiologie.
> --------------------
>
> Epidemiologische gegevens uit verscheidene onderzoeken verschillen nogal
van
> elkaar (Goedseels & Pieters, 1996). In Nederland schat men het aantal
> CVS-patienten op minstens 17.000 (of 112 op 100 000), maar vermoedelijk
zijn
> het er meer (Bazelmans et al., 1997). In Australie komt men tot een lagere
> prevalentie namelijk 37 op 100 000 en in vijf Amerikaanse steden 7.4 op
> 100 000 (Blondel-Hill & Shafran, 1993). Over het algemeen lopen de
> schattingen uiteen van 4 tot 2600 per 100 000 (Jason, Ropacki, et al.,
1997).
> Deze bevindingen zijn afhankelijk van de definitie, de populatie, de
> diagnostische instrumenten en de periode van follow-up die men gebruikt in
> de onderzoeken (Jason, Richman et al., 1997).
>
> Het voorkomen van CVS is niet gelijk verdeeld over de bevolking (Mes & van
> Harten, 1998). Er is sprake van een lichte predominantie van vrouwelijke
> patienten (Shepherd, 1996). Vrouwen zouden twee tot drie keer meer
getroffen
> worden (Galama et al., 1996) en ze zouden ook meer symptomen vertonen dan
> mannen, hoewel dit verschil niet significant is (Chalder, Powell &
Wessely,
> 1996). Toch zijn er ook studies (Buchwald et al., 1995; Jason & Taylor,
> 1994) die deze overrepresentatie van vrouwen tegenspreken. De vraag stelt
> zich hier of vrouwen inderdaad meer CVS hebben of alleen vlugger naar een
> dokter stappen. CVS komt voor in alle leeftijdsklassen, maar ontstaat
meestal
> tussen twintig en vijftig jaar, met een gemiddelde leeftijd van 36
> (Goedseels & Pieters, 1996). De meeste patienten hebben een goede
opleiding,
> komen uit de middenklasse, en hebben een hoger inkomen. Het is evenwel
niet
> duidelijk of deze groep daadwerkelijk een groter risico loopt of zich
> gemakkelijker aanmeldt in de gezondheidszorg (Klonoff, 1992). Lloyd,
Hickie,
> Boughton, Spencer & Wakefield, (1990) rapporteren toch 53 % van hun
> steekproef met beroepen als arbeider, vrachtwagenchauffeur... Deze
> verschillen kunnen te wijten zijn aan een andere rekruteringswijze van de
> proefpersonen (Friedberg & Jason, 1998).
>
>
> 1.5. Verloop van CVS
> ---------------------
>
> Het begin van het ziekteproces bij CVS varieert: het kan plotseling en
acuut
> zijn of juist sluipend ontstaan zonder dat er een duidelijk beginpunt aan
te
> wijzen is (Mes & van Harten, 1998). Het klachtenverloop is vaak
fluctuerend:
> patienten kunnen goede en slechte dagen hebben, goede weken, maanden...
> zonder echt helemaal hersteld te zijn van de klachten (Mes & van Harten,
1998).
> Men kan elk moment getroffen worden door een terugkeer van symptomen, vaak
> als gevolg van een te grote lichamelijke of psychische inspanning (Mes &
van
> Harten, 1998). Andere patienten ondervinden geen verlichting van hun
klachten
> en zijn niet-aflatend chronisch ziek (Mes & van Harten, 1998).
>
> De prognose van CVS is niet zo gunstig. Veel patienten rapporteren wel
> verbetering, maar volledig herstel is eerder zeldzaam. Een recent
overzicht
> (Joyce, Hotoph & Wessely, 1997) concludeert dat de meerderheid van de
> patienten verbetert, maar slechts minder dan tien procent terugkeert naar
> zijn premorbide functioneringsniveau. Het merendeel blijft dus
geinvalideerd.
> CVS is dus een langetermijnziekte. (Klonoff, 1992). Toch rapporteren
> Bleijenberg et al. (1996) een spontaan herstel van 40%. Volgens
> Shepherd (1996) gaat 35 % van de patienten langzaam maar gestaag vooruit,
> bij 40 % fluctueren de klachten maar ze functioneren vaak maar de helft
meer
> in vergelijking met vroeger, 20 % blijft ernstig gehandicapt en boekt
weinig
> of geen vooruitgang. Vijf procent tenslotte verslechtert geleidelijk en
komt
> in een rolstoel terecht of wordt bedlegerig.
>
>
> 1.6. Oorzakelijke en onderhoudende factoren.
> ---------------------------------------------
>
> De eigenlijke oorzaak en pathogenese van CVS zijn vooralsnog onbekend.
Toch
> werden reeds heel wat somatische, psychiatrische en psychosociale
hypothesen
> naar voor geschoven. Somatische hypothesen stellen dat CVS het gevolg is
van
> een persisterende virusinfectie of een stoornis in het immuunsysteem,
> afwijkingen in het centraal zenuwstelsel (de
hypothalamus-hypofyse-bijnier-as),
> spierafwijkingen, intoxicaties... (Mes & van Harten, 1998). Voor geen
enkel
> van bovenstaande hypothesen is voldoende bewijs gevonden (Shepherd, 1996;
> Swanink et al., 1991; Van der Meer & Elving, 1997).
>
> Psychiatrische hypothesen zien CVS eerder als een uiting van een
> psychiatrische stoornis (Goedseels & Pieters, 1996). Bepaalde
> persoonlijkheidskenmerken komen bij CVS-patienten ook meer naar voor: ze
> zouden een hoge prestratiedrang hebben, faalangstig en perfectionistisch
zijn
> (Suraway, Hackman, Hawton & Sharpe, 1995). Deze hypothesen worden eveneens
> tegengesproken, aangezien persoonlijkheidstrekken het gevolg kunnen zijn
van
> langdurige klachten (Mes & van Harten, 1998).
>
> Psychosociale hypothesen tenslotte wijzen op de belangrijke rol van
> belastende levenssituaties of stress voor het optreden van de klachten,
net
> zoals premorbide hyperactiviteit (Mes & van Harten, 1998).
>
> Naast de oorzakelijke factoren spelen ook een aantal factoren een
> onderhoudende rol in de klachten. Ten eerste zijn er de attributies en
> cognities. Zo hebben patienten met CVS foutieve ziekteopvattingen. Ze
> attribueren de klachten aan somatische oorzaken: ze zijn ervan overtuigd
dat
> de klachten een lichamelijke oorzaak hebben en vertonen een sterke
weerstand
> tegen psychologische interpretaties (Wessely & Powell, 1989). Dergelijke
> attributies versterken het gevoel van machteloosheid en depressie, omdat
men
> geen controle heeft over een ziekte zolang men de oorzaak er niet van
vindt
> (Goedseels & Pieters, 1996). Ze kunnen er ook toe leiden dat de invloed
van
> psychische factoren ontkend wordt (Goedseels & Pieters, 1996). Dit
verklaart
> voor een deel de fixatie op de klachten, die we bij de CVS-patienten zien.
> Sterke somatische attributies blijken een ongunstig verloop van de
klachten
> te voorspellen (Wilson et al., 1994). Ze leiden tot het verminderen van
> activiteit en verhogen de kans op het voortbestaan van de klachten
> (Vercoulen, Swanink et al., 1994).
>
> Psychiatrische factoren zoals depressie, angst en zenuwachtigheid
onderhouden
> ook de klachten (Manu et al., 1989). Aangezien de symptomen van een
depressie
> veel gelijkenissen vertonen met CVS, wordt ze vaak niet herkend en worden
de
> eraan gerelateerde klachten toegeschreven aan lichamelijke oorzaken
(Imboden,
> Canter, Cluff & Trever, 1959; Manu, et al., 1989). Spanning speelt verder
een
> belangrijke onderhoudende rol.
>
> Ten derde zijn omgevingsreacties belangrijk. Zo kan de toegenomen zorg en
> aandacht van de omgeving onderhoudend werken (Van Duyse, Mariman &
> Michielsen, 1999). De patient kan zich schikken in zijn situatie. Clements
> (1997) ziet sociale stress als een factor die de ziekte faciliteert: het
> vermijden van sociale situaties speelt een belangrijke rol in het
verergeren
> van de klachten en het toenemen van de invaliditeit. Patienten zien er
vaak
> niet moe uit, waardoor hun klachten niet serieus genomen worden door hun
> omgeving, zelfs niet door artsen ("iedereen is wel eens moe"). Dit kan
leiden
> tot een stresserende werksituatie, relationele conflicten... maar ook tot
> "doctor shopping" (Bleijenberg et al., 1995). Patienten voelen zich niet
> begrepen, wat aanleiding kan geven tot een sociale teruggetrokkenheid
> (sociaal isolement), wat op zijn beurt een versterking van de symptomen in
> de hand werkt (Bleijenberg et al., 1995).
>
> De belangrijkste instandhoudende factoren zijn wellicht gedragsfactoren,
in
> het bijzonder het wisselende activiteitenpatroon van ontregelde activiteit
> en rust, waardoor men in een vicieuze cirkel terechtkomt (Bleijenberg et
> al., 1995; Goedseels & Pieters, 1996; Van Duyse et al., 1999). De klachten
> zorgen er immers voor dat de patient gaat rusten, wat op korte termijn
> gunstig is, maar op lange termijn nadelige gevolgen kan hebben: o. a. een
> achteruitgang van de algemene conditie, een verminderde
inspanningstolerantie,
> spieratrofie ... Naast fysische gevolgen leidt dit in hoofdzaak tot veel
> frustratie (Bleijenberg et al., 1995; Goedseels & Pieters; 1996; Van Duyse
> et al., 1999). We zien immers dat vele CVS-patienten voor het ontstaan van
de
> klachten vaak een erg actieve levensstijl hadden, hoge verwachtingen
t.a.v.
> hun gezondheid en vrij hoge persoonlijke ambities (Van Houdenhove, 1995).
> Als ze nu dikwijls moeten rusten en bepaalde activiteiten achterwege
laten,
> zal dit op lange termijn zeer stresserend zijn (Van Duyse et al., 1999).
> Op momenten dat ze zich beter voelen, vervallen ze dan ook snel in
> overactiviteit, wat op zich niet functioneel en erg belastend is
(Goedseels &
> Pieters, 1996; Van Duyse et al., 1999). Dit resulteert in een toename van
de
> klachten, wat rusten noodzakelijk maakt. De ziekte wordt door deze
vicieuze
> cirkel meer onvoorspelbaar en de patient raakt steeds meer ontregeld (Van
> Duyse et al., 1999). Rust is dus vaak niet recupererend bij CVS.
>
>
> 1.7. Omgaan met CVS-klachten.
> -----------------------------
>
> Hoe CVS-patienten omgaan met hun klachten is afhankelijk van hun
> functioneringsniveau. De meeste patienten gaan eerder passief om met hun
> ziekte. Ze trachten door rusten en het vermijden van activiteit verdere
> uitputting te voorkomen (Van Duyse et al., 1999). Het vermijdingsgedrag
> wordt gemedieerd door een vrees dat activiteit de ziekte en symptomen zal
> doen verergeren. Het doet de patient in de vicieuze cirkel belanden van
> inactiviteit en disfunctionele activiteit (zie eerder). Niet alle
patienten
> hebben echter een laag activiteitenniveau. Een minderheid heeft naast CVS
> een fulltime job, onderhoudt zijn familiale taken en spant zich zelfs in
> geringe mate fysisch in (sport e.d.) (Friedberg & Jason, 1998). Zij die
> proberen hun activiteit te onderhouden blijken beter te functioneren, maar
> ervaren ook meer angst in vergelijking met zij die zich aanpassen aan de
> ziekte (Ray, Jefferies & Weir, 1995).
>
> Ware (1998) onderscheidt vier copingstrategieen bij CVS-patienten. Ten
eerste
> is er een groep, die "prioriteit geeft aan hun werk" en alle andere
> activiteiten elimineert, wat zeer vermoeiend is voor de partner en
> familieleden. Een tweede copingstijl is "beperkte energie compenseren"
door
> een gemakkelijkere job te kiezen of inspanning te verminderen,
bijvoorbeeld
> thuis gaan werken. Een andere hanteringwijze is gewoonweg "geen uiting
geven"
> aan CVS ("passing"). Dit kan door zijn voorkomen te verzorgen, sociale
> situaties te vermijden waar eventueel achteruitgang opgemerkt wordt,
> cognitieve tekorten te verstoppen door bijvoorbeeld te zeggen "Ik ben niet
> zo slim, kun jij dit voor mij doen?". De laatste copingstijl is het
"zoeken
> van flexibiliteit", wat de meest uitdagende en meest houdbare hantering
is.
> Als patienten fulltime werken, nemen ze een kortere werkweek door het
opnemen
> van ziekteverlof of gaan ze parttime werken. Een variabel rooster is een
> andere mogelijkheid, waar periodes van rust en werk elkaar afwisselen. Ze
> veranderen de werkuren of vervangen de taken, afhankelijk van hoe ze zich
> voelen (Ware, 1998).
>
>
> 2. Habituele actiebereidheid.
> -----------------------------
>
> 2.1. Inleiding.
> ---------------
>
> Psychosociale factoren komen steeds meer op de voorgrond te staan bij het
> onderzoek naar CVS (Wessely, 1996). Zo werd in vorig hoofdstuk reeds de
rol
> van belastende gebeurtenissen en stress vermeld. Een andere belangrijke
> psychosociale factor is ongetwijfeld premorbide overactiviteit (Van
> Houdenhove & Neerinckx, 1998) of habituele actiebereidheid. Habituele
> actiebereidheid is de mate waarin iemand gericht is naar directe actie en
> prestatie. In dit tweede hoofdstuk zal dat fenomeen nader bekeken worden.
Na
> een overzicht van het actuele onderzoek, gericht op de prevalentie van
deze
> factor, worden een aantal hypothesen rond overactiviteit belicht, die
nadien
> gekoppeld worden aan CVS.
>
>
> 2.2. Onderzoeksbevindingen.
> ---------------------------
>
> Patienten lijdend aan het chronisch vermoeidheidssyndroom rapporteren
> opvallend vaak een premorbide overactieve levensstijl (Van Houdenhove &
> Neerinckx, 1998). Actie lijkt een belangrijke rol in hun leven te spelen
> (Neerinckx, 1999). Ze vertonen dikwijls een meer dan gewone inzet,
> prestatiegerichtheid en perfectionisme in diverse activiteiten, zowel op
het
> werk, in de sporttraining alsook in de familiale context... (Suraway et
al.,
> 1995; Wemekamp, 1992). Deze overactiviteit kan verschillende vormen
aannemen.
> Sommige patienten zeggen dat ze voorafgaand aan hun vermoeidheidsklachten
> roofbouw gepleegd hebben op hun lichaam door (te) veel te werken of
excessief
> te sporten (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Andere patienten getuigen
van
> een reeds langer bestaande, extreme gerichtheid op plichtsbewust zorgen of
> zijn sinds de kindertijd gericht zijn op overmatig presteren en uitblinken
> (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Tenslotte blijkt overactiviteit soms
een
> symptoom te zijn van dwangmatig streven naar controle en perfectie (Van
> Houdenhove & Neerinckx, 1998). Het schaarse onderzoek naar habituele
> actiebereidheid gebeurde aan de hand van de Vragenlijst voor Habituele
> Actiebereidheid (HAB; Dirken, 1970). Een eerste studie wees uit dat
> CVS-patienten (n = 33), gediagnosticeerd volgens de CDC-criteria en
behorend
> tot een ME-zelfhulpgroep, significant hoger scoorden op habituele
> actiebereidheid dan een groep met chronische organische conditie en een
> psychiatrische controlegroep. Hun scores waren wel gelijk met die van een
> groep patienten met onbegrepen musculoskeletale chronische pijn (Van
> Houdenhove et al., 1995). De resultaten suggereerden dat hoge
actiebereidheid
> gerelateerd is aan somatisch ziektegedrag eerder dan aan een louter
> neurotische ziekte.
>
> Een andere studie bij een klinische CVS-groep (n = 44) vond eveneens
> vergelijkbare hoge waarden op habituele actiebereidheid (Neerinckx et al.,
> 1996 in Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Er bleek ook een omgekeerde
> relatie te bestaan tussen habituele actiebereidheid en het habituele
> angstniveau van de patient, gemeten met de Zelfbeoordelingsvragenlijst
> (ZBV; Van der Ploeg et al., 1980).
>
> Een derde studie vergeleek de zelfbeschrijvingen van patienten met
> CVS (n = 112) en fibromyalgie (n = 67) met deze van significante anderen
> (Neerinckx, Van Houdenhove, Lysens, Vertommen & Onghena, 1999). Er werd
geen
> significant verschil gevonden tussen de gemiddelde HAB-scores van
patienten
> en de beoordelingsscores door significante derden. De CVS-patienten werden
> door hun familieleden als premorbide actieve mensen omschreven, ongeacht
of
> ze sympathie hadden voor hun ziekte of niet (Neerinckx et al., 1999). Meer
> dan 85 % van de significante anderen stemden in met items die de nadruk
> legden op activiteit, gedrevenheid en de capaciteit om te weten hoe zijn
werk
> te organiseren. De quasi unanieme overeenkomst rond deze items bevestigt
nog
> eens het beeld van de premorbide gedreven CVS-patient (Neerinckx et al.,
> 1999).
>
>
> 2.3. Overactiviteit: hypothesen.
> --------------------------------
>
> De redenen waarom mensen overactief zijn, kunnen heel verschillend zijn.
Ze
> kunnen zich situeren in de sociaal-culturele, familiale of persoonlijke
> sfeer, kunnen bewust of onbewust zijn en bovendien varieren van vrije
keuze
> tot externe dwang of noodzaak (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Ten
eerste
> leven we in een maatschappij waar presteren en actie een belangrijke
plaats
> inneemt. Dit geldt waarschijnlijk het meest voor de moderne vrouw, die
vaak
> meerdere fysieke en psychisch belastende taken gaat combineren
(echtgenote,
> huishouden, kinderen, carrière, zorg voor een bejaarde ouder...)
(Wemekamp,
> 1992). De klassieke rolverwachting van eindverantwoordelijkheid voor het
> gezin weegt hierbij het zwaarst ( Light, 1997).
>
> Verder kan overactiviteit ook een manier zijn om met emotionele problemen
en
> psychische stress om te gaan. Werken en sport zijn immers uitstekende
> middelen om de aandacht af te leiden van problemen, om angst en spanning
te
> kanaliseren en depressieve gevoelens te verminderen of voorkomen (Van
> Houdenhove & Neerinckx, 1998). Vooral personen met een hoog habitueel
> angstniveau (zoals zij die als kind mishandeld of misbruikt zijn) lijken
hun
> toevlucht te nemen tot overactiviteit als preferentieel copingmechanisme
> (Van Houdenhove & Neerinckx, 1997).
>
> Een andere verklaring is deze vanuit sociaal-ontwikkelingspsychologische
> hoek. Vaak moeten kinderen al van jongs af zware fysieke arbeid uitoefenen
> of een zieke ouder vervangen in de zorg voor kleine broertjes en zusjes.
> In andere milieus worden kinderen door hun ouders opgezweept tot overmatig
> actief zijn en presteren op school of op sportief vlak, waarbij als het
ware
> een taboe rust op passiviteit, rust en ontspanning. In beide gevallen
wordt
> een zware stempel gedrukt op de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind
en
> de wijze waarop men als volwassene met activiteit omgaat (Van Houdenhove &
> Neerinckx, 1998).
>
> Vanuit een psychodynamisch standpunt tenslotte lijkt overactiviteit soms
> een regulerende intrapsychische rol te vervullen. Bijvoorbeeld mensen die
> vanuit diepgewortelde minderwaardigheidsgevoelens steeds meer en beter
willen
> presteren of bij wie overactiviteit kadert in een overmatige
controlebehoefte
> en perfectiedwang. Tenslotte zijn er nog diegene die hun gefrustreerde
> affectieve en afhankelijkheidsbehoeften (b.v. omdat ze als kind reeds hard
> moesten werken...) overcompenseren door pseudo-onafhankelijk gedrag (niets
> voor zichzelf, alles voor een ander) (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
>
>
> 2.4. Premorbide overactiviteit en CVS.
> --------------------------------------
>
> Als we deze hypothesen bekijken in het licht van CVS dan kunnen pijn- en
> vermoeidheidsklachten een oplossing bieden, wanneer men zich overbelast
voelt.
> Men vlucht in de ziekte (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Dit zou,
gezien
> het veelvoudige takenpakket van de moderne vrouw, een verklaring kunnen
> vormen voor het vrouwelijke overwicht onder de chronisch vermoeiden
(Wemekamp,
> 1992).
>
> Personen bij wie overactiviteit een manier is om met stress om te gaan,
> zullen in de problemen geraken als de mogelijkheid om actief te zijn,
> vermindert of wegvalt (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). Gevoelens van
angst,
> innerlijke onrust en spanning of depressie kunnen de kop opsteken en de
> patient overspoelen bij een langdurige rustperiode ten gevolge van een
> uitputtende infectie of een moeizaam herstel na een operatie. Via
medierende
> psychofysiologische mechanismen (autonome arousal, spierspanning,
> hyperventilatie, slaapproblemen) kunnen de reeds aanwezige vermoeidheid-
en
> pijnklachten verder onderhouden en versterkt worden (Van Houdenhove &
> Neerinckx, 1998).
>
> Zij die ondanks hun voortdurende prestaties hun ideaal niet bereiken of de
> gewenste waardering niet krijgen kunnen lichamelijke ziekte aangrijpen om
> de mislukking buiten zichzelf te plaatsen ("het ligt niet aan mij, maar
aan
> de ziekte ME, die heeft mij geveld") (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
Door
> middel van deze cognitieve strategie (somatische attributie) kunnen ze
> enerzijds hun zelfwaardegevoel vrijwaren, maar anderzijds gaan ze steeds
meer
> vastzitten in deze zelf-handicapperende strategie (Organista & Miranda,
1993).
> Ook wanneer overactiviteit wegvalt als noodzakelijk intrapsychisch
> regulatiemechanisme kan het uit balans geraakte evenwicht een geschikte
> voedingsbodem vormen voor chronisch lichamelijk ziektegedrag (Van
Houdenhove &
> Neerinckx, 1998). In dit geval worden de rollen omgekeerd: anderen kunnen
nu
> voor mij zorgen, ik heb altijd voor hen gezorgd (Van Houdenhove et al.,
1995).
> Aanhoudende overactiviteit kan verder een ernstige stressfactor vormen die
> op den duur leidt tot fysieke en psychische uitputting (Van Houdenhove &
> Neerinckx, 1998). Tenslotte kunnen personen die overactief waren zich door
> hun klachten (CVS) meer gehinderd voelen. Ze kunnen niet meer wat ze
normaal
> voor ogen hebben en met minder zijn ze niet tevreden. Daardoor gaan ze
> omwille van hun "alles of niets" stijl en perfectionisme frequent het
> typische zaagtandfenomeen vertonen. Dit zaagtandfenomeen zijn opstoten van
> activiteit tijdens betere periodes, gevolgd door een totale terugval in
> inactiviteit (Goedseels & Pieters, 1996).
>
> Het is vooralsnog onduidelijk of de relatie tussen overactiviteit en CVS
een
> specifiek karakter heeft (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998). In 1987
> vestigden Van Houdenhove et al. reeds de aandacht op een meer actieve
> premorbide levensstijl van chronische pijnpatienten in vergelijking met
> andere medische en psychiatrische groepen. Sindsdien is het nog niet
> duidelijk of er een specifiek verband bestaat tussen overactiviteit en
> chronische musculoskeletale pijn. Misschien delen onverklaarbare pijn en
> moeheid gemeenschappelijke etiopathogene mechanismen en zijn ze de grote
> somatoforme symptomen van het einde van de twintigste eeuw (Shorter,
1992).
>
>
> 2.5. Habituele actiebereidheid en piekeren.
> -------------------------------------------
>
> Tenslotte gaan we ervan uit dat personen met een hoge habituele
> actiebereidheid tijdens het dagelijks leven weinig piekeren. Ze gebruiken
> overactiviteit als een copingstijl om met allerlei gevoelens en gedachten
om
> te gaan. We verwachten echter dat deze subgroep meer gaat piekeren tijdens
> relaxatie. Allerlei externe stimuli vallen immers weg en de aandacht wordt
> op zichzelf gevestigd. Dit kan leiden tot een toename van angst, ook wel
> relaxation-induced anxiety (RIA) genoemd.
>
>
> 3. Relaxation-Induced Anxiety.
> -----------------------------
>
> 3.1. Inleiding.
> ---------------
>
> Relaxatie wordt frequent gebruikt in de behandeling van spannings- en
> angstklachten omwille van zijn gunstig effect. Onderzoek suggereert echter
> dat ontspanning ook angst kan uitlokken of verergeren bij bepaalde
personen
> (Braith, Cullough & Bush, 1988; Heide & Borkovec, 1983). Niet iedereen
blijkt
> dus baat te hebben bij relaxatie. Sommige personen worden net onrustig of
> angstig door ontspanning, een fenomeen in de literatuur bekend als
> Relaxation-Induced Anxiety (RIA). Het is deze term die ook in het vorig
> hoofdstuk reeds kort aangehaald werd en waarop ik nu dieper wil ingaan.
> Eerst worden de onderzoeksbevindingen, gericht op de prevalentie,
toegelicht
> en daarna worden mechanismen en mogelijke hypothesen over RIA uiteengezet.
>
>
> 3.2. Onderzoeksbevindingen.
> ---------------------------
>
> De prevalentie van RIA is nog niet gekend. Verschillende auteurs maken
> melding van het fenomeen (Borkovec & Grayson, 1978; Borkovec & Grayson,
> 1980; Borkovec & Hennings, 1978; Edinger & Jacobson, 1982; Khasky & Smith,
> 1999; LeBoeuf, 1986; McKeachie, 1985; Wells, 1990), maar er bestaan
slechts
> enkele studies waarin het onderwerp systematisch onderzocht werd. Zo
hebben
> Heide en Borkovec in 1983 een éénmalige sessie progressieve relaxatie en
> transcendentale meditatie met elkaar vergeleken bij veertien subjecten met
> spanningsklachten. Ze vonden een incidentie van 30.8 % RIA bij
progressieve
> relaxatie en 53.8 % bij transcendentale meditatie. Een replicatie van deze
> studie door Braith et al. (1988) bij dertig chronisch angstige studenten
> vond een incidentie van 17 % bij progressieve relaxatie. Norton, Rhodes,
> Hauch & Kaprowy (1985) zagen bij een klein aantal subjecten een paradoxale
> toename van angst zowel tijdens een training in meditatie (16.7 %) als in
> progressieve relaxatie (10 %).
>
> De subjecten met RIA in de studie van Braith et al. (1988) waren allemaal
> vrouwen en hadden gemiddeld 2.5 jaar last van angst. Ze hadden een meer
> interne locus of control en vertoonden zowel veralgemeende angst als angst
> om de controle te verliezen. De personen in de studie van Norton et
> al. (1985) die angstig werden tijden progressieve relaxatie waren sterk
> cognitief angstig en stonden open voor nieuwe ervaringen. Zij die angstig
> werden tijdens meditatie hadden weinig cognitieve angst en stonden niet
open
> voor nieuwe ervaringen.
>
> Volgens Heide en Borkovec (1984) zijn vooral personen met een
gegeneraliseerde
> angststoornis geneigd tot het ontwikkelen van RIA. De mogelijkheid zich te
> ontspannen is fundamenteel in het verminderen van angst (Borkovec, Mathews
> et al., 1987). Als nu ontspanning angst uitlokt, dan wordt het zich leren
> ontspannen en het gebruiken van deze vaardigheid om dagelijkse angst te
> overwinnen, wel een heel moeilijke opgave en zal geen verbetering optreden
> (Borkovec et al., 1987). Bij gegeneraliseerde angststoornis kan het
dagelijks
> onderhouden van hoger dan normale spanning een aangeleerde
vermijdingsrespons
> zijn op relaxatie (Borkovec et al., 1987).
>
>
> 3.3. Mechanismen van RIA.
> -------------------------
>
> Vijf mechanismen werden vooropgesteld om het fenomeen te verklaren (Heide
&
> Borkovec, 1984). Ten eerste kan men angst hebben voor de neveneffecten van
> relaxatie (Heide & Borkovec, 1984). Ondanks hun diversiteit kunnen we ze
in
> drie categorieen onderverdelen. (1) Er kunnen sensorische veranderingen
> optreden zoals een gevoel van zweven of zwaarte, tintelingen, warmte of
> koude, gevoelloosheid, verandering in waargenomen lichaamsomvang of
orientatie
> en heel wat visuele, auditieve, gustatorische en olfactorische beelden
> (Bernstein & Borkovec, 1973; Budzynski, Stoya & Peffer, 1980; Carrington,
> 1977 in Heide & Borkovec, 1984). Deze effecten worden deels veroorzaakt
door
> een parasympathische dominantie tijdens relaxatie, wat resulteert in
perifere
> vasodilatatie en gevoelens van warmte en zwaarte (Budzynski et al., 1980;
> Lazarus & Mayne, 1990; Ley, 1988). (2) Bij ontspanning kunnen ook
ongekende
> fysiologische en gedragsmatige reacties voorkomen zoals beven, tics,
spasmen,
> krampen, rusteloosheid... (Fenwick, Donaldson, Gillis, Bushman, Fenton,
Perry,
> Tilsey en Serafinowicz, 1977 in Heide & Borkovec, 1984; Goleman, 1971 in
> Heide & Borkovec, 1984) of uitbarstingen van sympathische activiteit zoals
> hartkloppingen, klamme handpalmen... (Carrington, 1977 in Heide &
Borkovec,
> 1984). (3) Er treden soms ook ongewone cognitief-affectieve neveneffecten
> op. Dit kunnen verstorende gedachten, beelden zijn of gevoelens van
vreugde,
> verdriet, woede... (Carrington, 1977 in Heide & Borkovec, 1984; Glueck en
> Stroebel, 1975 in Heide & Borkovec, 1984).
>
> Dit mechanisme zou vooral van toepassing zijn bij chronisch gespannen en
> angstige mensen (Carrington, 1977 in Heide & Borkovec, 1984). Bij hen kan
> de parasympathische activiteit, waarmee ze niet vertrouwd zijn, aanleiding
> geven tot onrust en angst. Ze gaan deze somatische symptomen catastrofaal
> interpreteren, wat angst uitlokt of verergert (Wells, 1990).
>
> Een tweede mechanisme van RIA is angst om de controle te verliezen of
> ontspanning trachten te bereiken door actieve, inspannende strategieen
> (Heide & Borkovec, 1984). Twee belangrijke opvattingen, die hier achter
> schuilen, zijn het geloof in de noodzaak om de controle te behouden en het
> geloof in de universele efficientie van actieve, inspannende strategieen
als
> een middel om dat doel te bereiken (Heide & Borkovec, 1984). Mensen met
> dergelijke opvattingen willen de controle behouden omdat ze geloven dat
dit
> de beste manier is om een doel te bereiken, ofwel omdat ze bang zijn voor
de
> gevolgen, als ze de controle verliezen (Heide & Borkovec, 1984).
>
> Zo kunnen personen die veel gevoelens wegdrukken zich tijdens relaxatie,
dus
> in afwezigheid van normale defensiemechanismen, meer bewust worden van
> gevoelens die ze trachten te onderdrukken (Fahrion & Norris, 1990). Dit
kan
> een plotse angst voor controleverlies uitlokken, wat heel wat arousal en
> angst tot gevolg heeft (Fahrion & Norris, 1990). Andere personen met
> competitieve en perfectionistische persoonlijkheidskenmerken zullen
relaxatie
> zien als een uitdaging en zullen te hard proberen om zich te ontspannen
> (Fogle, 1978). Dit heeft een tegengesteld effect: ze worden meer
gespannen.
> Dit "trying-too-hard-syndroom" noemde Fogle "aangeleerde rusteloosheid".
Het
> is vaak een poging om te ontsnappen aan of het vermijden van hun eigen
> ongewenste reacties (angst, frustratie, depressie...) in bepaalde
situaties
> (Fogle, 1978).
>
> Een derde mechanisme van RIA is angst voor het ervaren van de eigen angst
en
> spanning, waarop de aandacht gericht is tijdens relaxatie (Heide &
Borkovec,
> 1984). Deze angst produceert steeds meer angst in een positieve spiraal
> (Wells, 1990). Door relaxatie gaan angstige mensen meer hun aandacht meer
> richten op lichamelijke processen of gedachten (Heide & Borkovec, 1984).
> Deze zelfgerichte aandacht kan angst uitlokken of verergeren doordat men
zich
> meer bewust wordt van somatische symptomen die men catastrofaal gaat
> interpreteren (Wells, 1990). Ascher (1980) stelt dat deze individuen in
een
> voortdurende strijd verwikkeld zitten om hun angst onder controle te
krijgen.
> Elke nieuwe situatie is een test voor hen. Dit zorgt ervoor dat ze hun
> fysiologische reacties goed in het oog houden, wat opnieuw meer angst
> veroorzaakt. Relaxatie leidt uiteindelijk bij deze mensen tot de conclusie
> dat hun probleem oncontroleerbaar is, wat hen nog angstiger maakt (Ascher,
> 1980). Een verhoogd zelfgericht verwerken van informatie kan zowel een
> paniekstoornis ontwikkelen alsook RIA (Wells, 1990).
>
> Een vierde mechanisme van RIA is angst om aandacht te schenken aan
innerlijke
> ervaringen ten gevolge van een ontevredenheid met zichzelf (Heide &
Borkovec,
> 1984). Individuen die niet tevreden zijn met zichzelf kunnen dus bang zijn
> voor interne stimuli die niet rechtstreeks verbonden zijn met
ontspannings-
> of angstsensaties (Heide & Borkovec, 1984). Sackheim en Gur (1978) stellen
> dat het richten van zijn aandacht op zichzelf, een subject meer bewust
maakt
> van dingen die hij niet graag ziet. Dit bewustzijn is aversief en
resulteert
> in angst. Zij vonden in één van hun onderzoeken dat de reactiviteit op
> zelfconfrontatie groter was voor subjecten die hoog scoorden op cognitieve
> discrepantie, wat de graad van dissatisfactie met bepaalde delen van
zichzelf
> mat.
>
> Als laatste mechanisme zien Heide en Borkovec (1984) een verhoogde arousal
> ten gevolge van piekeren of zich zorgen maken over zaken die niets met de
> relaxatie te maken hebben. Deze zorgen worden gezien als een vorm van
> cognitieve angst die fysiologische of gedragsmatige arousal veroorzaken.
> Afleidende gedachten zijn waarschijnlijk de meest disruptieve factoren
> tijdens relaxatie (Heide en Borkovec, 1983).
>
>
> 3.4. Hypothesen over RIA.
> -------------------------
>
> Heide en Borkovec (1984) suggereerden op basis van de voorafgaande
mechanismen
> een model van RIA. Zij stelden dat somatische, affectieve en cognitieve
> effecten van ontspanning, die als bedreigend ervaren worden (mechanisme 1)
> misschien te wijten zijn aan het verlies van controle dat ze belichamen.
> Verlies van controle wordt vermeden omdat dit een waargenomen dreiging is
> voor coping en overleven (mechanisme 3) of een bedreiging van sociale
> aanvaarding. Om zich te wapenen tegen controleverlies kunnen individuen
> inspannende strategieen gebruiken om met de omgeving en met hun angsten om
> te gaan en deze te controleren. Dergelijke strategieen onderhouden vaak
> spanning en hebben een tegengesteld effect: ze veroorzaken meer spanning
> (mechanisme 2). Inspannende strategieen gaan ook inactiviteit bevorderen
en
> de geassocieerde negatieve sociale gevolgen. Tenslotte kunnen individuen
een
> grotere afkeur ontwikkelen ten aanzien van introspectie (mechanisme 4) om
> bewustzijn van die angsten te vermijden.
>
> Hierbij aansluitend maken Shear en Aiken (1991) een onderscheid tussen
> fysiologische en psychologische relaxatie. Fysiologische relaxatie omvat
de
> fysiologische neveneffecten van relaxatie (mechanisme 1; Heide & Borkovec,
> 1984) en onder psychologische relaxatie verstaan ze een optimale
> neuromusculaire integratie. Dit is het integreren van congruente
informatie
> in het neuromusculair systeem, wat ontspannen verloopt. Is de informatie
> incongruent, dan is het systeem tijdelijk verstoord en treedt er angst op.
> RIA ontstaat dus wanneer inspanningen om fysiologische relaxatie te
creeren
> fenomenen uitlokken die niet optimaal in het neuromusculair systeem
> geintegreerd zijn, of als het fysiologisch relaxatieproces op zich mensen
> meer bewust maakt van gebeurtenissen die niet geintegreerd zijn in hun
> systeem. Er is geen psychologische relaxatie. Deze hypothesen kunnen
> aansluiting vinden bij het eerste en vierde mechanisme van het
voorafgaande
> model (Heide en Borkovec, 1984). Men kan bepaalde sensaties waarnemen,
waar
> men niet mee vertrouwd is. Deze sensaties zijn niet congruent met het
systeem,
> wat angst (RIA) tot gevolg kan hebben (mechanisme 1; Heide en Borkovec,
> 1984). Daarnaast kan relaxatie eveneens de aandacht richten op innerlijke
> ervaringen die men liever niet ziet (mechanisme 4; Heide en Borkovec,
1984).
> Dit kan leiden tot een cognitieve discrepantie, wat psychologische
relaxatie
> tegenwerkt.
>
> De verschillende mechanismen die Heide en Borkovec (1984) in hun model
> suggereren (angst voor sensaties tijdens relaxatie, angst voor
controleverlies
> en angst voor de eigen angst) sluiten ook aan bij het model van Davidson
en
> Schwartz (1976). In dit model zijn drie dimensies belangrijk voor
ontspanning:
> een cognitieve, somatische en aandachtsdimensie. De cognitieve dimensie
omvat
> piekeren (mechanisme 5; Heide & Borkovec,1984). De somatische angst is
> verbonden met de verschillende neveneffecten van relaxatie (mechanisme 1;
> Heide & Borkovec, 1984). De aandachtsdimensie tenslotte is het zelf
genereren
> van gedrag en zijn aandacht richten op de resultaten ervan, wat resulteert
in
> vermindering van het bewustzijn (Davidson & Schwartz, 1976). Deze laatste
> dimensie vinden we bij Heide en Borkovec (1984) bij het derde mechanisme
> terug.
>
> Dit model formuleert een andere hypothese over RIA. RIA zou het gevolg
zijn
> van een discrepantie tussen de manier waarop een subject angst ervaart
> (cognitief of somatisch) en het soort relaxatie (progressieve relaxatie,
> meditatie). Schwartz en Davidson (1976) maken een onderscheid tussen
> cognitief (b.v. meditatie) en somatisch georienteerde methoden (b.v.
> progressieve relaxatie). De eerste soort technieken is bedoeld om
cognitieve
> arousal te verminderen en de tweede om somatische symptomen te doen
afnemen.
> Het effect van relaxatie is een interactie tussen de manier waarop een
> subject angst ervaart en de soort relaxatie.
>
> Bewijs voor deze hypothesen vinden we onder andere terug in een studie van
> Norton & Johnson (1983) en Norton et al. (1985) (zie eerder). In de eerste
> studie verbeterden subjecten die somatische angst ervaarden significant op
> angstmetingen na progressieve relaxatie, maar niet na meditatie.
>
> Een laatste hypothese over RIA legt een verband met het cognitief
> labelingsproces. Scheufele (1999) suggereert dat het cognitief
> labelingsproces (het benoemen van verminderde arousal als ontspannend) een
> bijkomend ontspanningsmechanisme kan zijn. In zijn studie vond hij dat
mensen
> met progressieve relaxatie het meest ontspannen waren in vergelijking met
> anderen (klassieke muziek, stilte- of aandachtsgroep) omdat ze zich meer
als
> ontspannen beoordeelden dan de andere condities, waar er geen duidelijke
> cognitieve ontspanningscues aanwezig waren. Dit kan verklaren waarom
sommige
> technieken RIA veroorzaken. Individuen die verbeeldings- of meditatieve
> relaxatietechnieken gebruiken hebben geen duidelijke cognitieve cues
waardoor
> ze hun verminderde arousal als ontspannend kunnen beschrijven, wat er
> uiteindelijk voor zorgt dat ze de situatie als angstuitlokkend aanvoelen.
>
>
>
> 4. Algemeen besluit.
> --------------------
>
> Het chronisch vermoeidheidssyndroom wordt gekenmerkt door een ernstige
> invaliderende vermoeidheid die langer dan zes maand duurt en waarvoor geen
> lichamelijk verklaring gevonden wordt. Verschillende andere symptomen
kunnen
> aanwezig zijn zoals spierpijnen, hoofdpijn, slaapproblemen en
> concentratieproblemen. Er wordt wel eens gesuggereerd dat het een
hedendaagse
> ziekte is, maar niets is minder waar. Reeds in de achttiende eeuw werd
> melding gemaakt van chronische moeheid. Ondanks deze voorgeschiedenis en
> veelvuldig onderzoek zijn de oorzaak en pathogenese van het syndroom nog
niet
> gekend. CVS is dan ook een multicausaal syndroom, waar een eveneens een
> aantal factoren een onderhoudende rol spelen. Het ontstaan en verloop van
de
> klachten verschillen sterk van patient tot patient net zoals de klachten
zelf.
>
> Het combineren van activiteit en rust vormt bij CVS vaak een belangrijk
> spanningsveld. Enerzijds is er activiteit: patienten met CVS vertonen
> opvallend vaak een premorbide overactieve levensstijl (Van Houdenhove &
> Neerinckx, 1998) of habituele actiebereidheid. Anderzijds is rust en het
> vermijden van activiteit vaak de enige manier om met hun vermoeidheid om
te
> gaan. Zo hopen ze te herstellen en verdere uitputting te voorkomen.
>
> Deze twee aspecten leiden vaak tot "het zaagtandprofiel" bij
CVS-patienten.
> Dit zijn opstoten van activiteit tijdens betere periodes, gevolgd door een
> totale terugval in inactiviteit nadien (Goedseels & Pieters, 1996). Het
> langdurig rusten geeft op lange termijn nadelige fysische gevolgen (een
> achteruitgang van de conditie, verminderde inspanningstolerantie...), maar
> leidt vooral tot heel wat frustratie. Vele CVS-patienten waren vroeger
zeer
> actief. Nu moeten ze veel rusten en dienen bepaalde activiteiten
achterwege
> te laten. Dit kan heel stresserend zijn (Van Duyse et al., 1999). Op
momenten
> dat ze zich beter voelen, vervallen ze dan ook in overactiviteit, wat
> resulteert in een toename van de klachten en rusten opnieuw noodzakelijk
> maakt. (Van Duyse et al., 1999; Goedseels & Pieters, 1996).
>
> Het zijn dus vooral personen met een hoge habituele actiebereidheid die
> vlugger geneigd zijn in dit typische zaagtandpatroon te vervallen. Voor
die
> personen wordt het op lange termijn extra moeilijk om tot rust te komen en
> zich te ontspannen. Ontspanning is nochtans cruciaal bij CVS. In het
eerste
> hoofdstuk zagen we immers dat spanning één van de onderhoudende factoren
van
> het syndroom is. Emotionele stress veroorzaakt bepaalde fysiopathologische
> veranderingen (slechte slaap, verminderde fitheid...) die kunnen bijdragen
> tot het verergeren van de symptomen. Daarenboven komt nog dat rust vaak
niet
> recupererend is bij CVS. Relaxatietechnieken dienen dus te zorgen voor een
> betere kwaliteit van het rusten, voor een rustigere slaap en voor een
betere
> stresshantering.
>
> Toch is ontspanning bij CVS om verschillende redenen niet vanzelfsprekend.
> Ten eerste wordt tijdens relaxatie de aandacht op zichzelf gericht.
Hierdoor
> kunnen CVS-patienten zich meer bewust worden van allerlei sensaties,
waarmee
> ze niet vertrouwd zijn. Dit kan spanning of angst uitlokken: relaxation-
> induced anxiety (RIA). Deze toegenomen spanning/ angst tijdens relaxatie
> ondermijnt het gunstig effect van ontspanning.
>
> Ten tweede kunnen mensen met hoge actiebereidheid een overactieve
levensstijl
> aanwenden als een manier om met stress om te gaan. Tijdens relaxatie
kunnen
> ze echter geen gebruik maken van hun normale copingmechanismen en komen ze
> in de problemen. Allerlei negatieve gevoelens steken de kop op. Vaak zijn
> het gevoelens die ze voordien weggedrukt hadden door activiteit. De plotse
> confrontatie met deze gevoelens kan angst voor controleverlies tot gevolg
> hebben. Dit zien Heide en Borkovec (1984) als een tweede mechanisme van
RIA.
>
> Een andere mogelijkheid is dat CVS-patienten een aangeleerde rusteloosheid
> vertonen (Fogle, 1978). Vanuit hun gedrevenheid proberen ze te hard om
zich
> te ontspannen. Door middel van inspannende strategieen, waarmee ze
vertrouwd
> zijn, trachten ze ontspanning te bereiken. Dit heeft een tegengesteld
effect
> en kan RIA veroorzaken (mechanisme 2; Heide & Borkovec, 1984).
>
> Verder blijkt habituele actiebereidheid soms een symptoom te zijn van een
> dwangmatig streven naar controle en perfectie (Van Houdenhove & Neerinckx,
> 1998). Perfectionistische mensen zijn zelden tevreden met zichzelf en
kunnen
> dus angstig zijn om de aandacht op zichzelf te richten. Dit hebben Heide
en
> Borkovec (1984) omschreven als een vierde mechanisme van RIA.
>
> Tenslotte zou relaxatie er voor kunnen zorgen dat personen met een hoge
> habituele actiebereidheid meer gaan piekeren. Overactiviteit is voor hen
een
> copingstijl om met allerlei gevoelens en gedachten om te gaan. Dit valt
> echter weg bij ontspanning, waardoor gedachten eveneens meer naar boven
> komen. Dit kan opnieuw leiden tot een toegenomen spanning tijdens
relaxatie.
> Dit valt onder het vijfde mechanisme van het model van Heide en Borkovec
> (1984).
>
>
> 5. Probleemstelling.
> --------------------
>
> In het voorafgaand deel werd duidelijk dat er verbanden bestaan tussen
> habituele actiebereidheid, relaxatie-geinduceerde angst en piekeren bij
> mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Op basis van dit
theoretisch
> kader wordt in het vervolg van deze thesis een empirische studie
beschreven.
> Het onderzoek gaat de hypothese na of CVS-patienten met een hoge habituele
> actiebereidheid meer negatieve gevoelens ervaren tijdens relaxatie (RIA)
dan
> diegenen met een lage habituele actiebereidheid. We gaan er eveneens van
uit
> dat mensen met een hoge habituele actiebereidheid meer piekeren tijdens
> relaxatie.
>
> Om deze doelstelling te kunnen operationaliseren wordt gebruik gemaakt van
> een aantal vragenlijsten en een experimenteel onderzoek bij 41 personen
met
> het chronisch vermoeidheidssyndroom. Aan de hand van vragenlijsten
trachten
> we verschillende aspecten van het chronisch vermoeidheidssyndroom te
meten:
> moeheid, psychologisch welbevinden, dagelijks functioneren en functionele
> hinder, attributies, self-efficacy, habituele actiebereidheid en piekeren.
>
> Een experimenteel onderzoek wordt opgezet in de pijnkliniek en in het
> psychosomatisch centrum van het Universitair Ziekenhuis Gent en kadert
binnen
> een grotere studie naar CVS. Er vindt een korte relaxatieoefening plaats,
> die een kleine twintig minuten in beslag neemt. De eerste zeven minuten
> omvatten een korte relaxatie-instructie op cassette ingesproken en daarna
> volgen nog tien minuten stilte om de ontspanning verder te verdiepen. In
de
> relaxatie-instructie wordt hen specifiek gevraagd zich te ontspannen en
geen
> aandacht te besteden aan gedachten die eventueel opkomen.
>
> Voor en na de relaxatieoefening worden eveneens een aantal vragenlijsten
> afgenomen: de Positive Affect Negative Affect Scales (PANAS), Reactions to
> Relaxation and Arousal Questionnaire (RRAQ) en een somatische
klachtenlijst.
> Na de relaxatie wordt er nog een eigen vragenlijst over
relaxatie-ervaringen
> toegevoegd. Het onderzoek eindigt met een semi-gestructureerd interview
over
> gevoelens en gedachten tijdens de relaxatie. Deze vragenlijsten worden in
> functie van habituele actiebereidheid geanalyseerd.
>
> Verwacht wordt dat patienten met een hoge habituele actiebereidheid meer
> negatieve gevoelens ervaren tijdens relaxatie en meer zullen piekeren dan
> patienten met een lage habituele actiebereidheid.
>
>
> II. Methode
> -----------
>
> 2.1. Deelnemers.
> ----------------
>
> Er namen oorspronkelijk 41 personen met chronisch vermoeidheidssyndroom,
> fibromyalgie deel aan het onderzoek. 1 persoon werd bij analyse van de
> gegevens weerhouden omdat er te veel ontbrekende gegevens waren. De
> geselecteerde deelnemers waren patienten van het Universitair Ziekenhuis
Gent,
> verbonden aan de Universiteit Gent. De groep deelnemers bestond uit 11
mannen
> (27.5 %) en 29 vrouwen (72.5 %). De leeftijd varieerde van 26 tot 58 jaar
met
> als gemiddelde leeftijd 42.33 jaar (SD = 8.71). De gemiddelde duur van de
> klachten bedroeg 9.53 jaar (SD = 5.68), gaande van 2 jaar tot 25 jaar. De
> meeste personen waren gehuwd of woonden samen (65 %), 22.5 % was
vrijgezel,
> 10 % was gescheiden en 2.5 % weduwe. Van alle deelnemers had 42.5 % een
> invaliditeitsuitkering, 20 % een ziekte-uitkering en 2.5 % had beide
> uitkeringen. Slechts 10 % had een fulltime job en 12 % een parttime job.
> CVS/ME wordt door 77.5 % van de deelnemers gezien als de oorzaak voor het
> niet kunnen werken of deeltijds werken. Qua opleidingsniveau zien we dat
> 35 % van de steekproef hogere studies gevolgd heeft (23.5 %
niet-universitair,
> 12.5 % universitair), 50 % middelbaar onderwijs en 15% lager onderwijs.
Alle
> deelnemers voldeden tenslotte aan de CDC-criteria (Fukuda et al., 1994)
voor
> chronische vermoeidheidssyndroom.
>
>
> 2.2. Meetinstrumenten.
> -----------------------
>
> Alle deelnemers kregen voor het onderzoek een aantal vragenlijsten
toegestuurd
> om in te vullen. Deze testbatterij omvatte een algemene intake, algemene
> moeheidsvragenlijst, Checklist Individual Strength (CIS20R), Sickness
Impact
> Profile (SIP68), Causale Attributielijst (CAL), self-efficacy-vragenlijst,
> Beck Depressieschaal (BDI), Symptom Checklist (SCL-90), Hospital Anxiety
and
> Depression Scale (HADS), Vragenlijst voor Habituele ActieBereidheid (HAB),
> Fatigue Catastrophising Scale (FCS), Whiteley Index en Fatigue Vigilance
and
> Awareness Questionnaire (FVAQ). De Penny State Worry Questionnaire (PSWQ)
> werd na het onderzoek opgestuurd. De resultaten van de FCS, Whiteley Index
> en FVAQ werden in deze thesis niet opgenomen.
>
> Met deze testbatterij trachtten we verschillende aspecten van het
chronisch
> vermoeidheidssyndroom te meten: moeheid, dagelijks functioneren en
> functionele hinder, attributies, self-efficacy, psychologisch welbevinden,
> habituele actiebereidheid en piekeren. Tijdens het onderzoek werden voor
en
> na de relaxatieoefening een aantal vragenlijsten afgenomen: de Positive
> Affect Negative Affect Scales (PANAS), Reactions to Relaxation and Arousal
> Questionnaire (RRAQ) en een somatische klachtenlijst. Na de relaxatie werd
> daaraan nog een eigen vragenlijst over relaxatie-ervaringen toegevoegd. Er
> werd eveneens een semi-gestructureerd interview afgenomen over gevoelens
en
> gedachten tijdens de relaxatie. Algemene gegevens werden verzameld aan de
> hand van de Vragenlijst Eerste Consultatie. Deze gebruikten we als
algemene
> intake. Ze is opgesteld door het psychosomatisch centrum van het
Universitair
> Ziekenhuis. Ze bevraagt zowel algemene informatie als medische
> voorgeschiedenis, gebruik van medicatie, alcohol, koffie en sigaretten,
> problemen rond eten, stemming, slaap, psychotische ervaringen en eventuele
> psychiatrische voorgeschiedenis.
>
>
> 2.2.1. Moeheid.
> ---------------
>
> Om moeheid te meten maakten we gebruik van de Checklist Individual
Strength
> (CIS20R). Deze vragenlijst is ontwikkeld door de Universitaire
Ziekenhuizen
> van Amsterdam en Rotterdam in samenwerking met de Katholieke Universiteit
van
> Nijmegen (1994). Ze is ontworpen om verschillende aspecten van moeheid te
> meten (Van der Ploeg, Kleber & Van der Velden, 2000). Ze bestaat uit 20
items,
> die bevragen hoe de patient zich gevoeld heeft tijdens de afgelopen twee
> weken. Elk item wordt gescoord op een zevenpuntenschaal, gaande van 1
("ja,
> dat klopt") tot 7 ("neen, dat klopt niet"). Er zijn vier subschalen:
> subjectief gevoel van moeheid (8 items), concentratie (5 items), motivatie
> (4 items) en fysieke activiteit (3 items). Voorbeelditems van de
subschalen
> zijn respectievelijk: "ik voel me fit", "nadenken kost me moeite", "ik zit
> vol plannen" en "er komt weinig uit mijn handen". De interne consistentie
van
> de CIS20R is goed: Cronbach's ( voor de gehele schaal is .90 (Vercoulen et
> al., 1994). De Cronbach's alfa voor de subschalen subjectief gevoel van
> moeheid, concentratie, motivatie en fysieke activiteit zijn .88, .92, .83
> en .87 (Vercoulen et al., 1994). De Gutman split-half
> betrouwbaarheidscoefficient bedraagt .92 (Vercoulen et al., 1994). Het is
een
> betrouwbaar en valide instrument (Vercoulen, Albert & Bleijenberg, 1999).
> Om een beter zicht te krijgen op de moeheidklachten maakten we gebruik van
de
> algemene moeheidsvragenlijst (Mes & Van Harten, 1998). Deze vragenlijst
> bestaat uit 14 vragen die betrekking hebben op het ontstaan, verloop en
duur
> van de klachten. Daarnaast bevraagt ze de eventuele behandelingen die men
al
> ondergaan heeft en het effect daarvan. De huidige gezondheidstoestand komt
> eveneens aan bod.
>
>
> 2.2.2. Dagelijks functioneren.
> -----------------------------
>
> Het effect van de klachten op het dagelijks functioneren gingen we na met
> behulp van de Sickness Impact Profile (SIP68; De Bruin, Diederiks, de
Witte,
> Stevens & Philipsen, 1994). Deze vragenlijst is een verkorte versie van de
> SIP die 136 items telt. De SIP68 meet de invloed van ziekte of slechte
> gezondheidstoestand op verschillende gebieden in het dagelijkse leven. Het
> is een maat voor algemene gezondheid, bestaande uit 68 uitspraken over
> gedrag (De Bruin et al., 1994). Enkel die uitspraken worden aangeduid die
> van toepassing zijn in de huidige toestand en samenhangen met de
gezondheid
> (De Bruin et al., 1994). Zo krijgt men een beeld van wat een persoon wel
nog
> kan, in tegenstelling tot wat vele andere instrumenten meten (De Bruin et
> al., 1994). Er zijn zes subschalen: somatische autonomie,
mobiliteitscontrole,
> psychische autonomie en communicatie, sociaal gedrag, emotioneel gedrag en
> mobiliteitsrange. Het instrument is geschikt voor gebruik in populaties en
> individuen met ieder type gezondheidsprobleem (De Bruin et al., 1994). De
> SIP68 is ontwikkeld op basis van de SIP136 en is een betrouwbaar (interne
> consistentie ( = .92, N = 68; test-hertestbetrouwbaarheid = .97, N = 52)
en
> valide instrument (De Bruin et al., 1994). De SIP136 is gevalideerd bij
> CVS-patienten (Jacobs, Luttik, Touw-Otten & Melker, 1990).
>
>
> 2.2.3. Attributies en self-efficacy.
> ------------------------------------
>
> Met behulp van de Causale AttributieLijst (CAL; Vercoulen et al., 1996)
> werden attributies van de deelnemers nagegaan. Deze korte vragenlijst
bestaat
> uit 10 items, die gescoord worden op een vijfpuntenschaal, gaande van 1
("ja,
> daar ben ik van overtuigd") tot 4 ("nee, ik ben ervan overtuigd dat dit
niet
> zo is"). Ze is ontwikkeld door de onderzoeksgroep Nijmegen en is
gevalideerd
> bij CVS-patienten. Ze geeft zowel een score voor lichamelijke als niet-
> lichamelijke attributies. De interne consistentie van beide subschalen is
> goed: Cronbach's alfa voor lichamelijke en niet-lichamelijke attributies
zijn
> voor onze onderzoeksgroep 0.68 en 0.80. Self-efficacy (Vercoulen et al.,
> 1996) van de deelnemers werd gemeten aan de hand van vijf korte vragen,
ook
> wel de SE-vragenlijst genoemd. Het eerste item vraagt aan de persoon:
"Denkt
> u dat u zelf u klachten kan (leren) beinvloeden?" De andere vragen zijn
> aangepaste items van de Pijn Cognitie Lijst (Vlaeyen et al., 1989) waar
het
> woord "pijn" door "moeheid" vervangen is. Deze vijf items meten
self-efficacy
> en hebben vijf antwoordmogelijkheden, behalve de tweede vraag die er
slechts
> vier heeft. De totale score gaat van 5 tot 24. Hoe hoger de score, hoe
hoger
> de self-efficacy van de persoon. De Cronbach's alfa bedraagt .76 voor onze
> onderzoeksgroep.
>
>
> 2.2.4. Psychologisch welbevinden.
> ---------------------------------
>
> De Beck Depressieschaal is de Nederlandse vertaling van de Beck Depression
> Inventory (Beck, Ward, Mendelson, Mock & Erbaugh, 1961). Deze vragenlijst
is
> 1 van de meest gebruikte vragenlijstinstrumenten voor de assessment van de
> intensiteit van depressie (Schotte et al., 1997). Ze bestaat uit 21 items
> van vier uitspraken, waarin de persoon moet aangeven welke uitspraak het
> beste weergeeft hoe hij/zij zich de afgelopen week gevoeld heeft. De vier
> uitspraken zijn telkens gerangschikt van afwezigheid van depressieve
symptomen
> tot en met een ernstige mate van depressieve symptomen. Ze hebben
betrekking
> op observeerbaar depressief gedrag, gedachte-inhoud, vegetatieve
> verschijnselen en psychosociaal gedrag. De somscore over alle items geeft
de
> ernst van depressie aan. De score loopt van 0-9 (geen depressie), 10-15
> (milde depressie), 16-23 (matige depressie) tot > 24 (ernstige depressie)
> (Beck et al., 1961). Een score van 16 of meer is indicatief voor een
> klinische depressie. De interne consistentie van de BDI is goed:
Cronbach's
> alfa gaat van .73 tot .92 (Bouman, Luteijn, Albersnagel & Van der Ploeg,
> 1985; Schotte et al., 1997; Steer, Beck, Cavalieri & Leonard, 1999).
> De Symptom Checklist (SCL-90) is een multidimensionele klachtenlijst,
> gebaseerd op zelfbeoordeling van de onderzochte. Het is een betrouwbare en
> valide vragenlijst met 90 items, die klachten omschrijven uit 8 dimensies:
> angst, agorafobie, depressie, somatische klachten, wantrouwen en
> interpersoonlijke sensitiviteit, insufficientie van denken en handelen,
> slaapproblemen en hostiliteit (Arrindell & Ettema, 1986). De totaalscore
> geeft de mate van psychopathologie weer. In de lijst worden 90 klachten
> genoemd, waarbij de persoon dient aan te geven hoeveel last hij/zij ervan
> gehad heeft in de voorbije week. Er zijn vijf antwoordcategorieen, gaande
van
> 1 ("helemaal niet") tot 5 ("heel erg"). De Cronbach's alfa van de totale
> schaal is .96, deze van de verschillende subschalen ligt tussen .66 en .88
> (Van der Ploeg et al., 2000). De Hospital Anxiety and Depression Scale
(HADS)
> is een zelfrapportageschaal met 14 items, die ontwikkeld is om de
> aanwezigheid van angst en depressieve toestanden op te sporen bij
patienten
> met somatische problematiek (Zigmond & Snaith, 1983). Het bevat twee
schalen
> met zeven items, één voor angst en één voor depressie met een score-range
van
> 0 tot 21 (Spinhoven et al., 1997). Het is een betrouwbaar en valide
> instrument (de test-hertestbetrouwbaarheid is zeer hoog: .86, .89, .91,
> p < 0.001, gemiddelde waarde voor interne consistentie ( = .80) (Jack,
> Walker, Morley, Hank. & Finlay-Mills, 1987; Moorey et al., 1991). De
> dimensionele structuur en betrouwbaarheid van de HADS lijkt stabiel over
> medische settings en leeftijd (Spinhoven et al., 1997).
>
>
> 2.2.5. Habituele actiebereidheid.
> ---------------------------------
>
> Hierbij werd gebruik gemaakt van de Vragenlijst voor Habituele
> Actiebereidheid (HAB). Deze vragenlijst is ontwikkeld door Dirken (1970)
en
> bevat 50 zelfbeschrijvende items die men als juist of onjuist dient te
> beantwoorden. Typische items zijn "ik ben altijd een actief en druk iemand
> geweest", "ik hield niet van uitstellen", "ik hield ervan me extra in te
> spannen", "ik hield niet zo van die energieke mensen", "het leven was te
kort
> voor mij om alles rond te krijgen"... Deze vragenlijst gaat de
> actiebereidheid na van de deelnemers voordat hun klachten begonnen zijn
(Van
> Houdenhove, Onghena, Neerinckx & Hellin, 1995). Volgens de auteur is dit
> instrument voldoende betrouwbaar en valide (test-hertestcoefficient = 0.88
> (N = 100); interne consistentie KR - 20 = 0.78 (N = 316)( en de
significante
> positieve correlaties met metingen van fysieke inspanning en extraversie
en
> significante negatieve correlaties met metingen van belasting van
dagelijks
> werk en reactietijd( (Van Houdenhove, Onghena, Neerinckx & Hellin, 1995).
> De gemiddelde HAB-score is 29.4 met een standaarddeviatie van 6.5 voor een
> Nederlandse normgroep van 316 industriele werkers (Dirken, 1970).
>
>
> 2.2.6. Piekeren.
> ----------------
>
> Piekeren werd gemeten met de Penn State Worry Questionnaire (PSWQ; Meyer,
> Miller, Metzger & Borkovec, 1990). De PSWQ is een
zelfbeoordelingsvragenlijst
> bestaande uit 16 items die op een vijfpuntenschaal gescoord worden
> (van 1 = helemaal niet kenmerkend tot 5 = erg kenmerkend). De totaalscore
> varieert van 16 tot 80 en geeft de neiging tot piekeren weer. Deze
vragenlijst
> verschaft informatie over de generalisatie van piekeren over de tijd en
> situaties heen, de mate en intensiteit van piekeren en de
controleerbaarheid
> van het piekerproces. Ze focust zich op de significante en pathologische
> aspecten van het piekeren en onderscheidt gegeneraliseerde angststoornis
van
> andere angststoornissen (Brown, Antony & Barlow, 1992). De vragenlijst
leent
> zich dus voor afname in klinische settings. De PSWQ is een betrouwbare
test:
> de interne consistentie is goed: ( ligt steeds tussen .86 en 0.95 (Brown
et
> al., 1992; Davey, 1993; Meyer et al., 1990; Strober, 1998), net zoals de
> hertestingsbetrouwbaarheid (van .75 tot .93) (Meyer et al., 1990; Strober,
> 1998) De PSWQ is eveneens een valide instrument, zoals blijkt uit de
> verschillende studies van Meyer et al. (1990).
>
>
> 2.2.7. Relaxatie-vragenlijsten.
> -------------------------------
>
> De volgende vragenlijsten werden zowel voor als na de relaxatie afgenomen.
> De Positive Affect Negative Affect Scales (PANAS; Watson, Clark &
Tellegen,
> 1988) bestaat uit 2 stemmingsschalen met ieder 10 items, die positieve en
> negatief affect meten. Wij nemen de toestandsversie af. De respondent
dient
> op een vijfpuntenschaal (van 1 = nauwelijks of helemaal niet tot 5 = in
> sterke mate) aan te geven in welke mate de twintig items op dit moment van
> toepassing zijn op hem of haar. De PANAS is een betrouwbaar en valide
> instrument (Watson et al., 1988). Beide schalen zijn hoog intern
consistent
> (( = 0.89 en 0.85), praktisch niet gecorreleerd met elkaar (-0.15) en
> stabiel (Watson et al., 1988). Beide schalen hebben uitstekende
convergente
> (0.89 en 0.95) en discriminante (-0.02 en -0.18) correlaties met andere
> metingen van de onderliggende stemmingsfactoren (Watson et al., 1988).
> De Reactions to Relaxation and Arousal Questionnaire (RRAQ; Heide &
Borkovec,
> 1983) is een 9-itemvragenlijst, een factoranalytisch gebaseerde meting van
> angst voor relaxatie. Het is een verkorte versie van de oorspronkelijke
> vragenlijst met 28 items die vier factoren meet: angst voor
controleverlies,
> angst voor negatieve sociale consequenties bij angst, angst om los te
laten
> en algemene rusteloosheid en angst voor inactiviteit (Heide & Borkovec,
1983).
> Deze factoren zijn kenmerken van RIA (Heide & Borkovec, 1984). De interne
> consistentie van deze verkorte versie bedraagt .85 (voor de relaxatie) en
> .88 (na de relaxatie). Klachten en psychosomatische symptomen voor en na
de
> relaxatie werden nagegaan aan de hand van een somatische klachtenlijst.
Deze
> vragenlijst hebben we zelf samengesteld op basis van de Modified Somatic
> Perception Questionnaire (MSPQ) van Main (1983) en een
hyperventilatielijst
> van Garssen, Van Veendaal en Bloemink (1984) en de Swart en Grossman
(1984).
> Ze bevat 45 items. De persoon dient op een vijfpuntenschaal (gaande van
> 1 = neen tot 4 = zeer veel) aan te geven of hij/zij op dit moment de
volgende
> gewaarwordingen heeft. Hoe hoger de score, hoe meer somatische klachten.
> De eigen vragenlijst rond relaxatie-ervaringen bestaat uit 27 items, die
we
> kunnen onderverdelen in 6 clusters: vermoeidheid (4 items), pijn (4
items),
> piekeren (6 items), relaxatie-geinduceerde angst (5 items), distractie
> (3 items) en andere (3 items). Items 1 en 26 werden in de analyse niet
> opgenomen. De vragen worden op een vijfpuntenschaal gescoord, gaande van
> 0 ("helemaal niet van toepassing") tot 4 ("heel erg van toepassing").
> De interne consistentie is goed voor de clusters vermoeidheid (( = .72),
> pijn (( = .78), piekeren (( = .73) en relaxatie-geinduceerde
> angst (( = .74). Distractie (( = .50) en andere (( = .54) doen het iets
> minder goed.
>
>
> 2.2.8. Semi-gestructureerd interview.
> -------------------------------------
>
> Na de relaxatie-oefening volgde tenslotte nog een semi-gestructureerd
> interview, dat we zelf samengesteld hebben. Dit interview bevraagt de
> lichamelijke gewaarwordingen, gevoelens en gedachten die deelnemers
tijdens
> de relaxatie ervaren hebben. Het eerste deel bevraagt hoe patienten zich
> gevoeld hebben tijdens de ontspanning, of er bepaalde lichamelijke
> veranderingen optraden, pijn, moeheid... Er wordt nagegaan of deelnemers
het
> moeilijk vonden zich te ontspannen, of ze op hun ademhaling gelet hebben,
of
> er bepaalde veranderingen optraden doorheen de oefening (bijvoorbeeld zich
> moeilijker kunnen ontspannen tijdens de tien minuten stilte). Verder mogen
> de deelnemers zelf hun spanningsniveau voor, tijdens en na de relaxatie
> aangeven op een schaal van 0 (helemaal geen spanning) tot 100 (maximale
> spanning), met 50 als de gemiddelde dagelijkse spierspanning. Tenslotte
> wordt de perceptie van omgeving en tijd nagegaan. Zijn ze zich bewust
> geweest van de omgeving waarin ze zaten, zijn ze bezig geweest met de
tijd?
> In het tweede deel van het interview wordt verder ingegaan op de gedachten
> tijdens de relaxatie. Eerst laten we de deelnemers vrijuit vertellen en
> daarna worden specifiek een aantal piekerthema's bevraagd, omdat dit hen
kan
> helpen zaken te herinneren. Nadien worden een aantal korte, gesloten
vragen
> gesteld over hun drie belangrijkste gedachten. Zo wordt de modaliteit
> (visueel, auditief, interne dialoog of een combinatie van beide), de duur
> (seconden of minuten), het ontstaan (kwamen ze vanzelf op of zijn ze
eerder
> bewust opgeroepen) en de aanwezigheid van anderen in die gedachten
bevraagd.
> Verder zijn er een aantal vragen over hoe aangenaam (van 1: zeer
onaangenaam
> tot 5: zeer aangenaam), stresserend (van 1: helemaal niet stresserend tot
4:
> zeer stresserend) en dwingend (van 1: helemaal niet dwingend tot 4: heel
> dwingend) die gedachten waren. Er wordt nagegaan of ze er controle over
> hadden (ja, neen of niet geprobeerd), hoe gemakkelijk ze die van zich af
> konden zetten (gemakkelijk, moeilijk of niet geprobeerd/ niet nodig) en of
> ze eraan konden weerstaan (ja, neen, niet geprobeerd of niet duidelijk/
> ik weet het niet). De aandacht die de gedachten afgeleid hebben van de
> relaxatie (weinig of geen, matig of veel) en van zichzelf (weinig of geen,
> matig of veel) wordt eveneens bevraagd, net zoals hoe waarschijnlijk ze
het
> achten dat ze zullen uitkomen (niet waarschijnlijk, waarschijnlijk of niet
> van toepassing) en wat de gedachten in gang gezet heeft. Het interview
wordt
> tenslotte afgesloten met te vragen hoe deelnemers zich voelen.
>
>
> 2.3. Procedure.
> ----------------
>
> Het onderzoek vond plaats in de pijnkliniek van het Universitair
Ziekenhuis
> en kaderde binnen een grotere studie over het chronisch
vermoeidheidssyndroom.
> Als patienten aankwamen op de pijnkliniek werd hen eerst een korte
> uiteenzetting gegeven van het onderzoek. Daarna werd hen gevraagd zich uit
te
> kleden en plaats te nemen in een stoel. Gedurende de eerste tien minuten
> dienden ze te blijven zitten, wat belangrijk was voor de thermografie die
> daarna genomen werd. Hierbij werd aan de hand van een foto van de billen
de
> lichaamstemperatuur vastgelegd. Deze tien minuten werden benut met het
> invullen van een aantal vragenlijsten: de PANAS, RRAQ en een somatische
> klachtenlijst. Vervolgens volgde de relaxatieoefening die een kleine
twintig
> minuten in beslag nam. Ze bestond uit een korte relaxatie-instructie op
> cassette ingesproken en daarna tien minuten stilte om de ontspanning
verder
> te verdiepen. In de relaxatie-instructie, die ongeveer zeven minuten
duurde,
> werd hen gevraagd zich te ontspannen en geen aandacht te besteden aan
> gedachten die eventueel opkomen. Daarbij werden verschillende punten van
het
> lichaam kort overlopen (zie bijlage).
>
> Na de tien minuten werden patienten weer aangesproken om de relaxatie te
> beeindigen (zie bijlage). Tijdens de relaxatie werd EMG aangesloten om
> spieractiviteit/spierspanning te meten ter hoogte van twee spieren: de
> musculus Epicranus en de musculus Trapezius.
>
> Na het beeindigen van de relaxatie-oefening werd opnieuw een thermografie
> afgenomen en werden dezelfde vragenlijsten ingevuld - PANAS, RRAQ,
> somatische klachtenlijst - samen met een eigen vragenlijst rond
> relaxatie-ervaringen. Daarmee werd het effect van relaxatie op de toestand
> van de patient nagegaan. Verder ondergingen patienten een kort lichamelijk
> onderzoek, waarbij met een algometer de pijngevoeligheid bepaald werd ter
> hoogte van 18 welbepaalde "pijnpunten" (tender points) en 6
controlepunten.
>
> Na dit alles volgde een semi-gestructureerd interview rond gedachten en
> gevoelens tijdens de relaxatie. Als patienten er geen bezwaar tegen
maakten,
> werd het interview op cassette opgenomen.
>
> De resultaten van de thermografie, EMG en pijnpunten worden in deze thesis
> niet besproken.
>
>
>
> III. Resultaten
> ---------------
>
> 3.1. Kenmerken van onze onderzoeksgroep.
> ----------------------------------------
>
> 3.1.1. Moeheidklachten.
> -----------------------
>
> Van alle deelnemers beschouwt 47.5 % zichzelf zonder meer als een
> CVS/ME-patient. Vijfendertig procent geeft aan naast CVS ook nog aan een
> andere ziekte te lijden. Tien procent van de deelnemers zegt niet direct
te
> weten wat ze hebben en 7.5 % gaat ervan uit dat ze geen CVS hebben, maar
een
> andere ziekte, namelijk fibromyalgie.
>
> De duur van de klachten varieert van 2 tot 25 jaar; de gemiddelde duur
> bedraagt 9.53 jaar (SD = 5.68). Bij 77.5 % zijn de klachten sluipend
begonnen,
> bij 22.5 % plotseling. In de loop van de tijd zijn de klachten bij 47.5 %
van
> de deelnemers toegenomen (al dan niet schommelend), bij 10 % zijn ze
afgenomen
> (al dan niet schommelend). Bij 35 % schommelen de klachten en 7.5 % zegt
dat
> de klachten gelijk gebleven zijn, maar toch ook schommelen.
>
> Tachtig procent van de deelnemers heeft voor de klachten medische hulp
> gezocht, waarvan 32.5 % aangeeft dat bepaalde hulp effect gehad heeft en
> 10 % spreekt van een beetje of tijdelijk effect. Daarnaast heeft 65 % ook
> beroep gedaan op het alternatieve circuit. Hiervan geeft 30 % een effect
aan
> en 10 % een beetje of tijdelijk effect.
>
> Als oorzaak van hun klachten rapporteert 20 % een somatische oorzaak, 22.5
%
> een psychosociale oorzaak en 32.5 % zowel een somatische als psychosociale
> oorzaak. Vijfentwintig procent geeft aan de oorzaak van hun klachten niet
te
> kennen.
>
> Over hun huidige gezondheidstoestand zegt 50 % van de deelnemers dat deze
> slecht is, waarvan 5 % die zeer slecht vindt. 42.5 % vindt hun gezondheid
> matig, en 7.5 % goed, waarvan 2.5 % zeer goed. In vergelijking met vorig
jaar
> geeft 35 % aan dat de klachten gelijk gebleven zijn, 35 % dat het slechter
> gaat, waarvan 20 % veel slechter. 22.5 % vindt zichzelf iets beter dan
vorig
> jaar en 7.5 % spreekt van veel beter.
>
> In tabel 1 worden de gemiddelde waarden (M) en standaarddeviaties (SD)
> gegeven, die door de onderzoeksgroep gescoord zijn met behulp van de
CIS20R.
> Tevens worden in deze tabel de gemiddelde waarden gegeven van een
onderzoek
> uitgevoerd bij 298 CVS-patienten (Vercoulen et al., 1994) en de gemiddelde
> waarden van een onderzoek, uitgevoerd bij 60 gezonde personen (Vercoulen
et
> al., 1994).
>
>
> Tabel 1: Gemiddelde waarden en standaarddeviaties op de CIS20R
> voor onze onderzoeksgroep, een CVS-populatie en een
> gezonde populatie.
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Onderzoeksgroep CVS-populatie Gezonde
populatie
> (n = 40) (n = 298) (n = 60)
> --------------------------------------------------------------------------
---
> CIS20R-schaal M SD M SD M SD
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Subjectief ervaren 6.23 .81 6.1 1.0 2.4 1.4
> moeheid
> Concentratie 5.21 1.59 4.8 1.8 2.2 1.2
> Motivatie 4.25 1.54 4.0 1.7 2.0 1.0
> Fysieke activiteit 5.10 1.75 5.0 1.7 2.0 1.3
> --------------------------------------------------------------------------
---
>
>
> De minimale waarde die gescoord kan worden is 1, de maximale waarde
bedraagt
> 7. Hoge scores indiceren een hoog niveau van vermoeidheid, een hoog niveau
> van concentratieproblemen, lage motivatie en een laag niveau van fysieke
> activiteit. Uit de tabel valt af te lezen dat zowel de onderzoeksgroep als
> de populatie CVS-patienten (Vercoulen et al., 1994) op alle schalen
gemiddeld
> hogere scores hebben dan de gezonde populatie. Tussen deze groep
deelnemers
> en de populatie van Vercoulen et al. (1994) bestaan slechts kleine
> verschillen.
>
>
> 3.1.2. Dagelijks functioneren.
> -----------------------------
>
> In tabel 2 worden de gemiddelde waarden (M) en standaarddeviaties (SD)
> gegeven, die door de onderzoeksgroep gescoord zijn op de SIP68. Daarnaast
> zijn ook de gemiddelde waarden weergegeven van een onderzoek bij
> 377 patienten met reuma en een groep van 2387 patienten met diverse
> gezondheidsklachten (reuma, dwarslaesie, CVA, kanker, spierziekten, rug-
> en nekklachten, contusio cerebri, dialyse, de ziekte van Bechterew en de
> ziekte van Crohn) (De Bruin et al., 1994).
>
> Scores op sociaal gedrag en psychische autonomie en communicatie zijn
> opvallend hoger dan deze van de patienten met reuma en de groep met
diverse
> gezondheidsklachten. Dit wil zeggen dat klachten bij CVS-patienten grote
> gevolgen hebben voor het contact met andere mensen zoals het bezoeken van
> vrienden, groepsactiviteiten, seksuele activiteit... Ze ondervinden ook
> meer moeilijkheden op het vlak van psychisch functioneren en verbale
> communicatie. Daarnaast scoren emotioneel gedrag en mobiliteitsrange hoger
> bij CVS-patienten, wat erop wijst dat de klachten ook een duidelijk
invloed
> hebben op hun emotionele stabiliteit resp. het nog kunnen uitvoeren van de
> gebruikelijke, dagelijkse taken zoals boodschappen doen, het huishouden
> regelen...
>
>
> Tabel 2: Gemiddelde waarden en standaarddeviaties van de SIP68
> voor onze onderzoeksgroep, een reuma-populatie en
> een groep individuen met diverse gezondheidsklachten.
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Onderzoeksgroep Reuma Groep
gezondheidskl.
> (n = 40) (n = 377) (n = 2387)
> --------------------------------------------------------------------------
---
> SIP-schaal M SD M M
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Somatische autonomie 30 .76 1.8 1.7
> Mobiliteitscontrole 3.0 2.21 5.5 3.8
> Psychische autonomie 4.58 2.99 1.5 1.2
> en communicatie
> Sociaal gedrag 6.78 2.95 4.1 2.9
> Emotioneel gedrag 1.65 1.56 0.7 0.6
> Mobiliteitsrange 2.33 2.83 2.1 1.3
> Totaalscore 18.63 9.04 15.8 10.5
> --------------------------------------------------------------------------
---
>
>
> 3.1.3. Attributies en self-efficacy.
> ------------------------------------
>
> Tabel 3 geeft de gemiddelde waarden (M) en standaarddeviaties (SD) weer
van
> de subschalen lichamelijke attributies en niet-lichamelijke attributies.
Uit
> de tabel valt af te lezen dat onze onderzoeksgroep gemiddeld veel hogere
> scores behaalt op niet-lichamelijke attributies dan de CVS-populatie. Ze
> scoren ook iets hoger op lichamelijke attributies. Een frequentie-analyse
van
> de verschillende items wijst uit dat 85 % denkt dat zijn klachten ontstaan
> zijn doordat er iets lichamelijks met zichzelf aan de hand is en 75.5 %
denkt
> dat dit door één of andere lichamelijke ziekte is. 57.5 % gaat ervan uit
dat
> zijn klachten te maken hebben met een virus en 80 % met het immuunsysteem.
> 87.5 % denkt dat zijn klachten blijven aanhouden doordat er iets
lichamelijks
> aan de hand is. Bij de niet-lichamelijke attributies zien we dat 40 % hun
> klachten toeschrijft aan een te druk leven. Veertig procent denkt dat de
> klachten iets te maken hebben met hun jeugd, 25 % met hun werksituatie en
> 27.5 % met hun thuissituatie. Tenslotte gaat 40 % ervan uit dat hun
klachten
> zijn ontstaan omdat ze zich te druk maken. In het onderzoek van Vercoulen
et
> al. (1994) rapporteerde 68 % van de patienten een fysieke verklaring voor
hun
> klachten (voornamelijk virale infectie) en slechts 7 % een psychologische
> verklaring.
>
>
> Tabel 3. Gemiddelde waarden en standaarddeviaties op de subschalen
> niet-lichamelijke en lichamelijke attributies en de
> SE-vragenlijst voor onze onderzoeksgroep en een CVS-populatie.
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Onderzoeksgroep CVS
> (n = 40) (n = 355)
> --------------------------------------------------------------------------
---
> M SD M SD
> --------------------------------------------------------------------------
---
>
> niet-lichamelijke attributies 11.15 3.30 9.1 2.4
> lichamelijke attributies 14.38 2.28 14.0 2.6
> self-efficacy 14.05 3.56 14.8 3.4
> --------------------------------------------------------------------------
---
>
>
> Tabel 3 geeft eveneens de totaalscore van de SE-vragenlijst weer. We zien
dat
> onze onderzoeksgroep ongeveer dezelfde score als de CVS-populatie behaalt.
> Het gevoel van controle is niet zo groot bij de deelnemers en eerder
gemengd
> verdeeld. Slechts 32.5 % denkt zijn moeheid positief te kunnen beinvloeden
> (positieve self-efficacy), 30 % denkt van niet (negatieve self-efficacy)
en
> 37.5 % heeft daarover geen mening. Deze waarden sluiten aan bij het
onderzoek
> van Vercoulen et al. (1994) waar 39 % geloofde hun klachten te kunnen
> beinvloeden, 27 % het niet wist en 35 % dacht dat dit niet mogelijk was.
> Vijftig procent van de deelnemers in ons onderzoek denkt dat ze hun
klachten
> kunnen leren beinvloeden, en 17.5 % gaat ervan uit dat dit niet mogelijk
is
> (32.5 % weet het niet). Dertig procent voelt zich door zijn instelling
> opgewassen tegen de moeheid en 62.5 % voelt zich machteloos ten aanzien
van
> de moeheid. Toch is 52.5 % van de totale groep niet akkoord met de
uitspraak
> "wat ik ook doe, mijn klachten kan ik niet veranderen".
>
>
> 3.1.4. Psychologisch welbevinden.
> ---------------------------------
>
> De gemiddelde totaalscore op de BDI voor de totale groep bedraagt 15.4
> (SD = 8.06). Scores op de BDI geven aan dat 32.5 % van de deelnemers geen
> depressie heeft, 25 % een milde depressie, 25 % een matige depressie en
> 17.5 % een ernstige depressie. Gebruik makend van de score 16 of meer zien
we
> dat 42.5 % van de deelnemers een klinische depressie heeft.
>
> In tabel 4 zijn de gemiddelde scores (standaarddeviaties) van de SCL-90
> weergegeven voor onze deelnemers (onderzoeksgroep), deze van CVS-patienten
> (CVS; n = 298), patienten met functionele buikklachten (FBK; n = 103), een
> gezonde populatie (n = 1009) en een psychiatrische populatie (n = 2118).
>
>
> Tabel 4: Gemiddelde waarden (standaarddeviaties) van de SCL-90 voor onze
> onderzoeksgroep, CVS-patienten, patienten met
> functionele buikklachten, een gezonde en psychiatrische
populatie.
> --------------------------------------------------------------------------
-----
> Onderzoeksgroep CVS FBK Gezond
Psychiatrisch
> (n = 40) (n = 290) (n = 103) (n = 1009) (n =
2118)
> --------------------------------------------------------------------------
-----
> ANG 20.53 (7.5) 17.9 (6.9) 17.0 (7.1) 13.9 (5.2) 26.0
(9.9)
> AGO 11.03 (5.51) 9.7 (4.4) 9.3 (4.3) 8.4 (2.9) 13.9
(7.3)
> DEP 35.53 (13.36) 31.2 (11.3) 26.9 (10.2) 22.5 (7.9) 42.2
(15.0)
> SOM 32.13 (7.53) 30.6 (8.7) 23.7 (9.4) 17.8 (6.6) 26.6
(10.0)
> IN 25.15 (6.33) 23.0 (7.3) 17.7 (6.5) 13.7 (4.9) 21.7
(8.2)
> SEN 32.83 (13.95) 27.9 (10.2) 27.2 (9.0) 25.6 (8.0) 39.1
(15.5)
> HOS 8.88 (3.45) 8.7 (3.4) 8.2 (2.4) 7.6 (2.4) 11.6
(5.3)
> SLA 8.20 (3.10) 7.5 (6.5) 6.5 (3.4) 4.9 (2.7) 7.8
(3.7)
> PSN 189.08 (54.28) 167.8 (48.7) 147.8 (45.2) 123.9 (33.3) 206.0
(65.6) .
> --------------------------------------------------------------------------
------
>
> Zowel onze onderzoeksgroep als de CVS-populatie verschillen van de gezonde
> populatie op alle subschalen van de SCL-90 (Vercoulen et al, 1994). Op
alle
> subschalen en op de totaalscore van de SCL-90 scoort onze onderzoeksgroep
> gemiddeld hoger dan de andere CVS-patienten. Op de subschalen somatische
> klachten, insufficientie van denken en handelen en slaapproblemen scoren
ze
> hoger dan de psychiatrische populatie.
>
> De gemiddelde score op de HADS is 18.23 (SD = 8.95). In hun
oorspronkelijke
> studie stellen Zigmond & Snaith (1983) een cut-off score voor van 7/8 voor
> mogelijke angst resp. depressie en 10/11 voor waarschijnlijke angst en
> depressie. Als we gebruik maken van de cut-off score van 11 of meer voor
de
> subschaal depressie zien we dat 40 % binnen deze categorie valt en
> waarschijnlijk een depressie heeft. 32.5 % scoort boven de cut-offscore
van
> 10 of meer voor de subschaal angst.
>
> In tabel 5 zijn de gemiddelde scores (standaarddeviaties) weergegeven van
de
> subschalen angst en depressie voor onze onderzoeksgroep, CVS-patienten
zonder
> en met een psychiatrische stoornis (CVS 1 resp. CVS 2), patienten met een
> depressie en een gezonde controlegroep (Morriss, Wearden & Battersby,
1997).
>
>
> Tabel 5: Gemiddelde scores (standaarddeviaties) van de HADS-schalen
> depressie en angst voor onze onderzoeksgroep, CVS-patienten
> zonder en met een psychiatrische stoornis (CVS 1 resp. CVS 2),
> depressieve patienten en een gezonde controlegroep.
> --------------------------------------------------------------------------
------
> Onderzoeksgroep CVS 1 CVS 2 depressie controle
> (n = 40) (n = 68) (n = 59) (n = 38) (n = 60)
> --------------------------------------------------------------------------
------
> HADS depressie 9.4 (4.88) 8.0 (5.0) 10.0 (5.0) 14.0 (6.0) 0.0 (3.0)
> HADS angst 8.83 (4.62) 7.0 (5.0) 9.0 (7.0) 15.0 (4.0) 5.0 (6.0)
> --------------------------------------------------------------------------
------
>
> We zien dat de scores van onze onderzoeksgroep tussen deze van de twee
andere
> groepen CVS-patienten liggen. Ze scoren hoger dan de CVS-patienten zonder
een
> psychiatrische stoornis (CVS 1) en lager dan deze met een psychiatrische
> stoornis (CVS 2).
>
>
> 3.2. Correlaties tussen vragenlijstgegevens.
> ---------------------------------------------
>
> In tabel 6 worden de correlaties weergegeven tussen de verschillende
> vragenlijsten. Geslacht, leeftijd en duur van de klachten worden eveneens
als
> variabelen in de tabel opgenomen. Uit de tabel kunnen we afleiden dat er
> praktisch geen correlatie is tussen de HAB en de PSWQ (.07). Deelnemers
met
> een hoge habituele actiebereidheid zijn geen piekeraars. HAB correleert
ook
> niet significant met RRAQ (.24). Daarnaast zien we dat habituele
> actiebereidheid significant correleert met de SIP (.22), de totaalscore
> ("tot." in de tabel) van de SCL-90 (.34) en attributies (attr: .34). Het
zijn
> voornamelijk de lichamelijke attributies (lich. attr.) die significant
> correleren met HAB (.39). De HAB correleert ook significant met depressie
van
> de BDI (.32), maar niet met de depressieschalen ("depr." in de tabel) van
de
> SCL-90 (.27) en de HADS (.28). Er is wel een significante correlatie met
de
> subschaal angst van de SCL-90 (.33). Habituele actiebereidheid correleert
> laag met moeheid (.12).
>
> De PSWQ hangt significant samen met angst voor relaxatie (RRAQ: .51).
> Daarenboven heeft de PSWQ een sterke significante correlatie met de
> BDI (.71), de totaalscore van de SCL-90 (.70) en de totaalscore van de
> HADS (.74). Uit de tabel kunnen we verder afleiden dat piekeren duidelijk
> samenhangt met angst (.74 en .75) en depressie (.74 en .65), zowel gemeten
> met de subschalen van de SCL-90 als met deze van de HADS. De
piekervragenlijst
> correleert eveneens significant met attributies (.43), voornamelijk de
> niet-lichamelijke attributies (nt-lich. attr: .64). Tenslotte zien we een
> significant negatief verband met geslacht (-.34): vrouwen zijn grotere
> piekeraars dan mannen.
>
> De RRAQ vertoont, zoals reeds vermeld, een duidelijke samenhang met
piekeren.
> Daarenboven bestaat er een sterke significante correlatie met depressie,
> zowel gemeten met de BDI (.62) als met de depressieschaal van de SCL-90
(.56)
> en deze van de HADS (.63). Er is ook een significante samenhang met de
> totaalscore van de SCL-90 (.62), de totaalscore van de HADS (.65), de
> SIP (.32) en de angstschalen van de SCL-90 (.60) en de HADS (.61).
>
> Moeheid (CIS20R) vertoont een significante correlatie met angst en
depressie.
> Dit blijkt zowel uit de correlaties met de BDI (.53), de SCL-90 (.52), de
> HADS (.55), als met de subschalen van de SCL-90 (angst .40; depressie:
.55)
> en de HADS (angst: .41; depressie: .62). De CIS20R hangt significant samen
> met de impact van de klachten op het functioneren (SIP: .42) en met
> self-efficacy (-.53). Sterke moeheid gaat gepaard met een lage
self-efficacy.
> De SIP correleert zowel significant met depressie (BDI (.49), SCL-90:
> depr. (.45) en de HADS: depr. (.38)( als met de subschaal angst van de
> SCL-90 (.40).
>
> Andere belangrijke correlaties zijn deze tussen attributies en de BDI
(.35)
> en tussen attributies en de SCL-90 (.39). Uit de tabel kunnen we echter
> afleiden dat het vooral de niet-lichamelijke attributies zijn die
significant
> correleren met deze variabelen (BDI (.49), SCL-90 (.45)(.
Niet-lichamelijke
> attributies hangen ook duidelijk samen met depressie en angst, zoals
gemeten
> door de subschalen van de SCL-90 (depressie .51; angst .51) en deze van de
> HADS (depressie.34; angst .43).
>
> Tenslotte is de negatieve significante correlatie tussen geslacht en
SCL-90
> het vernoemen waard (-.32): er is een significant verschil tussen mannen
en
> vrouwen wat betreft psychopathologie, in het bijzonder voor angst
(subschaal
> angst SCL-90 = -.38).
>
>
> 3.3. Effect van HAB op relaxatie.
> ---------------------------------
>
> 3.3.1. ANOVA'S.
> ---------------
>
> Aan de hand van een mediaan split komen we tot een groep deelnemers die
hoog
> scoort op habituele actiebereidheid (hooggroep) en één die laag scoort op
> habituele actiebereidheid (laaggroep). De mediaan is 33.5. We onderzoeken
het
> effect van habituele actiebereidheid op relaxatie door middel van analyse
> van de pre- en post-experimentele vragenlijsten.
>
> De eerste analyse is een 2 (groep: lage vs hoge habituele actiebereidheid)
> X 2 (moment van meting: voor en na de relaxatie) ANOVA met herhaalde
metingen,
> die uitgevoerd wordt op het gerapporteerde positief affect (PANAS). De
> gemiddelden tonen dat de deelnemers met een lage habituele actiebereidheid
> (Mpa = 25) meer positief affect ervaren dan deze met een hoge habituele
> actiebereidheid (Mpa = 23.45). Dit verschil is echter niet significant
> (F(1,38) = .887; p = .352(. De relaxatie zorgt gemiddeld voor een afname
van
> positief affect. Dit verschil is significant (F(1,38) = 6.31; p = .016;
> Mvoor = 25.28 en Mna = 23.18(. De interactie tussen lage/ hoge habituele
> actiebereidheid en moment van meting is niet significant (F(1,38) = .701;
> p = .408(. De gemiddelden worden weergegeven in figuur 1.
>
> De 2 (groep: lage vs hoge habituele actiebereidheid) X 2 (moment van
meting:
> voor en na de relaxatie) ANOVA met herhaalde metingen wordt uitgevoerd op
> het gerapporteerde negatief affect (PANAS). De gemiddelden tonen dat de
> deelnemers met een lage habituele actiebereidheid (Mna = 13.5) minder
> negatief affect ervaren dan deze met een hoge habituele actiebereidheid
> (Mna = 16.45). Dit verschil is echter niet significant (F(1,38) = 3.20;
> p = .082(. De relaxatie zorgt gemiddeld voor een afname van negatief
affect.
> Dit verschil is significant (F(1,38) = 21.62; p = .000; Mvoor = 16.43 en
> Mna = 13.53(. De interactie tussen lage/ hoge habituele actiebereidheid en
> moment van meting is weergegeven in figuur 2. We zien een sterkere daling
in
> negatief affect bij de hooggroep dan bij de laaggroep. Dit is evenwel niet
> significant (F(1,38) = 3.11; p = .086).
>
> De 2 (groep: lage vs hoge habituele actiebereidheid) X 3 (moment van
meting:
> voor, tijdens en na de relaxatie) ANOVA met herhaalde metingen wordt
> uitgevoerd op het gerapporteerde spanningsniveau. De gemiddelden tonen dat
> de deelnemers met een lage habituele actiebereidheid (Msp = 47.22) een
groter
> spanningsniveau hebben dan deze met een hoge habituele actiebereidheid
> (Msp = 46.33). Dit verschil is echter niet significant (F(2,37) = .036;
> p = .851(. De relaxatie zorgt gemiddeld voor een afname van spanning. Dit
> verschil is significant (F(2,37) = 6.95; p = .003; Mvoor = 53.80,
> Mtijdens = 43.31 en Mna = 43.20).
>
> De interactie tussen groep en moment van meting is niet significant
> (F(2,37) = .683; p = .511(. Het spanningsniveau voor, tijdens en na de
> relaxatie is niet significant verschillend voor deelnemers met een lage of
> hoge habituele actiebereidheid (figuur 3).
>
> De 2 (groep: lage vs hoge habituele actiebereidheid) X 2 (moment van
meting:
> voor en na de relaxatie) ANOVA met herhaalde metingen wordt uitgevoerd op
de
> gerapporteerde somatische klachten. De gemiddelden tonen dat de deelnemers
> met een lage habituele actiebereidheid (Msom = 31.45) minder somatische
> klachten hebben dan deze met een hoge habituele actiebereidheid
> (Msom = 50.53). Dit verschil is significant (F(1,38) = 5.01; p = .031).
> De relaxatie zorgt gemiddeld voor een afname van het aantal somatische
> klachten. Dit verschil is echter niet significant (F(1,38) = 3.17; p =
.083;
> Mvoor = 44.05 en Mna = 37.93). De interactie tussen lage/ hoge habituele
> actiebereidheid en moment van meting is significant (F(1,38) = 7.05;
> p = .012(. Uit de gemiddelden kunnen we afleiden dat de subgroep met lage
> actiebereidheid meer somatische klachten ervaart na de relaxatie
> (Mvoor = 29.95 en Mna = 32.95). Dit geldt niet voor de deelnemers met een
> hoge habituele actiebereidheid: bij hen daalt het aantal klachten door de
> relaxatie (Mvoor = 58.15 en Mna = 42.9. Dit blijkt uit de grafiek in
> figuur 4. Deelnemers met een grote habituele actiebereidheid hebben
duidelijk
> minder klachten na de relaxatie, in tegenstelling tot deze met een lage
> habituele actiebereidheid. Zij ervaren meer klachten na de
relaxatie-oefening.
>
> Een oneway ANOVA wordt uitgevoerd met de groep (lage of hoge habituele
> actiebereidheid) als onafhankelijke variabele en RRAQ-scores na de
relaxatie
> als afhankelijke variabele. Hieruit blijkt dat er geen significant
> verschil is in relaxatie-geinduceerde angst tussen deelnemers met een lage
of
> hoge habituele actiebereidheid (F(1,38) = 1.55; p = .22). De gemiddelde
score
> op de RRAQ voor lage HAB is 17.80 en deze voor hoge HAB is 20.60.
>
> Tenslotte wordt een oneway ANOVA met groep (lage vs hoge HAB) als
> onafhankelijke variabele uitgevoerd op de clusters van de eigen
vragenlijst
> rond relaxatie-ervaringen. Vermoeidheid, pijn, piekeren, relaxatie-
> geinduceerde angst, distractie en andere worden telkens als afhankelijke
> variabelen in de analyse opgenomen. In tabel 7 zijn de gemiddelde scores
op
> deze clusters, de F-waarden en significantiewaarden weergegeven voor hoge
en
> lage HAB. Uit deze tabel blijkt dat deelnemers met een hoge habituele
> actiebereidheid minder vermoeidheid, minder pijn, minder relaxatie-
> geinduceerde angst en minder distractie ervaren dan deze met een lage
> habituele actiebereidheid. Ze piekeren wel meer tijdens de relaxatie. Deze
> verschillen zijn echter niet significant.
>
>
> Tabel 7: Gemiddelden, F-waarden en significantiewaarden voor de clusters
> van de eigen vragenlijst rond relaxatie-ervaringen voor
> hoge en lage HAB.
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Hoge HAB Lage HAB F Sign.
> --------------------------------------------------------------------------
---
> Vermoeidheid 5.45 6.75 1.38 .25
> Pijn 5.05 7.20 3.36 .08
> Piekeren 3.20 3.95 .22 .64
> Relaxatie-geinduceerde angst 6.30 7.25 .47 .50
> Distractie 3.30 3.45 .04 .85
> Andere 2.50 2.35 .05 .83
> --------------------------------------------------------------------------
---
>
>
> 3.3.2. Exploratieve gegevens.
> -----------------------------
>
> Aan de hand van het semi-gestructureerd interview wordt nagegaan of
habituele
> actiebereidheid een invloed heeft op gevoelens en gedachten tijdens
relaxatie.
> Dit gedeelte is louter exploratief, er werden geen statistische analyses
> uitgevoerd met deze gegevens.
>
> Vijfenvijftig procent van de deelnemers met hoge habituele actiebereidheid
> geeft aan dat ze het moeilijk vonden om zich te ontspannen. Twee personen
> hiervan waren duidelijk verbaasd dat ze zich tijdens het onderzoek zo goed
> konden ontspannen. Zestig procent rapporteert dat ze zich ontspannen
gevoeld
> hebben tijdens de relaxatie, maar toch ervaart 35 % een toenemende
spanning
> of onrust (RIA). Eén persoon geeft aan dat hij zich zowel voor als tijdens
> de relaxatie gespannen voelde. Vijfenzeventig procent heeft tijdens de
> ontspanning moeheid gevoeld en 70 % pijn. Bij 55 % traden lichamelijke
> veranderingen op: tintelingen, toenemende pijn, warm krijgen, zich loom
> voelen... Zestig procent is tijdens de relaxatie bezig geweest met de
> omgeving (opmerken van omgevingsgeluiden) en 50 % met de tijd (Hoelang
zijn
> we al bezig? Wanneer is het gedaan?).
>
> Bij de groep deelnemers met een lage actiebereidheid vertelt eveneens 55 %
> dat ze het moeilijk vonden om zich te ontspannen en 35 % ervaarde ook een
> toenemende spanning of onrust tijdens de relaxatie. Vijfenzestig procent
> voelde zich ontspannen. Negentig procent geeft aan dat ze moeheid voelden
> tijdens de ontspanning en 60 % pijn. Bij 70 % traden lichamelijke
> veranderingen op. Vijfenvijftig procent was bezig met de omgeving en 85 %
met
> de tijd.
>
> De inhoud van de gedachten bij deelnemers met een hoge actiebereidheid
kunnen
> we in verschillende categorieen onderverdelen: (1) ontspanning en het
> onderzoek dat daarmee verbonden is, (2) relaties, (3) werk of dingen die
men
> nog te doen heeft, (4) andere, (5) gezondheid en (6) de toekomst.
> Deelnemers hebben voornamelijk gedachten over relaxatie in negatieve zin,
> die nog eens in subcategorieen kunnen verdeeld worden. Ten eerste gaan een
> aantal gedachten specifiek over de omstandigheden van de relaxatie.
> B.v. "Moest ik in een zetel of bed liggen, zou het beter zijn.", "Hoe lang
> gaat het nog duren, wanneer is het hier afgelopen?"... Ten tweede zijn er
> gedachten over het zich moeten ontspannen b.v. "Ik moet mij ontspannen, ik
> moet loslaten.". Ten derde komen gedachten op in verband met de negatieve
> sensaties die men voelt zoals pijn b.v. "Verdorie, het begint weer: dat ik
> daar nu pijn moet krijgen, mijn rug is normaal de plaats waar ik het
minste
> last van heb." Tenslotte zijn er gedachten die samenhangen met
zelfvertrouwen
> b.v. "Ik schaam mij een beetje, ik zit hier in mijn onderbroek, met mijn
> buik...", "Doe ik het goed? Ik doe iets verkeerd.", "Zij zit hier: wat
gaat
> ze van mij denken.". Naast deze negatieve gedachten zijn er nog een klein
> aantal positieve gedachten zoals "Ik word meer ontspannen" of "De pijn in
> mijn gewrichten, armen en rug is bijna weg." Daaraan gekoppeld draaien
> enkele gedachten rond het onderzoek in bredere zin b.v. "Wat is de
bedoeling
> van het onderzoek?", "Hopelijk brengt het onderzoek iets op."
>
> Gedachten over relaties situeren zich bijna allemaal in de context van het
> "zich zorgen maken over" of "zich afvragen of alles in orde is met"
kinderen,
> partner, ouders of familie. B.v. "Zou alles goed zijn met mijn jongste
> dochter? Ze zit nu al van maart in Spanje en ze heeft nog niks van zich
laten
> horen.", "Mijn man moet voor de kinderen zorgen, hij moet zorgen dat hij
weet
> waar het fruit ligt..." "Mijn vriend is deze namiddag weg met zijn ex: wat
> zouden ze allemaal doen?".
>
> Verder gingen heel wat gedachten over het werk of dingen die men nog te
doen
> had in het verdere verloop van de dag of de nabije toekomst. B.v. "Het
> overlopen van de komende namiddag: ik ga nog eten met mijn vriendin voor
haar
> verjaardag, ik moet nog eens bij de architect...", "Ik moet nog aan mijn
> duivenhok timmeren.".
>
> Er waren nog enkele gedachten over gezondheid b.v. "Hoe gaan mijn klachten
> evolueren, gaat het nog verergeren?" Tenslotte hadden ze nog een aantal
> andere gedachten die we niet onder de voorafgaande piekerthema's kunnen
> plaatsen. Zo heeft iemand een gedicht afgemaakt tijdens de relaxatie, zag
> iemand een beeld van een tv-scherm waar iets verteld werd...
>
> De inhoud van de gedachten bij deelnemers met een lage habituele
> actiebereidheid is grotendeels hetzelfde als deze met een hoge
actiebereidheid,
> maar ze zijn verschillend in aantal. Zo hadden ze meer gedachten over
> negatieve gewaarwordingen tijdens de relaxatie, zoals "Ik krijg weer pijn
in
> mijn nek.", "Ik voel een kramp in mijn been.", Ik wil die druk op mijn
borst
> niet voelen.", "Mijn mond en kaken zijn nog gespannen.". Daarna volgden
> gedachten rond specifieke omstandigheden van de relaxatie, b.v. "Als ik in
> een zetel of bed zou liggen, zou het me beter uitgekomen zijn.",
> omgevingsgeluiden b.v. "Vanwaar komt dat geluid?", "Mocht het hier
volledig
> stil zijn, zou ik me anders voelen." of de tijd b.v. "Goh, dat is best
> lang... die tien minuten.", "Het duurt lang die tien minuten, wanneer zou
> het gedaan zijn?".
>
> We vinden bij deze subgroep echter geen gedachten terug rond
zelfvertrouwen
> tijdens de relaxatie. Er zijn wel meer positieve gedachten die verband
houden
> met de ontspanning b.v. "Ik zou zo in slaap kunnen vallen.", "De relaxatie
> valt goed mee."... Er zijn ook nog gedachten over het onderzoek b.v. "Zou
die
> studie iets uithalen?", "Ik wil de studie vooruit helpen, maar ik kan er
niet
> veel mee doen."
>
> Net zoals bij de vorige groep draaien heel wat gedachten rond relaties,
zowel
> in negatieve als positieve zin. B.v. "Hoelang gaat mijn gezin nog kunnen
> verdragen dat ik zo loop.", "Ik ben blij dat ik mijn man heb." Daarnaast
zijn
> er ook redelijk wat gedachten rond werk of dingen die nog gedaan moeten
> worden b.v. "Ik moet nog naar mijn kleinkinderen.", "Ik moet nog kiwi's,
> appels... halen.", "Ik zou graag de bovenverdieping kuisen, maar het gaat
> niet.". Verder is er nog 1 gedachte rond gezondheid: "Er zijn mensen die
er
> erger aan toe zijn dan ik, ik kan tenminste nog aan dit onderzoek
deelnemen.".
> Er zijn geen gedachten over de toekomst.
>
> Opvallend is dat deze groep meer andere gedachten heeft in de vorm van
> positieve, ontspannende beelden b.v. zoals zich zien vullen met een zachte
> vloeistof, in Griekenland vertoeven, zwemmende dolfijnen, zich aan de
> Westerschelde zien vissen...
>
> Het soort gedachten bij deelnemers met een hoge habituele actiebereidheid
is
> voornamelijk een interne dialoog (46.4 %), visueel (28.6 %) of een
combinatie
> van beide (16.1 %). De meerderheid van de gedachten komt vanzelf op (91.1
%)
> en men heeft er controle over (85.7 %). Aan 57.1 % van de gedachten kan
> weerstaan worden. In ongeveer de helft van de gedachten zijn anderen
aanwezig
> (51.8 %). 47.2 % van de gedachten wordt bestempeld als stresserend of zeer
> stresserend, 58.5 % als onaangenaam of heel onaangenaam en 41.1 % als
> dwingend of heel dwingend. Toch wordt 48.2 % van die gedachten gemakkelijk
> van zich afgezet (41.1 % moeilijk). De meeste gedachten nemen matig tot
veel
> aandacht in beslag van de deelnemers (57.1 %), maar leiden weinig aandacht
af
> van de relaxatie (58.9 %). Ongeveer de helft van de gedachten (50.9 %)
duurt
> van 1 minuut tot enkele minuten.
>
> Bij de deelnemers met lage actiebereidheid hebben gedachten voornamelijk
de
> vorm van een interne dialoog (46.3 %), een combinatie van interne dialoog
en
> visueel (29.6 %) of visueel (16.7 %). Net zoals bij de andere groep komen
de
> meeste gedachten vanzelf op (87 %), hebben ze er controle over (87 %) en
> kunnen ze er aan weerstaan (55.6 %). Zestig procent van de gedachten duurt
> maar enkele seconden en in 64.8 % van de gedachten zijn geen anderen
aanwezig.
> 35.2 % van de gedachten wordt omschreven als stresserend of zeer
stresserend,
> 44.4 % als onaangenaam of heel onaangenaam en 24.1 % als dwingend of heel
> dwingend. De meeste gedachten nemen matig tot veel aandacht van zichzelf
in
> beslag ( 70.4 %) en iets meer dan de helft (51.9 %) leidt matig tot veel
> aandacht af van de relaxatie. Slechts 38.9 % van de gedachten konden ze
> gemakkelijk van zich afzetten.
>
>
>
> IV. Discussie
> -------------
>
> De bedoeling van het onderzoek betrof de vraag of CVS-patienten met een
hoge
> habituele actiebereidheid meer negatieve gevoelens ervaren tijdens
relaxatie
> (RIA) en meer piekeren dan patienten met een lage habituele
actiebereidheid.
> In een eerste deel werd op basis van de vragenlijsten verscheidene
kenmerken
> van onze onderzoeksgroep onderzocht zoals moeheid, dagelijks functioneren
en
> functionele hinder, attributies, self-efficacy, psychologisch welbevinden.
> Daarna werd op basis van correlationeel onderzoek het verband tussen de
> verschillende vragenlijsten nagegaan.
>
> De concrete hypothese die echter in dit onderzoek onderzocht werd, was dat
> mensen met een hoge habituele actiebereidheid door relaxatie minder
positief
> affect, meer negatief affect, een groter spanningsniveau, meer angst voor
> relaxatie en meer somatische klachten zouden ervaren. Dit werd getoetst
door
> middel van verschillende multivariate en univariate variantie-analyses
> (ANOVA's) van de pre- en post-experimentele vragenlijsten en de
> zelfgerapporteerde spanningsmeter.
>
> De resultaten van de vragenlijsten suggereren dat onze onderzoeksgroep
> vergelijkbaar is met andere bestudeerde groepen CVS-patienten (Vercoulen
et
> al., 1994, Mes & Van Harten, 1998). Patienten scoren zoals verwacht hoog
op
> de verschillende dimensies van vermoeiheid. Hun klachten hebben grote
> gevolgen voor hun sociale gedrag, verbale communicatie, psychisch
functioneren
> en emotionele stabiliteit. Ze schrijven hun klachten frequent toe aan
> lichamelijke oorzaken, waardoor ze niet veel controle over hun klachten
> ervaren. Ze scoren wel iets hoger op depressie, angst en psychopathologie,
> zoals te verwachten valt voor patienten uit een derde lijnsetting.
>
> Bij de correlaties waren we voornamelijk geinteresseerd in de samenhang
tussen
> habituele actiebereidheid (HAB), piekeren (PSWQ) en angst voor relaxatie
> (RRAQ). We vermoedden een onderlinge significante correlatie tussen HAB en
> piekeren, HAB en RRAQ en piekeren en RRAQ. Deze vermoedens werden niet
> bevestigd, behalve voor RRAQ en piekeren (51**). Er was praktisch geen
> correlatie tussen HAB en piekeren (.07) en een lage correlatie tussen HAB
en
> RRAQ (.24). Patienten met een hoge habituele actiebereidheid zijn geen
> piekeraars en hebben niet meer angst voor relaxatie dan deze met een lage
> habituele actiebereidheid. We vinden hier wel bewijs voor het vijfde
> mechanisme van het model van Heide en Borkovec (1984), dat piekeren als
een
> bron van RIA ziet. De angst tijdens relaxatie kan te wijten zijn aan
> verstorende gedachten die opkomen.
>
> Andere correlaties wijzen uit dat een hoge habituele actiebereidheid
gepaard
> gaat met een grotere invaliditeit, meer psychopathologie waaronder
depressie
> en angst en het hebben van lichamelijke attributies. Dit komt overeen met
de
> stelling dat patienten met een hoge habituele actiebereidheid vlugger
geneigd
> zijn te vervallen in het zaagtandpatroon van over- en inactiviteit
(Goedseels
> & Pieters, 1996). Dit is 1 van de factoren die CVS helpt instandhouden. In
> dit licht kan de samenhang met invaliditeit, depressie en angst gezien
worden.
> De samenhang met somatische attributies sluit eveneens aan bij 1 van de
> hypothesen geformuleerd in hoofdstuk 2. Patienten die ondanks hun
voortdurende
> prestaties hun ideaal niet bereiken of de gewenste waardering niet
krijgen,
> kunnen lichamelijke ziekte aangrijpen om de mislukking buiten zichzelf te
> plaatsen (Van Houdenhove & Neerinckx, 1998).
>
> Angst voor relaxatie is significant gerelateerd aan depressie, angst en de
> mate van psychopathologie. Dit blijkt uit de significante correlaties met
de
> totaalscore en de subschalen van zowel de SCL-90 als de HADS. RRAQ hangt
> eveneens samen met de impact van de klachten op het dagelijks functioneren
> (.32 **). Hoe groter de invaliditeit, hoe meer angst voor relaxatie.
>
> Uit de correlatietabel kunnen we verder afleiden dat piekeren samenhangt
met
> depressiviteit en angst. Dit blijkt uit de significante correlaties met de
> totaalscore en de depressie- en angstschalen van zowel de SCL-90 als de
HADS.
> Deze samenhang tussen piekeren en depressie en angst vinden we ook terug
in
> andere onderzoeken (Van Rijsoort, Vervaecke & Emmelkamp, 1997; Van
Rijsoort,
> Emmelkamp & Vervaecke, 1999). Piekeraars attribueren hun klachten meer aan
> niet-lichamelijke oorzaken (.64**) en vrouwen zijn grotere piekeraars dan
> mannen (-.34*). Deze laatste correlatie wordt ook door Kerkhof et al.
(2000)
> beschreven. Blijkbaar hebben vrouwen een grotere neiging om te piekeren
> dan mannen. Een andere verklaring kan zijn dat vrouwen hun piekeren
> gemakkelijker rapporteren dan mannen.
>
> Uit de variantie-analyses kunnen we afleiden dat relaxatie voor een
> significante daling van positief en negatief affect zorgt in de volledige
> groep. Er is evenwel geen significant verschil tussen deelnemers met een
hoge
> en lage habituele actiebereidheid.
>
> De daling in negatief affect ligt volledig binnen onze verwachtingen. De
> daling in positief affect lijkt op het eerste gezicht opmerkelijk. Toch is
> dit niet tegenstrijdig. Relaxatie zorgt immers voor een verminderde
arousal.
> Sterke negatieve maar ook positieve gevoelens (b.v. enthousiasme,
> uitgelatenheid...) worden daardoor afgezwakt. Dit kan een verminderd
positief
> affect tot gevolg hebben.
>
> Relaxatie zorgt eveneens voor een afname van spanning, wat te verwachten
was.
> We konden echter geen significante verschillen terugvinden bij deelnemers
met
> hoge en lage habituele actiebereidheid wat betreft hun spanningsniveau.
Dit
> kan te wijten zijn aan de meting van spanning. Ze is gebaseerd op
> zelfrapportage van de deelnemers tijdens het semi-gestructureerd
interview.
> Deelnemers, die RIA ervaren hebben tijdens de relaxatie, kunnen opgelucht
> zijn dat het afgelopen is en daardoor een lagere spanningswaarde
weergeven.
> Daarenboven vond het interview niet onmiddellijk na de ontspanning plaats,
> maar pas tien minuten tot een kwartier later. Een meting tijdens de
relaxatie
> zou dus meer accuraat zijn om veranderingen in spanningsniveau weer te
geven.
> De resultaten van de EMG-meting waren in dit opzicht bruikbaar geweest,
maar
> ze zijn niet in deze thesis opgenomen.
>
> De analyses geven wel een significant verschil weer tussen hoge en lage
> habituele actiebereidheid op het aantal somatische klachten dat ze ervaren
> hebben. Deelnemers met een hoge HAB hebben duidelijk minder klachten na de
> relaxatie in vergelijking met daarvoor. Dit is in tegenstelling tot
> deelnemers met een lage HAB. Zij ervaren meer klachten na de relaxatie.
>
> Daarnaast blijkt er geen significant verschil te bestaan tussen deelnemers
> met een hoge en lage HAB in angst voor relaxatie. Onze hypothese wordt
hier
> niet bevestigd. Dit kan echter te wijten zijn aan het post-hoc indelen van
> onze groep deelnemers (zie verder).
>
> Uit de eigen vragenlijst rond relaxatie-ervaringen tenslotte kunnen we
geen
> significante verschillen afleiden tussen deelnemers met hoge en lage
> habituele actiebereidheid op de clusters vermoeidheid, pijn, RIA,
distractie
> en piekeren.
>
> Relaxatie blijkt niet enkel "een gelukzalig wegzinken" te zijn, er gebeurt
> meer dan dat. Uit exploratief onderzoek van het interview blijkt dat 35 %
van
> de deelnemers met hoge HAB een toegenomen angst of onrust ervaren tijdens
de
> relaxatie. Dit verschilt echter niet van de deelnemers met lage habituele
> actiebereidheid. Een zelfde aantal deelnemers (35 %) met lage HAB geeft
ook
> een toegenomen spanning tijdens de relaxatie weer. Vijfenvijftig procent
van
> beide groepen rapporteerden dat ze het moeilijk vonden om zich te
ontspannen.
> In overeenstemming met de variantie-analyse zien we dat deelnemers met een
> hoge HAB, in vergelijking met lage HAB, minder vermoeidheid gevoeld hebben
> tijdens de relaxatie.
>
> Naast negatieve gevoelens zoals angst steken ook vaak allerlei gedachten
de
> kop op. Uit het exploratief onderzoek blijkt dat patienten niet enkel aan
> ontspanning denken. Ze hebben veel gedachten over ontspanning, maar die
> hangen vaak samen met het onderzoek. Deze groep gedachten kunnen we
> onderverdelen in een aantal subcategorieen: (1) de omstandigheden van de
> relaxatie "Moest ik in een zetel of bed liggen, zou het beter zijn." (2)
> gedachten over het zich moeten ontspannen b.v. "Ik moet mij ontspannen, ik
> moet loslaten." (3) negatieve sensaties tijdens relaxatie b.v. "Verdorie,
> het begint weer: dat ik daar nu pijn moet krijgen, mijn rug is normaal de
> plaats waar ik het minste last van heb." (4) zelfvertrouwen en relaxatie:
> "Ik schaam mij een beetje, ik zit hier in mijn onderbroek, met mijn
buik...".
> Naast deze negatieve gedachten zijn er nog een klein aantal positieve
> gedachten b.v. "Ik word meer ontspannen".
>
> Daarnaast vinden we gedachten over (2) relaties, (3) werk of dingen die
men
> nog te doen heeft, (4) andere, (5) gezondheid en (6) de toekomst. Er zijn
> slechts kleine verschillen tussen de twee groepen.
>
> Algemeen kunnen we stellen dat de meeste gedachten zich situeren binnen de
> onmiddellijke context van het onderzoek of handelen over zaken op korte
> termijn. Het interview blijkt dus een goede methode te zijn om dagelijkse
> beslommeringen te meten.
>
> Qua vorm zijn de meeste gedachten een interne dialoog. Ze komen meestal
> vanzelf op en men heeft er controle over. De gedachten bij deelnemers met
> hoge actiebereidheid lijken meer stresserend, minder aangenaam en minder
> dwingend te zijn dan deze bij lage actiebereidheid. Ze blijken meer
visuele
> gedachten te hebben. Hun gedachten lijken langer te duren (ze denken meer
in
> verhalen), maar ze kunnen ze gemakkelijker van zich afzetten. Ze leiden
> minder de aandacht af van de relaxatie en nemen eveneens minder aandacht
van
> zichzelf in beslag. Tenslotte blijken anderen frequenter aanwezig in hun
> gedachten dan bij deelnemers met een lage actiebereidheid. Deze stellingen
> zijn heel hypothetisch, ze dienen verder getoetst te worden. Het kan
> interessant zijn om deze gedachten in toekomstig onderzoek verder te
> analyseren.
>
> Mogelijke beperkingen van dit onderzoek zijn vooreerst de kleine
> onderzoeksgroep. Dit kan voor een onvoldoende differentiatie zorgen tussen
> deelnemers die hoog en laag scoren op habituele actiebereidheid. Het
post-hoc
> opdelen van 40 patienten in een hooggroep van 20 patienten en een
laaggroep
> van 20 patienten is bovendien arbitrair. Zo kan de twintigste persoon van
de
> laaggroep toch een aanzienlijke score op de HAB hebben die niet veel
> verschilt van de eerste persoon van de hooggroep. Toch wordt deze
twintigste
> persoon beschouwd als iemand met lage habituele actiebereidheid. Het zou
> zinvoller zijn in toekomstig onderzoek uit een grote steekproef te
selecteren
> op hoge of lage habituele actiebereidheid in plaats van een post-hoc
opdeling
> te doen.
>
> Voorts dienen we ook rekening te houden met een selectie-bias. Deelnemers
> zijn patienten van het Universitair Ziekenhuis Gent, wat een derde
> lijnsetting is. Zij kunnen verschillen van patienten uit andere settings.
> Een vergelijking tussen patienten uit een derde en eerste lijnsetting
(Euba,
> Chalder, Deale & Wessely, 1996) wijst uit dat patienten uit de derde
> lijnsetting meer moeheidklachten, een grotere invaliditeit, meer
lichamelijke
> attributies en minder psychologische morbititeit rapporteren.
>
> Tenslotte kan de operationalisatie van bepaalde concepten bijgedragen
hebben
> tot de resultaten. Hierbij denken we aan het concept spanning en
relaxatie.
> Het is moeilijk om het spanningsniveau tijdens relaxatie te vatten. In de
> toekomst dienen we dan ook op zoek te gaan naar andere methoden om
spanning
> te meten. We kunnen bijvoorbeeld denken aan de huidgeleidingsrespons.
>
> Onze hypothese werd in dit onderzoek niet bevestigd. CVS-patienten met een
> hoge habituele actiebereidheid ondervinden niet meer negatieve gevoelens
> tijdens relaxatie en gaan niet meer piekeren dan deze met lage habituele
> actiebereidheid. Voor toekomstig onderzoek kan het nuttig zijn de groep
> CVS-patienten op te splitsen volgens de mate van piekeren (hoog-laag) of
> relaxatie-geinduceerde angst (hoog-laag) in plaats van habituele
> actiebereidheid.
>
>
> Referenties.
> ------------
>
> Arrindell, W.A. & Ettema, J.H.M. (1986).
> SCL-90. Handleiding bij een multidimensionele psychopathologie-indicator.
> Swets & Zeitlinger, Lisse.
>
> Ascher, L.M. (1980).
> Paradoxical intention.
> In: Goldstein, A. & Foa, E.B.: Handbook of Behavioral Interventions.
> New York: Wiley.
>
> Bazelmans, E., Vercoulen, J.H.H.M., Galama, J.M.D., Van Weel, C.,
> Van der Meer, J.W.M, Bleijenberg, G. (1997).
> Prevalentie van het chronische- vermoeidheidssyndroom
> en het primaire-fibromyalgiesyndroom in Nederland.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1520-1522.
>
> Beck, A.T., Ward, C.H., Mendelson, M., Mock, J.E. & Erbaugh, J.K. (1961).
> An inventory for measuring depression.
> Archives of General Psychiatry, 4, 561-571.
>
> Bernstein, D.A. & Borkovec, T.D. (1973).
> Progressive Relaxation Training.
> Champaign, Illinois: Research Press.
>
> Bleijenberg, G. (1997).
> Attributies en chronische vermoeidheid.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1510-1512.
>
> Bleijenberg, G, Vercoulen, J.H.H.M., & Bazelmans, E. (1996).
> Chronische Vermoeidheid.
> In: Everaerd, Bak, Derksen, Diesfeldt, Emmelkamp, Goeman, et al. (Eds.),
> Handboek voor Klinische Psychologie (pp. 1-18).
> Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
>
> Bleijenberg, G., Vercoulen, J.H.H.M., Fennis, J.F.M.,
> Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D. & Van der Meer, J.W.M. (1995).
> Psychologische behandelingsmogelijkheden bij het
> chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS).
> In: De Vos, Bak, & Timmermans (Eds.),
> Trends, psychologie in gezondheidszorg (pp. 117-130).
> Lisse: Swets & Zeitlinger.
>
> Blondell-Hill, E. & Shafran, S.D. (1993).
> Treatment of the chronic fatigue syndrome. A review and practical guide.
> Drugs, 46, 639-651.
>
> Borkovec, T.D. & Grayson, J.B. (1978).
> Consequences of increasing the functional impact of internal
> emotional stimuli.
> In: K. Blankstein, P. Pliner, & J. Polivy:
> Assessment and Modification of Emotional Behavior (pp. 117-137).
> New York: Plenum Press.
>
> Borkovec, T.D. & Hennings, B.L. (1978).
> The role of physiological attention-focusing in the relaxation treatment
> of sleep disturbance, general tension and specific stress reaction.
> Behavior Research and Therapy, 16, 7-19.
>
> Borkovec, T.D., Mathews, A.M., Chambers, A., Ebrahimi, S.,
> Lytle, R. & Nelson, R. (1987).
> The effects of relaxation training with cognitive or nondirective therapy
> and the role of relaxation-induced anxiety in the treatment of
> generalized anxiety.
> Journal of Consulting and Clinical Psychology, 55 (6), 883-888.
>
> Bouman, T.K., Luteijn, F., Albersnagel, F.A. & Van der Ploeg, F.A.E.
(1985).
> Enige ervaringen met de Beck Depression Inventory.
> Gedrag - Tijdschrift voor Psychologie, 13, 13-24.
>
> Braith, J.A., McCullough, J.P. & Bush, J.P. (1988).
> Relaxation-induced anxiety in a subclinical sample
> of chronically anxious subjects.
> Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 19 (3), 193-198.
>
> Brown, T.A., Antony, M.M. & Barlow, D.H. (1992).
> Psychometric properties of the Penn State Worry Questionnaire in
> a clinical anxiety disorders sample.
> Behaviour Research and Therapy, 30, 33-37.
>
> Buchwald, D. (1996).
> Fibromyalgia and chronic fatigue syndrome.
> Similarities and differences.
> Rheumatic Disease Clinics of North America, 22, 219-243.
>
> Buchwald, D., Umali, P., Kith, P., Pearlma, T. & Komaroff, A.L. (1995).
> Chronic fatigue and the chronic fatigue syndrome:
> prevalence in a Pacific Northwest Health care system.
> Annals of Internal Medicine, 123, 81-88.
>
> Budzynski, T.H., Stoya, J.M. & Peffer, K.E. (1980).
> Biofeedback techniques in psychosomatic disorders.
> In: A. Goldstein & E.B. Foa, Handbook of Behavioral Interventions.
> New York: Wiley.
>
> Chalder, T., Power, M.J., & Wessely, S. (1996).
> Chronic fatigue in the community: 'A Question of attribution'.
> Psychological Medicine, 26, 791-800.
>
> Clements, A., Sharpe, L., Simkin, S., Borrill, J., & Hawton, K. (1997).
> Chronic Fatigue Syndrome:
> A qualitative investigation of patients'beliefs about the illness.
> Journal of Psychosomatic Research, 42, 615-624.
>
> Davey, G. (1993).
> A comparison of three worry questionnaires.
> Behaviour Research and Therapy, 31, 51-56.
>
> David, A.S., Wessely, S. & Pelosi, A.J. (1991).
> Chronic fatigue syndrome: Signs of a new approach.
> British Journal of Hospital Medicine, 45, 158-163.
>
> Davidson, R.G. & Schwartz, G.E. (1976).
> Psychobiology of relaxation and related states.
> In: D. I. Mostofsky (Ed.):
> Behavior Modification and Control of Physiological Activity (pp. 399-442).
> Englewood Cliffs, New York: Prentice-Hall,.
>
> De Bruin, A.F., Diederiks, J.P.M., De Witte, L.P.,
> Stevens, F.C.J. & Philipsen, H. (1994).
> SIP68: een verkorte versie van de Sickness Impact Profile.
> Handleiding. Vakgroep medische psychologie,
> Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht.
>
> Dirken, J.M. (1970).
> Vragenlijst voor habituele actiebereidheid.
> Handleiding, normen, betrouwbaarheid en validering.
> Groningen: Wolters-Noordhoff.
>
> Edinger, J.D. & Jacobsen, R. (1982).
> Incidence and significance of relaxation treatment side-effects.
> The Behavior Therapist 5, 137-138.
>
> Euba, R., Chalder, T., Deale, A., Wessely, S. A. (1996).
> Comparison of the characteristics of chronic fatigue syndrome
> in primary and tertiary care.
> British Journal of Psychiatry, 168, 121-126.
>
> Fahrion, S.L. & Norris, P.A. (1990).
> Self-regulation of anxiety.
> Bulletin of the Menninger Clinic, 54 (2), 217-231.
>
> Fogle, D.O. (1978).
> Learned helplessness and learned restlessness.
> Psychotherapy: theory, research and practice, 15 (1), 39-47.
>
> Friedberg, F. (1996).
> Chronic Fatigue Syndrome: A new clinical application.
> Professional Psychology, 27, 487-494.
>
> Friedberg, F., & Jason, L.A. (1998).
> Understanding Chronic Fatigue Syndrome:
> An empirical guide to assessment and treatment.
> American Psychological Association, Washington, D.C.
>
> Fukuda, K., Straus, S.E., Hichie, I., Sharpe, M.C.,
> Dobbins, J.G., Komaroff, A.L. (1994).
> Chronic Fatigue Syndrome:
> a comprehensive approach to its definition and management.
> Annals of Internal Medicine, 121, 953-959.
>
> Galama, J.M.D., Swanink, C.M.A., Vercoulen, J.H.H.M., Fennis, J.F.M.,
> Bleijenberg, G., Melchers, W.J.G., Van der Meer, J.W.M. (1996).
> Chronisch Vermoeidheidssyndroom: spelen virusinfecties een rol?
> Infectieziekten Bulletin, 7, 245-249.
>
> Garssen, B., Van Veendaal, W. & Bloemink, R. (1983).
> Agoraphobia and the hyperventilation syndrome.
> Behaviour Research and Therapy, 21 (6), 643-649.
>
> Goedseels, K., & Pieters, G. (1996).
> Het chronische-vermoeidheidssyndroom:
> een cognitief-gedragstherapeutische benadering.
> Gedragstherapie, 29, 181-199.
>
> Grossman, P. & Swart, J.C.G. (1984).
> Diagnosis of hyperventilation syndrome on the basis of reported
complaints.
> Journal of Psychosomatic Research, 28, 97-104.
>
> Hawton, K.E. & Hengeveld, M.W. (1991).
> Het chronisch vermoeidheidssyndroom: psychiatrische aspecten.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 135 (4), 2014-2017.
>
> Heide, F.J. & Borkovec, T.D. (1983).
> Relaxation-induced anxiety:
> Paradoxical anxiety enhancement due to relaxation training.
> Journal of Consulting and Clinical Psychology, 51(2), 171-182.
>
> Heide, F.J. & Borkovec, T.D. (1984).
> Relaxation-induced anxiety: Mechanisms and theoretical implications.
> Behaviour Research and Therapy, 22 (1), 1-12.
>
> Holmes, G.P., Kaplan, J.E., Gantz, N.M., Komaroff, A.L.,
> Schonberger, L.B., Strauss, S.S., Jones, J., Dubois, R.,
> Cunningham-Rundles, C., Savita, P., Giovanna, T., Purtilo, D.,
> Brown, N., Schooley, R. & Brus, I. (1988)
> Chronic fatigue syndrome: a working case definition.
> Annals of Internal Medicine, 108, 387-389.
>
> Imboden, J.B., Canter, A., Cluff, l.E. & Trever, R.W. (1959).
> II. Brucellosis: Psychological aspects of delayed convalescence.
> Archives of Internal Medicine, 103, 406-414.
>
> Jack, T.M., Walker, V.A., Morley, S.J.,
> Hanks, G.W. & Finlay-Mills, B.M. (1997).
> Depression, anxiety and chronic pain.
> Anaesthesia, 42, 1235-1236.
>
> Jacobs, H.M., Luttik, A., Touw-Otten, F.W.M.M. & Melker, R.A. (1990).
> De 'sickness impact profile':
> resultaten van een valideringsonderzoek van de Nederlandstalige versie.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 134, 1950-1954.
>
> Jason, L.A. & Taylor, S.L. (1994).
> Monitoring chronic fatigue syndrome.
> Journal of nervous and mental disease, 182 (4), 243-244.
>
> Jason, L.A., Richman, J.A., Friedberg, F., Wagner, L.,
> Taylor, R., & Jordan, K.M. (1997).
> Politics, science and the emergence of a new disease.
> The case of Chronic Fatigue Syndrome.
> American Psychologist, 52, 973-983.
>
> Jason, L.A., Ropacki, M.T., Santoro, N.B., Richman, J.A.,
> Heatherly, W., Taylor, R., Ferrari, J.R., Plioplys, A.V.,
> Plioplys, S., Rademaker, A. & Golding, J. (1997).
> A screening scale for chronic fatigue: reliability and validity.
> Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 3, 39-59.
>
> Joyce, J., Hotoph, M. & Wessely, S. (1997).
> The prognosis of chronic fatigue and chronic fatigue syndrome:
> a systematic review.
> Quarterly Journal of Medicine, 90, 223-233.
>
> Kerkhof, A., Hermans, D, Figee, A., Laeremans, I.,
> Aardema, A. & Pieters, G. (2000).
> De Penn State Worry Questionnaire en de Worry Domains Questionnaire:
> eerste resultaten bij Nederlandse en Vlaamse klinische en
> poliklinische populaties.
> Gedragstherapie, 30 (2), 135-145.
>
> Khasky, A.D. & Smith, J.C. (1999).
> Stress, relaxation states and creativity.
> Perceptual and motor skills, 88, 409-416.
>
> Klonoff, D.C. (1992).
> Chronic fatigue syndrome.
> Clinical Infectious Diseases, 15, 812-823.
>
> Lazarus, A.A. & Mayne, T.J. (1990).
> Relaxation: some limitations, side effects and proposed solutions.
> Psychotherapy, 27 (2), 261-265.
>
> Le Boeuf, A. (1986).
> Relaxation-induced anxiety in an agoraphobic population.
> Perceptual and Motor Skills, 62, 920.
>
> Ley, R. (1988).
> Panic attacks during relaxation and relaxation-induced anxiety:
> A hyperventilation interpretation.
> Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 19 (4), 253-259.
>
> Lievens, S. (1999).
> Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS): begripsomschrijving.
> In: S. Lievens & E. Schaut (Eds.),
> Moe en onbegrepen. Positief omgaan met chronische vermoeidheid. Tielt:
Lannoo.
>
> Light, K.C. (1997).
> Stress in employed women:
> a women's work is never done if she is a working mom.
> Psychosomatic Medicine, 59, 360-361.
>
> Lloyd, A.R., Hickie, I., Boughton, C.R., Spencer, O. & Wakefield, D.
(1990).
> Prevalence of chronic fatigue syndrome in an Australian population.
> The Medical Journal of Australia, 153, 522-528.
>
> Main, C.J. (1983).
> The Modified Somatic Perception Questionnaire (MSPQ).
> Journal of Psychosomatic Research, 27, 503-514.
>
> Manu, P., Lane, T., & Matthews, D. (1993).
> Chronic fatigue and chronic fatigue syndrome:
> clinical epidemiology and aetiological classification.
> Chronic Fatigue Syndrome, Ciba Foundation Symposium 173, 23-42.
>
> Manu, P., Matthews, D., Lane, T.J., Tennen, H., Hesselbrock, V.,
> Mendola, R. & Affleck, G. (1989).
> Depression among patients with a chief complaint of chronic fatigue.
> Journal of Affective Disorders, 17, 165-172.
>
> McKeachie, W.J. (1985).
> Relaxation-induced anxiety: Additional findings.
> Psychological Reports, 57 (3, pt 2), 1277-1278.
>
> Mes, C.A.J. & van Harten, W.H. (1998).
> Revalidatie en het chronisch vermoeidheidssyndroom.
> De behoeften van patienten als uitgangspunt voor de
> opzet van een revalidatieprogramma.
> Ongepubliceerde doctoraatsverhandeling,
> Katholieke Universiteit Nijmegen, Nederland.
>
> Meyer, T.J., Miller, M.L., Metzger, R.L. & Borkovec, T.D. (1990).
> Development and validation of the Penn State Worry Questionnaire.
> Behavior Research and Therapy, 28 (6), 487-495.
>
> Moorey, S., Greer, S., Watson, M., Gorman, C., Rowden, L.,
> Tunmore, R., Robertson, B. & Bliss, J. (1991).
> The factor structure and factor stability of the
> Hospital Axiety and Depression Scale in patients with cancer.
> British Journal of Psychiatry, 158, 255-259.
>
> Morriss, R.K., Wearden, A.J. & Battersby, L. (1997).
> The relation of sleep difficulties to fatigue,
> mood and disability in chronic fatigue syndrome.
> Journal of Psychosomatic Research, 6, 597-605.
>
> Neerinckx, E. (1999).
> A multidimensional analysis of chronic fatigue and fibromyalgia syndrome.
> Ongepubliceerde doctoraatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven.
>
> Neerinckx, E., Van Houdenhove, B., Lysens, R., Vertommen,
> H. & Onghena, P. (1999).
> Premorbid overactive lifestyle in chronic fatigue syndrome and
fibromyalgia:
> a vulnerability factor or a proof of good citizenship?
> In: E. Neerinckx. A multidimensional analysis of chronic fatigue
> and fibromyalgia syndrome (pp. 109-118).
> Ongepubliceerde doctoraatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven.
>
> Norton, G.R., Hauch, J., Kaprowy, E.A. (1985).
> Characteristics of subjects experiencing
> relaxation and relaxation-induced anxiety.
> Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 16(3), 211-216.
>
> Norton, G.R. & Johnson, W.E. (1983).
> A comparison of two relaxation procedures for reducing cognitive and
> somatic anxiety.
> Journal of Behavior Therapy and Experimental Psychiatry, 14, 209-214.
>
> Organista, P.B. & Miranda, J. (1993).
> Psychosomatic symptoms in medical outpatients.
> An investigation of self-handicapping theory.
> Health Psychology, 10, 427-431.
>
> Ray, C., Jefferies, S., & Weir, W.R.C. (1995).
> Coping with chronic fatigue syndrome:
> illness responses and their relationship with fatigue,
> functional impairment and emotional status.
> Psychological Medicine, 25, 937-945.
>
> Sackheim, H.A. & Gur, R.C. (1978).
> Self-deception, self-confrontation and consciousness.
> In:G.E. Schwartz & D. Shapiro (Eds.): Consciousness and Self-regulation
> Vol. II. (pp. 139-197). New York: Plenum Press.
>
> Scheufele, P.M. (2000).
> Effects of progressive relaxation and classical music on
> measurements of attention, relaxation and stress responses.
> Journal of Behavioral Medicine, 23, 207-227.
>
> Schotte, C.K.W., De Doncker, D., Maes, M., Cluydts, R.,
> Vandekerckhoven, C. & Cosyns, P. (1997).
> Begripsvaliditeit van de Beck Depression Inventory.
> Diagnostiek-wijzer, Tijdschrift voor de Geestelijke Gezondheidszorg,
> 4, 161-175.
>
> Shafran, S.D. (1991).
> Chronic Fatigue Syndrome.
> The American Journal of Medicine, 90, 730-739.
>
> Shear, H.J. & Aiken, N. (1991).
> Relaxation-induced anxiety. Clarifying the paradox.
> Medical Psychotherapy: An International Journal, 4, 77-84.
>
> Shepherd, C. (1996).
> ME: richtlijnen voor patientenzorg.
> ME-stichting, Amsterdam.
>
> Shorter, E. (1992).
> >From paralysis to fatigue:
> a history of psychosomatic illness in the modern era.
> New York: Free Press.
>
> Spinhoven, P., Ormel, J., Sloekers, P.P.A., Kempen, G.I.J.M.,
> Speckens, A.E.M. & Hemert, A.M. (1997).
> A validation study of the Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS)
> in different groups of Dutch subjects.
> Psychological Medicine, 27, 363-370.
>
> Steer, R.A., Beck, A.T., Cavalieri, T.A. & Leonard, D.M. (1999).
> Use of the Beck Depression Inventory for Primary Care to Screen
> for Major Depression Disorders.
> General Hospital Psychiatry, 21, 106-111.
>
> Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D., Vercoulen, J.H.H.M., Bleijenberg, G.,
> Fennis, J.F.M., Vander Meer, J.W.M., (1991).
> Het chronische-moeheidssyndroom: I. Somatologische hypothesen.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 135 (43), 2010-2014.
>
> Suraway, C., Hackman, A., Hawton, K. & Sharpe, M. (1995).
> Chronic Fatigue Syndrome: a cognitive approach.
> Behavior Research and Therapy, 33, 535-544.
>
> Van Duyse, A., Mariman, A., & Michielsen, W. (1999).
> Chronisch vermoeidheidssyndroom en behandeling: cognitieve
gedragstherapie.
> In: S. Lievens & E. Schaut (Eds.),
> Moe en onbegrepen. Positief omgaan met chronische vermoeidheid (pp.
119-134).
> Tielt: Lannoo.
>
> Van der Meer, J.W.M. & Elving, L.D. (1997).
> Moe met drieentwintig oe's.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1505-1507.
>
> Van der Ploeg, H.M., Defares, P.B. & Spielberger, C.D. (1980).
> Handleiding bij de Zelfbeoordelingsvragenlijst (ZBV).
> Lisse: Zwets & Zeitlinger.
>
> Van der Ploeg, E., Kleber, R.J. & Van der Velden, P.G. (2000).
> Acute en chronische werkstress. Implicaties voor psychische gezondheid.
> Gedrag en Gezondheid, 28 (3), 172-185.
>
> Van Houdenhove, B. & Neerinckx, E. (1998).
> De ziel uit het lijf...
> Verhoogt een overactieve levensstijl de vatbaarheid voor het
> chronische-vermoeidheidssyndroom?
> Tijdschrift voor psychiatrie, 40, 212-220.
>
> Van Houdenhove, B., Onghena, P., Neerinckx, E. & Hellin, J. (1995).
> Does high action-proneness people make people more vulnerable to
> chronic fatigue syndrome? A controlled psychometric study.
> Journal of Psychosomatic Research, 39, 633-640.
>
> Van Houdenhove, B., Stans, L. & Verstraeten, D. (1987).
> Is there a link between 'pain-proneness' and 'action-proneness'?
> Pain, 29, 113-117.
>
> Van Rijsoort, S., Emmelkamp, P. & Vervaecke, G. (1999).
> De Penn State Worry Questionnaire en de Worry Domains Questionnaire:
> eerste resultaten bij een normale Nederlandse populatie.
> Gedragstherapie, 30, 121-128.
>
> Van Rijsoort, S., Vervaecke, G. & Emmelkamp, P. (1997).
> De Penn State Worry Questionnaire en de Worry Domains Questionnaire:
> structure, reliability and validity.
> Clinical Psychology and Psychotherapy, 6, 297-307.
>
> Vercoulen, J.H.H.M., Alberts, M. & Bleijenberg, G. (1999).
> De Checklist Individual Strength.
> Gedragstherapie 32 (2), 131-136.
>
> Vercoulen, J.H.H.M., Hommes, O.R., Swanink, C.M.A., Jongen, P.J.H.,
Fennis,
> J.F.M., Galama, J.M.D., Van der Meer, J.W.M. & Bleijenberg, G. (1996).
> The measurement of fatigue in patients with multiple sclerosis:
> a multidimensional comparison with patients with chronic fatigue syndrome
> and healthy subjects.
> Archives of Neurology, 53, 642-649.
>
> Vercoulen, J.H.H.M., Swanink, C.M.A., Fennis, J.F.M., Galama, J.M.D.,
> Van der Meer, J.W.M. & Bleijenberg, G. (1994).
> Dimensional assessment of chronic fatigue syndrome.
> Journal of psychosomatic research, 38, 383-392.
>
> Vercoulen, J.H.H.M., Swanink, C.M.A., Galama, J.M.D., Fennis, J.F. M.,
> Van der Meer, J.W.M. & Bleijenberg, G. (1991).
> Het chronische-moeheidssyndroom. II. Psychosociale hypothesen.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 135, 103-107.
>
> Vercoulen, J.H.H.M., Zitman, F.G., Fennis, J.F.M., Galama, J.M.D.,
> Van der Meer, J.W.M., & Bleijenberg, G. (1997).
> Geen effect van fluoxetine bij chronische-vermoeidheidssyndroom;
> gerandomiseerde, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 141, 1531-1535.
>
> Vlaeyen, J.W.S., Geurts, S.M., van Eek, H., Snijders, A.M.J.,
> Schuerman, J.A. & Groenman, N.H. (1989).
> Pijn Cognitie Lijst: experimentele versie.
> Lisse: Swets & Zeitlinger.
>
> Ware, N.C. (1998).
> Sociomatics and illness course in chronic fatigue syndrome.
> Psychosomatic Medicine, 60, 394-401.
>
> Watson, D., Clark, L.A. & Tellegen, A. (1988).
> Development and validation of brief measures of positive and
> negative affect: the PANAS scales.
> Journal of Personality and Social Psychology, 54 (6), 1063-1070.
>
> Wells, A. (1990).
> Panic disorder in association with relaxation-induced anxiety:
> an attentional training approach to treatment.
> Behavior therapy, 21, 273-280.
>
> Wemekamp, H. (1992).
> Ik moe? Dat kan niet.
> Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 136, 1433-1435.
>
> Wessely, S., Powell, R. (1989).
> Fatigue syndrome: a comparison of chronic postviral fatigue
> with neuromuscular and affective disorders.
> Journal of Neurology, Neurosurgery and Psychiatry, 52, 940-948.
>
> Wilson, A., Hickie, I., Lloyd, A., Hadzi-Pavlovic, D.,
> Boughton, C., & Dwyer, J. (1994).
> Longitudinal study of outcome of chronic fatigue syndrome.
> British Medical Journal, 308, 756-759.
>
> Zigmond, A.S. & Snaith, R.P. (1983).
> The Hospital Anxiety and Depression Scale.
> Acta Psychiatrica Scandinavia, 67, 361-370.
>
>
> Bijlagen.
>
> [ Hier niet te tonen, niet bijgevoegd. Sjaak ]
>
> Bijlage 1: Relaxatie-instructie
> Bijlage 2: Positive Affect Negative Affect Scales
> Bijlage 3: Reactions to Relaxation and Arousal Questionnaire
> Bijlage 4: Somatische klachtenlijst
> Bijlage 5: Eigen vragenlijst rond relaxatie-ervaringen
> Bijlage 6: Semi-gestructureerd interview
> Bijlage 7: Vragenlijst voor Habituele ActieBereidheid
> Bijlage 8: Penn State Worry Questionnaire
>