Van counselen naar
cognitieve gedragstherapie
Behandeling van het chronisch-vermoeidheidssyndroom in de huisartsenpraktijk
http://www.no-stress.be/01c3f6938a0d1c2f2/01c3f6938d136f701/
Chronisch
Vermoeidheid Syndroom
http://www.no-stress.be
CVS (Huisarts en Wetenschap, nr.5 van mei 2003)
Behandeling van het chronisch-vermoeidheidssyndroom in de huisartsenpraktijk
Dirk Van Duppen, Jasna Neirinckx, Lieve Seuntjens
Samenvatting
Van Duppen D, Neirinckx J, Seuntjes L. Behandeling van het
chronisch-vermoeidheidssyndroom in de huisartsenpraktijk. Van counselen naar
cognitieve gedragstherapie. Huisarts Wet
2003;46(5):259-62.
Het miskennen van de diagnose van het chronisch-vermoeidheidssyndroom (CVS) was
voor onze praktijk de aanleiding om kennis te maken met cognitieve
gedragstherapie (CGT). Uit
vakliteratuur bleek dat alleen van CGT en opbouwende lichamelijke oefentherapie
de werkzaamheid bij CVS bewezen was. We zijn de uitdaging aangegaan om door
zelfstudie en intervisie binnen de groepspraktijk CGT en bewegingstherapie zelf
toe te passen om
de zorg voor de chronisch vermoeide patient te verbeteren.
Veertien van de vijftien behandelde patienten boekten na negen maanden
behandeling belangrijke vooruitgang op hun dagelijks activiteitenniveau en op
de symptomenscore in hun
dagboekregistratie.
Vier van hen konden hun werk hervatten. Vier van de zes patienten staakten hun
dagelijks gebruik van een benzodiazepine voor de indicatie slaapstoornissen en
acht van de negen
het dagelijks gebruik van pijnstillers. Deze ervaring doet ons vermoeden dat
CGT bij de zorg voor de chronisch vermoeide patient werkzamer is dan gewone
gesprekstherapie in de
huisartsenpraktijk.
Groepspraktijk Geneeskunde voor het Volk, St. Rochusstraat 57-59, B 2100
Deurne, Belgie: D. van Duppen, J. Neirinckx, L. Seuntjens, huisartsen.
Correspondentie: dirk.vanduppen@antwerpen.be
Mogelijke belangenverstrengeling: niets aangegeven.
De kern
Van cognitieve gedragstherapie en lichamelijke oefentherapie is de werkzaamheid
bij CVS bewezen.De huisarts kan deze behandelingen ook toepassen bij de zorg
voor de chronisch vermoeide patient.
De continuïteit van zorg en de vertrouwensrelatie tussen de huisarts en zijn
patient zijn hierbij een mogelijke meerwaarde.
Inleiding
Maria, een 45-jarige bejaardenverzorgster, ontwikkelde in 1999
cervico-brachialgieen en werd hierdoor langdurig arbeidsongeschikt.
Op CT-scan werd een discushernia vastgesteld. Maria was bovendien reeds langdurig
moe en had aspecifieke spierpijnen en slaapstoornissen. In april 2001 verwezen
we Maria naar een revalidatiearts ter beoordeling van haar cervicale
problematiek. Deze stelde echter de diagnose chronisch-vermoeidheidssyndroom .
(CVS). Hij verwees Maria naar een collega endocrinoloog die zich toelegt op de
behandeling van CVS-patienten. Een uitgebreide bloedanalyse was normaal, op
twee kleine afwijkingen na: een wat lage magnesiumwaarde en een positief IgG
voor Chlamydia pneumoniae.
De endocrinoloog adviseerde het toedienen van magnesium via infusen,
voedingssupplementen en een langdurige antibioticabehandeling (negen maanden)
ter behandeling van de
zogenaamde chlamydia-infectie. (In Belgie is dit een niet ongebruikelijke
behandeling.) Maria wilde dit voorstel niet zomaar aanvaarden en wendde zich
opnieuw tot de huisarts. Ze voldeed
inderdaad aan de diagnostische criteria voor CVS.1
Ze leed meer dan zes maanden aan een aanhoudende moeheid, waarvoor
geen lichamelijke oorzaak gevonden werd en die haar beroepsmatig, sociaal en
persoonlijk functioneren zeer ernstig aantastte en die niet verbeterde na rust.
Bovendien waren er uitgesproken spierpijnen
verspreid voorkomend over het lichaam, regelmatig hoofdpijnen en ernstige
slaapklachten.
Alles was zes jaar geleden begonnen toen haar echtgenoot psychotisch gedrag
ontwikkelde en het gezin onder zware druk kwam te staan. Een psychiater
behandelde Maria toen een tijdje met
antidepressiva. Maria heeft nooit geloofd dat zij een depressie had. Ze is met
alle medicatie gestopt en heeft haar werk hervat.
De klachten zijn echter steeds aanwezig gebleven en in december 1999 kon zij
het werk niet meer aan. De nek- en schouderklachten die toen opkwamen, waren
eerder aanleiding dan de oorzaak voor haar arbeidsongeschiktheid.
Wij huisartsen en de psychiater hadden de diagnose van CVS gemist. Dit voorval
was voor ons de aanleiding tot een zoektocht in de literatuur met als doel de
zorg voor de chronisch vermoeide
patient te verbeteren.
Clinical Evidence en de Cochrane Library stellen dat alleen van cognitieve
gedragstherapie (CGT) en progressieve oefentherapie de werkzaamheid bewezen is.
2,3 Van al de andere behandelingen (onder meer corticosteroïden,
magnesium, antibiotica,
immunotherapie, antivirale behandeling, voedingssupplementen, homeopathie) is
de effectiviteit niet bewezen.
4 Een publicatie in de Lancet van een groep Nijmeegse onderzoekers trok ook onze aandacht.
5 In een RCT met 270 CVS-patienten toonden zij aan dat CGT effectiever was dan
zelfhulpgroepstherapie of de gebruikelijke behandeling. Belangrijk in dit
onderzoek was dat therapeuten zonder ervaring met CGT bij CVS, deze
CVS-patienten behandelden.
Dit betekent dat deze vorm van CGT eenvoudig aan te leren is.
Achtergrond
Onze huisartsengroepspraktijk telde een patientenbestand van ongeveer 1500
gezinnen. Het gaat hoofdzakelijk om arbeidersgezinnen en een belangrijk aantal
kansarmen. Wij kenden in onze
praktijk 15 patienten die voldeden aan de criteria voor het stellen van de
diagnose van CVS
.1 In tabel 1 beschrijven we hun kenmerken.
Negen van de 15 patienten namen dagelijks pijnstillers tegen spierpijnen en 6
slikten alle dagen een benzodiazepine wegens slapeloosheid. Hun sociale
achtergrond was divers: twee universitair
geschoolden, een leerkracht, een maatschappelijk werkster, een verpleegkundige,
twee administratief medewerkers, een huisvrouw, een activiteitenbegeleidster
voor bejaarden, twee bejaardenverzorgsters, een arbeider en drie arbeidsters.
De meeste van deze patienten hadden aan medical shopping gedaan in de anarchie
van de 'vrij' georganiseerde geneeskunde in Belgie.
Zij hadden veel geld uitgegeven aan nutteloze behandelingen zoals het
antivirale Ampligen®, magnesiuminfusen, cortisontherapie of raakten verzeild in
de alternatieve geneeswijzen. Ze waren bij ons bekend als veelklagers en
tijdrovers. Maar ondanks de vele aandacht die ze van ons opeisten, zagen we bij
geen van hen enige duurzame verbetering. Wij beschouwden deze patienten dan ook
als uitbehandeld.
Om financiele redenen konden we de niet-kapitaalkrachtigen onder hen niet naar een CGT-psychotherapeut verwijzen. In Belgie wordt psychotherapie niet vergoed door de ziektekostenverzekering. Wij zijn dan de uitdaging aangegaan om deze CVS-patienten zelf als huisartsen te behandelen volgens het CGT-protocol van de groep van Nijmegen
.6 Een cursus kwaliteitsbevordering inspireerde ons om via de plan, do, check and act (PDCA)-cyclus dit CGT-behandelingsschema door zelfstudie en door middel van intercollegiale toetsing eigen te maken.
7 Het werd een verbeteringsproject voor de praktijk.
Tabel 1 Kenmerken van de CVS-patienten (n=15)
n spreiding
Vrouwen 13
Gemiddelde leeftijd 46 (35-65)
Gemiddeld aantal jaren CVS 8,5 (2-22)
Nog professioneel aan het werk 4
Belangrijkste kwaliteitsmaten
Uitkomstmaten waren de ernst van moeheid, spierpijnen of slaapstoornissen,
alsook het afbouwen van het gebruik van benzodiazepines of pijnstillers. De
belangrijkste kwaliteitsmaat was de ontwikkeling in het dagelijkse
activiteitenniveau. Dit ging van dagelijks wandelen of fietsen, regelmatige
deelname aan andere recreatieve activiteiten buitenshuis tot werkhervatting.
Interventie
In het begin besteedden we veel aandacht aan voorlichting over CVS en de
klachten aan de hand van het biopsychosociaal model.
We informeerden over de bewezen werkzaamheid van een CGTaanpak gecombineerd met
opbouwende oefentherapie. Sommige patienten namen nauwkeurig de
Lancet-publicatie van de groep van Nijmegen door.
(5) Aan anderen legden wij de vergelijkende grafieken uit dit
artikel voor met de uitkomsten van de CGT-groep versus die van de zelfhulpgroep
en de controlegroep om hen te overtuigen van het nut van deze behandeling. We
bespraken met de patient welke faciliterende, initierende en vooral
instandhoudende factoren hun klachten van chronische vermoeidheid, spierpijn
en slaapstoornissen zouden kunnen veroorzaken. Ten slotte voerden we een eerste
gesprek over de persoonlijke doelen.
De eerste 6 tot 8 gesprekssessies van ongeveer 40 minuten hielden we om de
week. Dan volgden 8 tweewekelijkse sessies en enkele maandelijkse opvolgsessies
(plan and do). We organiseerden
ook maandelijks een intervisie onder de artsen (check and act).
Gemiddeld investeerden we per patient ongeveer 20 gesprekssessies over een
periode van 9 maanden.
Telkens bespraken we het dagboek. De nog relatief actieve patienten leerden we
aanvankelijk hoe hun grenzen te hanteren om episodes van piekactiviteit te
voorkomen en om tot een efficient
energiemanagement te komen. Bij de passieve patienten besteedden we van meet af
aan veel aandacht aan het aanmoedigen van de opbouwende bewegingstherapie door
tweemaal daags te gaan fietsen of wandelen. Het aanvangsniveau bedroeg de helft
van de activiteit die de patient vlot aankon. Dagelijks werd de wandel- of
fietstijd met 1 minuut verlengd. Als persoonlijk doel stelden we per patient
dagelijks zo'n 30 à 60 minuten wandelen of fietsen voorop, tweemaal daags voor
de patienten die niet meer werkten en eenmaal daags voor hen die nog wel
werkten.
Bij de dagboekbespreking werd vooral de invloed van gedachten op
gevoelens en gedrag blootgelegd. De patienten registreerden ook regelmatig hun
graad van vermoeidheid volgens een schaal van 0 (helemaal fris en uitgerust)
tot 5 (de ergste vermoeidheid die ze zich konden
inbeelden). Ze registreerden op vergelijkbare wijze spierpijnen of
slaapstoornissen. Het langzaam opvoeren van de dagelijkse wandel- of fietstijd
was een belangrijk hulpmiddel om de invloed van gedachten op gevoelens aan den
lijve te laten ervaren. Door middel van deze thuisopdrachten konden de
patienten hun irrationele, niet-helpende opvattingen, maar ook alternatieve
helpende gedachten, toetsen aan de realiteit via hun (objectiverende)
dagboekregistratie.
Samen werkten we planmatig en stapsgewijs naar haalbare doelen toe, tot de
patient uiteindelijk het gevoel van zelfcontrole en zelfredzaamheid weer
opbouwde.
Effecten
Tabel 2 geeft de uitkomsten weer na 9 maanden behandeling. In totaal hebben 4
patienten (onder wie Maria) hun werk deeltijds hervat, na gemiddeld 5,5 jaar
arbeidsongeschiktheid vanwege CVS.
Zes patienten die volledig passief geworden waren en een groot deel van de dag op bed lagen of op een stoel zaten, zijn weer actief geworden. Ze hervatten niet alleen hun gewone huishoudelijke activiteiten, maar ook hun recreatieve en twee van hen zelfs hun professionele activiteiten.
Eén van deze passieve CVS patienten doet nu buitenhuis
vrijwilligerswerk en heeft een meerdaagse schoolreis in het buitenland
begeleid. Bij alle patienten nam het aantal symptomen sterk af volgens hun
dagboekregistratie.
Wat opviel was dat spierpijnen nagenoeg verdwenen wanneer de patient een
niveau van tweemaal daags 30 minuten fietsen of wandelen vlot kon overschrijden.
Vier van de zes patienten en
acht van de negen stopten met het dagelijks gebruik van respectievelijk
benzodiazepines en pijnstillers. Slechts één patient heeft de behandeling
gestaakt na een conflict met de behandelende arts over de afbouw van
benzodiazepine.
Leerpunten en vervolg
Hoewel de behandeling zeer intensief was en ons veel tijd kostte, geven de
bereikte resultaten de patienten en ons veel voldoening.
Geen enkele andere (meestal dure) behandeling van specialisten of alternatieve genezers
heeft een dergelijk effect op de verbetering van de levenskwaliteit bij deze
zogenaamde uitbehandelde patienten teweeg kunnen brengen. Bovendien deden deze
patienten al voor de start van onze CGT-behandeling heel vaak een beroep op de
huisarts. Ons klassiek counselen bracht dan de patient en partner er meestal
wel even bovenop, maar had geen duurzaam resultaat. We vermoeden dan ook dat
deze behandelingswijze op middellange termijn tijd bespaart.
Niemand van ons heeft een psychotherapeutische vorming gehad. Wij waren ook als
therapeuten onervaren op dit domein.
Toch slaagden we erin door zelfstudie en intervisie behoorlijke resultaten te
realiseren.
Bovendien valt het op dat slechts 1 van de 15 patienten de behandeling gestaakt
heeft. Dat is een kleine uitval vergeleken met de uitval in de
CGT-interventiegroep van de trial van Nijmegen die
40% bedroeg
5 De auteurs van dat onderzoek wijten dit aan het feit dat CVS-patienten sceptisch zijn over psychologische behandeling en een medische oplossing voor hun problemen verwachten.
Ook zou voor veel patienten de reis naar het specialistische
behandelingscentrum fysiek te belastend zijn geweest om vol te houden. We
denken dat het feit dat de behandeling in ons verbeteringsprojectdoor de
huisarts werd toegepast van groot belang is geweest voor het succes van de
therapie en voor de kleine uitval.
Als de patient niet naar het spreekuur kwam, hadden wij als huisarts de
mogelijkheid de behandeling bij de patient thuis voort te zetten. Bij 3 van de
15 patienten vonden de meeste
gespreksessies bij de patient thuis plaats. Bovendien werkten wij met
terugbetalingstarieven, dat wil zeggen dat de patient alle kosten die ze voor
de behandeling betaalden, terugkregen van de ziektekostenverzekering.
We vermoeden dat zowel de unieke positie van de huisarts, als de
huisarts-patientrelatie een reele meerwaarde betekenen in het toepassen van
CGT.
De huisartsgeneeskunde heeft als kerneigenschappen:
continue, integrale (lichamelijk en psychisch) en persoonlijke zorg voor de
gezondheid van de patient en zijn directe (gezins)omgeving.
Deze eigenschappen vormen de basis voor een ver ontwikkelde vertrouwensrelatie tussen arts en patient. Zij verklaren de helende werking van het arts-patientcontact
.8 Deze eigenschappen kunnen bij andere disciplines, de psychotherapeut of specialist, in mindere mate of niet in combinatie voorkomen. De huisarts is feitelijk de eerste en best geplaatste'liaisonpsychiater'.
Hij bevindt zich op het kruispunt van het somatische en psychosociale.
In de Nederlandstalige vakliteratuur voor huisartsen wordt CGT aanbevolen bij
de niet-medicamenteuze aanpak van angst- en stemmingsstoornissen.9-11 Onze
ervaring toonde aan dat CGT in de huisartsenpraktijk ook zinvol kan zijn voor
de behandeling van een complexe problematiek als CVS.
Literatuur
1 Fukuda K, Straus SE, Hickie I, Sharpe MC, Dobbins JG, Komaroff A.
The chronic fatigue syndrome: a comprehensive approach to its
definition and study. Ann Intern Med 1994;121:953-9.
2 Reid S, Chalder T, Cleare A, Hotopf M, Wessely S. Chronic fatigue
syndrome. In: Barton S. Clinical Evidence. A compendium of the best
available evidence for effective health care. Londen: BMJ Publisher
Group, Issue 7, 2002:966-78.
3 Price JR, Couper J. Cognitive behaviour therapy for adults with
chronic
fatigue syndrome (Cochrane review). In: The Cochrane Library,
Issue 2, 2000. Oxford: Update Software.
4 Whiting P, Bagnall AM, Sowden AJ, Cornell JE, Mulrow CD, Ramirez G.
Interventions for the treatment and management of chronic fatigue
syndrome – a systematic review. JAMA 2001;286:1360-8.
5 Prins JB, Bleijenberg G, Bazelmans E, Elving LD, De Boo TM,
Severens JL, et al. Cognitive behaviour therapy for chronic fatigue
syndrome: a multicentre randomised controlled trial. Lancet
2001;357:841-7.
6 Bleijenberg G, Bazelmans E, Prins J. Chronisch
vermoeidheidssyndroom.
Praktijkreeks Gedragstherapie. Deel 13. Houten/Diegem: Bohn
Stafleu Van Loghum, 2001.
7 Seuntjens L, Vanden Bussche P, Vervaeck N. Kwaliteitsmanagement
voor huisartsen. Antwerpen: WVVH, 2001.
8 Van Dulmen S. De helende werking van het arts-patientcontact.
Huisarts Wet 2001;44:490-4.
9 Neomagus GJH, Terluin B, Aulders LPJ, Hekman J, Van Heest FB, Van
der Meer K, et al. NHG-Standaard Angststoornissen. Huisarts Wet
1997;40:167-75.
10 Neomagus GJH. Helpen bij paniek en vermijding. Huisarts Wet
2001;44:563-6.
11 Rogiers R. De niet-medicamenteuze aanpak van angst- en
stemmingsstoornissen
door de huisarts. Implementatie van cognitieve
gedragstherapie in de huisartspraktijk. Gent: Academia Press, 2002.
tabel 2
Tabel 2 Resultaten na negen maanden CGT en oefentherapie bij vijftien
CVS-patienten
Uitgangssituatie Na negen maanden behandeling
Activiteitenniveau
- Vier patienten doen - Alle vier hervatten professioneel werk, hebben
huishoudelijk werk en recreatieve geen energie voor activiteiten.huishoudelijke
of recreatieve
- Twee
patienten hervatten werk
arbeid. in deeltijd.
- Vijf relatief actieve patienten - Twee patienten hebben wekelijks zijn
arbeidsongeschikt. meerdere recreatieve activiteiten
- Zes patienten waren passief, buitenshuis. lagen overdag meer dan - Een
patient stopte de behandeling drie uur op bed of in de stoel. - Twee patienten
hervatten werk in deeltijd.
- Twee patienten hebben wekelijks recreatieve activiteit buitenshuis.
- Twee patienten doen huishoudelijk werk.
Gemiddelde registratie van symptomen volgens een schaal van 0 tot 5 (spreiding)
Moeheid 4,4 (4-5) 2,2 (1-4)
Spierpijnen 4,5 (4-5) 1,3 (0-2)
Slaapstoornissen 3,7 (2-4) 2,0 (0-4)
Dagelijks medicatiegebruik Pijnstillers 9 1 Benzodiazepines 6 2
StressLabo Jan Van der Vorstlaan 43 (praktijk 47) 3040 Loonbeek, 016/473347
Bedenkingen bij het artikel 'Van counselen naar cognitieve gedragstherapie'
Ellen Goudsmit Psycholoog. C.Psychol. AFBPSs.
Thoughts on the article
'Van counselen naar cognitieve gedragtherapie'
Ellen Goudsmit Psycholoog. C.Psychol. AFBPSs.
When I read this paper, two things came to mind.
My first thought was that this is another good example of the confusion caused
by the current definition of CFS, which selects not only patients with ME as
defined by Ramsay and colleagues from the thirties on, but also a variety of
other disorders, notably neurasthenia, (a psychiatric condition closely
associated with anxiety and depression).
Nowhere
in the article do you see references to the post-exertional fatigue associated
with ME and classic post-viral CFS, which makes it almost impossible to
increase activity levels beyond a certain point as patients reach a plateau
above which further exertion leads to relapse. ME and classic CFS is defined
that way. Minimal exertion triggers the fatigue so
increasing exertion cannot cure the fatigue. It's like asking a smoker with
lung cancer to slowly increase their smoking, in the hope that the body will
suddenly react in the opposite way. (In CFS, one can only sustain the
argument for graded activity if there is clear evidence of deconditioning
and we know from research that there isn't and what's more, deconditioning
cannot explain CFS. People who continue to promote this idea do so by denying
the evidence to the contrary. When it works, i.e. people respond to graded
activity, they are either recovered, or they have something else).
The fact the patients in this paper could complete the course, apparently
without major problems, suggests that they were suffering from other disorders
characterised by fatigue and pain, possibly stress (one explanation for the
insomnia), maybe Fibromyalgia (also associated with sleep problems and of
course,pain, responds to CBT and exercise) or possibly a
mixture as in neurasthenia, an umbrella term par excellence. Perhaps it was
complicated by poor nutrition. Deficiencies can lead to the symptoms of CFS (e.g.
Hock). Had the GP noted neurological symptoms and signs so often seen in
classic ME and CFS, they would have mentioned additional therapies, e.g. for
vertigo, bladder disturbances, etc. But they
didn't, presumably because they were not present.
For those suffering from the effects of chronic stress, a nasty condition not
to be sniffed at, or depression, or neurasthenia, many will improve
significantly with the type of programme described.
That does not mean that the same treatment applies to people with immune
dysfunction, neurological symptoms, etc. Which brings me to my next thought.
Journals generally aren't concerned about giving readers a balanced view of
this illness. They
recognise it as a problem, but the dominance of articles from the CBT school
have meant many have no idea about the flaws of this approach. Some don't even
care that information is inaccurate or misleading (e.g. in this case, CBT has
been found to help many patients, but counselling is just as effective,
Ridsdale et al., see David Axford's site below for full reference). Appropriate
antiviral treatments published in journals were found to help 70% of those with
the ongoing viral infection. An illness management programme listed in the
Cochrane review but
not examined (the report is quite old but gets republished without updates)
helped 80% of those with post-viral fatigue (cited in the Whiting review in
JAMA, so of decent quality). The reason why CBT stands out is because so many
of my colleagues have found
funding to assess it. There are therefore lots of published reports. (I know
colleagues who have done three studies each.) Anyway, the problem here is
editorial bias. No expert reviewed this paper so flaws were overlooked. The
authors therefore wrote that the effectiveness of CBT was proven. Not really.
CBT
hasn't been proven to be effective except in the short term (up to three
years), and only for two symptoms: fatigue and emotional distress. We have no
data for
its effectiveness where patients also suffer from neurological symptoms and
immunological abnormalities
(e.g. Lloyd et al.'s famous study showed no difference from clinic attendance).
Why don't editors care to give a more objective, authoritative view? I don't
know.
The
point is, that there is bias which permits these kind of articles to dominate
the literature.
This is damaging, as it misleads doctors as a result of which they may offer
inappropriate advice and treatment.
Some of you may ask why is this allowed to go on. Hasn't anyone else apart from
me noticed that this is happening and that it is damaging? Firstly, readers are
not aware of the bias as the editors have not made them aware of their policies
favouring all things CBT.
So GPs believe they are being offered 'best evidence', not evidence favouring
one model. The bias also means that GPs don't know about the problems with the
current definition, or the existence of pathology in a significant subgroup.
The Lancet hasn't published any
research on the non-psychiatric aspects of CFS for more than five years and the
BMJ hasn't since 1995. I wrote an essay about this some years ago and it won an
award. But unless you read that, you wouldn't know how bad things are (and it's
not just about CFS. At the
Royal Society of Medicine where I lectured, I talked to chest physicians who
told me there was a similar 'political' policy relating to a chest disorder.)
Following correspondence with the editor of the BMJ who asked for 'proof', I
wrote a whole account giving incontrovertible evidence. Alas, I have yet to
find a journal with the courage to publish it. Until I do, and quite honestly,
I'm about to give up, the bias is destined to go on. It's not an issue. The
info to discuss it is not in the public domain, so we cannot debate if it is
ethical etc. So the bias will continue in the background.
Editors have said, and will say, that if editorial bias did exist, someone
would have written about it, as a scientist, giving proof and it would have
been published in a journal. Because it hasn't been, they feel the evidence
can't be convincing. Otherwise it would have been published. Problem? What
problem?
It will all come out in the wash in two-five years time, but until then, you
will find this quality of paper, giving a rather distorted view of the illness
CFS (a highly reductionist one: CFS as tiredness, worry, aches and pains), and
an uncritical view of treatment.
It's good that those with other fatigue syndromes were helped so effectively.
This just leaves those with more complicated disorders. Like well-defined CFS.
Perhaps one day, doctors will give them some of the attention they clearly
deserve.
Ellen Goudsmit PhD, C.Psychol.
Psychophysiologist\Health Psychologist
For information about ME and CFS, see:
http://freespace.virgin.net/david.axford/me/me.htm
You can send it to the authors, as they operate in your neck of the woods.
Ellen
Goudsmit
Toen ik dit document las, kwamen twee gedachten bij me op.
De eerste gedachte was dat dit een bijkomend goed voorbeeld is van de
verwarring die wordt veroorzaakt door de huidige definitie van CVS, die niet
alleen patiënten met ME (zoals gedefinieerd door Ramsay en collega's vanaf de
jaren '30) maar ook een verscheidenheid van andere aandoeningen, zoals
bv.neurasthenie (een psychiatrische conditie nauw verbonden met bezorgdheid en
depressie) selecteert.
Nergens in het artikel vindt men verwijzingen naar de post-exertionele moeheid
geassocieerd met ME en klassieke post-virale CVS, waarbij het bijna onmogelijk
is om activiteitenniveaus voorbij een bepaald punt te verhogen, aangezien de
patiënten een plateau bereiken waarboven de verdere inspanning tot instorting
leidt. ME en klassieke CVS worden op die manier gedefinieerd.
Minimale
inspanning brengt de moeheid teweeg en dus kan de moeheid niet genezen. Het
is als vragen aan een rokers met longkanker om langzaam hun roken te
vermeerderen, in de hoop dit het lichaam plotseling zal reageren op de
tegenovergestelde manier. (Bij CVS kan men het argument voor graduele
activiteit slechts ondersteunen als er duidelijk bewijs van deconditionering is
en wij weten uit onderzoek dat dit niet het geval is; meer zelfs: een
deconditioneren kan CVS niet verklaren.
Mensen die dit idee blijven promoten, doen dit door het bewijsmateriaal van het
tegendeel te ontkennen.
Wanneer het werkt, d.w.z. wanneer mensen reageren op graduele activiteit, zijn
ze of genezen of ze hadden iets anders).
Het feit dat de patiënten in dit artikel de behandeling, blijkbaar zonder
belangrijke problemen
konden beëindigen, suggereert dat zij leden aan andere aandoeningen, die door
moeheid en pijn worden gekenmerkt; misschien stress (één verklaring voor de
slapeloosheid), misschien fibromyalgia (ook verbonden met slaapproblemen en
natuurlijk pijn, reageren op CGT
en oefeningen) of misschien een mengeling zoals bij neurasthenie, een
paraplu-term bij uitstek.
Misschien
werd het gecompliceerd door slechte voeding. Deficiënties kunnen tot de
symptomen van CVS (bv.Hock) leiden. Had de artsen neurologische symptomen en
tekens die zo vaak gezien worden bij klassieke ME en CVS opgemerkt, dan zouden
zij bijkomende therapieën, bv. voor vertigo, blaas-problemen, enz. voorgesteld
hebben. Maar zij deden het niet, vermoedelijk omdat zij niet aanwezig waren.
Voor degenen die lijden onder de gevolgen van chronische stress, een vervelende
aandoening die niet au serieux moet worden genomen, of depressie, of
neurasthenie, zullen velen beduidend verbeteren met het beschreven programma.
Dat betekent niet dat
dezelfde behandeling op mensen met immune dysfunctie, neurologische symptomen,
enz. toepasbaar is. Dit brengt me bij mijn volgende gedachte.
Wetenschappelijke tijdschriften zijn over het algemeen niet bezorgd om hun
lezers een evenwichtig beeld van deze ziekte te schetsen. Zij zien het als een
probleem, maar de overheersing van artikelen van de 'CGT-school' heeft er voor
gezorgd dat velen geen idee
over de gebreken van deze benadering hebben. Sommigen geven er zelfs niet om
dat de informatie onnauwkeurig of misleidend is (een voorbeeld in dit geval:
CGT werd
bevonden bij vele patiënten te helpen, maar gesprekstherapie is net zo
efficiënt, Ridsdale et al., zie de website van David Axford hieronder voor een
volledige referentie). Aangewezen antivirale behandelingen, in
wetenschappelijke tijdschriften gepubliceerd, werden gevonden te helpen bij 70%
van diegenen met een aan de gang zijnde virale besmetting.
Een
ziektebeheer-programma dat in het Cochrane-overzicht wordt vermeld maar niet
werd
onderzocht (het rapport is vrij oud maar wordt zonder updates
heruitgegeven) hielp 80% van diegenen met post-virale vermoeidheid (geciteerd
in het overzicht van Whiting in JAMA, dus van fatsoenlijke kwaliteit).
De
reden waarom CGT er boven uit steekt, is omdat zo veel van mijn collega's
financiering
hebben gevonden om het te beoordelen. Er zijn daarom veel gepubliceerde
rapporten. (Ik ken collega’s die elk drie studies hebben gedaan.) In elk geval,
het probleem hier is redactioneel vooroordeel. Geen deskundige herzag dit
artikel zodat de gebreken werden overzien.
De auteurs schreven daarom dat de doeltreffendheid van CGT werd bewezen.
Niet
zo dus.
CGT is niet bewezen efficiënt te zijn, behalve op korte termijn (tot drie
jaar), en slechts voor twee symptomen: moeheid en emotionele nood. Wij hebben
geen gegevens over zijn doeltreffendheid bij de patiënten die ook aan
neurologische symptomen en immunologische
abnormaliteiten lijden (bv. Lloyd et al. toonden in hun beroemde studie geen
verschil aan in
kliniek-bezoek).
Waarom
letten de redacteurs er niet op om een meer objectieve, gezagsdragende mening
te
geven? Ik weet het niet. Het punt is, dat er een vooroordeel is dat toelaat dat
dit soort artikelen de literatuur overheerst. Dit is beschadigend, aangezien
het artsen misleidt met als resultaat dat zij slechts ongepaste raad en
behandeling kunnen aanbieden.
Sommigen onder u zouden zich kunnen afvragen waarom dit kan doorgaan. Heeft
niet iedereen behalve mezelf opgemerkt dat dit gebeurt en dat het beschadigend
is?
Ten eerste: lezers zijn zich niet bewust van vooroordelen aangezien de
redacteurs hen niet bewust gemaakt hebben over hun beleid om alles in verband
met CGT goed te keuren. Zo geloven artsen dat zij het 'beste bewijsmateriaal'
worden aangeboden, niet bewijsmateriaal dat één model bevoordeelt. Dit
vooroordeel betekent ook dat artsen niet van de problemen met de huidige
definitie, of het bestaan van pathologie in een significante subgroep op de
hoogte
zijn.
De
'Lancet' heeft geen enkel onderzoek naar de niet-psychiatrische aspecten van
CVS gepubliceerd voor meer dan vijf jaar, en de 'BMJ' sinds 1995. Ik schreef
daarover enkele jaren geleden een essay en het won een prijs. Maar tenzij u dat
gelezen heeft, zal u niet
weten hoe slecht de dingen er aan toe zijn (en niet alleen in verband met CVS.)
Bij
de Koninklijke Vereniging voor Geneeskunde waar ik les gaf, sprak ik tot artsen
die me vertelden dat er een gelijkaardige 'politiek' gold met betrekking tot
een borst-aandoening.).
Na correspondentie met de redacteur van de 'BMJ' die om 'bewijs' vroeg, schreef
ik een heel verslag waarin ik onweerlegbaar bewijsmateriaal geef. Helaas, ik
moet nog een wetenschappelijk tijdschrift vinden met de moed om het te
publiceren. Tot dan, en eerlijk gezegd sta ik op het punt om op te geven, is
dat vooroordeel bestemd om te blijven bestaan. Het is van geen belang.
De informatie die ter discussie staat, bevindt zich niet in het publieke
domein, zodat kunnen we niet kunnen debatteren over of het is ethisch is, enz.
Dus zal het vooroordeel in de achtergrond blijven bestaan.
Redacteurs hebben gezegd en zullen blijven zeggen dat, als er al een
redactioneel vooroordeel bestond, iemand er zou hebben over geschreven, als
wetenschapper, bewijs zou hebben gegeven en het zou in een wetenschappelijk
tijdschrift zijn gepubliceerd. Omdat
dit niet het geval is, vinden zij dat het bewijsmateriaal niet overtuigend kan
zijn. Anders zou
het gepubliceerd zijn. Probleem? Welk probleem?
Het zal allemaal wel uitkomen binnen twee tot vijf jaar, maar tot dan zal men
dergelijke artikels vinden met deze kwaliteit, die een eerder vervormd beeld
geeft van de ziekte CVS (een zeer reductionistisch beeld: CVS als moeheid,
bezorgdheid en pijn), en een
onkritische mening over deze behandeling.
Het is goed dat mensen met andere moeheidssyndromen zo effectief werden
geholpen. Zij die overblijven zijn diegenen met meer ingewikkeldere
aandoeningen. Zoals duidelijk gedefinieerde CVS. Misschien zullen ooit artsen
ook hen wat van de aandacht geven die zij
duidelijk hebben verdienen.
Ellen Goudsmit Psycholoog PhD, C.Psychol.
Psychofysioloog\Gezondheidspsycholoog
voor informatie over ME en CVS, zie:
http://freespace.virgin.net/david.axford/me/me.htm