Gevallenstudies vanuit de Psychosomatische Revalidatie

 

http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6408&printlink=true&highlight=Gevallenstudies<SEP>vanuit<SEP>de<SEP>Psychosomatische<SEP>Revalidatie

 

Gevallenstudies vanuit de Psychosomatische Revalidatie
Afdeling van het Universitair Ziekenhuis te Pellenberg.
 -------------------------------------------------------

 Scriptie voorgelegd tot het behalen van het diploma Ergotherapie door:

 

 Ria De Bosschere

 

Academiejaar 1997-1998

 Promotors:
 Marina Laridon, ergotherapeute
 Tim Remans, ergotherapeut
 Hogeschool West-Vlaanderen
 Departement HIEPSO
 Studiegebied Gezondheidszorg
 OPLEIDING ERGOTHERAPIE
 R. De Rudderlaan, 6
 8500 Kortrijk


 Dankwoord
 ---------

 Bij de aanvang van deze scriptie wil ik mijn dank betuigen aan alle mensen
 die bijgedragen hebben tot de realisatie van dit werk.

 Vooreerst mijn oprechte dank aan de directie van de psychosomatische
 revalidatie afdeling van het U.Z. te Pellenberg, die mijn stage mogelijk
 maakte.

 Mijn dank gaat hierbij speciaal naar de ergotherapeuten van deze afdeling,
 Laridon Marina en Remans Tim, waarbij ik een vruchtbare stage mocht lopen.

 Ik richt hierbij ook een woord van dank aan het personeel van deze afdeling,
 voor hun bereidwillige medewerking aan mijn scriptie.

 Daarnaast wil ik ook de patienten danken, omdat ze me de kans gaven om mee
 te delen in de behandeling van hun CVS.

 Tenslotte nog een speciaal woord van dank aan mijn ouders, omdat ze me de
 kans gaven deze studies te volgen en samen met mijn vrienden mij hun morele
 steun gaven.


 Inhoudstafel:

 Dankwoord

 Inhoudstafel

 Inleiding

 DEEL I: THEORETISCH DEEL

 HOOFDSTUK I: ALGEMENE INFORMATIE:
              CHRONISCHE VERMOEIDHELDSSYNDROOM (C.V.S.)

 Inleiding
 1.1   Begripsomschrijving
   1.1.1 Moeheid
   1.1.2 Chronisch
   1.1.3 Syndroom

 1.2   Historiek
 1.3   Terminologie of benaming van het ziektebeeld.
 1.4   Besluit.

 HOOFDSTUK II: DIAGNOSE 'C.V.S.'

 Inleiding
 2.1   Diagnostische criteria
   2.1.1 Operationele criteria van C.V.S.
   2.1.2 Holmes Criteria
 2.2   Differentiaal diagnose
   2.2.1 Somatische aandoeningen
   2.2.2 Psychiatrische aandoeningen
 2.3   Diagnostische evaluatie.
 2.4   Verwante syndromen
   2.4.1 Fibromyalgie
   2.4.2 Andere syndromen
 2.5   Besluit

 HOOFDSTIJK III: ETIOPATHOGENESE

 Inleiding
 3.1    Kwetsbaarheidsfactoren
   3.1.1 Premorbide overactiviteit
   3.1.2 Traumatische voorgeschiedenis
 3.2   Uitlokkende factoren
   3.2.1 Virologie
   3.2.2 Stress stoornissen
 3.3   Onderhoudende factoren
   3.3.1 Cognitieve factoren
   3.3.2 Emotionele factoren
   3.3.3 Ziektewinst
   3.3.4 Fysieke deconditionering
   3.3.5 Gezins- en sociale factoren
 3.4 Besluit

 HOOFDSTUK IV: BEHANDELING

 Inleiding
 4.1   Specifieke medische behandelingen
 4.2 Alternatieve behandelingen
 4.3 Psychotherapeutische behandeling
   4.3.1 Moderne psychosomatiek
      4.3.1.1  Historiek
      4.3.1.2  Kernconcepten van de moderne psychosomatiek
      4.3.1.3  Het 'moderne' psychosomatische onderzoek
      4.3.1.4  Nieuwe klinische toepassingen
      4.3.1.5  Het bio-psycho-sociale ziektemodel
   4.3.2 De werking van dit model binnen de Psychosomatische
         Revalidatieafdeling(PSR)
      4.3.2.1  Uitgangspunten
      4.3.2.2  Therapeutische basisfilosofie en basisstrategieen
      4.3.2.3  Concrete werking PSR
 4.4 Besluit

 HOOFDSTUK V   DE BEHANDELING VAN HET C.V.S EN DE ROL VAN DE ERGOTHERAPEUT.

 Inleiding
 5.1   Algemeenheden
 5.2   Ergotherapie binnen de PSR
   5.2.1 Gedragstherapie
   5.2.2 Belevingsgerichte therapie
   5.2.3 Systeemtherapie


 DEEL II: PRACTISCH DEEL.


 Hoofdstuk VII Voorstelling van de dienst.

 Inleiding
 6.1   Omschrijving van de PSR
 6.2   Doelgroep
 6.3   Programma' s
   6.3.1 Programmavoor motivatie en exploratie. (PME)
   6.3.2 Programma voor functionele Revalidatie (PFR)
   6.3.3 Programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)
   6.3.4 Verdere mogelijkheden na de programma' s.

 Hoofdstuk VII: Ergotherapie doorheen de drie programma' s.

 7.1   Therapieverloop van de ergotherapeut
 7.2   Activiteit als therapeutisch middel
   7.2.1 Taakgerichte activiteiten
   7.2.2 Sociale activiteiten
   7.2.3 Projectieve activiteiten
 7.3   Ergotherapie binnen de programma's
   7.3.1 Ergotherapie in het PME
   7.3.2 Ergotherapie in het PFR
   7.3.3 Ergotherapie in het PPR

 Hoofdstuk VIII  Patientenbespreking.

 8.1 Patient 1.
   8.1.1 voorstelling van de patient
   8.1.2 PME van de patient
   8.1.3 Verloop van het therapeutisch programma PFR
   8.1.4 Besluit.

 8.2 Patient 2.
   8.2.1 Voorstelling van de patient
   8.2.2 PME van de patient
   8.2.3 Verloop van het therapeutisch programma PPR
   8.2.4 Besluit.

 Algemeen besluit

 Bijlage
   Vicieuze cirkel van moeheid
   Familie, chronische ziekte en invaliditeit

 Bronvermelding


 Inleiding
 ---------

 Als laatstejaarsstudent in het hoger onderwijs mocht ik een scriptie maken
 die rechtstreeks in verband kan gebracht worden met mijn opleiding.

 Aangezien een ergotherapeut op veel terreinen ingeschakeld kan worden, was
 het dan ook niet eenvoudig om 1 van de talrijke mogelijke onderwerpen te
 kiezen om van dichterbij te bekijken. In het tweede jaar mocht ik deel nemen
 aan een intensieve cursus die handelde over 'pain management'. We waren
 vertegenwoordigd met vier landen, namelijk Belgie, Nederland, Zweden en
 Scotland. Van elk aanwezig land mochten er 6 studenten ergotherapie aan deze
 cursus deelnemen die een week duurde en doorging in Amsterdam.

 Na deze cursus was ik van plan om 'chronische pijn' als onderwerp voor mijn
 scriptie te kiezen, daar deze problematiek mij aansprak. Ik ging op zoek
 naar een instelling waar er ergotherapeuten werkten met patienten die deze
 problematiek behandelen. Na veel zoekwerk kwam ik in Pellenberg terecht op
 de afdeling Psycho Somatische Revalidatie (PSR). Tijdens een gesprek met de
 ergotherapeute kwam ik te weten dat ze op deze afdeling naast chronische
 pijn voornamelijk patienten met het Chronische Vermoeidheidssyndroom (C.V.S.)
 behandelen. Daar dit een problematiek is waar nog weinig over geweten is en
 die tegenwoordig veel in de belangstelling staat, groeide mijn interesse om
 hierover meer te weten te komen. Daarom besloot ik nog van onderwerp te
 veranderen en een scriptie te maken over patienten met het C.V.S.

 Nogal wat medici staan sceptisch tegenover het chronische
 vermoeidheidssyndroom en ergotherapeuten in het bijzonder komen nog maar
 weinig met deze patienten in contact. Met deze thesis hoop ik dan ook het
 C.V.S. binnen de ergotherapie wat bekender te maken. Daarnaast wil ik ook
 voor mezelf nagaan welke voordelen een psychosomatische afdeling biedt en
 hoe je als ergotherapeut kan bijdragen aan het revalidatieproces van de
 patient. Mijn scriptie werkte ik uit op de psychosomatische revalidatie-
 afdeling van het A.Z. te Pellenberg, ik zal mij dan ook beperken tot hun
 werkwijze, daar deze mij vertrouwd is.

 Dit gezegd zijnde, wens ik u alvast veel leesgenot toe.


 HOOFDSTUK I: ALGEMENE INFORMATIE: CHRONISCRE VERMOEIDHEIDSSYNDROOM.
 -------------------------------------------------------------------

 Inleiding
 ---------

 C.V.S. is een lang en moeilijk begrip en is niet zozeer te vatten in een
 eenduidige definitie. Daar dit zelfs voor diegenen die er dagelijks mee in
 contact staan niet altijd even duidelijk is, vind ik dat dit begrip om wat
 meer uitleg vraagt voor mezelf en de lezer die dit begrip niet kent of
 slechts sporadisch hoorde. Ik heb daarom het begrip wat uiteen getrokken,
 om aan ieder kerndeel voldoende aandacht te kunnen besteden.

 Door de jaren heen werd het moeheidssyndroom ook niet altijd als C.V.S.
 beschreven, wat nogal wat verwarring kan zaaien. Net zoals dit ziektebeeld
 heden ten dage niet eenduidig beschreven wordt, daar dit afhankelijk is van
 de arts die de patient raadpleegt. Verder in mijn thesis zal ik voor het
 vlot lezen enkel spreken van het chronische vermoeidheidssyndroom (C.V.S.).

 1.1 Begripsomschrijving
 -----------------------

 1.1.1. Moeheid
 --------------

 Moeheid is 1 van de meest voorkomende klachten in de medische praktijk. [1]
 Daarnaast is het 1 van de meest frustrerende problemen waarmee een
 geneesheer te maken krijgt. [2]

 Een reden hiervoor is dat het symptoom 'moeheid' niet voor iedereen
 hetzelfde betekent. Mogelijke invullingen hiervan zijn:

 - een verhoogde nood aan slaap
 - de moeilijkheid energie te vinden voor nieuwe taken
 - moeite hebben zich te concentreren
 - de spieren die uitgeput raken


 Ook voor de patient kan 'moeheid' zeer frustrerend zijn, daar niet elke
 behandeling succesvol is.

 Veel auteurs probeerden een definitie te geven over moeheid. Na een
 conceptanalyse van 'vermoeidheid' stelden Ream & Richardson (1996) de
 volgende definitie voor: "Vermoeidheid is een subjectief, onaangenaam
 symptoom dat totale lichaamsgevoelens omvat die gaan van moeheid tot
 uitputting, die een algemene, onverbiddelijke toestand creeert die de
 individuele mogelijkheden om op een normaal niveau te functioneren
 beinvloedt."

 Fysiologen beschrijven moeheid in termen van de onmogelijkheid om een
 spiercontractie vol te houden. Voor psychologen wordt moeheid eerder
 gekenmerkt door een verminderde capaciteit tot aandacht en mentale
 concentratie. Zij leggen de nadruk op de affectieve en motivationele aspecten
 van het moeheidsgevoel. Patienten beschrijven hun klachten van moeheid in
 zeer wisselende termen: een gevoel van zwakte, stijfheid of pijn in de
 spieren, minder energie hebben, zich suf voelen,... terwijl ze vermoeidheid
 meestal koppelen aan 'te snel moe worden' na een zware inspanning. Moeheid
 is een dubbelzinnige klacht die zowel naar lichamelijke afwijkingen als naar
 psychologische reacties kan verwijzen. [3]

 Theoretisch zou men dus een onderscheid kunnen maken tussen 'organische' en
 'psychogene' moeheid waarbij lichamelijke moeheid evenrediger zou zijn met
 inspanning, ze meer gelokaliseerd zou zijn, minder invloed zou hebben op de
 stemming en de cognitieve functies en in de regel beter wordt door te
 rusten. [4]


 [1] Michielsen e.a. 1991, Komaroff 1994, Goedseels e.a. 1996
 [2] Komaroff 1994
 [3] Van Houdenhove 1991; Goedseels en Pieters 1996
 [4] Van Houdenhove 1991


 Een juiste diagnose stellen is vaak moeilijk voor de geneesheer. Je hebt
 enerzijds het probleem dat je bij mensen met het symptoom of de klacht
 vermoeidheid een diagnose moet stellen. Hierrond meer uitleg in punt
 2.2 differentiaal diagnose. Anderzijds heb je het probleem van de
 onderliggende pathofysio1ogische processen van het C.V.S. [5]

 Volgens Van Houdenhove (1991) zou het vanuit klinisch standpunt niet zinvol
 zijn om een dualistisch onderscheid te maken tussen 'organische' en
 'psychogene' moeheid. Bij de meeste patienten met moeheidsklachten spelen
 lichamelijke en psychische factoren een rol in onderlinge interactie (Van
 Houdenhove 1991). Bovendien wordt de term 'psychogene' moeheid meestal
 beladen met negatieve connotaties zoals luiheid, werkonwilligheid,... Als
 begrijpelijke reactie hierop voeren de getroffen patienten vaak een verbeten
 strijd om hun klacht als een 'officiele' ziekte te laten herkennen en
 weigeren ze aan een psychologische exploratie of behandeling mee te werken
 ( Van Houdenhove 1991).

 1.1.2. Chronisch
 ----------------

 Bij de meeste patienten is moeheid een voorbijgaand verschijnsel dat
 samengaat met een acute of chronische aandoening. De klacht zal dan ook
 verdwijnen wanneer de onderliggende ziekte verdwenen is. Moeheid kan echter
 ook langdurig of chronisch voorkomen. Wanneer er echter geen duidelijk
 aanwijsbare oorzaak is, zou men kunnen spreken van het 'chronische
 vermoeidheidssyndroom'. [6]

 1.1.3. Syndroom
 ---------------

 Een synoniem voor syndroom is symptomencomplex. In dit geval betekent dit
 het samengaan van verschillende afwijkingen zonder dat de samenhang
 hiertussen altijd duidelijk is. Niet enkel medici en onderzoekers, maar ook
 de media hebben de voorbije 10 jaar veel aandacht besteed aan de klacht
 'chronische moeheid', waardoor deze meer in de belangstelling is komen te
 staan. [7]


 [5] Komaroff 1994
 [6] Michie1sen en Moffaert 1991
 [7] Van Houdenhove 1991


 1.2 Historiek
 -------------

 In de geschiedenis van de westerse geneeskunde zijn reeds meerdere
 moeheidssyndromen aan te wijzen vanaf de tweede helft van de 19e eeuw.

 Het bekendste moeheidssyndroom werd in 1869 door George Beard beschreven.
 Het was een gelijkaardig ziektebeeld als het C.V.S. met de naam
 'neurasthenie'. Deze ziekte werd gekarakteriseerd door een chronische
 fysieke en mentale uitputting, een voorloper van het moderne C.V.S.
 Oorspronkelijk werd neurasthenie aanzien als een organische ziekte van het
 centrale zenuwstelsel. Volgens Beard bezat elk individu een genetisch
 bepaalde hoeveelheid energie in de zenuwen die nodig was voor het
 functioneren van het zenuwstelsel. Infecties, stress, overwerk en overmatig
 sexuele of andere prikkelingen zouden een groot beroep doen op deze
 zenuwenergie en een weerslag hebben op het fysisch en psychisch functioneren
 van de patient. 'Dit was de prijs die betaald werd voor de moderne westerse
 en met name Amerikaanse cultuur met haar hoog, intens en veeleisend
 levenstempo en ongenadige concurrentie.' [8]

 'Later verloor de zogenaamde 'zenuwuitputting' haar geloofwaardigheid en
 werd neurasthenie - mede te danken aan Freud - meer gezien als een
 psychogene aandoening, verbonden met angst en depressie waardoor de term
 geleidelijk in de eerste decennia van deze eeuw in onbruik raakte.' [9]
 'Neurasthenie was niet langer interessant. Het was beschamend om daaraan
 toe te geven.' [10] 'Nu is het een archaische term geworden en worden
 aandoeningen die vroeger onder neurasthenie gediagnosteerd werden, geplaatst
 onder depressie, angststoornissen, somatoforme toestanden,
 persoonlijkheidsstoornissen en destijds onbekende organische aandoeningen.'
 [11]

 Volgens Glas en Harari (1994) voorspelden Wessely, Abbey en Garfunkel op
 grond van een vergelijking tussen C.V.S. en neurasthenie dat de diagnose
 C.V.S. aan populariteit zal inboeten naarmate de psychiatrische en
 psychosociale aspecten ervan bekend en benadrukt zullen worden, om tenslotte
 in onbruik te raken.

 Sinds de jaren '30 werden verschillende ziektebeelden beschreven met
 eenzelfde symptomencomplex als het C.V.S. [12]


 [8]  Harari & Glas 1994
 [9]  Wessely 1994
 [10] Van Houdenhove 1996
 [11] Harari & Glas 1994
 [12] Michielsen & Van Moffaert 1991


 'SYNDROMEN GEPAARD GAANDE MET MOEHEID'
 (naar Michielsen & Van Moffaert 1991)

 - Neurasthenie
 - Iceland Disease
 - Royal Free Disease
 - Yuppie's Syndrome
 - Neuromyasthenia
 - Malaise of the eighties
 - Akureyri Disease
 - Chronic mononucleosis
 - Chronic Epstein-Barr virus Syndrome (EBV)
 - Chronic mononucleosis like syndrome
 - Neurocirculatoire asthenie
 - Myalgic encephalomyelitis
 - Post-viral fatigue Syndrome
 - Atypical poliomyelitis


 Dat er tegenwoordig zoveel controversen bestaan rond de benaming van het
 syndroom is het resultaat van deze verscheidenheid aan syndromen die gepaard
 gaan met moeheid. Opvallend was de vaststelling dat een aantal van deze
 syndromen een vrij acuut begin hadden, soms een epidemisch karakter
 vertoonden en vooral optraden bij mensen die zeer actief waren.

 In 1956 werd in Groot-Brittannie voor het eerst de term 'myalgische
 encephalomyelitis (M.E.)' gebruikt. Het werd voorgesteld als een uitleg voor
 een serie van uitbraken van besmettelijke aandoeningen die zich de
 voorbijgaande drie decennia in verschillende delen van de wereld hadden
 voorgedaan. [14]

 Midden de jaren '80 kreeg men weer een herleving van het begrip 'chronische
 vermoeidheid' door het opduiken van het chronische Epstein-Barr virus-
 syndroom (E.B.V.). Dit nam in frequentie toe na de ontdekking in 1969 dat
 het virus chronische mononucleosis veroorzaakte. [15] Er werd een link
 gelegd tussen een infectie van het E.B.V. en chronische vermoeidheid. Er
 werden gevallen beschreven met een aanhoudende vermoeidheid ten gevolge
 van een monocleosis-infectie. [16]


 [13] Michielsen & Van Moffaert 1991
 [14] Wessely 1994
 [15] Van Houdenhove 1996
 [16] Pieters & Goedseels 1996

 Niettegenstaande de medici in de jaren 90 niet meer overtuigd waren van
 het verband tussen het E.B.V. en het nieuwe syndroom, had 'chronische
 E.B.V.-infectie' de publieke verbeelding in de ban genomen. Steungroepen,
 onderzoeksverenigingen geleid door patienten met het syndroom, lobbygroepen
 en steunfondsen werden opgericht. Vanaf 1990 kreeg dit syndroom naast
 'AIDS' de meeste aandacht in Amerika. [17]

 Tijdens een bijeenkomst van medici in 1987 werd door Gary Holmes voorgesteld
 de term 'Chronique fatigue syndrome' aan het nieuwe syndroom te geven.
 Operationele criteria, momenteel universeel gekend als C.D.C.-criteria,
 werden gepubliceerd. Onderzoekers in Australie kwamen onafhankelijk van
 Amerikaanse collega's tot dezelfde conclusies en deden dezelfde suggesties.
 Twee jaar later volgde Groot-Brittannie. In Groot-Brittannie werd de term
 'myalgische encephalomyelitis' terug opgevist. Er werden M.E.-groepen
 opgericht en M.E.-actiecampagnes gevoerd, vergelijkbaar met de
 C.F.S.-organisaties in Amerika. De laatste jaren zou het aantal leden
 drastisch toegenomen zijn, zowel in de Verenigde Staten als
 in Groot-Brittannie. [18]

 Kortweg zou men dus kunnen zeggen dat er vanaf de jaren '30 een
 kettingreactie is geweest van volgende vier gebeurtenissen die tenslotte
 geleid hebben tot het C.V.S.:

 1.   de 'postinfecteuze neuromyasthenie':
      een benaming die tenslotte teruggaat tot een atypische epidemie
      van 'polia myelitis' in 1934.
 2.   de 'chronische Epstein-Barr virus-infectie':
      een ziekte-attributie die in frequentie toenam toen men in
      1969 ontdekte dat dit virus mononucleosis veroorzaakte.
 3.   'myalgische encephalomyelitis':
      als label voorgesteld naar aanleiding van een epidemie in
      het 'Royal Free Hospital' te Londen in 1955.
 4.   'fibrositis' of'fibromyalgie':
      een rheumatologische beschrijving sinds het begin van deze eeuw.

 (Shorter 1993; Neerinckx 1996)

 Men kan dus besluiten dat er reeds meerdere variaties van
 vermoeidheidssyndromen besproken werden voor het C.V.S. Mogelijk is de
 benaming 'C.V.S.'maar tijdelijk tot men weer nieuwe ontdekkingen doet.

 Het vele verscheidene onderzoek in verschillende landen heeft ertoe geleid
 dat er vandaag de dag veel controversen bestaan rond de aandoening zowel
 wat betreft de benaming, de etiologie als de behandeling.


 [17] Wessely 1994
 [18] ibidem


 1.3  Terminologie of benaming van het ziektebeeld
 -------------------------------------------------

 Er zijn veel benamingen die het ziektebeeld weergeven.
 Afhankelijk van de geconsulteerde specialisatie die de patient raadpleegde
 kunnen we over volgende terminologieen spreken: [19]

 - cardiologie:
   * effortsyndroom
   * Da Costa's syndroom

 - neurologie:
   * neuromyasthenie
   * myalgische encephalomyelitis

 - infectieziekten:
   * postinfecteus of postviraal vermoeidheidssyndroom
   * Royal Free Hospital
   * Akureyri disease

 - allergologie:
   * Candidiasis
   * total allergy syndrome

 - gastroeuterologie:
   * irritable bowel syndrome

 - rheumathologie:
   * fibromyalgie.


 [19] Neerinckx, 1996


 1.4 Bes1uit
 -----------

 Als besluit van hoofdstuk 1 kan ten eerste gesteld worden dat het
 dubbelzinnig, subjectief en niet-objectiveerbaar karakter van het
 moeheidsgevoel voor heel wat controversen zorgt rond het C.V.S..Ondermeer
 valt hieronder de organische en/of psychische determinatie. De interpretatie
 van het begrip 'moeheid' wordt zowel bepaald door de specialist die de
 klacht behandelt als door de patient zelf.

 Ten tweede is het duidelijk dat er voor het C.V.S. reeds ongeveer dezelfde
 ziektebeelden bestonden die evolueerden. Vandaar dat er een brede waaier is
 aan terminologie om de chronisch vermoeide patient te beschrijven, alsook de
 zoveel bestaande hypothesen rond de etiologie van het C.V.S.

 Het is dan ook de vraag of het C.V.S., net zoals zijn voorgangers, niet in
 stilte zal verdwijnen en er misschien een zogezegd andere ziektebeschrijving
 in de plaats komt.

 Omdat er zo een grote verscheidenheid is aan beschrijvingsvormen van dit
 ziektebeeld en moeheid een zeer ruim begrip is, zal ik in het volgende
 hoofdstuk de diagnose bespreken van het C.V.S.



 HOOFDSTUK II:  DIAGNOSE: HET CHRONISCHE VERMOEIDHEIDSSYNDROOM: 'C.V.S.'
 -----------------------------------------------------------------------

 Inleiding
 ---------

 Moeheid is een niet objectiveerbaar, algemeen en verwarrend begrip; zoals je
 reeds kon vernemen uit het vorige hoofdstuk. Vandaar dat het nuttig is om
 eens te kijken hoe men de diagnose van C.V.S. dan eigenlijk stelt. Het is
 nodig om een differentiaal diagnose te stellen, daar deze term algemeen is
 en verwarrend overkomt. In Pellenberg stelt men de diagnose aan de hand van
 een diagnostische evaluatie. Daarnaast komen er nog enkele verwante
 syndromen voor die mekaar ten dele overlappen.

 2.1   Diagnostische criteria.
 -----------------------------

 2 1.1 Operationele criteria van C V S. [20]
 -------------------------------------------

 1. Er komt een klinisch geevalueerde, onverklaarde, persisterende
    of steeds terugkerende vermoeidheid voor.
 2. Daarnaast komen er tegelijkertijd vier van de volgende symptomen
    voor die elk minstens zes maanden aanhouden:
    -   zelfgerapporteerde, ernstige verslechtering van
        het korte termijn geheugen of concentratiestoornissen.
    -   keelpijn
    -   pijnlijke hals- en/of okselklieren
    -   spierpijn
    -   multipele gewrichtspijnen
    -   nieuw ontstane hoofdpijn
    -   een niet verkwikkende slaap
    -   last van een uitputtingsgevoel na een normale inspanning
        die meer dan 24 uur duurt.

 Deze vermoeidheid kan levenslang bestaand zijn, maar heeft in de meeste
 gevallen een duidelijk beginpunt in de levensgeschiedenis van de patient.

 Het gaat zo ver dat de vermoeidheid resulteert in een substantiele reductie
 van het premorbide activiteitenniveau. Men zal geleidelijk aan bepaalde
 taken niet meer aankunnen. Men kan ze wel nog uitvoeren in de strikte zin
 van het woord, maar men is te moe om dit te doen.

 Deze vermindering van activiteit vindt zowel plaats op fysisch, psychisch
 als op sociaal vlak. Deze vlakken kunnen ook als toegangspoort voor
 ergotherapeutische behandeling gebruikt worden.


 [20] opgesteld door het Center For Disease Control te Atlanta, 1994


 2.1.2 Holmes criteria [21]
 --------------------------

 1. Steeds verder blijven klagen over uitputtende vermoeidheid, zelfs na
    veel rust. Hierbij kan men minder dan de helft presteren van vroeger.
    Ook is er geen duidelijke of voor de hand liggende oorzaak.
 2. Nevensymptomen zijn:
    - koorts
    - keelpijn
    - algemene spierzwakte
    - multipele gewrichtspijnen
    - depressie symptoom
    - slaapstoornissen
    - bepaalde start datum van de aandoening.


 [21] Richtlijnen voor de verzorging van CFS-patienten,
      naar 'M.E. brochure' april 1995


 2.2 Differentiaal diagnose
 ---------------------------

 2 2.1 Somatische aandoeningen
 -----------------------------

 Bij het stellen van de diagnose moet er rekening gehouden worden met de
 uitsluitingscriteria. [22] Dit houdt in dat andere somatische aandoeningen
 met dezelfde symptomen als deze van het C.V.S., uitgesloten moeten worden.

 1. Endocriene oorzaken:
    - hypo- of hyperthyroidie
    - de ziekte van Addisson
    - diabetes mellitis

 2. Rheumatologische oorzaken.
    - Sjogrens syndroom
    - polymyalgia rheumatica
    - polymyositis

 3. Neuromusculaire oorzaken:
    - Multiple Sclerose
    - Myasthenia gravis
    - Ziekte van Parkinson

 4. Infectueuze oorzaken.
    - Tuberculose
    - toxoplasmose
    - ziekte van Lyme
    - HIV-infectie & hepatitis
    - Lupus erythematodes

 5. Hematologische oorzaken:
    - anemie
    - lymfoon
    - leukemie

 6. Kwaadaardige tumoren.

 7. Chronische aandoeningen van longen, lever, nieren of hart.

 8. Nevenwerkingen van geneesmiddelen.

 9. Chronische intoxicaties zoals met alcohol of zware metalen.


 [22] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996


 2.2.2 Psychiatrische aandoeningen
 ---------------------------------

 De psychiatrische aandoeningen die het meest verward worden met het C.V.S.
 zijn angststoornissen en (gemaskeerde) depressie. Vaak zijn deze
 psychiatrische aandoeningen moeilijk te differentieren, omdat ze
 tegelijkertijd met het C.V.S. optreden. Het is dan van belang om vast te
 stellen wat er op de voorgrond staat.

 De differentiatie tussen angststoornissen en het C.V.S. is het moeilijkst
 omdat achter de chronische moeheidsklachten vaak veralgemeende
 angststoornissen schuil gaan. De moeheid moet bij angststoornissen opgevat
 worden als een somatisatieverschijnsel. Hierbij kan hyperventilatie een
 medierende rol spelen en sensaties als zwaktegevoel en spierpijnen teweeg
 brengen. [23]

 Ook het verschil tussen een gemaskeerde depressie en het CVS is moeilijk te
 onderscheiden. Bij depressie wordt de depressieve grondstemming overschaduwd
 door andere symptomen, die de onderzoeker gemakkelijker op een dwaalspoor
 brengen. In gevallen van somatische maskering treden vooral autonoom-
 vegetatieve symptomen op de voorgrond. Somatische maskering kan ook tot
 stand komen door corporisatie (de patient beleeft zich niet alles depressief
 maar heeft rugpijn), door zwaarmoedigheid of conversieverschijnselen. In
 gevallen van organische of pseudodemente maskering gaat een depressie zich
 vooral uiten onder de vorm van cognitieve stoornissen, die dan subjectief
 meestal veel sterker uitgesproken zijn dan objectief. Bij een echte dementie,
 die het gevolg is van een cerebrale stoornis is dit in het algemeen
 andersom. [24]

 Besluit:
 --------

 Aangezien deze psychiatrische aandoeningen en het C.V.S.veel
 gemeenschappelijke symptomen hebben, zal men dus met alle kenmerken rekening
 moeten houden om de juiste diagnose te stellen.


 [23] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996
 [24] J. Godderis en P. Igodt,
      Beginselen der psychiatrie en psychiatrische kliniek.. blz. 60


 2.3 Diagnostische evaluatie:
 ----------------------------

 In Pellenberg wordt de diagnose C.V.S. gesteld aan de hand van een
 diagnostische evaluatie: [25]

 1. ga een positieve relatie aan met de patient
 2. sluit een organische ziekte uit
 3. identificeer een behandelbare psychiatrische aandoening
 4. is 'C.V.S.' een aanvaardbare diagnose?
 5. bekijk de problematiek van de patient vanuit een breed,
    bio-psychosociaal perspectief.


 1 Ga een positieve relatie aan met de patient:
 ----------------------------------------------

 Zonder een positieve, vertrouwensvolle arts-patient relatie is er geen goede
 evaluatie en behandeling van chronische vermoeidheidsklachten mogelijk. Om
 zo een relatie te bekomen moet de arts enkele voorwaarden in acht nemen. Zo
 dient hij de klachten altijd ernstig te nemen en uitspraken zoals 'deze
 ziekte bestaat niet' vermijden. Hij moet op een tactvolle en respectvolle
 manier peilen naar de eigen ziekte-overtuiging van de patient en deze
 bespreekbaar stellen. Ook dient hij empathisch open te staan voor de
 problemen die 'ziek-zijn zonder objectieve stoornissen' voor de patient
 meebrengt. Hiernaast moet hij ook een hoopvol en realistisch
 behandelingsperspectief aanbieden door bijvoorbeeld te zeggen: 'Ik heb geen
 wonderpil, maar ik kan u wel helpen.'

 2 Sluit een organische ziekte uit:
 ----------------------------------

 Daar moeheid een klacht is die bij veel somatische aandoeningen voorkomt is
 het altijd noodzakelijk dat de patient een volledig klinisch onderzoek
 ondergaat, dus ook bij patienten die reeds de zelfdiagnose C.V.S. gesteld
 hebben. Daarnaast blijkt uit onderzoek en klinische ervaring dat de volgende
 bijkomende technische onderzoeken zinvol zijn. [26]

 Bij alle patienten: complet-formule
 -----------------------------------

 sedimentatie; C-reactiefproteine; leverfunctie (inclusief LDH); nierfunctie;
 calcium, natrium en kalium spierenzymes; TSH, cortisol; hepatitis B en
 C serologie; urine sediment; RX thorax; echografie van het abdomen.

 Indien vermoeidheid die langer duurt dan 6 maanden:
 serologische testen voor cytomegaalvirus, Epstein-Barr, en Toxoplasma.

 Bij geselecteerde patienten:
 - ANF: bij jonge vrouwen
 - HIV: indien risico-factoren
 - Borrelia: indien geen geassocieerde symptomen.


 [25] Van Houdenhove,
      Patienten met cvs Hoe evalueren? Hoe behandelen? Hoe ermee omgaan?
      Een practische gids.
 [26] Blockmans D.,
      Persoonlijke mededeling dienst inwendige ziekten U.Z Gasthuisberg
      K U Leuven,. 1997.


 3. Identificeer een behandelbare psychiatrische aandoening
 ----------------------------------------------------------

 Uit onderzoek blijkt dat 25 a 50 % van de C.V.S.-patienten in aanmerking
 komt voor een diagnostiseerbaar depressief syndroom of een angststoornis.
 Door slaapproblemen, een verhoogde medegevoelige toestand van waakzaamheid
 voor sensorische prikkels, spierspanningen en hyperventilatie kunnen
 affectieve stoornissen vermoeidheidsklachten mee op gang brengen en
 onderhouden. Daar dit stoornissen zijn die met de moderne psychofarmaca (met
 name SSRI's [27]) en/of cognitieve gedragstherapie zeer goed behandelbaar
 zijn, mogen ze nooit over het hoofd gezien worden.

 4. Is 'C.V.S ' een aanvaardbare diagnose?
 -----------------------------------------

 Wanneer er geen somatische of psychiatrische diagnose gesteld kan worden, is
 het aangewezen om C.V. S. als beschrijvende diagnostische term te gebruiken.
 Zonder diagnose blijven de meeste patienten zich anders ongerust voelen en
 gaan ze misschien aan 'dokter-shopping' doen. Een voorwaarde voor het gebruik
 van deze term is echter wel dat hij verbonden wordt met een bio-psychosociale
 visie en het uitgangspunt vormt voor bijpassende therapeutische hulp.

 Men kan de patient mogelijks concreet uitleggen dat C.V.S. vermoedelijk
 berust op ontregelingen in het centraal zenuwstelsel die soms ook gepaard
 gaan met ontregelingen van het immunologisch systeem. De ontregelingen in
 het centrale zenuwstelsel uiten zich op vlak van de energiehuishouding, de
 pijnverwerkingsmechanismen, het slaap-waakritme,... Aanvullend kan men
 zeggen dat zulke ontregelingen vaker voorkomen bij mensen die lange tijd
 fysiek en/of emotioneel belast waren. Op deze wijze kunnen ze een mogelijk
 verband met de levenssituatie van de patient ter sprake brengen.

 5 Bekijk de problematiek van de patient vanuit een breed,
   bio-psychosociaal perspectief
 ---------------------------------------------------------

 Belangrijke topics van het diagnostisch interview: [28]

 - klachten: vermoeidheid
    andere somatische klachten
    slaapstoornissen
    depressie/angst
    cognitieve problemen
 - functionele beperkingen
 - copingsstrategieen
 - somatische en psychiatrische antecedenten
 - life events
 - premorbiede levensstijl
 - ouderlijke gezinssituatie
 - familiale, beroeps- en medicolegale aspecten.


 [27] SSRI = Selectieve Serotinine receptake inhibitor.
 [28] Houdenhove, Patienten met cvs een practische gids.


 2.4 Verwante syndromen
 ----------------------

 2.4.1. Fibromyalgie
 -------------------

 De differentiaal diagnose tussen het CVS en fibromyalgie is een betwiste
 aangelegenheid. Fibromyalgie is een aandoening die bestaat uit chronische
 spierpijnen, vermoeidheid en een gestoorde slaap. Vaak gaat dit ook gepaard
 met hoofdpijn en een spastisch colon ('irritable bowel syndrome').

 In 1990 stelde het 'American College of Rheumatology' voor om de vroeger
 zeer uitgebreide diagnostische criteria van fibromyalgie te beperken.
 De criteria voor fibromyalgie zijn nu:
 - een situatie aanhoudend langer dan drie maand
 - diffuse musculosceletale pijn
 - minstens 11 van de 18 'tender points' (= pijnlijke drukpunten.)

 De tender points komen telkens bilateraal voor en bevinden zich op de
 volgende plaatsen: [29]
 -1- occipitaal: san de suboccipitale spierinsertie
 -2- laag cervicaal: aan de voorkant van de dwarse tussenruimtes van C5-C7.
 -3- trapezius: aan het middenpunt van de boven boord
 -4- supraspinatus: aan de oorsprong, boven de scapulastekel dichtbij de
     middenrand.
 -5- 2e rib: aan de 2e ribkraakbeen verbinding, juist lateraal aan
     de verbindingen van de bovenliggende oppervlakken.
 -6- laterale epicondylen: 2 cm distsal van de epicondyles
 -7- gluteaal: in de bovenste buitenkwadrant van de achterste spier,
     in de voorste plooi.
 -8- grote trochanter achteraan van de trochanter, aan het uitsteeksel
 -9- knie: aan het mediale vetkussen, proximaal van de gewrichtslijn.

 Volgens sommige onderzoekers bestaat er tot 70% overlapping tussen
 fybromyalgie en het CVS. Deze constatatie wint veld omdat de keuze tussen
 beide diagnosen vooral afhankelijk is van het type specialisatie waarmee de
 patient het eerst in contact komt. bv. Rheumatologie,
 algemene geneeskunde,...

 De palpatie moet uitgevoerd worden met een kracht van +4 kg.
 Om een tenderpoint als 'positief' te beschouwen, moet de patient de palpatie
 als pijnlijk ervaren. 'Tender'(gevoelig) wordt niet beschouwd als
 'pijnlijk'.


 [29] naar Goldenberg 1994 en Clement 1993


 2.4 2 Andere syndromen
 ----------------------

 Andere syndromen die klinisch en mogelijk ook etiologisch veel
 gemeenschappelijk hebben met CVS zijn: [31]
 - het neurasteen syndroom
 - het burn-outhsyndroom
 - spasmofylie
 - hartneurose / neurocirculatoire asthenie
 - habituele hyperthermie.


 [30] respectievelijk naar Goldenberg 1994, en naar Clement 1993
 [31] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996


 2.5 Besluit
 -----------

 Daar men tot op heden door laboratoria onderzoek van het lichaam nog geen
 stoffen gevonden heeft die op C.V.S. kunnen duiden, moet men nog steeds op
 een andere manier de diagnose van chronische vermoeidheid stellen.

 Sommige onderzoekers die louter fysische studies over deze ziekte maken
 veronderstellen dat het C.V.S. mogelijk ontstaat door een enzyme-ontregeling.
 Het zou gaan om een stoornis bij de herstelstoffen van het lichaam. Hieruit
 kunnen diagnostische criteria voor chronische vermoeidheid afgeleid worden.
 Aan de ene kant is dit positief omdat men zo makkelijker de diagnose zal
 kunnen stellen. Aan de andere kant bestaat er een groot gevaar dat patienten
 met het CVS, bij wie men deze stoffen niet aantreft in het lichaam, in de
 kou zullen blijven staan.

 Vandaar dat de diagnose best gesteld wordt door eerst verschillende
 somatische en psychiatrische aandoeningen uit te sluiten. Daarnaast dient
 men zich ook te baseren op de ziektegeschiedenis van de patient om de
 diagnose van chronische vermoeidheid te stellen.

 Eenmaal men de diagnose gesteld heeft, zijn er echter wel verscheidene
 factoren die een invloed kunnen hebben op de ziekte. Het hoe en waarom deze
 factoren een medierende rol spelen bij C.V.S. zal in volgend hoofdstuk aan
 bod komen.


 HOOFDSTUK III: ETIOPATHOGENESE.
 -------------------------------

 Inleiding
 ---------

 Tot voor kort spitsten de etiologische hypothesen (= veronderstellingen die
 zich bezig houden met de leer van de ziekteoorzaken), zich toe op enerzijds
 organische en anderzijds op de psychische oorzaken van het chronisch
 vermoeidheidssyndroom. Moderne visies gaan steeds meer uit van een
 bio-psycho-sociaal en systemisch georienteerd ziektemodel, waarbij het
 'of-of' dualisme wordt overschreden. Hiermee bedoelt men dat het zinloos is
 om te discussieren of de oorzaak van C.V.S. nu fysisch of psychisch is.
 Het is zinvoller om deze aandoening als en fysisch en psychisch te bekijken,
 daar deze factoren door mekaar lopen. Deze en/en visie gebruikt men als
 werkmodel in Pellenberg. Als therapeut moet je dus kijken naar hetgeen de
 patient aanbrengt, welke factoren hij aangeeft. Van hieruit kan je dan samen
 met de patient beginnen werken aan de problemen die hij heeft.

 De hedendaagse etiopathogenese van het C.V.S. wordt door de meeste auteurs
 gezien als het gevolg van complexe interacties tussen diverse factoren.

 Deze factoren zijn te onderscheiden in:
 1.  Voorbeschikkende of kwetsbaarheidsfactoren
 2.  Uitlokkende factoren
 3.  Onderhoudende of versterkende factoren.

 Deze factoren worden in volgende punten meer uitgediept.

 3.1 Kwetsbaarheidsfactoren.
 ---------------------------

 3.1.1    Premorbide overactiviteit
 ----------------------------------

 Zeer frequent zie je bij C.V.S.-patienten een opvallende overactieve
 levens- en werkstijl voorafgaand aan hun vermoeidheid.

 Een verklaring hiervoor is mogelijk sociaal-cultureel gericht.
 Onze maatschappij is prestatiegericht. Alles moet steeds maar sneller en
 beter gebeuren. Wie goed presteert krijgt positieve bekrachtiging. Omdat
 bijna iedereen hier behoefte aan heeft en er bijna niemand wil onderdoen
 voor een ander blijft deze 'mallemolen' maar steeds vlugger draaien.

 Toch blijkt deze overactiviteit in de eerste plaats verbonden te zijn met
 bepaalde persoonlijkheidskenmerken. [32]

 A. Bij sommigen lijkt de overactiviteit te kaderen in een continu,
    haast masochistisch te noemen attitude van zelfopoffering. Men denkt
    altijd aan 'de anderen' en cijfert zichzelf volledig weg.

 B. Bij anderen gaat het eerder om een dwangmatig perfectionistisch
    'eeuwig moeten'. Men spreekt altijd van: 'ik moet nog dit doen, en
    ik moet nog dat doen,...' en men denkt nooit eens van:
    'wat wil ik doen?'

 C. Bij nog anderen lijkt de overactiviteit voort te vloeien uit de
    illusie van een onbegrensd lichamelijk prestatievermogen. Dit uit
    zich in mateloos overwerk of sporten.

 Naar aanleiding van een kritisch-somatisch incident komt er aan deze
 levensstijl een abrupt einde, bv. naar aanleiding van een uitputtende
 virale infectie. Na dit incident gaat de patient van het ene uiterste naar
 het andere. Hij raakt verzeilt in een regressief ziektegedrag met
 activiteitsvermijding, wat emotioneel erg moeilijk is voor hem. [33]

 3 1.2 Traumatische voorgeschiedenis
 -----------------------------------

 Vaak staat iemands ziektegeschiedenis niet los van zijn of haar
 levensgeschiedenis. Een niet verwerkt trauma heeft dan ook een blijvende
 invloed op het leven.

 Tot voor kort rustte er een groot taboe op misbruik en geweld binnen het
 gezin. [34] De tijden zijn echter veranderd. Er komt steeds meer openheid
 rond deze problemen. Op televisie komen slachtoffers aan het woord die
 schokkende verhalen vertellen. Ook via serieus wetenschappelijk onderzoek
 wordt duidelijk dat de frequentie van misbruik, niet alleen seksueel, maar
 ook fysiek en emotioneel, tot nog toe schromelijk werd onderschat.


 [32] Houdenhove & Neerinckx, 1996
 [33] Ibidem.
 [33] Houdenhove, Ziek zonder ziekte, 1998.


 Een van de medewerkers van Van Houdenhove onderzocht welk verband er is
 tussen misbruik en psychosomatische klachten. Hij ging na of traumatische
 ervaringen een rol zouden kunnen spelen bij een groep van 100 patienten die
 de diagnose fibromyalgie of C.V.S. hadden gekregen. Hij stelde vast dat 64 %
 van de patienten minstens 1 vorm van misbruik, mishandeling of verwaarlozing
 in de loop van hun leven rapporteerde, in vergelijking met 49 % van de
 controlepersonen zonder klachten. Bij de patienten waren de traumatische
 ervaringen, globaal genomen, ook ernstiger geweest.

        traumatische ervaring   patienten       controlepersonen
    ----------------------------------------------------
    emotioneel verwaarloosd     49 %        29 %
    emotionele mishandeling     38%         15%
    lichamelijke mishandeling   23%         7%
    ernstig seksueel misbruik   9%          5%

 Wat maakt getraumatiseerde mensen nu kwetsbaarder voor psychosomatische
 klachten? Wellicht zijn de redenen daarvoor complex. Psychosomatische
 klachten komen vaak langs verschillende wegen tot stand, zowel rechtstreeks
 als onrechtstreeks.

 Allereerst gaan misbruikervaringen soms rechtstreeks gepaard met reele
 lichamelijke letsels. Dat kan ertoe leiden dat de pijngevoeligheid op die
 plaats toeneemt, zodat men later vlugger klachten zal hebben. Daarnaast
 voelen misbruikte mensen zich gemakkelijker angstig en bedreigd. Vroegere
 ervaringen hebben hun 'alarmsysteem' overgevoelig gemaakt. Ze zijn
 hyperalert. Ze zullen dus allerlei prikkels vlugger opmerken en intenser
 aanvoelen. Op hun beurt kunnen angstgevoelens via spierspanningen,
 hyperventilatie en slaapstoornissen, pijn en andere klachten teweegbrengen
 of versterken.

 Daarnaast kunnen psychosomatische klachten ook onrechtstreeks tot stand
 komen. Ervaringen van misbruik, mishandeling of verwaarlozing leiden meestal
 tot een gebrekkig gevoel van eigenwaarde, minder weerstand tegen stress en
 frustraties, neiging tot depressie, en alcohol- en druggebruik. Om die
 redenen zullen misbruikte mensen minder goed met pijn en andere klachten
 kunnen omgaan, bijv. meer catastroferen en vlugger aan pijnstillers
 verslaafd raken.

 3.2 Uitlokkende factoren.
 -------------------------

 3.2.1 Virologie
 ---------------

 Veel patienten met het C.V.S. geven aan dat hun vermoeidheidsklachten werden
 uitgelokt door een virale infectie. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat
 sommige virussen een uitlokkende rol zouden kunnen spelen bij specifieke
 subgroepen van patienten.
 Deze mogelijke virussen zijn bv.:
 - Epstein Barr-virus dat verantwoordelijk is voor mononucleosis inifectiosa.
 - het cytomegalievirus
 - het menselijke herpesvirus
 - het enterovirus, vnl. Coxsackie B.
 - retrovirussen.

 Daarnaast lijkt bij een minderheid van de cvs-patienten dat het
 vermoeidheidsprobleem op gang gebracht wordt na een trauma of een operatieve ingreep met moeizaam herstel.35

 3.2.2 Stress-stoornissen
 ------------------------

 Uit onderzoek wordt steeds duidelijker dat aan het C.V.S. een ernstige
 psychosociale stresstoestand voorafgaat. Naast uitputtende toestanden van
 reele fysieke of psychische overbelasting, gaat het vaak ook over
 psychotraumatische gebeurtenissen of situaties. Dit is dan bv. een moeilijk
 verwerkbaar overlijden of scheiding, een ontgoocheling in een liefdesrelatie,
 een mislukte professionele ambitie, chronische relationele spanningen,...

 Het is daarenboven opvallend dat nogal wat cvs-patienten in de lijn van hun
 premorbide persoonlijkheid deze emotionele moeilijkheden proberen te
 'overwinnen' door hun overactieve levensstijl nog intensiever te maken.
 Dit gebeurt door zich by. nog heviger op het werk of op sportprestaties te
 storten om de emotionele pijn te ontvluchten of 'niet te moeten voelen.'
 Deze patienten gebruiken dit overactief zijn als een copingstrategie om de
 emotionele problemen te onderdrukken, wat vaak lichamelijke en/of psychische
 'roofbouw' als gevolg heeft. Het komt er op aan om als hulpverlener aan de
 patient deze copingsstrategie te laten zien. Pas wanneer de patient inziet
 waarom hij zo overactief is, kan er aan de onderliggende problematiek
 gewerkt worden in de therapiesessies. Een bijkomende somatische belasting
 zoals bv. een slepende virale infectie maakt hieraan echter een definitief
 einde. De patient wordt van zijn coping beroofd en er treedt een ernstige
 verstoring op van de psychische economie. Hiernaast raakt ook het
 fysiologisch energie- en weerstandssysteem volledig uit evenwicht. Dit alles
 kan opgevat worden als een soort bio-psychosociale 'crash', waarbij een
 combinatie van langdurige en ernstige psychische en fysieke stress op een
 bepaald moment een dramatische weerslag heeft op het centrale zenuwstelsel.
 [36].


 [35] Van Houdenhove & Neerinckx, 1996
 [36] Ibidem


 3.3 Onderhoudende factoren.
 ---------------------------

 3.3.1   Cognitieve factoren.
 ----------------------------

 Externe attributiefactoren en verkeerde ziekte-overtuigingen kunnen een
 belangrijke rol spelen bij het chronificeren van moeheid. Een patient die
 bv. meerdere maanden gerust heeft naar aanleiding van een virus-infectie
 kan zijn verminderde fysieke mogelijkheden aan het volgende feit
 toeschrijven: 'Ik ben nog steeds niet genezen, en zal bijgevolg nog meer
 moeten rusten.' In dit geval is er een grote kans dat de patient door een
 toenemende fysieke deconditionering in een negatieve spiraal terechtkomt
 die zijn moeheidsprobleem onderhoudt en versterkt. De specifieke
 ziekte-overtuiging: 'Ik ben het hulpeloze slachtoffer van het cvs' heeft
 vaak even nefaste gevolgen. Vandaar dat het belangrijk is dat de patient
 het heft in eigen handen neemt, en onder begeleiding aan zijn fysieke
 conditie werkt.

 3.3.2. Emotionele factoren
 --------------------------

 Patienten met aanslepende moeheidsklachten lijden niet zelden aan reactieve
 verschijnselen en angstgevoelens ten gevolge van hun ziekte. Het verlies van
 vroegere mogelijkheden, gebrek aan sociale bekrachting, onzekere
 toekomstverwachtingen,... zullen de moeheid en spierpijnen versterken en
 onderhouden; ev. in samengang met slaapstoornissen, spierhypertonie,
 hyperventilatie,... [37]


 [37] Ibidem


 3.3.3 Ziektewinst
 -----------------

 Een aantal patienten klampen zich ongetwijfeld vast aan moeheidsklachten,
 waardoor ze kunnen vluchten uit een onhoudbare situatie van psychosociale
 overbelasting. Zo kan men zich bv. afvragen of dit niet van toepassing is
 op een aantal buitenhuiswerkende vrouwen die het slachtoffer van onze
 moderne westerse prestatie- en consumptiemaatschappij zijn, en het niet
 meer aankunnen om drie of vier jobs te blijven combineren. bv.  deze van
 efficiente huisvrouw, aantrekkelijke echtgenote, perfecte moeder van drie
 of vier kinderen, en ambitieuze carrierevrouw. Deze klachten van vage
 moeheid en pijn die het idee oproepen van een mysterieuze, onbegrepen,
 moeilijk te genezen ziekte zijn in onze moderne tijden geschikt voor een
 'vlucht in de ziekte'. [38]

 3.3.4 Fysieke deconditionering
 ------------------------------

 Wanneer de patient gelooft dat hij door zijn ziekte veel moet rusten en
 activiteiten vermijden om zich minder moe te voelen, vergroot de kans dat
 hij in een toestand van fysieke deconditionering terecht komt.
 De onvermijdelijke gevolgen hiervan zijn:
 - progressieve spieratrofie
 - spierstijfheid
 - verlies van cardiorespiratoire fitheid
 - verstoringen van het slaap-waak ritme
 - toenemende inspanningstolerantie.

 Vandaar dat het belangrijk is dat de patienten aan hun fysieke conditie
 blijven werken om verdere deconditionering tegen te gaan.

 Het is ook typisch voor cvs-patienten dat ze na een periode van rusten,
 telkens hun vroegere activiteit proberen te evenaren. Ze willen hun schade
 van inactiviteit inhalen en overschrijden hierbij hun fysieke grenzen,
 waardoor hun negatieve spiraal nog toeneemt. Vandaar dat het belangrijk is
 om de patienten hun reele mogelijkheden te leren kennen. Zo zullen ze weten
 tot wat ze nog in staat zijn, en kunnen ze bun activiteitenniveau
 gemakkelijker herindelen.


 [38] Ibidem


 3.3.5. Gezins- en sociale factoren
 ----------------------------------

 Net zoals andere vormen van chronisch ziektegedrag spelen
 vermoeidheidsklachten een rol in de 'gezinshomeostase'.

 1. De taken of een deel van de taken van de partner die chronisch vermoeid
    is zullen door de andere partner overgenomen moeten worden, wat voor
    hem een zeer zware belasting zal worden.
    Er kan eventueel naar een oplossing gezocht worden door beroep te doen
    op derden of op hulpinstanties om ervoor te zorgen dat de partner er
    zelf ook niet aan ten onder gaat.

 2. Ook in de relatie met de kinderen vindt er een verandering plaats.
    Hun vader of moeder zal nu niet actief meer kunnen bezig zijn met hen.
    Deze activiteiten zullen gepland moeten worden en de persoon in kwestie
    zal er rekening mee moeten houden dat hij zijn grenzen niet overschrijdt.


 3. Ten opzichte van medisch-legale instanties zitten cvs-patienten vaak in
    een uitzichtloze strijd. Zij moeten tegenover controle-artsen die hun
    klachten als 'louter subjectief' diskwalificeren steeds zien te bewijzen
    dat deze klachten het hun onmogelijk maken om nog te werken. Dit kost
    hen veel energie, en ze hebben er al zo weinig. Dit werkt uiteraard
    verdere chronificatie en toenemend ziektegedrag in de hand.

 Het is dan ook van belang om de partner en de andere gezinsleden te
 betrekken bij de behandeling van de persoon met C.V.S. Hoe men dit practisch
 uitvoert op deze afdeling komt later nog aan bod.


 [39] Ibidem


 3.4 Besluit
 -----------

 Zoals u reeds kon lezen hebben deze factoren een zeer belangrijke rol bij
 het ontstaan en het onderhouden van C.V.S. Het zal dan ook van groot belang
 zijn om hieraan de nodige aandacht te besteden tijdens de behandeling.
 Wanneer dit echter niet gebeurt blijven deze een invloed uitoefenen op het
 leven en het 'genezingsproces' van de persoon die chronisch vermoeid is.
 Niet alle behandelingen hebben oog voor het leren omgaan en/of verwerken van
 deze factoren in tegenstelling met een psychotherapeutische behandeling
 zoals op de P.S.R. te Pellenberg, wat je wel zal vernemen verder in de
 thesis.


 HOOFDSTUK IV: BEHANDELING.
 --------------------------

 Inleiding
 ---------

 Aangezien men nog steeds niet 'de oplossing' gevonden heeft om C.V.S. te
 behandelen kan men ondertussen verschillende therapieprogramma's aanbieden.

 De mogelijke therapieprogramma's zijn:
 - medisch
 - alternatief
 - psychotherapeutisch

 Zoals ik reeds vermeld heb zullen niet alle behandelingen aandacht hebben
 voor de etiopathogenetische factoren van C.V.S. Een psychotherapeutische
 behandeling houdt hier dus wel rekening mee, daar ze het C.V.S.
 psychosomatisch bekijkt. Wat je nu echter onder 'psychosomatiek' kan
 verstaan en of het er steeds geweest is zoals men het begrip nu kent kunt u
 vernemen als je verder leest. Net zoals de werking van dit model binnen de
 PSR te Pellenberg.

 4.1. Specifieke medische behandelingen.
 ---------------------------------------

 In bekende medische tijdschriften werden reeds resultaten vermeld van
 bepaalde therapieen waarbij slechts een klein aantal patienten betrokken
 waren en waardoor de resultaten met voorzichtigheid geinterpreteerd moeten
 worden. De patienten moeten daarom op de hoogte gebracht worden over het
 feit dat er nog steeds geen effectieve medische medicamenteuze behandeling
 bestaat voor chronische vermoeidheid.

 Wel kunnen bepaalde psychofarmaca bij patienten met C.V.S. een gunstige
 invloed uitoefenen, daar ze de negatieve effecten die de verwerking van hun
 onderliggende problemen verhinderen, kunnen doen afnemen. Hierbij moet wel
 een onderscheid gemaakt worden tussen kalmerende middelen, slaapmiddelen,
 de antidepressiva en de neuroleptica. Telkens moet bekeken worden welk nut
 deze kunnen hebben bij psychosomatische klachten, met hun voor- en nadelen,
 bij elke patient individueel. Daar deze behandeling niet van toepassing is
 voor een ergotherapeut, zal ik hier dan ook niet verder over uitweiden.

 4.2 Alternatieve behandelingen.
 -------------------------------

 Nogal wat mensen zijn ontevreden over hun dokter. Ook al vinden ze hem
 technisch zeer competent, ze hebben het gevoel dat hij hen niet voldoende
 begrijpt. Bij gevolg gaan veel mensen op zoek naar een dokter die wel
 aandacht schenkt aan hun hele persoon. Ze nemen het niet meer om te horen
 te krijgen: 'we hebben niets gevonden, dus u hebt niets.' Alternatieve
 genezers spelen hier handig op in. Patienten hebben er vaak veel geld voor
 over om iemand te vinden die wel naar hun luistert, die zich niet blind
 staart op 'objectieve' afwijkingen.

 Sommige van deze behandelingen kunnen inderdaad helpen voor bepaalde
 patienten. Dit kan komen omdat men echt gelooft in de waarde van de therapie
 of eerder door de goede begeleiding van hun therapeut. Een behandeling als
 homeopathie of acupunctuur kan dus de moeite waard zijn, vooral als de
 belangrijkste klachten myalgieen arthralgieen zijn. Men mag dit dan niet
 afraden, maar er toch op wijzen dat het belangrijk is om een betrouwbare
 hulpverlener te zoeken.

 4.3 Psychotherapeutische behandeling.
 -------------------------------------

 'Psychosomatiek', 'psychosomatisch'.
 Termen die als het ware een koppelteken plaatsen tussen lichaam en geest.
 Gaat alles wat we denken, voelen, hopen, vrezen, fantaseren,... dan niet met
 lichamelijke processen gepaard? Psychosomatiek is de taal van het lichaam,
 het heeft dus geen zin om in het of/of denken te blijven steken. We kunnen
 veel beter spreken van en/en en zo de mens in zijn totaliteit behandelen aan
 de hand van een psychotherapeutische behandeling.

 Somatisatie kan omschreven worden als de taal van het lichaam, met en de
 fysische en de psychische aspecten. In verschillende definities van
 somatisatie [40] komt steeds 1 punt van overeenkomst terug, namelijk de
 aanwezigheid van medisch onverklaarbare lichamelijke symptomen. Daarnaast
 zijn er enkele discussiepunten omtrent somatisatie: maakt ziektegedrag al
 dan niet deel uit van somatisatie, maken angst- en depressiestoornissen
 inherent deel uit van somatisatie. Het is in ieder geval duidelijk dat de
 aanwezigheid van psychiatrische comorbiditeit leidt tot een verhoogde graad
 van invaliditeit.

 Vanuit maatschappelijke invalshoek gezien, draagt somatisatie in grote mate
 bij tot een verhoogde medische consumptie, die leidt tot chroniciteit en
 invaliditeit indien het probleem niet tijdig wordt onderkend. Terwijl men
 nu hoofdzakelijk aandacht heeft aan de opvang van patienten die gecompenseerd
 zijn, zou het goed zijn om in de toekomst meer aandacht te besteden aan
 aspecten van preventie met het oog op het voorkomen van invaliditeit. Een
 goede samenwerking tussen huisartsen enerzijds en psychiaters en psychologen
 anderzijds is hiervoor een belangrijke voorwaarde.


 [40] V.De Gucht, Prof. Dr. B. Fischler; 'somatisatie'; Axon januari 1998.


 4.3.1   Moderne psychosomatiek.
 -------------------------------

 4.3.1.1  Historiek
 ------------------

 'Holistische' opvattingen die lichaam en geest als 1 ondeelbaar geheel
 beschouwen komen al zeer vroeg in onze Westerse geneeskunde voor.

 Aan deze eenheidsvisie kwam op het einde van de 17e eeuw een einde door de
 radicaal-dualistische ideeen van de filosoof Descartes, die een opsplitsing
 maakte tussen lichaam en geest. Hierdoor werd de geneeskunde herleid tot de
 biologische aspecten, terwijl de geestelijke aspecten aan de filosofie
 toebehoorden.

 In het begin van deze eeuw kwam de holistische ziekte benadering weer tot
 leven. Dit kwam deels door de psychoanalyse met haar psychogenetische
 concepten, maar voornamelijk ook door de opkomst van het systeemdenken.
 Een fundamenteel systeem-concept zoals 'homeostase'(zelfregulering) maakt
 het bv. weer mogelijk om het organisme als een dynamische totaliteit die
 gekenmerkt is door vele interacties te bedenken en wetenschappelijk te
 funderen. In dit systeemtheoretisch perspectief smeedde de Amerikaanse
 psychiater en internist G.Engel de term 'bio-psychosociaal'. Hiermee zette
 hij zich af tegen een louter mechanisch-technisch ziektebegrip
 a la Descartes, maar evenzeer tegen de te enge psychogenetische visie van
 de 'klassieke' psychosomatiek. Eigenlijk wordt er met deze term bedoeld dat
 men naast biologische factoren in alle vormen van ziek zijn, ook aandacht
 moet hebben voor de psychosociale gegevens. [41]

 Tegen deze systemisch georienteerde bio-psychosociale achtergrond is in de
 laatste decennia een opmerkelijke evolutie ondergaan door:
 - de kernconcepten
 - het wetenschappelijk onderzoek en
 - de klinische praktijk van de psychosomatiek.

 Dit model wordt nog uitgebreider besproken.


 [41] Van Houdenhove, 'Moderne Psychosomatiek (theorie en praktijk
      van het bio-psychosociale ziektemodel)' Streven/mei '92


 4.3.1.2 Kernconcepten van de moderne psychosomatiek
 ---------------------------------------------------

 Veel hedendaagse clinici en onderzoekers vinden de termen 'psychosomatisch'
 en 'psychosomatiek' niet meer zo vanzelfsprekend door hun nog steeds
 naklinkende, enge psychogene connotatie.

 Anderen vinden deze termen betekenisloos omdat ze vaak als een
 'diagnostische' achterpoort gebruikt worden voor dingen die niet organisch
 verklaard kunnen worden.

 De Canadese psychiater Lipowski heeft deze termen echter een exacte
 definiering gegeven zodat ze een plaats kregen in de moderne psychosomatiek.

 'psychosomatisch'
 Dit is een brede overkoepelende term die verwijst naar het postulaat dat
 zegt dat de psychosociale en biologische aspecten van de mens niet te
 scheiden zijn en onderling afhankelijk zijn.

 'psychosomatiek' of 'psychosomatische geneeskunde'
 Deze term verwijst naar een klinische en wetenschappelijke discipline die op
 twee facetten gericht is.
 1. De studie van de samenhang tussen psychosociale fenomenen en
    fysiologische functies, en van de wisselwerking tussen biologische
    en psychosociale factoren in het ontstaan en verloop van alle ziekten.
 2. Het bevorderen van een bio-psychosociale of holistische patientenzorg,
    inclusief het toepassen van psychiatrische of gedragswetenschappelijke
    methoden bij de behandeling en preventie.

 4 3.1.3 Het 'moderne' psychosomatische onderzoek
 ------------------------------------------------

 Het moderne psychosomatische onderzoek verschilt tegenwoordig op
 verschillende cruciale punten met de klassieke psychosomatische studies:

 1. De monocausale theorieen hebben plaats moeten maken voor
    multifactoriele etiologische modellen. Deze laatste zijn modellen
    die recht doen aan de onafscheidelijk verbonden bio-psychosociale
    complexiteit van lichamelijke ziekten. Zo kan een maagzweer bv.
    voorkomen door een storing van het maagzuurproducerende enzyme,
    maar evenzeer onder invloed van psychologische stress.

 2. Er wordt niet enkel rekening gehouden met onbewuste processen, maar
    ook met de bewuste zoals interpersoonlijke en sociale processen.

 3. Het huidige psychosomatische onderzoek is gebaseerd op een strikt
    wetenschappelijke methodologie. Dit houdt in dat er plaats is voor
    etiologische studies, studies over psychofysiologische correlaties
    en medierende mechanismen, somatopsychische studies, en
    therapeutische studies. Meer uitleg over deze studies kan je
    terugvinden in de bijlage 4.


 4.3.1.4 Nieuwe klinische toepassingen.
 --------------------------------------

 De moderne psychosomatische geneeskunde is gericht op de concrete klinische
 en therapeutische praktijk. De 'liaison-psychiatrie' en de 'behavioural
 medicine' zijn hiervan het overtuigende bewijs. [42]

 Liaison-psychiatrie.
 --------------------

 De term 'liaison' wijst op de 'psychosomatische verbindingsfunctie' die de
 psychiater kan uitoefenen in het veld van de geneeskunde. Tegenwoordig zijn
 psychiaters niet enkel meer werkzaam in de klassieke psychiatrische
 inrichtingen, maar houden ze zich in toenemende mate ook bezig met de
 patienten in de algemene ziekenhuizen. De activiteiten van de
 liaison-psychiater liggen eerst en vooral op klinisch vlak. Hij kan een
 bijdrage leveren bij het stellen van een adequate diagnose en therapie.
 Er worden drie types van patienten door een liaison-psychiater
 geconsulteerd:
 1. patienten die naast een lichamelijke ziekte ook psychiatrische
    problemen hebben.
 2. patienten die door hun lichamelijke aandoening geconfronteerd
    worden met ernstige psychische verwerkingsproblemen.
 3. de groep van patienten die klachten hebben waarvoor geen duidelijke
    organische verklaring gevonden kan worden.

 Hiernaast heeft de liaison-psychiater ook een didactische opdracht. Hij kan
 zijn collega's somatici gevoeliger maken voor een bio-psychosociale
 ziektebenadering en hen motiveren om deze in hun praktijk toe te passen.
 Tenslotte heeft de liaison-psychiater nog een belangrijke onderzoekstaak.
 Verschillende aspecten van deze interventie moeten immers nog grondig
 bestudeerd worden om het werk te optimaliseren.

 Behavioural medicine.
 ---------------------

 Behavioural medicine houdt in dat men gedragstherapeutische principes en
 technieken toepast bij de behandeling en preventie van lichamelijke
 stoornissen. Uit experimenteel-psychologisch onderzoek blijkt immers dat
 leer- en gedragsfactoren een belangrijke rol spelen in de geneeskunde.

 -  Heel wat lichamelijke processen en symptomen zijn vatbaar voor
    conditioneringseffecten. bv. klachten van chronische moeheid kunnen
    versterkt of onderhouden worden door bekrachtende omgevingsfactoren.
 -  Het tot stand komen van somatische symptomen wordt in aanzienlijke
    mate beinvloed door cognitieve elementen zoals attributie en de
    interpretatie van lichamelijke gewaarwordingen.
 -  Door de toename van chronische ziekten werd de aandacht gevestigd op
    het belang van gedragsaspecten bij de behandeling.
 -  Tenslotte groeit het inzicht dat het individu zelfverantwoordelijk
    is voor het behoud of herstel van zijn gezondheid, en dat hiervoor
    bepaalde gedragingen aangeleerd of afgeleerd moeten worden.


 [42] ibidem


 Behavioural medicine-psychologen maken gebruik van alle mogelijke
 gedragstherapeutische methoden zoals bv.:
 *   relaxatie oefeningen en biofeedback
 *   stress management- en assertiviteitstraining
 *   zelfcontrolemethoden
 *   ....

 Besluit:
 --------

 De moderne psychosomatische geneeskunde heeft zich bevrijd van eenzijdige
 theorieen en houdt nu rekening met de omvattende bio-psychosociale realiteit
 van lichamelijk ziek zijn. Nu moet deze geneeskunde die de mens in zijn
 totaliteit behandeld nog meer in praktijk gebracht worden.

 4.3.1.5. Het bio-psychosociale ziektemodel
 ------------------------------------------

 Het bio-psychosociale ziektemodel houdt rekening met lichaam, geest, sociale
 interacties en de effecten van de omgeving op het individu. [43] De patient
 staat centraal in zijn proces en zijn noden zijn duidelijk erkend. Patienten
 hebben recht op een zinvol en productief leven, zelfs in samenhang met hun
 chronische ziekte. Aanpassing, verandering en ziekelijk handelen zijn hier
 erkend. Het belangrijkste punt is dat de patient actief moet deelnemen aan
 zijn eigen behandeling.

 Theoretische 'aanpakken '.
 --------------------------

 -  Behandelingsaanpakken zijn multiprofessioneel van nature, en dus niet
    specifiek voor de ergotherapie. Het is een team-gebeuren.
 -  De identificatie en opvatting over behandelingsaanpakken zorgt voor
    samenhangende kennis, bekwaamheden en houdingen die hulpvaardig kunnen
    zijn met specifieke patienten groepen die persoonlijke handicaps,
    onbekwaamheden of benadelingen hebben die verwant zijn met
    chronische vermoeidheid.
 -  Een aanpak die dikwijls vermeld staat in de literatuur van chronische
    vermoeidheid en die centraal staat in de tussenkomst is de 'cognitieve
    handelingsaanpak'. Om de mogelijkheden van deze aanpak maximaal te
    benutten moet deze toegepast worden door elk team-lid.


 [43] Hansen & Gerber, 1990


 De cognitieve handelingsaanpak heeft vijf centrale aannemingen [44]

 1  De individuen zijn actieve handelaars.
 2  De gedachten kunnen een beinvloedende stemming ontluiken,
    fysiologische processen uitwerken, en/of sociale gevolgen hebben.
    Gedachten kunnen ook dienen als motivatie voor handelen, conversatie,
    stemming, fysiologie en omgevingsfactoren. Handelen kan het karakter
    en de voldoening van gedachten-processen beinvloeden.
 3  Door de handeling is er een wisselwerking tussen de mens en zijn
    omgeving.
 4. Individuen kunnen aanpassingswijzen van denken; voelen en handelen leren.
 5. Individuen zouden actieve handelingspersonen moeten zijn in het
    veranderen van hun onaangepaste aanpak van gedachten, gevoelens en
    handelingen.
    (Turk & Meichenbaum, 1994)

 -> De cognitieve handelingsaanpak kan waargenomen worden in de context van
    bet biopsychosociale model. Daarenboven moeten ook de biologische
    aspecten van de patient overwogen worden.


 [44] Turk & Meichenbaum, 1994


 4.3.2. Werking van dit model binnen de psychosomatische
        revalidatieafdeling (PSR).
 -------------------------------------------------------

 4.3.2.1 Uitgangspunten
 ----------------------

 In de huidige gezondheidszorg worden we nog te vaak geconfronteerd met
 patienten die niet adequaat geholpen kunnen worden op een somatische of een
 psychiatrische afdeling, zoals psychosomatische ziekten en C.V.S.

 In de eerste plaats gaat het om patienten die naast hun somatische aandoening
 te kampen hebben met ernstige of aanslepende psychiatrisch
 verwerkingsproblemen, of personen die een psychiatrische verwikkeling
 (comorbiditeit) vertonen zoals bv. een depressie of een aanhoudende
 angststoornis. In de tweede plaats gaat het om personen die langdurig
 lichamelijke symptomen of klachten hebben zonder dat er objectieve
 afwijkingen kunnen gevonden worden.

 Beide groepen van patienten komen in aanmerking voor een opname. Men heeft
 aandacht voor alles wat betrekking kan hebben op de ziekte. Door een
 somatische behandeling krijgen ze geen verbetering van hun ziekte waarvan
 ze ontgoocheld en moedeloos worden. Maar omdat ze toch resultaten willen
 kan dit leiden tot 'medical shopping', waarbij ze alle mogelijke therapieen
 blijven uitproberen. Het kan ook leiden tot het optreden van complicaties
 door een foutieve medische behandeling. Een strikt psychiatrische
 behandeling is ook niet ideaal, daar er hier meestal te weinig aandacht
 geschonken wordt aan de lichamelijke klachten. De meeste patienten staan
 trouwens ook nogal negatief ten opzichte van een psychiatrische opname,
 daar dit nog altijd een stigma draagt in onze maatschappij.

 Om die reden is in de U.S.A. een tiental jaar geleden een nieuw type van
 afdeling ontstaan, die 'psychosomatic medicine unit' genoemd wordt. Deze
 afdeling richt zich specifiek op patienten met gemengde medisch-somatische
 en psychiatrische problematiek en/of chronische somatisatieproblemen. Deze
 afdeling wordt geleid door een gemengd medisch-somatisch en psychiatrisch
 team, om de patient in zijn totaliteit te kunnen behandelen. Ook in Duitsland
 bestaan reeds geruime tijd psychosomatische klinieken. Zowel het Amerikaanse
 als het Duitse model waren een inspiratiebron om de psychosomatische
 revalidatie-afdeling voor C.V.S.-patienten in Pellenberg op te richten. [45]


 [45] Van Houdenhove, Vasquez, Goossens & Vandeput;
      Psychosomatische revalidatie afdeling


 4.3.2.2. Therapeutische basisfilosofie en basisstrategieen
 ----------------------------------------------------------

 De PSR heeft als centraal doel de patienten met gemengde somatische en
 psychiatrische klachten of met onverklaarde somatische klachten te helpen.
 Dit,houdt in dat de levenskwaliteit van de patient geoptimaliseerd wordt
 door een bevredigender niveau van functioneren na te streven. Dit omvat
 zowel het functioneren op lichamelijk vlak als op psychosociaal en
 professioneel vlak. Bij het herbepalen van het functioneren wordt er
 rekening gehouden met de individuele lichamelijke beperkingen. De patienten
 kunnen vooral geholpen worden door hen te stimuleren tot meer
 zelfwerkzaamheid en zelf-verantwoordelijkheid in het omgaan met hun
 lichamelijke en psychische problemen.

 4.3.2.3. Concrete werking PSR
 -----------------------------

 Om de therapeutische basisstrategie in praktijk te brengen wordt op de
 afdeling een programma aangeboden van gedragstherapeutische en
 belevingsgerichte groepsactiviteiten:
 - pijn- en stressmanagementtraining
 - sociale vaardigheidstraining
 - bewegingstherapie
 - relaxatietherapie
 - ergotherapie en creatieve therapie
 - ervaringsgerichte groepsgesprekken.

 Bovendien wordt er intensief gewerkt aan de verbetering van de lichamelijke
 conditie door middel van een progressieve fitnesstraining (kinesitherapie).

 Bij samengaande depressieve- en angstproblematiek wordt een adequate
 psychofarmacologische behandeling ingesteld. De individuele gesprekken met
 de verpleegkundige begeleider en de assistent-psycholoog helpen de patient
 om de lichamelijke en psychische aspecten van zijn problematiek te leren
 zien, om zijn ziekte te plaatsen in zijn levensgeschiedenis en om geleidelijk
 aan positieve veranderingen in zijn levensgeschiedenis in te bouwen. Omdat
 ik besef dat het gezin van de patient bij deze veranderingen ook een grote
 invloed heeft, kunt u hierover meer lezen in de bijlage.

 De afdeling legt een specifieke klemtoon op de geindividualiseerde en
 graduele opbouw van concrete therapeutische doelstellingen. [46]

 Na de eerste opname kan de patient nog eens heropgenomen worden in een
 vervolgprogramma. Soms wordt de patient ook doorverwezen naar een
 psychiatrisch ziekenhuis. Na het ziekenhuisverblijf kan de patient beroep
 doen op verdere begeleiding of nazorg op deze dienst onder de vorm van een
 daghospitalisatie. Dit wordt later nog uitgebreider besproken in het
 praktijkgedeelte.


 [46] Van Houdenhove, Psychosomatiek modellen strategieen perspectieven.
      1997


 4.4 Besluit
 -----------

 Een psychotherapeutisch programma is dus een ideale behandeling voor de
 C.V.S.-patient, waarbij men de nodige aandacht heeft voor de factoren die
 een rem zijn voor zijn/haar revalidatie-proces. Dit is allemaal wel goed en
 wel, maar wat kan een ergotherapeut nu op zo'n afdeling doen? Heeft hij
 hier eigenlijk niets verloren of is het nodig tijd om versteld te staan welk
 aandeel hij heeft bij deze behandeling? In het volgende hoofdstuk zal in elk
 geval de rol van de ergotherapeut besproken worden met zijn specifieke en
 minder specifieke taken.


 HOOFDSTUK V: DE BEHANDELING VAN HET C.V.S. EN DE ROL
              VAN DE ERGOTHERAPEUT
 ----------------------------------------------------

 Inleiding
 ---------

 In dit hoofdstuk zal alle aandacht gaan naar de rol van de ergotherapeut.
 Daar deze taak van nature uit zo uitgebreid is, zal er besproken worden wat
 men van de ergotherapeut op en psychosomatische afdeling kan verwachten.
 Er zullen wel nog afdelingen zijn waar men psychosomatisch werkt, doch deze
 beschrijving zal enkel zijn over de PSR te Pellenberg daar mijn kennis en
 ervaringen slechts tot deze afdeling beperkt zijn.

 5.1 Algemeenheden:
 ------------------

 Ergotherapeuten zijn in de eerste plaats bekommerd rond de psychosociale,
 fysieke en omgevingsfactoren die bijdragen tot het C.V.S. Ook de individuele
 vermoeidheid in het dagelijkse leven krijgt belangrijke aandacht. De
 ergotherapeut zit in een unieke positie om het belastende van de effecten
 van de chronische vermoeidheid in rollen, occupationele uitvoeringen en
 deelhandelingen op te delen. Deze worden primair behandeld met zinvolle
 activiteiten en selectieve technieken. Omdat de behandeling van chronische
 vermoeidheid interdisciplinair en van nature uitgebreid is, zullen er tussen
 verschillende disciplines overlappingen zijn.
 (IASP '94)

 Ook in Pellenberg wordt er op de psycho-somatische revalidatieafdeling (PSR)
 interdisciplinair gewerkt. Ieder teamlid streeft hetzelfde doel na, maar
 ieder heeft hiervoor zijn eigen methodes en behandelingstherapieen.

 Het werk van Mathiowetz ('93) een ergotherapeut, voorziet een basis van een
 samenhangend en uitgebreid kader om de onderzoeksprocedures te organiseren.
 Deze kunnen gebruikt worden om de effecten van het C.V.S. bij occupationele
 handelingen te grondvesten. In overeenstemming met de filosofie en de
 waarden van het beroep zou dit onderzoek zo uitgebreid mogelijk moeten zijn.
 Dit uitgebreid onderzoek moet in verband staan met een gericht resultaat
 van:
 - de rol uitvoering
 - het occupationele gedrag
 - de deelhandelingen
 Daarenboven kan men ook rekening houden met:
 - de ervaring van de vermoeidheid
 - de occupatie en de omgeving
 - het resultaat van de maatregelen.

 De beoordeling van het onderzoek moet ook kwantitatief (gestandaardiseerde,
 onafhankelijke maatstaven) en kwalitatief (persoons waarnemingen,
 prioriteiten, noden, ...) zijn.

 5.2 Ergotherapie binnen de PSR.
 -------------------------------

 Ergotherapie is moeilijk met enkele woorden te omschrijven. Wij kunnen
 immers op veel verschillende terreinen bezig zijn als we werken met patienten
 die lichamelijke, psychologische en/of sociale problemen hebben. Bovendien
 hebben we zeer uiteenlopende taken afhankelijk van de problematiek waarmee
 we ons specifiek bezig houden. Het is belangrijk om iets meer te weten over
 de doelstellingen en het proces dat we doorlopen om deze te bereiken.
 Bovendien dienen we enkele fundamentele normen en waarden aan die
 doelstellingen en aan onze werkwijze te geven met het oog op wat er voor een
 ergotherapeut ten grondslag ligt.

 Het hoofddoel van de ergotherapie is mensen helpen die omwille van bepaalde
 stoornissen beperkingen ondervinden bij het uitvoeren van activiteiten uit
 het dagelijkse leven. Ergotherapie moet in de eerste plaats de mensen helpen
 om hun hoogste niveau van functioneren te bereiken, door hen in staat te
 stellen zich de kennis, vaardigheden en houding te verwerven die nodig zijn
 om hun taken en rollen in het dagelijkse leven te volbrengen.
 Het ergotherapeutisch proces is voornamelijk probleemoplossend van aard.

 Wat betreft het probleemoplossend aspect van het ergotherapeutisch proces
 moeten we twee zaken in acht houden.
 -  Bij het probleemoplossend proces gaat het niet enkel om het simpele
    'oplossen' van het probleem. De beste oplossing kan ook bestaan uit
    het beperken van de gevolgen van het probleem.
 -  Ten tweede moet de holistische benadering van het ergotherapeutisch
    proces vorm krijgen.

 Aan ergotherapie liggen enkele fundamentele overtuigingen ten grondslag.

 -  Wij geloven dat iedere mens een fundamentele behoefte heeft aan
    doelgericht bezig zijn, dit wil zeggen dat iedere mens behoefte heeft
    aan werk-, spel- en rustactiviteiten.
 -  De overtuiging dat bezig zijn een wezenlijke menselijke behoefte is,
    benadrukt eveneens het therapeutisch potentieel van activiteiten.
 -  Ten slotte laten we de exclusiviteit van elk individu aan bod komen.

 Samenvattend kan ergotherapie beschouwd worden als een holistisch,
 probleemoplossend proces, waarin de unieke problemen van een mens worden
 behandeld door het toepassen van doelgerichte activiteit.

 Sommige patienten met psychosomatische klachten slagen er na verloop van
 tijd in hun perspectief te verbreden. Ze krijgen een duidelijker inzicht in
 samengaande of onderliggende emotionele problemen. Ze raken ervan overtuigd
 dat ze, om hun lichamelijke klachten te verbeteren, ook aan die problemen
 iets moeten doen. Grosso modo zijn er drie types van psychotherapie die
 daarvoor in aanmerking komen: gedragstherapie, belevingsgerichte therapie
 en systeemtherapie.

 5.2.1   Gedragstherapie
 -----------------------

 De gedragstherapie gaat ervan uit dat je minder aangepast gedrag kunt
 afleren, terwijl je meer aangepast gedrag kan aanleren. Natuurlijk komen
 daar ook heel wat gedachten en gevoelens bij kijken en daarom wordt
 tegenwoordig meer gesproken van 'cognitieve gedragstherapie'. Maar de
 gedragstherapeut brengt die gedachten en gevoelens telkens in verband met
 heel concrete gedragswijzen. En probeert van daaruit positieve veranderingen
 tot stand te brengen.

 Gedragstherapie is bedoeld voor patienten die geholpen kunnen worden door te
 werken aan de verandering van gedrag en aan inzicht in het eigen
 functioneren. Gedragstherapie is evenals de andere psychotherapeutische
 behandelmethoden gericht op het vergroten van de autonomie van de patient,
 en richt zich daarbij op het hier en nu. Het is gebruikelijk dat
 gedragstherapie uitgaat van de motivatie tot veranderen van de patient.
 Dit betekend dat de patient zelf doelen zal noemen voor de therapie. Deze
 doelen zijn echter meestal vaag, zodat de gedragstherapeut samen met de
 patient tracht deze in meer concrete en haalbare doelstellingen te vertalen.

 Cognitieve gedragstherapie, gericht op het bewerken en afzwakken van
 lichamelijke attributies, het vergroten van self efficacy en op evenwicht in
 het activiteitenpatroon, blijkt een effectieve behandeling te kunnen
 zijn. [47] Zowel Sharpe [48] als Bleijenberg et al. [49] hebben cognitieve
 gedragstherapie bij CVS uitvoerig beschreven.

 Allereerst wordt nagegaan of de patient zich voldoende lichamelijk onderzocht
 vindt en met welke verwachtingen en houding de patient gekomen is. De
 therapeut geeft de patient de gelegenheid de klachten uiteen te zetten en
 benadrukt dat het ontbreken van lichamelijke afwijkingen niet per definitie
 wijst op psychische oorzaken. Gaandeweg wordt het de patient duidelijk dat
 de belangrijkste vraag niet is hoe de klachten worden veroorzaakt, maar wel
 hoe hij er vanaf kan komen. Voorwaarden voor de behandeling zijn dat er geen
 verder lichamelijk onderzoek zal plaats vinden en dat de patient niet
 tegelijkertijd andere behandelingen aangaat. De eerste voorwaarde is van
 belang omdat de behandeling gericht is op het verminderen van lichamelijke
 attributies en verder lichamelijk onderzoek deze terug kan versterken.
 De tweede voorwaarde heeft te maken met zelfwerkzaamheid van de patient.
 Het effect van datgene wat men zelf verandert in het omgaan met de klachten
 kan alleen vastgesteld worden, als er niet gelijktijdig andere behandelingen
 gaande zijn. Na een uitgebreide klachteninventarisatie wordt de patient door
 presentatie van de functionele analyse van de klachten duidelijk gemaakt dat
 zijn gedachten en gedrag de vermoeidheidsklachten in stand houden.
 Verondersteld wordt dat met name cognities een belangrijke rol spelen bij
 het in stand houden en het veranderen van het gedrag. Methoden om deze
 cognities te veranderen zijn ontleend aan de rationele therapie. Andere
 elementen van belang in de behandeling zijn stapsgewijs grenzen verleggen
 en daarmee de lichamelijke conditie verbeteren en een nieuwe balans tussen
 activiteit en rust te vinden.


 [47] Bleijenberg, Vercoulen & Bazelmans, 1996.
 [48] Sharpe, 1993
 [49] ibidem


 Toepassing van de CGT in de ergotherapie [50]
 ---------------------------------------------

 Een belangrijke leidraad voor het therapeutische handelen in het kader van
 deze behandeling is de aanname dat mensen geen stoornissen krijgen door de
 omstandigheden zelf, maar door de manier waarop ze tegen de omstandigheden
 aankijken. Dit betekent dat patienten in de eerste plaats zelf
 verantwoordelijkheid dragen voor de problemen die zij ondervinden, en
 daarmee dus ook zelf het vermogen bezitten om daarin verandering te
 brengen. Immers, de patient is zelf verantwoordelijk voor wat hij denkt,
 voelt en doet. Als een patient problemen heeft die zich uiten in
 depressiviteit, boosheid, angst,...

 Ook ergotherapeuten worden geconfronteerd met patienten die de genoemde
 problemen hebben. De ergotherapeut kan dan in zijn behandeling van
 verschillende technieken gebruik maken om aan de therapie een positieve
 wending te geven.

 -  Zo kan hij zoeken naar verklaringen hoe het komt dat de patient zich
    zo voelt. Een goede verklaring geven aan de patient maakt dat de
    patient zijn probleem beter gaat begrijpen en daardoor minder last
    heeft van de negatieve effecten daarvan.
 -  Ook kan de ergotherapeut de patient zelfcontroletechnieken (cognitieve
    herstructurering) leren gebruiken. Bv. aan een patient die denkt dat
    hij een bepaalde activiteit niet kan omdat hij te moe is, kan de
    opdracht gegeven worden om die activiteit te doen, ook al weet hij dat
    hij moe is. Telkens hij denkt dat hij er te moe voor is en hij deze
    activiteit toch niet zal kunnen afmaken, moet hij tegen zichzelf
    zeggen: 'het heeft geen zin om op voorhand te zeggen dat ik deze
    opdracht toch niet zal kunnen beeindigen, ik weet dat ik deze
    activiteit makkelijk kan onderbreken; ik schiet er dus niets mee op
    om steeds te denken dat ik deze opdracht toch niet zal kunnen
    voltooien. Hierdoor zal zijn negatieve spiraal van inactiviteit
    bovendien doorbroken worden
 -  Soms kan een ergotherapeut kiezen voor een paradoxale aanpak. Aan
    een huisvrouw die onverbiddelijk wil instaan voor haar huishouden,
    kan deze taak haar als het ware voorgeschreven worden. Dit kan
    inhouden dat er een dag- en weekschema wordt opgesteld dat aangeeft
    op welke tijden ze deze taak moet voldoen; buiten die uren moet ze
    echter andere activiteiten ontplooien naast het nemen van rust.


 [50] Finlay L., 1995.


 Voor de ergotherapeut die vaak geconfronteerd wordt met patienten die moeite
 hebben zich aan bet therapeutisch proces te onderwerpen, zijn
 motiveringstechnieken van belang.


 *  Uitleg geven.
    Het doel van de therapie wordt uitgelegd, naast de uitleg van de
    therapeut waarom deze behandeling zin heeft voor de patient.
 *  Directieve interventies.
    Als de patient ondanks de gemaakte afspraken bepaalde opdrachten niet
    uitvoert, staan daar bepaalde sancties tegenover. Deze sancties worden
    dan uiteraard vooraf in samenspraak met de patient bepaald, om er
    zeker van te zijn dat ze een motiverende werking hebben op het alsnog
    nakomen van gemaakte afspraken.
 *  Behoefte aan autonomie benutten.
    De ervaring bestaat dat naarmate de patient sterker beseft dat hij
    zichzelf iets oplegt, hij meer verantwoordelijkheid zal nemen over de
    uitvoering van die activiteit. Dit effect kan benut worden door de
    patient enkele alternatieven voor te leggen waaruit bij een keuze
    kan maken, of door de grove lijnen van een advies te geven en met de
    patient te onderhandelen over de precieze invulling.
 *  Zelfrespect bevorderen.
    Aangeven aan de patient dat de activiteit die bij uitvoert niet perfect
    hoeft te zijn. Het is veel belangrijker dat bij meer aandacht besteed
    aan de wijze waarop hij de activiteit uitvoert. Daardoor hoeft hij zich
    niet minderwaardig te voelen.
 *  Inleidende fase toepassen bij inertieproblemen.
    Sommige patienten hebben moeite gevolg te geven aan een afspraak, en
    kunnen als het ware niet de stap zetten die nodig is om tot de
    gewenste gedragsverandering te komen. De ergotherapeut kan hier
    rekening mee houden door de patient een activiteit te laten doen,
    en hem te vragen goed na te denken over de zin ervan voor zijn
    behandeling. Dit heeft tot gevolg dat de patient het gevoel heeft nog
    geen definitieve stap gezet te hebben, terwijl hij eigenlijk al bezig
    is met het uitvoeren van de activiteit op een nieuwe wijze.
 *  De uitvoering van activiteiten uitstellen.
    Een ergotherapeutische activiteit moet een relatie hebben met de
    behoeften van de patient, met hetgene hij zelf wil. Om te bevorderen
    dat een dergelijke relatie ontstaat, kan aan de patient gezegd worden
    zelf de activiteit te kiezen. Ook kan er een bepaalde activiteit
    voorgesteld worden, waarbij de ergotherapeut hem vraagt er een week
    over na te denken. Als die patient na een week beslist om die
    activiteit te doen, is hij meestal gemotiveerd, omdat hij hiervoor
    gekozen heeft.
 *  Positief etiketteren.
    De therapeut geeft complimenten over de wijze van uitvoering van de
    activiteit, hij toont vertrouwen in de effectiviteit van de
    behandeling,...
 *  Een contract afsluiten.
    De ergotherapeut maakt met de patient afspraken over het tijdstip
    waarop de activiteit afgerond moet worden,... Met een patient die
    prestatiegericht blijft kan bv. afgesproken worden hoe vaak hij moet
    pauzeren tijdens een activiteit.

 Tot slot is het geven van adviezen ook een belangrijke taak van de
 ergotherapeut. In het kader van CGT gaat het steeds om adviezen die een
 gedragsverandering tot gevolg moeten hebben. Door adviezen van de
 ergotherapeut op te volgen, kan de patient veranderingen aanbrengen in zijn
 handelen, denken en voelen. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden
 tussen impliciete adviezen die vooral op het onbewuste functioneren
 aangrijpen, en expliciete adviezen. Bij impliciete adviezen geeft de
 therapeut geen duidelijk omschreven advies of opdracht, maar maakt door
 houding of gebaar aan de patient duidelijk dat hij vindt dat de patient
 eigenlijk ander gedrag zou moeten vertonen of anders tegen een onderwerp
 zou moeten aankijken.

 De expliciete adviezen kunnen in de vorm van huiswerkopdrachten worden
 aangeboden. Afhankelijk van de vermogens van de patient zullen deze
 opdrachten meer of minder gestructureerd zijn, en kunnen er bv.
 alternatieven worden aangegeven voor de wijze van uitvoeren. Door
 huiswerkopdrachten te geven kunnen patienten de vaardigheden die zij met de
 ergotherapeut geoefend of besproken hebben, ook oefenen in de eigen
 leefomgeving.

 5.2.2. Belevingsgerichte therapie [51]
 --------------------------------------

 De klemtoon ligt hier op het jezelf uitspreken, op het verwoorden van
 gevoelsgeladen problemen. Deze therapeutische richting gaat ervan uit dat
 moeilijke levenservaringen op die manier beter verwerkt kunnen worden.
 Daardoor ga je je ook lichamelijk vrijer en minder gespannen voelen. De
 therapeut richt zich in de eerste plaats op belevingen in het hier-en-nu,
 terwijl er ook veel aandacht geschonken wordt aan ervaringen uit de vroege
 kindertijd en jeugd. Een speciaal probleem hierbij vormen de traumatische
 ervaringen, zoals mishandeling en misbruik. Therapeuten zijn het niet eens
 over wat in die gevallen de beste behandeling is. Sommigen proberen die
 ervaringen uit de herinnering naar boven te halen. Ze geloven dat ernstige
 psychische kwetsuren op die manier kunnen genezen. Anderen zijn veel
 voorzichtiger. Ze beseffen dat sommige ervaringen zo pijnlijk zijn geweest,
 dat de patient ze terecht heel diep heeft verdrongen. Dergelijke ervaringen
 zijn eigenlijk niet echt te verwerken. Samen met de patient komen ze tot het
 besluit dat het beter is 'het potje bedekt te laten'. In dat geval kan de
 therapeutische hulp beter op andere aspecten van de problematiek gericht
 worden.

 De nadruk die in de humanistische psychologie gelegd wordt op het
 subjectieve gezichtspunt van de patient vinden we terug in de
 ergotherapeutische visie op behandelen. [52]

 -  In het handelen manifesteert de mens zichzelf en geeft bij zin aan
    zijn bestaan. (Als de mens in omstandigheden leeft waarin bij zijn
    basisbehoeften kan bevredigen, is hij beter in staat behoeften van
    een hogere orde, behoeften aan zelfrespect, zelfontplooiing en
    zelfverwerkelijking te bevredigen.)
 -  De behoefte aan zelfrespect en zelfverwezenlijking is bij ieder mens
    aan te treffen mits hij op een gezonde manier kan functioneren.

 Daarom gaat de therapeut uit van het principe dat elk mens beschikt over
 het vermogen om zelfstandig problemen op te lossen of te hanteren en
 zelfstandig relaties vorm te geven. Bij deze therapie kunnen drie essentiele
 eisen onderscheiden worden aan de therapeutische houding.

 -  Empathie.
    Dit houdt in dat de therapeut ernaar streeft de belevingswereld van de
    patient te begrijpen zoals deze zich aan de patient voordoet.
 -  Onvoorwaardelijke positieve achting.
    Hiermee wordt bedoeld dat de therapeut de intentie heeft om de patient,
    ongeacht zijn gedrag, als persoon te accepteren.
 -  Congruentie.
    Deze term heeft betrekking op het vermogen van het therapeut om zijn
    gevoelens, zijn denken en zijn gedrag in overeenstemming met elkaar te
    laten zijn en ze zo ook tot uiting te laten komen.

 In een therapeutische situatie intervenieert de ergotherapeut voortdurend.
 Interventie betekend letterlijk 'tussenkomst'. Ook doelbewust stilzwijgen
 en stilzitten is in een therapeutische situatie een therapeutische
 interventie. Therapeutische interventies worden altijd doelgericht gebruikt
 om aan de therapie de gewenste richting te geven. Zij kunnen uiteenlopen
 van relatief veilige interventies tot en met tamelijk confronterende
 interventies.


 [51] Van Houdenhove, 1998
 [52] Finlay, 1995


 Ergotherapeutische activiteiten en belevingsgerichte therapie [53]
 ------------------------------------------------------------------

 Bij het zoeken naar een activiteit zal de ergotherapeut rekening houden met
 de behoeften van de patient, hij zal de patient stimuleren zoveel mogelijk
 zelfkeuzes te maken, zelf na te denken over de wijze waarop hij de
 activiteit wil uitvoeren, en voor zijn keuzes de verantwoordelijkheid te
 nemen. De ergotherapeut gebruikt hierbij met name gesprekstechnieken als
 het stellen van orienterende vragen, reflecteren, parafraseren, focussen en
 vragen om verduidelijking. Belangrijk in het kader van deze therapie is, dat
 de therapie direct aansluit bij het niveau van functioneren van de patient
 en dat de therapeut zich helemaal richt op het door te maken groeiproces.

 Inzicht geven is een veelomvattend begrip. Om inzichtgevend te behandelen
 kunnen verschillende behandelmethoden afzonderlijk van elkaar of eclectisch
 gebruikt worden. Naarmate de patient verbaal minder begaafd is en naarmate
 zijn persoonlijkheid minder goed intact is, zal de therapeut meer
 ondersteunend behandelen en veel aandacht hebben voor een veilige
 therapeutische situatie. Inzichtgevend behandelen betekent voor de
 ergotherapeut dat hij aan de therapiedoelen en middelen zodanig vormgeeft
 dat de patient meer inzicht krijgt in zijn eigen functioneren, en daardoor
 in staat wordt gesteld met minder beperkingen in het dagelijkse leven te
 functioneren.

 Doordat de ergotherapie technieken gebruikt die afkomstig zijn van
 psychotherapeutische methoden, kan er natuurlijk sprake zijn van overlapping
 tussen ergotherapie en psychotherapie. Waar echter in de psychotherapie
 het aangrijpingspunt het gesprek is, is dat in de ergotherapie de uit te
 voeren activiteit. Het verschil kan op allerlei manieren worden aangegeven,
 maar het meest wezenlijke verschil is gelegen in de doelstellingen die
 nagestreefd worden: in de ergotherapie gaat het in de eerste plaats om het
 behandelen van beperkingen in het (dagelijkse) handelen. Als die beperkingen
 het directe gevolg zijn van onvoldoende inzicht in de oorzaken die aan die
 beperkingen ten grondslag liggen, dan zal de ergotherapeut middelen
 gebruiken die ook in de creatieve therapie gebruikt worden: projectieve
 technieken verder besproken in hoofdstuk 7.


 [53] Finlay, 1995.


 5.2.3 Systeemtherapie [54]
 --------------------------

 Het spreekt vanzelf dat mensen met psychosomatische klachten zoals CVS niet
 in het luchtledige leven. Daarom kan het heel nuttig zijn de partner, of
 zelf het hele gezin, bij de therapie te betrekken. Bv. wanneer de klachten
 geleid hebben tot spanningen of conflicten in de omgang met elkaar. Of
 wanneer reeds langer bestaande relatieproblemen een stress-bron vormen die
 constant energie wegzuigt. Of wanneer blijkt dat sommige gezinsleden geneigd
 zijn een positieve verandering bij de patient tegen te werken, bv. omdat ze
 hun zorgende functie dreigen te verliezen. Samen aan het psychosomatische
 probleem werken kan de verstandhouding in het gezin en de kwaliteit van de
 onderliggende relaties op een hoger peil brengen.


 [54] Van Houdenhove, 1998


 DEEL II: PRACTISCH DEEL
 -----------------------

 HOOFDSTUK VI: VOORSTELLING VAN DE DIENST
 ----------------------------------------

 Inleiding
 ---------

 Aangezien een psychosomatische revalidatie-afdeling nog niet zo evident is,
 vind ik het belangrijk om de dienst waar ik stage liep voor te stellen.
 Hierdoor kan ik de lezer mijn persoonlijk beeld geven van deze afdeling en
 de programma's die men gebruikt bij de behandeling van de patienten.

 6.1 Omschrijving Psychosomatische revalidatie-afdeling (PSR).
 -------------------------------------------------------------

 PSR is een afdeling voor psycho- somatische revalidatie. Deze afdeling richt
 zich specifiek op patienten met gemengde medisch-somatische en psychiatrische
 problematiek en/of chronische somatisatieproblemen. Op de PSR afdeling wordt
 de patient in zijn totaliteit behandeld, wat hier zeer belangrijk is. Alle
 teamleden delen deze visie, ook o.a. de ergotherapeuten die deze visie reeds
 vanuit hun opleiding meekregen.

 6.2 Doelgroep
 -------------

 De doelgroep van patienten die hier behandeld worden, zijn reeds besproken
 onder de diagnostische criteria. Zie hoger.

 6.3 Programma's
 ---------------

 Afhankelijk van het niveau van functioneren van de patient zijn er
 verschillende programma's:

 6.3.1   Motivatie en exploratie programma (IPME)
 6.3.2   Programma voor functionele revalidatie (PER)
 6.3.3   Programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)


 6.3.1 Motivatie en exploratie programma (PME)
 ---------------------------------------------

 Begripsomschrijving
 -------------------

 Motivatie:  het doel van deze behandeling uitleggen en de patienten
 stimuleren om aan hun problemen te werken.

 Exploratie: doorzoeken op welk domein er meer ingewerkt moet worden en wat
 voor elke patient het beste is.

 Doelgroep:
 ----------

 Patienten die voor de eerste maal opgenomen worden op de PSR afdeling,
 komen in aanmerking voor dit programma.


 Doelstelling
 ------------

 -  De problematiek van de patient bio-psychosociaal doorzoeken.
 -  ieder team-lid probeert zicht te krijgen op de mogelijkheden en
    beperkingen van de patient om optimaal het probleem uit te werken.
 -  Er wordt nagegaan of de patient voldoende geinformeerd en overtuigd
    is over het belang van de zelfwerkzaamheid. Het ziekteinzicht wordt
    ontwikkeld.
 -  Naast het geven van informatie wordt er ook aandacht geschonken
    aan de ervaring en de beleving van de patient. Daarnaast zorgt men
    er ook voor dat de patient zelf eens gaat nadenken over de
    toekomstperspectieven.

 Duur
 ----

 De patient wordt gedurende 4 weken gescreend door het team in
 de verschillende therapieen.


 Grootte van de groep
 --------------------

 Aan het PME-programma kunnen 18 patienten deelnemen. Het programma is om
 organisatorische redenen nog eens opgesplitst in 2 groepen.

 De aangeboden activiteiten zijn:
 Naast de specifieke ergotherapeutische activiteiten die in volgend hoofdstuk
 besproken worden, krijgt de patient ook nog anderen activiteiten aangeboden.

 -  Conferenties gegeven door de verschillend disciplines.
    Hier krijgen de patienten uitleg over verschillende aspecten van hun
    ziekte: chronische vermoeidheid en/of chronische pijn, het gebruik van
    medicatie, de invloed van stress en gevoelens op hun ziekte, de rol van
    activiteit en rust,...
 -  Practische oefeningen
 -  Daarnaast krijgt de patient de kans om met de verpleegkundigen en de
    medepatienten te bespreken wat dit allemaal voor hem/haar betekent.
 -  De patient wordt vier weken opgenomen. Tijdens de week verblijft de
    patient in de kliniek. Tijdens het weekend gaat de patient naar huis
    om hospitalisatie te voorkomen.
 -  Er zijn veel tussentijdse besprekingen en therapieen.
 -  Na verloop van de vier weken wordt er een evaluatie opgemaakt.

 Verdere mogelijkheden na PME
 ----------------------------

 -  de patient keert terug naar huis zonder verdere begeleiding.
 -  de patient keert terug naar huis, maar krijgt begeleiding van
    een therapeut in de thuissituatie.
 -  de patient wordt doorverwezen naar een andere behandelingsinstelling,
    omdat deze een betere aansluiting kan zijn gezien de vastgestelde
    problemen.
 -  de patient blijft en volgt een therapeutisch programma, verder
    besproken onder 6.3.2 en 6.3.3.   De patient kan onmiddellijk
    overschakelen naar het therapeutisch programma maar er kan evenwel
    een tussenpauze ingelast worden.

 6.3.2. Programma voor functionele revalidatie (PER)
 ---------------------------------------------------

 Revalidatie betekent stappen ondernemen om eigen mogelijkheden zoveel
 mogelijk te verbeteren. Het functionele duidt op de dagelijkse levenswijze.

 Doelgroep
 ---------

 Patienten die de eerste sessie achter de rug hebben en doorverwezen worden
 voor een vervolgprogramma waar de functionele revalidatie belangrijk is.

 Doelstelling
 ------------

 De afdeling legt een specifieke klemtoon op de geindividualiseerde en
 graduele opbouw van concrete therapeutische doelstellingen.
 De algemene doelstellingen van de PER zijn:
 -  de patient op weg zetten in de richting van fysieke reconditionering.
    Dit gebeurt onder andere in de kine en ergo.
 -  de eventuele psychiatrische co-morbiditeit van de patient (depressie,
    angst, slaapstoornissen,...) voldoende onder controle brengen.
    Sommige patienten hebben hier nog moeite mee, en dan kan het werken
    met creatieve technieken op beperkte en individuele basis, ook in
    de PER een oplossing zijn.
 -  de patient een aantal copingstechnieken aanleren om beter met zijn
    klachten om te gaan.
    Dit komt deels aan bod in de ergonomie.

 Er wordt een programma aangeboden van gedragstherapeutische en
 levensgerichte groepsactiviteiten, zoals:
 -  pijn- & stressmanagementtraining
 -  sociale vaardigheidstraining
 -  bewegingstherapie
 -  relaxatietherapie
 -  ergotherapie
 -  ervaringsgerichte groepsgesprekken.
 Men poogt geleidelijk aan de patient meer positief te leren denken. In vele
 gevallen wordt de partner uitgenodigd voor een relatiegesprek.

 Duur
 ----

 Het programma duurt acht weken

 Grootte van de groep
 -------------------

 Aan het PFR programma nemen 9 patienten deel per groep

 Werkwijze
 ---------

 - De opname van de patient gebeurt voor een periode van 8 weken.
 - Nieuwe methoden worden aangereikt om met de klachten te leren om gaan.
 - Naast de vele besprekingen doet men veel aan progressieve
   fitness-training met het oog op de verbetering van de
   lichamelijke conditie.
 - Er wordt een link gelegd met de thuissituatie.
 - Na afloop wordt een evaluatie opgemaakt.

 Verdere mogelijkheden.
 ----------------------

 Idem PME, desnoods wordt doorverwezen naar het programma voor
 psychotherapeutische revalidatie (PPR).

 6.3.3. Programma voor psychotherapeutische revalidatie (PPR)
 ------------------------------------------------------------

 Begripsomschrijving
 -------------------

 Psychotherapie: behandeling van patienten met psychische moeilijkheden
 d.m.v. een methodische vorming en hantering van een relatie tussen patient
 en therapeut.
 Revalidatie: stappen ondernemen om eigen mogelijkheden zoveel mogelijk te
 verbeteren.

 Doelgroep
 ---------

 Patienten die het motivatie en exploratie programma achter de rug hebben en
 doorverwezen worden naar PPR voor verdere therapeutische behandeling.

 Doelstelling
 ------------

 Net als bij PER is dit programma gericht op revalidatie. De klemtoon ligt
 hier vooral op het dieper gaan kijken in de mens. Men werkt intra psychisch
 en niet louter aan de somatische kant van het C.V.S.
 C.V.S. is trouwens een symptoom waarmee men wil uitdrukken: 'ik kan het niet
 meer aan, help mij!'
 Aan deze problematiek wordt voornamelijk gewerkt in de 'creatieve therapie'
 en de 'ervaringsgerichte groepstherapie'. De patient wordt op weg gezet om
 psychotherapeutisch aan zijn 'levensproblematiek' te werken. Hij werkt ook
 aan de verbetering van zijn fysieke conditie en er wordt nagegaan of zijn
 somatische en emotionele aspecten in orde zijn. De motivatie van de patient
 staat hierbij in verband met zijn persoonlijke draagkracht.

 Duur
 ----

 8 weken.

 Grootte van de groep.
 ---------------------

 9 patienten per groep.

 Werkwijze
 ---------

 Dit programma is gedurende acht weken doorlopend te volgen. Na afloop wordt
 een evaluatie opgemaakt en een passende beslissing genomen voor de toekomst.


 6.3.4. Verdere mogelijkheden na PER of PPR
 ------------------------------------------

 Op het einde van het therapeutisch programma vindt er een miniteam plaats
 met de patient en het team. Dit is een soort eindevaluatie waarin de
 verdere mogelijkheden van de patient besproken en vastgelegd worden.

 De verdere mogelijkheden na een therapeutisch programma zijn dan ook de
 volgende:
 -  De patient kan onmiddellijk na zijn ontslag terug naar zijn
    thuissituatie zonder verdere begeleiding.
 -  De patient keert terug naar de thuissituatie, maar krijgt nog
    verdere begeleiding van een therapeut bij hem in de buurt.
    Nog voor het ontslag wordt dan door het team een geschikte
    therapeut gezocht voor die patient. Hierbij houdt men er
    rekening mee dat deze therapeut best dezelfde doelstellingen
    en methodes gebruikt zoals op de afdeling. Deze verdere
    therapeutische begeleiding kan zowel fysieke begeleiding zijn
    bij een kinesist als psychische en emotionele begeleiding door
    een psycholoog.
 -  De patient wordt doorverwezen naar een dagcentrum of een andere
    behandelingsinstelling.
 -  De patient kan na zijn ontslag ook terecht op de dagkliniek van
    de afdeling psychosomatische revalidatie. De patient komt dan
    gedurende een aantal weken, drie dagen per week naar de
    afdeling, waar hij verder kan opgevolgd worden. Doordat ze hun
    vertrouwde therapeuten nog enkele dagen per week zien, staan ze
    er niet onmiddellijk terug alleen voor. Wanneer deze patienten
    echter terug onmiddellijk in het milieu terecht zouden komen,
    is er een grotere kans op herval. Vandaar dat het voor sommigen
    goed is dat ze na hun ontslag eerst nog enkele weken op de
    dagkliniek terecht kunnen, zodat ze geleidelijk aan de overgang
    naar de thuissituatie gewoon worden.


 Hoofdstuk VII: Ergotherapie doorheen de drie programma' s.
 ----------------------------------------------------------

 We weten nu al dat een ergotherapeut een ideaal persoon is om een
 psychosomatische aandoening te behandelen, daar hij deze visie reeds
 meegeeft vanuit zijn opleiding.

 'Presteren/doseren' en 'grenzen leren stellen' zijn begrippen die op de PSR
 vaak gebruikt worden door de ergotherapeuten als taal naar de patienten toe.
 Het komt er dan op aan om als therapeut hierin de onderliggende dynamiek te
 vinden. We moeten ons afvragen waarvoor de patient nu moet zorgen, opkomen
 voor zichzelf. Waarom krijgen huismoeders bv. te kampen met CVS? Misschien
 hebben ze een laag zelfwaarde gevoel door bepaalde omstandigheden uit hun
 kindertijd, waardoor ze nu alsmaar willen presteren. Als therapeut kun je
 mensen begeleiden in deze zoektocht.

 De fysieke symptomen zijn vaak de eerste ingangspoort tot therapeutisch werk.
 Vanuit deze activiteiten leren de patienten de taal van hun lichaam
 begrijpen en hanteren. Vaak is het fysische aspect een eerste veilige manier
 tot therapeutisch werk. Maatschappelijk gezien erkennen personen nog steeds
 gemakkelijker fysische beperkingen en problemen, terwijl op de psychische
 problemen nog steeds een taboe rust. In de behandeling denkt de ergotherapeut
 steeds holistisch, hij blijft de persoon zien als 1 geheel tussen lichaam en
 geest. Zo denkt de ergotherapeut reeds bv. na over welk een invloed angst en
 depressie hebben op het ziekteverloop van de patient en/of wat maakt dat de
 patient zo vatbaar is voor stress.

 7.1 Therapieverloop van de ergotherapeut.
 -----------------------------------------

 Het therapieverloop van de ergotherapeut zit dan ook als volgt in mekaar.

 1. Een relatie aangaan met de patient die voor deze voldoende veiligheid
    bied, zorgen dat de patient vertrouwen krijgt in jou als therapeut.
 2. Luisteren naar het verhaal van de patient.
    Begrip tonen aan de onverklaarbare moeheid van de patient, maar
    duidelijk aangeven dat hiervoor geen pilletje bestaat. Daarnaast leg
    je het begrip ziektetheorie uit binnen je therapeutische relatie.
    Je kan vragen of er dingen gebeurt zijn in het leven van de patient
    waar bij erg nauw mee betrokken is. Bv. de patient geeft aan dat hij
    het erg moeilijk had met het overlijden van zijn vader.
 3. Ziektetheorie. Naarmate de behandeling vordert zal de patient zijn
    eigen specifieke ziektetheorie hebben. Pas wanneer hij deze bezit en
    begrijpt zal hij het gevoel hebben iets aan zijn ziekte te kunnen doen.
 4. Nagaan hoe de partner, familie, ... denken over het ziekt-zijn van
    de patient.
 5. Kijken in hoeverre depressie en angst de ziekte van de patient
    beinvloeden.
 6. Opstellen van het behandelingsplan.
    De rol van activiteiten en oefeningen bepalen specifiek voor de patient.
    Werken met klei kan bv. een goede manier zijn om de patient zijn
    kwaadheid op een sociaal-verantwoorde manier te laten uiten. Nagaan of
    creatieve therapie een gunstige invloed zal hebben op het revalidatie
    proces van de patient.

 7.1. Activiteit als therapeutisch middel.
 -----------------------------------------

 Ergotherapeuten kunnen alle mogelijke activiteiten benutten als therapeutisch
 middel. [55] We kunnen activiteiten in een soort spectrum plaatsen, dat
 begint bij het aanleren van taakvaardigheden en eindigt bij het onderzoeken
 van gevoelens tijdens projectieve activiteiten.

 7.2.1. Taakgerichte activiteiten
 --------------------------------

 In het kader van een inzichtgevende behandeling kan de ergotherapeut
 projectieve, maar ook taakgerichte activiteiten aanbieden. Bij taakgerichte
 opdrachten ligt het resultaat bij voorbaat vast, maar voor de inzichtgevende
 behandeling gaat het om het proces waarlangs de opdracht tot stand komt.
 Het doel van een taakgerichte activiteit kan dan zijn:
 - inzicht krijgen in de wijze waarop ik omga met een taak die mij wordt
   opgedragen,
 - inzicht krijgen in de manier waarop ik met tegenslagen omga,
 - mij bewust worden van de manier waarop ik mij opstel tegenover mensen
   met wie ik samenwerk,
 - mij bewust worden van de normen die ik hanteer voor de uit te
   voeren taken

 Het uiteindelijke doel van een taakgerichte opdracht zal in dit geval zijn,
 de patient met het verkregen inzicht in staat stellen (meer)
 verantwoordelijkheid te dragen voor een taak en voor de samenwerking met
 anderen, met tegenslagen om te gaan, met eigen wensen rekening te houden,...
 Al naargelang de doelstelling zal de ergotherapeut het aan de patient
 overlaten om besluiten te nemen over de invulling van de taak, en zijn
 bemoeienis met de uitvoering van de taak beperken. Hoe de taak moet
 uitgevoerd worden wordt samen met de patient individueel besproken. Deze
 vorm van ergotherapie is op de PSR voornamelijk van toepassing bij de
 patienten in de PFR.

 7.2.2. Sociale activiteiten
 ---------------------------

 Deze activiteiten hebben voornamelijk als doel dat mensen zich ontspannen,
 zich vermaken en hun vrije tijd prettig besteden. Sociale activiteiten
 kunnen op lager niveau aangeboden worden als afleiding, en op hoger niveau
 gericht zijn op het maken van sociale contacten en het verbeteren van
 interactievaardigheden. In de ergotherapie biedt men hoofdzakelijk sociale
 activiteiten aan op lager niveau. Dit heeft zijn organisatorische grondslag,
 met name dat de ergotherapeut zich richt op het lager niveau en de
 psychologe op het hoger niveau van de sociale activiteiten.

 De vele soorten handvaardigheid, van het algekende mandvlechten tot meer
 moderne activiteiten kunnen op de PSR aan bod komen. De activiteiten kunnen
 aangeboden worden als inoefening van de nieuwe handelingswijze van de
 patient, of kunnen mogelijkheden bieden tot experimenteren met materiaal om
 zo eventueel nieuwe zinvolle vrije tijdsbesteding te worden. Deze sociale
 activiteiten die voornamelijk ontspanning bieden worden voornamelijk
 uitgevoerd door de patienten van de PFR, maar tevens door de patienten van
 de PPR.


 [55] Finlay, 1995


 7.2.3. Projectieve activiteiten.
 --------------------------------

 Projectieve activiteiten of technieken werken inzicht-gevend, en hebben tot
 doel om het zich uiten, bewustworden en onderzoeken van gevoelens te
 stimuleren. Projectieve activiteiten zijn gericht op bewustwording van
 onbewuste conflicten en emoties, om zelfbewustzijn en groei te
 bewerkstelligen. Projectieve technieken zijn technieken die aan de patient
 worden aangeboden met de bedoeling om vrij associerend te werken met
 ongestructureerd materiaal. Dit materiaal kan zowel klei, vingerverf,
 waardeloos materiaal, papier, textiel, ... zijn. De patient kan ook naar
 aanleiding van een gegeven trefwoord op deze manier iets maken waarin eigen
 gedachten en gevoelens tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Voorbeelden
 van dergelijke trefwoorden zijn: vriendschap, verlangen, rust, stilte,
 vrijheid, vijandigheid,......

 Projectieve technieken stimuleren eveneens de vrije expressie van de patient.
 De patient kan, door zich op zijn werkstuk en zijn opdracht te concentreren,
 zijn ideeen de vrije loop laten. Het werkstuk hoeft immers niet te voldoen
 aan eisen wat betreft vorm, kleur en esthetiek. Een projectieve techniek is
 altijd een kortdurende activiteit die niet meer dan 1, hooguit twee
 therapiesessies omvat. Het proces dat de patient doormaakt tijdens het
 vervaardigen van het werkstuk staat centraal, alsmede wat bij aan het eind
 van de therapiesessie daarover en over het werkstuk zelf vertelt. Met het
 bieden van een projectieve techniek wordt een beroep gedaan op het bij
 iedereen voorkomende afweermechanisme projectie: het projecteren van al dan
 niet bewuste gevoelens of drijfveren op een ander of in iets anders.
 Het projecteren zelf kan meer en minder bewust geschieden.
 Met behulp van de projectieve techniek brengt de patient op non-verbale
 wijze iets van zichzelf tot uitdrukking, waardoor:
 -  een bijdrage geleverd kan worden aan de verwerking van onverwerkte
    gevoelens, conflicten of gebeurtenissen;
 -  een bijdrage geleverd kan worden aan het bespreekbaar maken van meer
    of minder onbewuste gevoelens, conflicten of drijfveren. Zo wordt het
    mogelijk dat de patient (meer) inzicht krijgt in dat wat hem belemmert
    in zijn dagelijks functioneren;
 -  op deze wijze kan het aanbieden van projectieve technieken een positieve
    bijdrage leveren aan het ontwikkelen van de persoonlijkheid, aan het
    verkrijgen van meer zelfvertrouwen, aan het inzicht krijgen in de manier
    van reageren op frustratie en spanningen, aan het inzicht krijgen in
    behoeften,...

 Veel zal afhangen van de manier waarop de ergotherapeut de activiteiten
 aanbiedt en begeleidt. Het spreekt voor zich dat er een veilige en rustige
 therapeutische situatie zal moeten zijn, om de patient de gelegenheid te
 geven zich te concentreren op de projectieve techniek. Het resultaat zal
 worden nabesproken op de volgende wijze:
 -  de therapeut stelt open vragen over het werkstuk en over de manier
    waarop de patient eraan heeft gewerkt;
 -  de patient is vrij om de vragen wel of niet te beantwoorden;
 -  de therapeut gaat eventuele emoties niet uit de weg; de patient moet
    de gelegenheid krijgen zijn (opgekropte) gevoelens te uiten en te
    ontladen.

 Projectieve technieken kunnen aangeboden worden in een 1-1 situatie, maar
 ook in groepsverband. In het laatste geval zal iedere patient aan zijn eigen
 werkstuk werken. Behalve een individueel proces kan er ook een groepsproces
 op gang gebracht worden bij de nabespreking, als de groepsleden bereid zijn
 ervaringen uit te wisselen en elkaar feedback te geven, en als zij willen
 leren van de ontwikkeling die anderen doormaken. In alle omstandigheden
 echter zal de ergotherapeut patienten vrijlaten in hetgeen ze over het
 werkstuk willen vertellen. De patient bepaalt in de nabespreking tot hoever
 hij wil gaan. De ergotherapeut oefent wat dat betreft geen druk uit op de
 patient, maar zal wel zoveel veiligheid nastreven, dat de situatie niet
 belemmerend werkt op de patient.

 7.3  Ergotherapie binnen de Programma's
 ---------------------------------------

 7.3.1.  Ergotherapie in het PME
 -------------------------------

 In het PME krijgen de patienten wekelijks twee ergotherapiesessies in groep.
 Deze sessies duren telkens 1 uur. Het ene uur wordt wekelijks besteed aan
 een conferentie over ergonomie. Hier wordt aangegeven hoe je zo weinig
 mogelijk het lichaam kan belasten bij het uitvoeren van een bepaalde
 activiteit, met de bedoeling zo weinig mogelijk energie te verspillen.

 Het andere uur wordt besteed aan een conferentie i.v.m. ergotherapie.
 De onderwerpen die aan bod komen zijn:
 1.  Ergotherapie op de PSR
 2.  Presteren/doseren
 3.  Creatieve therapie
 4.  Ergonomie in het dagelijkse leven.

 Tijdens dit uur geeft de ergotherapeut een woordje uitleg over dit onderwerp.
 De patienten kunnen ook vragen stellen of opmerkingen maken over de inhoud,
 het gezegde,...

 1.  Ergotherapie op de PSR
 --------------------------

 Zoals de titel het zegt wordt er tijdens deze conferentie uitleg gegeven
 over de ergotherapie, en wat men hier dan zoal van kan verwachten. Het komt
 er op neer om de irrationele gedachten (reeds besproken bij 5.2.1) die de
 vermoeidheid in stand houden om te zetten in meer constructieve gedachten.
 Zo kan men de vicieuze cirkel (zie bijlage) die de vermoeidheid onderhoudt
 doorbreken. Daar ergotherapie zich hoofdzakelijk richt op de dagelijkse
 activiteiten, zal men dan ook specifiek kijken wat de oorzaak is van het
 behoud van de moeheid bij deze activiteiten.

 Tijdens deze conferentie laat de therapeut de patient het belang aanvoelen
 van een positieve handelingswijze bij het uitvoeren van dagelijkse
 activiteiten. De aandachtspunten bij een positieve handelingswijze zijn:
 -   vooraf bepalen hoeveel en hoelang
 -   stoppen als het nog leuk is
 -   leven zoals je dat zelf juist vindt, en niet zoals anderen vinden dat
     je zou moeten leven
 -   als u nee bedoelt, duidelijk nee zeggen
 -   evenwichtig eenzelfde hoeveelheid activiteiten plannen, eventueel met
     behulp van een activiteitenprogramma
 -   rekening houden met de vermoeidheid, maar uw leven er niet door laten
     bepalen
 -   volgens een mild schema leven
 -   als iets niet lukt, de aanpak wijzigen in plaats van door te zetten
     tot het einde.

 Tijdens of na deze conferentie zal niet iedere patient onmiddellijk het nut
 inzien van deze handelingswijze. Het is in elk geval reeds een eerste
 gegeven dat stof tot nadenken heeft, waaruit de patient zijn conclusies kan
 trekken.

 2. Presteren of Doseren?
 ------------------------

 Doelstelling
 ------------

 Tijdens deze conferentie werd in het kader van het PME-programma een
 groepsdiscussie gehouden. Deze discussie ging over 'presteren' en 'doseren';
 en of de patienten deze begrippen positief dan wel negatief ervaren.

 Verloop
 -------

 Iedereen kreeg de nodige tijd om voor zichzelf te noteren wat hij onder
 'presteren' en 'doseren' verstaat, en als dit voor hen positief of negatief
 is. Vervolgens werden alle persoonlijke visies samengebracht op 1 blad,
 waardoor er gemakkelijker vergelijkingen en contrasten konden vastgesteld
 worden. Op deze vergelijkingen en contrasten kon dan nog dieper ingegaan
 worden. Hiermee bedoel ik dat iedereen hier vrijblijvend zijn eigen mening
 en ervaringen over kan uitspreken. Bij de sessie die ik meevolgde kwamen de
 volgende visies naar boven.

 De persoonlijke visies die naar boven kwamen zijn:

 presteren, positief
 - op school/werk goede resultaten halen
 - u inzetten voor iets
 - uw best doen
 - het geeft een goed gevoel
 - tevreden zijn omdat anderen je prestaties goed vinden, bv. het huishouden
 - hard werken zoals iedereen
 - voor alle taken en rollen zorgen
 - moeten & kiezen
 - noden vanuit de omgeving

 presteren, negatief
 - tegen een bepaald tijdstip iets afwillen hebben
 - ik wil met opvallen
 - voor de anderen
 - boven uw hoofd groeien
 - het niet meer aankunnen
 - het fysisch niet aankunnen
 - mislukking
 - kwetsbaarheid
 - 'ik' kan niet meer

 Doseren, positief
 - niet teveel ineens doen
 - prioriteiten stellen
 - compensatie tussen ik wil & ik kan
 - minder goed
 - zeer moeilijk
 - minder stress
 - tijd nemen voor ontspanning

 Dosering, negatief
 - geen volledige ontplooiing van de capaciteiten
 - langere tijds-duur -> vervelend
 - nooit afraken van dingen -> ergernis
 - wegschuiven van taken in de planning -> stress neemt toe
 - ik doe mijn best -> ook dat lukt mij niet.

 Besluit
 -------

 De meeste patienten die deel namen aan deze conferentie ervaren presteren
 positief het geeft hen een goed gevoel. Ze willen tegemoet komen aan de
 eisen van de maatschappij, de noden van hun gezin,... Wanneer ze hieraan
 niet kunnen voldoen ervaren ze dit als een mislukking. Ze hebben nog het
 inzicht niet dat het belangrijk is om voor zichzelf op te komen, om hun
 eigen behoeften te bevredigen. Ze begrijpen nog niet dat dit ten grondslag
 ligt van hun revalidatieproces. De meesten zien de positieve kant van
 doseren (nog) niet in. Ze zien dit eerder als tijdsverlies en als teken van
 niet-capabel zijn.

 3. Creatieve therapie
 ---------------------

 Tijdens deze conferentie wordt een woordje meer uitleg gegeven over de
 creatieve therapie die aan de patient zal aangeboden worden in het
 vervolgprogramma PPR. Er wordt aan de patienten uitgelegd dat de creatieve
 therapie een expressieve therapie is omdat er gewerkt wordt met beeldend
 materiaal. Psychosomatische mensen zijn vaak niet gewoon om over gevoelens,
 emoties en fantasieen te praten; om emotionele problemen uit te drukken. Ze
 kunnen die problemen bij zichzelf niet goed herkennen. Ze verwarren
 emotionele pijn, zoals verdriet, kwaadheid en zich gekwetst voelen, met
 lichamelijke pijn. Dan kan creatieve therapie een middel zijn om verder te
 kunnen, daar deze immers de zelf-ontdekking nastreeft. Het ontdekken van de
 taal van het lichaam, waardoor er meer zelf-inzicht gekregen wordt en er een
 structuur in het leven kan gebracht worden. In tegenstelling tot verbale
 therapieen richt deze therapie zich in de eerste plaats tot het doen,
 handelen en ervaren. Het is dus een vorm van communicatie omdat we hetgeen
 we voelen naar buiten brengen en dit bespreken, bewerkbaar wordt.

 Ook vermeld de ergotherapeut dat deze therapie de mogelijkheid bied om de
 gevoelens te uiten in een visuele vorm, zonder dat het esthetische hierbij
 enig therapeutisch belang heeft. Er wordt veel gewerkt met waarneming,
 verbeelding, oefeningen en metaforen.

 4. Ergonomie in het dagelijkse leven
 ------------------------------------

 Tijdens deze sessie gaat de ergotherapeut na bij de patienten wat ze in het
 totaal reeds meegenomen hebben uit de behandeling. Er wordt nagegaan wat ze
 uit de behandeling opgestoken hebben en reeds kunnen gebruiken in het
 dagelijkse leven. Zo kan de ergotherapeut ook nagaan in hoeverre ze reeds
 inzicht hebben in hun ziekte.

 Tijdens deze sessie gaat de ergotherapeut uit van de ervaringen en reacties
 van de patienten om deze therapie te begeleiden. Er kunnen dus allerhande
 zaken aan bod komen waarop de therapeut op inspeelt. Dingen die goed bevonden
 worden, dingen die totaal tegenvielen, vragen,... Ook de reacties van de
 anderen over een opmerking of vraag van 1 patient kunnen hier zeer
 interessant bij zijn en een heuse discussie uitlokken.

 7.3.2. Ergotherapie in PFR
 --------------------------

 In de PFR krijgen de patienten wekelijks twee ergotherapiesessies van een
 uur en daarnaast heeft iedere patient nog een half uur individuele therapie.

 Mensen die alleen presteren kennen, het belang laten ervaren van een
 ontspannen levensattitude door o.a. een vrijetijdsbesteding. Er wordt samen
 met de patient gezocht hoe ze deze tijd zelf willen invullen. In het lokaal
 liggen verschillende boeken over bepaalde activiteiten. Deze literatuur kan
 zelfstandig ingekeken worden. De patient kan ook beroep doen op zijn eigen
 inspiratie of op reeds gekende activiteiten. Indien nodig kan de
 ergotherapeut steeds uitleg geven over bepaalde activiteiten of over de
 werkwijze hiervan. Bv. wat is zijdeschilderen, en hoe voer je dit
 practisch uit.

 Het is de bedoeling dat de patient zoveel mogelijk zelfstandig doet, en
 hierbij rekening houdt met zijn persoonlijke mogelijkheden en beperkingen.
 De eerste doelstelling hierbij is dat de patient eerst inzicht krijgt in
 zijn eigen functioneren. Dit kan door samen met de ergotherapeut te kijken
 hoe het anders kan. Vervolgens kan de patient dit nieuwe gedragswijze
 inoefenen aan de hand van activiteiten. Tot slot dient de patient dit
 nieuwe gedrag nog te leren toepassen thuis.

 De patient heeft naast het uitvoeren van de taak dus ook de mogelijkheid om
 zijn sociale contacten uit te breiden. Ten eerste leert hij zich ontspannen,
 zijn tijd ook prettig te besteden en ten tweede heeft hij de mogelijkheid om
 communicatief om te gaan met de anderen patienten. Deze sociale contacten
 kunnen ruim omvat worden daar het zowel kan gaan om een gewoon gesprek
 voeren, een plezante opmerking maken, als het mededelen van frustraties en
 emoties die ontstaan bij het uitvoeren van de activiteit, het samen naar een
 oplossing zoeken voor een probleem dat zich voordoet,...

 Zoals hogerop reeds vermeld werd heeft de patient naast de groepssessies ook
 individuele therapie. Hier kan de patient allerlei activiteiten ter sprake
 brengen waarmee hij nog moeite heeft in het dagelijkse leven. Samen met de
 ergotherapeut kan hij hier naar oplossingen zoeken voor deze problemen.
 Zoals je zal merken uit de bespreking van de individuele therapie van
 patient 1, ligt de oplossing vaak in kleine aanpassingen van de omgeving of
 de gedragswijze. Niet alleen het practische aanpassen, ook praten over het
 waarom bv. activiteit zo belangrijk is, het helende aspect van praten over,
 kunnen hier ter sprake komen. Omdat deze therapie wekelijks is en de patient
 tijdens het weekend naar huis gaat, kan bij het een en ander reeds thuis
 eens uitproberen. Zo kan hij al eens mededelen wat zijn ervaringen waren bij
 het uitvoeren van de activiteit aan de hand van een nieuwe handelingswijze
 en kunnen voor de resterende problemen andere mogelijkheden gezocht worden.

 7.3.3. Ergotherapie in de PPR
 -----------------------------

 Ook in de PPR poogt de ergotherapeut de patient tot inzicht in eigen
 functioneren te bewerkstelligen. In de PPR krijgen de patienten wekelijks
 tweemaal anderhalf uur creatieve therapie, een uur ergotherapie en hiernaast
 nog 1 uur individuele therapie.

 In het uur ergotherapie worden dezelfde doelen nagestreefd als in de PFR.
 Tijdens de individuele therapie kunnen hier problemen met de dagelijkse
 activiteiten, maar ook meer inzichtelijke zaken aan bod komen. Dit kan het
 bv. het verder uitwerken zijn van gevoelens die tijdens de creatieve
 therapie naar boven gekomen zijn, maar te persoonlijk werden gevonden om in
 groep te bespreken. De patient kan dan vrijblijvend deze zaken bespreken met
 de ergotherapeut. Hij krijgt hier in alle geval de mogelijkheid om zijn
 problemen te verwoorden in een veilig kader. Dit biedt de patient om
 moeilijke levenservaringen beter te verwerken waardoor de spanningen
 hierrond kunnen afnemen of verdwijnen.

 De creatieve therapie staat eigenlijk centraal in de ergotherapeutische
 behandeling van de patient in de PPR. Zoals ik reeds vermeld heb is dit een
 belevingsgerichte therapie die de patient helpt om tot inzicht te komen aan
 de hand van projectieve activiteiten. Wat je kan verstaan onder projectieve
 activiteiten heb ik reeds beschreven hoger in dit hoofdstuk. Omdat de
 creatieve therapie eigenlijk een specialisatie is in de ergotherapie, lijkt
 het me zinvol dit te verduidelijken aan de hand van een persoonlijk
 voorbeeld. Zo kan de lezer die niet vertrouwd is met deze behandeling zich
 hier, via een praktijkvoorbeeld, een beeld over vormen.

 Creatieve therapie
 ------------------

 Daar er tijdens de creatieve therapie nogal wat persoonlijke dingen kunnen
 naar boven komen, werd telkens voor de aanvang van de activiteit gevraagd of
 niemand zich aan mijn aanwezigheid stoorde. Om te verduidelijken wat
 creatieve therapie kan inhouden, zal ik 1 sessie bespreken met mijn
 persoonlijk werk. Tijdens deze activiteit had ik geen begeleidende functie,
 maar stelde ik mij in de rol van patient.

 Doelstelling van deze sessie
 ----------------------------

 Het bewustzijn van je gevoelens ervaren tijdens het uitvoeren van een
 creatieve therapie. Deze gevoelens kunnen wisselen tijdens de activiteit.

 Verloop
 -------

 Eerst wordt er uitleg gegeven over de bewustzijnskaart van je gevoelens. Er
 wordt gevraagd om voor jezelf uit te maken waar jij je op dit moment
 situeert op de kaart. Tijdens de therapie zal er nog enkele keren gevraagd
 worden om dit opnieuw te doen, zodat je kan nagaan voor jezelf of er
 wijzigingen optreden.

 Een eerste opdracht bestaat er uit om een portret na te tekenen.
 Om je verstandelijke denken uit te schakelen wordt de opdracht gegeven om
 dit ondersteboven na te tekenen. Een ander hulpmiddel is kijken naar de
 lijnen die je ziet en je niet concentreren op het geheel. Hierbij vindt je
 een portret met erna de uitgevoerde opdracht.

 Een derde opdracht bestond eruit om jezelf na te schilderen, vertrekkende
 van je houtskool-portret. Daar we reeds een tijdje opbouwend bezig waren
 met het uitschakelen van de rationele componenten, hoefden we niet meer
 omgekeerd te werken. Iedereen mocht nu met verf en penseel een groot
 schilderij van zichzelf maken. De delen die we in de tweede opdracht wit
 gemaakt hadden moesten nu geverfd worden, en omgekeerd.

 Tot slot kreeg iedereen nog een vragenlijst om in te vullen:
 -   Welke gevoelens drukt mijn gelaat uit?
 -   Wat zegt mijn tekening mij?
 -   Wat zegt ze over mij?

 Besluit
 -------

 Naarmate de creatieve therapie vorderde voelde ik me persoonlijk minder
 gespannen en creatiever worden. Ik nam geleidelijk aan meer afstand van
 mijn reeel denken.

 Door de tekeningen kan je veel leren over jezelf, meer bepaald over je
 gevoelens. Tijdens het creatief zijn kunnen er gevoelens en emoties naar de
 voorgrond komen, die anders diep in de persoon verborgen blijven. Door aan
 deze emoties een bepaalde vorm te geven, door ermee bezig te zijn, krijg je
 er meer zicht op. Doordat mensen (meer) inzicht krijgen op zichzelf kunnen
 ze verder geholpen worden. Hierdoor vinden ze namelijk zelf kennis en kunnen
 ze normen en waarden misschien in vraag stellen.


 Hoofdstuk VIII: Patientenbespreking:
 ------------------------------------

 8.1. Patient 1
 --------------

 8.1.1.   Voorstelling van de patient
 ------------------------------------

 Reden van opname
 ----------------

 A.is een man van 41 jaar oud en werd op 10/11/1997 in Pellenberg opgenomen
 op de afdeling psycho-somatische revalidatie voor de behandeling van
 chronische vermoeidheid in het motivatie en exploratie programma. Naast
 chronische vermoeidheid heeft bij ook slaapstoornissen en last van pijn in
 de rug, heupen en knieen.

 Medische voorgeschiedenis
 -------------------------

 In '84 had de patient een arbeidsongeval. Tijdens zijn werk viel bij
 achterover van een stelling die vier meter boog was, en kwam hierdoor op
 zijn hoofd terecht. Na zijn val kreeg hij last van algemene vermoeidheid en
 had bij uitstralende pijn naar de schouder en knie. A. is een
 rolstoelpatient. Sinds '93 loopt bij ook beperkte afstanden met een kruk,
 daar chronische pijnen in zijn rechterbeen en -heup hem beletten normaal te
 lopen. Hij is ernstig verslaafd aan verdovende pijnstillers.

 Psychologische voorgeschiedenis
 -------------------------------

 Op 8 a 9 jarige leeftijd werd hij thuis psychisch verwaarloosd. Bovendien
 was er veel terreur in het gezin. Hij werd zwaar mishandeld door zijn vader,
 voor wie hij nooit goed kon doen en die hem zelfs vuistslagen in het gezicht
 gaf. Op 13-jarige leeftijd liep hij weg van huis omdat bij veel zware
 handenarbeid moest verrichten en in marginale omstandigheden leefde tussen
 allerlei ongedierte zoals bv. ratten. Tijdens zijn vlucht naar Duitsland
 werd bij sexueel misbruikt door de vrachtwagenbestuurder die hem een
 lift gaf. Op 17-jarige leeftijd werd hij tweemaal opgenomen m een
 PAAZ-dienst omwille van alcoholproblematiek. Op 19-jarige leeftijd had hij
 een drugsprobleem waardoor hij in de gevangenis belandde.

 Familiale gegevens:
 -------------------

 A. is afkomstig uit een gezin met drie kinderen waarvan hij de oudste is.
 Thuis was er veel terreur en werd hij psychisch verwaarloosd. In 1987 huwde
 hij met zijn huidige vrouw. Uit dit huwelijk heeft hij een dochter die
 13 jaar oud is.

 Leefsituatie
 ------------

 Hij leidde een periode een zwerversleven in Frankrijk, waar bij overleefde
 van stelen en roven. Daarna keerde hij terug naar Belgie waar hij zijn vrouw
 leerde kennen waarmee hij huwde. Hij werkte een periode als bakkershulp, en
 later als mijnwerker. Daarna werkte bij als lasser-monteur, waar hij moest
 instaan voor de metaalconstructies, wat heel zwaar werk was. Sinds 1995 is
 hij 66% invalide. De medisch adviseur wil hem terug aan het werk zetten via
 een omscholing zodat bij bureauwerk kan verrichten, maar dat ziet hij niet
 zitten. Momenteel staat hij op de wachtlijst voor een sociale woning en
 krijgt bij budgetbegeleiding van het O.C.M.W.

 8.1.2. PME van de patient
 -------------------------

 Besluit miniteam
 ----------------

 -  A. heeft nog geen suicide-aanvallen gehad tijdens zijn opname.
 -  Tijdens zijn opname in PME heeft hij reeds vorderingen gemaakt in
    zijn fysieke reconditionering. Hij is niet meer zo rolstoelgebonden
    zoals in het begin van zijn opname en kan nu reeds een beperkte
    afstand afleggen met behulp van twee krukken.
 -  Hij wil hier zijn verleden verwerken, maar tijdens een opname van
    vier weken is er onvoldoende tijd om hier diep op in te gaan. Het is
    daarom therapeutisch niet verantwoord om die ervaringen van vroeger
    op te rakelen, als de patient achteraf hier geen verdere begeleiding
    meer voor krijgt.
 -  Hij heeft nog steeds angstbelevingen en is emotioneel nog zeer labiel.
 -  In de ergo heeft hij de scheppende creatieve therapie ontdekt. Dit
    houdt voor A. in dat hij zijn emoties kan ontladen op een sociaal
    verantwoorde manier.
 -  Zijn vrouw mist haar man en wil hem terug thuis hebben. Tijdens een
    gesprek met de psychologe zegt ze duidelijk dat ze het zelf niet zal
    aankunnen wanneer haar man de ganse dag thuis is.
 -  A. zegt zelf dat hij bang is om sociaal geisolement te raken wanneer
    hij thuis is.
 -  Arbeidsrehabilitatie zegt hem niet veel. Dit komt omdat bij denkt dat
    dit enkel maar tot bureau-werk kan leiden, en dat ziet bij totaal niet
    zitten.

 Het team stelt hem voor het therapeutisch vervolgprogramma PFR te volgen.
 Aangezien er momenteel plaatsgebrek is binnen de PFR, zal A. moeten wachten
 tot februari '98, om zijn vervolgprogramma aan te vatten. Ondertussen raadt
 het team hem aan om terug naar Validag te gaan. Validag is een dagcentrum
 voor fysieke revalidatie bij A. in de buurt, waar bij reeds voor zijn opname
 in Pellenberg naar toe ging. A. zei wel dat de fysieke revalidatie daar voor
 hem niet zo goed is. Daarom zal een kinesist van het team nog eens contact
 opnemen met de therapeuten van Validag om het geschikte fysieke
 revalidatie-programma van de patient door te geven. Daarnaast heeft A. geen
 goede ervaring met de psychiater van het dagcentrum. Hij wenst dan ook niet
 meer in behandeling te gaan bij hem, hij wil wel nog therapie volgen bij de
 psycholoog van daar, om met hem over zijn psychische en emotionele
 problemen te praten.

 Specifieke doelstellingen
 -------------------------

 - agressie kanaliseren
 - omgaan met kritiek
 - grenzen leren kennen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken
 - grenzen kennen bij het uitvoeren van vrije tijdsbesteding:
   Slechts 1 activiteit per keer en tijdig pauzes nemen.
 - een evenwicht vinden tussen presteren en doseren.
   De huishouding ergonomisch bekijken.
 - fysische vooruitgang
 - zinvolle vrijetijdsbesteding zoeken
 - plannen maken

 8.1.3. Verloop van het therapeutisch programma PER
 --------------------------------------------------

 Aan de hand van de etiopathogenetische factoren die besproken werden in
 hoofdstuk drie zal ik de oorzaken die voor deze patient een rol spelen in
 zijn ziektegeschiedenis eens overlopen.

 Wanneer we naar de kwetsbaarheidsfactoren kijken zien we bij A. ten eerste
 de aanwezigheid van een premorbide overactiviteit. Deze is afkomstig mede
 door de maatschappij, maar tevens ook door zijn persoonlijkheidskenmerk de
 illusie te hebben een onbegrensd lichamelijk prestatievermogen te hebben.
 Naar aanleiding van een kritisch-somatisch moment komt aan deze levensstijl
 een abrupt einde, voor A. was dit een arbeidsongeval. Het pijnlijke besef
 'niemand' meer te zijn vermengde zich met zijn lichamelijke pijn. En al die
 pijn probeerde bij te 'verdoven' met pijnstillers. Als we naar de
 voorgeschiedenis van de patient kijken merken we dat deze traumatisch was.
 Hij werd psychisch verwaarloosd, ervaarde terreur in zijn ouderijk gezin,
 en leefde in marginale omstandigheden. Omdat getraumatiseerde mensen
 kwetsbaarder zijn voor psychosomatische klachten, uit zich dat voor A. in de
 volgende zaken:
 - hij voelt zich angstig
 - hij heeft minder weerstand tegen stress en frustraties
 - neiging tot alcohol- en druggebruik, zoals je kon zien in zijn
 voorgeschiedenis had bij hier reeds op jeugdige leeftijd problemen mee.
 Ik kan dan ook niet met zekerheid zeggen of dit toevallig is of als dit
 reeds een eerste reactie was op zijn problemen. In alle geval zorgen deze
 traumatische ervaringen ervoor dat A. minder goed met zijn
 vermoeidheidsklachten kan omgaan.

 Wanneer we de ziektegeschiedenis van A. bekijken zien we dat virussen geen
 uitlokkende factor zijn voor zijn CVS. Kijken we echter naar de stress-
 stoornissen die zijn vermoeidheid bevorderen, dan zien we een uitputtende
 toestand van fysieke overbelasting en psychotraumatische gebeurtenissen en
 situaties. Bovendien valt het op dat A. in de lijn van zijn premorbide
 persoonlijkheid deze emotionele moeilijkheden probeert te overwinnen door
 zijn intensieve overactieve levensstijl. Deze overactieve levensstijl is
 dus een copingsstrategie voor A. om zijn emotionele problemen te
 onderdrukken, met lichamelijke en psychische roofbouw tot gevolg.

 Zijn moeheid wordt bovendien onderhouden door emotionele factoren: het
 verlies van zijn vroegere mogelijkheden, gebrek aan sociale bekrachtiging,
 onzekere toekomstverwachtingen,... A. zit in een toestand van fysieke
 deconditionering. Hij rust pas wanneer bij echt uitgeput is van zijn
 activiteit. Na een periode van rust wil bij bovendien onverbiddelijk de
 schade van zijn inactiviteit inhalen, waarbij hij zijn fysieke grenzen
 overschrijdt en zijn negatieve spiraal nog toeneemt.

 Zoals u ziet zijn er voor A. een aantal factoren die zijn ziekte onderhouden.
 Als ergotherapeut is het dan ook van belang voor het revalidatieproces van
 de patient om aan deze factoren de nodige aandacht te besteden.

 Ergotherapiesessies
 -------------------

 Tijdens deze sessies laat de ergotherapeut A. werken aan de verandering van
 zijn gedrag en aan het inzicht in eigen functioneren. De ergotherapeut heeft
 ook adviezen die een gedragsverandering tot gevolg dienen te hebben.

 In de PER worden taakgerichte activiteiten gebruikt om de patienten tot
 inzicht te brengen. Daar presteren voor A. een belangrijke waarde heeft,
 wordt er gepoogd om hem andere waarden mee te geven. Hij heeft reeds zijn
 ganse leven een sterke prestatiedrang, hetgeen volgens maatschappelijke
 normen gewaardeerd wordt. In zekere zin is dit wel waar. Presteren is zinvol
 en wordt emotioneel bekrachtigd. Onze westerse cultuur bevestigt dit nog
 eens extra door iedereen in de maatschappij die goed presteert te waarderen.
 Wanneer dit omwille van een beperking niet meer mogelijk is krijgt men dan
 het gevoel dat men zinloos is in de maatschappij wat een negatief zelfbeeld
 doet ontstaan. A. heeft hierdoor het gevoel te hebben gefaald. Dit komt
 omdat bij zijn waarde prestatie niet meer kan nakomen en ziet dit als een
 mislukking van zichzelf als persoon. 'Werken was alles voor mij,' zegt hij,
 'want dan voelde ik mij tenminste nog iemand.'

 A. moet zelfkennis krijgen inzake zijn eigen capaciteiten. Dit houdt in dat
 A. moet leren ervaren tot wat en hoeveel bij nog in staat is, rekening
 houdende met zijn chronische vermoeidheid.

 De patient wordt zich tijdens de ergotherapiesessies bewust dat hij niet
 teveel mag doen, doch naar de praktijk toe kan bij dit niet voltooien.
 Wanneer bij geduid wordt op het belang van het nemen van rustpauzes kan hij
 dit niet uitvoeren. Tijdens een activiteit stopte bij wel eens om naar het
 toilet te gaan of om een sigaretje te roken, wat hij als pauze beschouwde.
 Voor sommige patienten kan dit inderdaad een pauze zijn. Voor A. was dit
 echter geen echte pauze, daar bij hiervoor de tijd niet nam die hij nodig
 had om te recupereren van zijn activiteit. Bovendien was hij ondertussen
 vaak met allerlei andere zaken bezig. Zelfs op het einde van het
 therapeutisch programma bad bij nog onvoldoende zelfkennis omtrent zijn
 huidige mogelijkheden en beperkingen door zijn chronische vermoeidheid. Dit
 komt ook deels doordat hij reeds zijn ganse leven zeer actief was en veel
 gepresteerd had en het moeilijk is om dit gedrag zomaar te wijzigen.

 Ook aan de zaken die voortvloeien uit zijn traumatische voorgeschiedenis
 werd aandacht besteed. Zo had hij veel moeite om met frustraties om te gaan.
 Tijdens een sessie was A. glas aan het graveren. Daar dit omwille van het
 lawaai storend werkte voor de andere patienten, vroeg de ergotherapeut hem
 nu een andere activiteit te doen. De patient had hier zo'n moeite om met
 zijn frustraties om te gaan, dat deze opmerking leidde tot een conflict.
 Tijdens de individuele therapie haalde de ergotherapeut dit voorval terug
 naar boven. Het conflict werd besproken. De patient zag dan nog steeds niet
 in dat bij hier verkeerd gedrag had getoond. Hij was zodanig gefrustreerd
 omdat bij die activiteit moest stilleggen, dat hij zijn frustraties nog
 steeds niet op de juiste wijze tot uiting bracht.

 Doorheen de ergotherapeutische sessies heeft de patient nog steeds weinig
 inzicht. Hij ziet nog steeds het verband niet goed tussen zijn overactief
 zijn en zijn emotionele problemen. Bij het uitvoeren van de dagelijkse taken
 houdt hij reeds rekening met zijn overprestaties, terwijl dit nog niet
 altijd het geval is bij ontspannende activiteiten. Tijdens zijn opname was
 A. geinteresseerd in velerlei activiteiten zoals: smyrna, zijde-schilderen,
 graveren van glas, beschilderen van glas, gipsen figuurtjes maken,... wat
 op zich zeer goed is. A. was echter zo geinteresseerd in zijn activiteiten
 dat hij moeite had om tijdig te stoppen met iets wat hij als prettig
 ervaarde. Daarenboven wilde hij de tijd waarin hij gerust had achteraf terug
 inhalen door zeer actief aan zijn activiteit verder te werken. Ook deed hij
 soms verschillende activiteiten in 1 therapie-uur. Mettertijd leerde hij wel
 dat hij ook bij een leuke activiteit 1 of meerdere rustpauzes dient te nemen.
 De ergotherapeut stelde hem dan ook voor om tijdens een therapiesessie
 slechts 1 activiteit uit te voeren, wat hij dan ook eens uitprobeerde.
 Aanvankelijk had hij hier erg veel moeite mee. Na enkele weken slaagde hij
 er toch in om slechts 1 activiteit per sessie te doen, wat een hele prestatie
 was voor A. Immers, A. heeft veel moeite om zichzelf in te tomen. Hij werkte
 toen toch iets rustiger. Hij ziet dan misschien nog niet goed het verband in
 tussen zijn overprestaties en zijn problemen, hij leerde toch zijn
 activiteiten uitvoeren op een rustiger en ontspannen manier.

 A. rustte pas uit toen hij echt niet meer kon waardoor hij in een dalende
 fysieke toestand verzeild raakte. Mettertijd kwam hij wel tot wat inzicht in
 het nut van rustpauzes en het rustig handelen. Dit komt door de bijstand van
 de ergotherapeuten. Ook besefte hij naderhand dat wanneer bij teveel
 gepresteerd had en te weinig aandacht aan zijn rustpauzes gehecht had, zijn
 recuperatie- periode veel langer en moeizamer verliep dan wanneer hij hier
 wel rekening mee hield.

 Individuele ergotherapie van de patient
 ---------------------------------------

 Daar A. na zijn therapeutisch programma, thuis wilde instaan voor de
 huishoudelijke taken, werd er samen met hem tijdens de individuele
 ergotherapie bekeken hoe bij deze taken zo ergonomisch mogelijk zou kunnen
 uitvoeren. Hiervoor werden de verschillende taken die hij zou moeten
 uitvoeren en waar bij problemen mee had door zijn chronische moeheid ontleed
 en werd er naar een oplossing gezocht.

 Met het opmaken van de bedden had bij veel moeite daar hij zich teveel
 voorover moest buigen wat erg belastend was voor zijn rug. Er werd hem
 voorgesteld om het bed te verhogen, zodat hij zich tijdens deze activiteit
 minder voorover zou moeten buigen. A. plaatste tijdens een weekend het bed
 op blokken waardoor dit hoger kwam te staan. Toen hij dan het bed opmaakte
 merkte hij dat dit veel gemakkelijker en efficienter ging. Dit was een
 eenvoudige aanpassing van de omgeving aan deze activiteit, waardoor deze
 taak voor A. veel minder energie kost.

 Winkelen was voor A. een zeer vermoeiende taak. Omdat hij dit niet uit
 handen wilde geven werd er samen met de ergotherapeut naar een oplossing
 gezocht. Deze oplossing kwam er niet in 1 keer maar kwam er nadat in
 verschillende therapiesessies naar een oplossing werd gezocht.

 Meestal doet bij zijn boodschappen in een supermarkt samen met zijn vrouw
 waar ze met de wagen naar toe rijden. Daar het hedendaagse verkeer veel
 concentratie vergt om er vlekkeloos door te raken, kwam de patient vaak al
 vermoeid in de winkel aan, daar hij door zijn vermoeidheid ook problemen
 heeft om zich te concentreren. Daarom werd er afgesproken dat hij voor de
 winkel binnen te gaan eerst nog 5 minuten pauze zou nemen in de auto.
 Het winkelen op zich is ook vermoeiend. A. neemt nu de winkelkar ter hand
 zodat hij hierop kan steunen tijdens het winkelen wat ontlastend is voor
 hem. Het maakt het stappen bovendien gemakkelijker, daar bij momenteel met
 1 kruk loopt en dat slechts voor een beperkte afstand kan volhouden.

 Ook maakt bij nu samen met zijn vrouw op voorhand een boodschappenlijstje
 op. Hierdoor moeten ze in de winkel niet meer zoeken wat ze allemaal nodig
 hebben, en kunnen ze de kortst mogelijke afstand afleggen om hun
 boodschappen in hun winkelwagentje te leggen. Doordat het winkelen nog te
 vermoeiend was voor A. werden er nog enkele oplossingen gezocht voor dit
 probleem in een volgende therapiesessie. Zo gaat hij nu even zitten op een
 trapje of stoeltje in de winkel op een kalme plaats. Sommige mensen kijken
 wel eens raar naar hem, maar bij trekt zich dit niet aan omdat bij weet dat
 het voor zijn eigen bestwil is.

 Ook afwassen vergde veel energie van A., doch ook deze taak diende vervult
 te worden. Om af te wassen werkt hij nu zittend op een bureaustoel die
 voldoende hoog is en zijn rug goed ondersteunt. Het afwassen werd
 onderverdeeld in deeltaken, die hij nu voor 1 uitvoert. Dit houdt in dat hij
 nu eerst alles afwast, dan alles afspoelt en dan pas alles afdroogt.
 Hiervoor werkt hij van rechts naar links, zodat hij bij elke deelhandeling
 van deze taak recht voor zijn werk kan zitten. Het wegbergen van het
 materiaal was voor hem ook een grote inspanning, daar hij veel nutteloze
 bewegingen maakte. Vroeger opende bij met enkele borden in de hand de kast
 om deze erin op te bergen. Nu opent bij eerst de kast en plaatst er
 vervolgens een stapel borden in. Dit is een veel efficienter werkwijze,
 daar hij nu het gewicht van het materiaal over beide handen kan verdelen.
 Ook moet bij zo maar eenmaal de borden naar de kast dragen, terwijl hij dit
 vroeger in twee of drie keer moest doen. Hij merkte bij zichzelf dat hij
 aan deze nieuwe werkwijze nog moest wennen, dat het nog een automatisme
 moest worden; maar ze is veel efficienter, is minder belastend en vergt
 minder energie.

 Stofzuigen was niet echt een probleem voor hem, daar de steel van dit
 toestel voldoende lang is, zodat bij deze activiteit rechtop kan uitvoeren.
 Dit is de manier waarop de rug het minst belast wordt en die het minst
 energie vergt. Omdat de meeste mensen de neiging hebben om voorover te
 buigen tijdens het stofzuigen gaf ik hem de raad om de slang van de
 stofzuiger achter zijn rug door te halen, zodat de rechtopstaande houding
 automatisch gestimuleerd wordt.

 Poetsen was voor hem een probleem waarvoor oplossingen gezocht worden
 tijdens het programma maar die de patient nog niet heeft kunnen uitproberen.
 Wel werd er bv. gezegd dat het belangrijk is om te poetsen met materiaal
 waarop een steel bevestigd is die voldoende lang is. Een ander aangereikte
 ergonomische oplossing was om de poetsemmer niet op de grond te plaatsen.
 Wanneer je deze echter op een krukje of trapje plaatst, hoef je je tijdens
 het poetsen niet te bukken, wat energiebesparend is voor het lichaam.
 A. bracht zelf ook de oplossing aan om de poetsemmer op zijn bureaustoel te
 plaatsen. Dit is nog efficienter, daar hij zijn poetsemmer dan niet hoeft
 te verplaatsen door hem op te heffen, maar hem gewoon kan verduwen.

 8.1.4.  Besluit
 ---------------

 -  Hij heeft nog onvoldoende inzicht omtrent zijn juiste verhouding tussen
    presteren en doseren. Prestatie is nog steeds een belangrijke waarde
    voor hem, en hij vindt doseren nog steeds zinloos. Hij ziet prestatie
    nog steeds als iets waar de mens waarde door krijgt in de maatschappij.

 -  Bij het uitvoeren van huishoudelijke taken slaagt A. er nu vrij goed in
    om met zijn grenzen rekening te houden, tijdens de individuele
    ergotherapie werden deze taken ergonomisch bekeken. Hij heeft een
    planning omtrent het uitvoeren van huishoudelijke taken,sociale
    contactarme,... Hij houdt echter geen rekening met onvoorziene
    omstandigheden in zijn planning. Waardoor hij op zo'n moment zijn
    grenzen overschrijdt.

 -  Wanneer hij een activiteit uitvoert in zijn vrije tijd heeft hij nog
    moeite om zijn grenzen te respecteren en tijdig te pauzeren. Hij begrijpt
    wel al waarom hij rekening moet houden met zijn grenzen, maar dit nieuw
    gedrag is zeker nog geen automatisme voor hem geworden.

 -  Hij heeft nog steeds moeite met de gevolgen voortvloeiende uit zijn
    traumatische ervaringen. A. heeft nog steeds moeite om zijn agressie te
    kanaliseren. In een stressituatie kan hij zichzelf nog steeds moeilijk
    bedwingen. Tijdens het therapeutisch programma is hieraan ook niet echt
    gewerkt onder begeleiding van de bewegingstherapeute, door bepaalde
    omstandigheden, hoewel dit oorspronkelijk gepland was. De patient kan
    nog steeds niet goed omgaan met kritiek. Zelfs wanneer er iets in het
    algemeen gezegd wordt, trekt hij dit steeds naar zichzelf toe. Hij kan
    hier moeilijk zijn eigen mening over vormen.

 -  Tijdens zijn opname waren er veel dingen waarmee hij zijn vrije tijd kon
    invullen. Deze activiteiten werden bovendien niet op een ontspannen
    manier uitgevoerd. Eenmaal hij thuis is zal hij waarschijnlijk moeite
    hebben om deze tijd in te vullen. Vandaar dat hij blij is dat hij terug
    kan naar het revalidatiecentrum, waar hij voor zijn opname in Pellenberg
    ook naar toe ging. Hij ziet nog steeds het verband niet tussen zijn
    overpresteren en zijn onderliggende problemen.

 -  A. maakte tijdens zijn opname een fysische vooruitgang. Toen hij op de
    PSR-afdeling aankwam zat hij in een rolstoel. Nu kan hij reeds een korte
    afstand afleggen met 1 handkruk. Toch ziet hij nog het nut niet echt in
    van te rusten voor hij vermoeid is. Hij rust nog steeds pas wanneer het
    eigenlijk al te laat is.

 De patient maakte een fysieke vooruitgang tijdens zijn opname. Bovendien heeft
 hij nu een basis verworven in het inzicht in zijn problematiek, waar hij
 verder kan op werken in het revalidatiecentrum waar hij terug naar toe gaat.
 Ook heeft hij geleerd hoe hij zijn huishoudelijke taken minder vermoeiend
 kan aanpakken. De opname op deze afdeling zal zijn verdere leven in alle
 geval leefbaarder maken. Daar er aan zijn onderliggende problematiek niet
 echt gewerkt is, omdat dit voor hem te confronterend zou zijn, kan deze
 vroeg of laat terug naar boven komen met alle gevolgen van dien. In dat
 geval kan hij altijd terug contact opnemen met de afdeling voor een
 heropname.


 8.2. Patient 2
 --------------

 8.2.1. Voorstelling van de patient
 ----------------------------------

 Reden van opname
 ----------------

 L. is een vrouw van 42 jaar oud die op 10/11/1997 werd opgenomen op de
 afdeling psychosomatische revalidatie te Pellenberg voor de behandeling van
 chronische vermoeidheid. Deze vermoeidheid trad op na een epidurale
 verdoving voor een tweede muniscus operatie, waarna ze ook last kreeg van
 tintelingen en pijn.

 Medische voorgeschiedenis
 -------------------------

 L. heeft last van hyperventilatie-aanvallen.
 In december '95 onderging de patiente een arthroscopie onder epidurale
 verdoving zonder problemen. Op 04/07/1996 onderging ze opnieuw een ingreep
 van de knie onder epidurale verdoving, maar ditmaal niet zonder problemen.
 Volgens de patiente verliep het inbrengen van de naald reeds moeizaam.
 De nacht na de ingreep had ze ook veel last van prikkelingen in de benen,
 die voornamelijk rechts gesitueerd konden worden.

 Psychologische voorgeschiedenis.
 --------------------------------

 De patiente maakte tijdens haar leven reeds een aantal negatieve ervaringen
 mee:
 -  Ongewenste intimiteiten: Op 13-jarige leeftijd werd ze
    grensoverschrijdend benaderd door een oom en een vriend van haar vader.
    Ook haar zussen werden door die oom misbruikt.
    Thuis mocht en kon ze hierover niet praten, en ook naar de buitenwereld
    toe werd dit probleem verzwegen.

 -  Toen de patiente 14 jaar was, was haar oudste zus 7 maand zwanger
    waardoor deze moest huwen. Alle aandacht ging toen naar die zus en
    haar kindje, waardoor L. niet de nodige aandacht kreeg die ze nodig had.
    Bovendien nam haar schoonbroer haar plaats in aan tafel, waardoor ze
    hem als een 'indringer' zag. Daar ze hier thuis over moest zwijgen
    werden ook deze emoties opgekropt, waardoor dit een heus trauma was
    voor haar.

 -  Een van haar broers raakte betrokken bij een zwendel van
    identiteitskaarten.

 -  De relatie met haar ouders.
    Haar moeder was afwijzend. Ze zorgde wel goed voor L., maar kan haar
    geen liefde geven. Bovendien mocht er thuis niet over problemen gepraat
    worden, omdat moeder dit niet aankon. Met haar vader kon ze beter praten
    alhoewel hij weinig tijd had en materialistisch ingesteld was. De
    patiente idealiseerde haar vader sterk. Toen haar vader een
    gevangenisstraf kreeg op verdenking van fraude, was L. erg gekwetst
    hierdoor.

 -  Ze heeft het gevoel dat er nooit voor haar gezorgd is geweest.
    Ze zegt: 'ik heb mezelf opgevoed'.

 -  Haar gemiste schoolopleiding.
    L. wou graag kleuteronderwijzeres worden. Maar ze heeft haar humaniora
    al niet kunnen afmaken omdat ze leermoeilijkheden had.

 -  Insinuaties dat zij niet sterk genoeg zou zijn om de vrouw te zijn van
    een gemeentesecretaris.

 L. is een vrouw die psychisch zwak is. Ze is perfectionistisch en cijfert
 zichzelf voortdurend weg. Bovendien is ze hysterisch dynamiek. Ze was reeds
 voor deze opname in behandeling bij een therapeut waarbij ze wekelijks op
 consultatie ging.

 Familiaal
 ---------

 Ze is afkomstig uit een gezin met zeven kinderen. Ze heeft nog 2 zussen en
 4 broers, en is de voorlaatste uit de rij. De patiente zegt dat ze een
 goede relatie heeft met haar ouders.

 Ze is gehuwd met een gemeentesecretaris en heeft drie kinderen.
 - een jongen van 18
 - een meisje van 17
 - een jongen van 14

 Haar man heeft een heel druk beroepsleven. Ze zegt dat ze een goede relatie
 hebben, buiten het sexuele aspect. Dit komt omdat L. bang is om haar pijn
 te doen.

 Werksituatie
 ------------

 Ze stopte haar humaniora en maakte haar hotelschool niet af. Ze werkte
 enkele jaren als secretaresse bij stedenbouw tot ze voor de tweede keer
 zwanger werd. Na de bevalling van haar dochter werkte ze nog een aantal
 jaar als onthaalmoeder. Toen haar kinderen naar school gingen werkte ze als
 huisvrouw en zorgde voor de opvoeding van de kinderen.

 Leefsituatie
 ------------

 De taakverdeling in het eigen gezin is als volgt: vroeger stond de patiente
 in voor de opvang en opvoeding van de kinderen, terwijl haar man aan zijn
 carriere werkte. Sinds haar chronische vermoeidheid heeft ze alle taken uit
 handen gegeven. Ze heeft nu een hulp voor het huishouden. Koken en winkelen
 probeert ze nog zoveel mogelijk zelf te doen. L. was vroeger een sportieve,
 hyperactieve vrouw. Ze tenniste veel en deed aan vrijwilligerswerk. Nu ze
 chronische vermoeidheid heeft zijn deze activiteiten noodgedwongen
 weggevallen.

 8.2.2. PME van de patiente
 --------------------------

 Tijdens het programma voor motivatie en exploratie maakte de patiente kennis
 met de verschillende mogelijkheden om zichzelf te helpen. Dit wilde ze
 optimaal benutten door zoveel mogelijk van het programma mee te volgen en
 notities te nemen van de belangrijke zaken die vermeld werden tijdens de
 conferenties. Tijdens haar opname in het PME heeft de patiente een verhaal
 geschreven over haar ziekte. In dit verhaal beschrijft ze haar strijd tegen
 haar ziekte en haar gevoelens bij deze strijd. Deze gevoelens schreef ze
 neer in een dagboek als een soort therapie voor zichzelf. Toen de
 ergotherapeute dit verhaal te lezen kreeg, stelde deze voor aan de patiente
 om haar verhaal uit te werken met beelden. Aanvankelijk stond L. er nogal
 sceptisch tegenover, daar ze gewoon was om alles neer te schrijven. Ze dacht
 dat het niet zou lukken om deze gevoelens uit te beelden. Toch besloot ze
 om dit eens te proberen, en nam papier en oliepastels ter hand om haar
 verhaal uit te beelden. Dit beviel haar zo goed dat ze vanaf toen regelmatig
 een tekening maakte die bij haar verhaal paste en haar geschreven gevoelens
 verduidelijkten.

 Met de goedkeuring van de patiente zal ik haar verhaal hierna neerpennen.
 Zo kan je zien hoe de patiente haar eigen ziekte beschrijft. Bovendien
 begrijp je dan misschien beter de gevoelens die in deze en ook in andere
 patienten omgaan. Want toen L. haar verhaal liet lezen, of voorlas aan de
 andere patienten op de afdeling konden de meesten zich hierin terugvinden.
 Ze zouden het alleen niet zo poetisch hebben kunnen neerschrijven.


 'Nacht van maandag op dinsdag, 24-25 november '97.


 Plusminus 4 uur. De slaap ligt ver weg.
 Ik was gisteren heel zenuwachtig en doodmoe.
 Had ik pijn? Soms wel, meestal niet. Maar moe.
 Ik voelde aan velen van ons dat wij onder de zenuwen lagen.
 Hiernaast ligt er iemand te snurken van kan niet meer op.
 Ik weet echt niet hoe of wat ik moet opschrijven.
 Daarom val ik ook op pietluttigheden.
 Wat heb ik gisteren geleerd onder het bespreken van onze ziekte
    CVS of fibromyalgie?
 In feite niets. Ze weten het nog niet.
 Daarom blijf ik sterk bij mijn eigen gevoelens.
 Ik heb gestreden tegen mijn ziek zijn en nu heb ik er geen zin niet meer in.
 Ik laat mezelf nu eens gaan.
 Ik laat het mij toe.
 Ik verlang naar mijn kinderen en naar Marc en toch ben ik ergens.
 Ja wat, ben ik bang? Ik weet het niet.
 Ik zit ergens vast. Misschien is dat wel goed.
 Even je stuurrichting kwijt raken.
 In feite voel ik mij hier, zoals de anderen, een schipbreukeling.
 Door bepaalde stormen of technische mankementen aan onze boten
    zijn wij uit koers geraakt en hoe goed wij ook ons best doen om
    bij de vloot te geraken, het lukt ons niet.
 Soms zie je het vlaggenschip en denk je dat je het gehaald hebt.
 Maar door bepaalde onderstromingen of verkeerde winden geraken wij terug
    de vloot kwijt.
 Het is dan heel erg mistig. De scheepshoorn horen wij dan soms wel maar
    door die grijze troep voelen wij de vloot soms aan.
 Dan valt de nacht en wanneer het morgen wordt ontdek je dat de vloot terug
     verdwenen is aan de horizon.
 Terug alle hens aan dek en maar hopen op een gunstige wind.
 In een paar uren of een paar dagen of weken raak je terug bij de vloot.
 Dan denk je dat je terug kan meevaren.
 Maar door de inspanning van het zoeken en jagen is de bemanning van
     onze boot zo uitgeput dat je achterop raakt en na de verplichte rust
     is de vloot weer weg...
 De bemanning raakt zenuwachtig.
 De proviand is op en daar lig je dan te dobberen.
 Vertwijfeld zoeken hoe je in feite zonder te veel inspanning terug bij
     de vloot kan raken.
 Je overlegt en je doktert een bepaald plan uit.
 Terug uitgerust hervat je de tocht.
 Opeens bemerk je de vloot zonder dat je bemanning of de boot geleden
     heeft en iedereen is blij.
 Wij zijn terug aangesloten bij het konvooi.
 Er wordt gevierd maar door vermoeidheid blijf je kijken naar de
     feestvierders.
 Je laat het schip toe om zich te laten herstellen.
 Er wordt een nieuwe laag verf aangebracht.
 De kapotte onderdelen worden hersteld en terwijl je daarmee bezig bent
     en alles verloopt vlot is de vloot uitgevaren.
 Alle hens aan dek want je wil meevaren.
 Maar je bent niet goed uitgerust, het proviand heb je vergeten aan
     te vullen en hup daar lig je dan weer te dobberen moederziel alleen.
 Wat moet de kapitein dan doen.
 Terugvaren naar... ja naar waar? Of weer die inspanning doen om bij de
     vloot te geraken.
 Hij overlegt, hij wikt, hij weegt.
 Hij kent de gevaren, de obstakels. De stille wateren, de onderstromingen,
     de woeste zeeen, de piraten maar ook de gunstige winden en de
     goede golfstromen.
 De kapitein neemt uiteindelijk een beslissing. Alle hens aan dek
 Overleg en uiteindelijk worden de zeilen weer gehesen.
 De juiste koers wordt ingezet.
 Iedereen is opgelucht. Wij weten weer waar naartoe.
 Er wordt gezwegen op het dek. Het schip heeft een goede zee gevonden.
 Wat deert het dat de vloot voor ons uitvaart.
 Zolang de bemanning zich kan vermaken met hun werk en hun ontspanning
     is iedereen tevreden.
 Er wordt gelachen, gepoetst en de wind komt vlot de zeilen strelen.
 Wat er na de horizon komt dat kan niemand nu deren.
 De boot met zijn bemanning vloeit goed samen met het mooie donkere
     blauwe water.
 De dolfijnen en de vissen zwemmen mee.
 Het leven op de boot is goed
 Alleen zit de kapitein daar in zijn stuurhut te studeren om zeker
     geen verkeerde navigatiefout te maken.
 Blij om zij bemanning en schip.
 Verontrust door woelige waters die na de Kaap liggen.
 Maar hij zwijgt en laat iedereen rustig zijn werk doen.
 Kortom hij geeft zijn boot de tijd om heel veel krachten op te bouwen.
 Nu dat de winden goed meezitten kan iedereen genieten en terug op
     krachten komen.
 Wat er dan zal komen weet ook de kapitein niet. Maar 1 ding staat vast.
 Hij zal de bemanning niet meer zo opjagen om bij de vloot te geraken.
 Hij weet dat de vloot ook nog andere schepen moet lossen.
 Misschien kan hij samen met die andere boten en kapiteins een kleinere
     vloot vormen?


 Welk verhaal heb ik hier nu zitten te vertellen. Waar haal ik het.
 Maar zo voel ik mij. Mijn laatste zinnen geven mij nu hoop. De grote vloot
 is te sterk. Het schip van de kapitein is te zwak voor de grote massa maar
 wat de kapitein en zijn bemanning ondervonden heeft is dat het najagen van
 de mastadont niet realiseerbaar is. Maar wel het opspeuren van
 achtergebleven schepen. Zodoende dat zij een vloot vormen die beschutting
 krijgt van de grote vloot maar die niet moet najagen. Als het dan niet
 te fel stormt dan zat die kleine vloot zich zelf kunnen aansterken en wie
 weet. . .Misschien groeit er een prachtige vloot uit al die verschillende
 opgeknapte boten.


 Besluit mini-team
 -----------------

 L. zegt dat ze enig inzicht heeft verworven in haar ziekte tijdens het PME
 programma. Emotioneel is ze veel vooruitgegaan. Fysisch is ze de zwakste van
 de afdeling. Ze had het hier in het begin van haar opname erg moeilijk mee.
 Ze zegt dat ze het nog niet aankan om naar huis te gaan, ze heeft nog hulp
 nodig van de therapeuten. Na een conferentie over de creatieve therapie in
 de ergo en een gesprek met de ergotherapeute is ze spontaan beginnen tekenen.
 Ze wil haar masker afleggen, en vraagt zich af wie ze nu werkelijk is en
 welke plaats ze binnen de groep inneemt. De psychologe heeft een gesprek
 gehad met haar echtgenoot waar het volgende kan uit onthouden worden:
 - hij is bereid om nog verder relatie-therapie te volgen
 - hij ziet de psychologische stoornissen van zijn vrouw als gevolg van
   die epidurale injectie, maar niet omgekeerd.
 - hij is tevreden over de therapie die zijn vrouw krijgt, ze is er
   bewuster van geworden
 - hij weet dat bij in de week weinig thuis is door zijn werk, maar hij
   compenseert dit bv. niet in het weekend
 - hij ziet geheel niet hoe bij zelftets kan bijdragen bij de therapie
   van zijn vrouw.
 - het is een rationeel man.

 Tegen de verpleging heeft de patiente gezegd: 'nu is het mijn beurt'.
 Hiermee bedoelt ze dat ze nu eens tijd wil nemen voor zichzelf. Dit betekent
 voor haar dat ze niet meer de sterke L. moet zijn die geen emoties mag tonen.
 Ook beseft ze dat ze niet meer de L. is die ze was op fysiek vlak. Ze weet
 dat ze nu minder goed functioneert dan vroeger.

 Vervolgprogramma:
 -----------------

 PPR, waarbij men de verbinding zal maken met de lichamelijke klachten. De
 lichamelijke klachten moeten bij L. evenwaardig behandeld worden als de
 psychologische kant van haar chronische vermoeidheid. De relatie-therapie
 zal eventueel verder gezet worden.

 Specifieke doelstellingen
 -------------------------

 - fysische revalidatie, met aandacht voor uithouding.
 - haar grenzen leren kennen
 - planning
 - uiten van gevoelens
 - concentratie en geheugenoefeningen
 - haar overheersend karakter in groep leren bedwingen
 - haar frustraties wegwerken door een alternatief te zoeken voor haar
   actieve levensstijl.
 - dagdagelijkse activiteiten structureren
 - omgaan met grenzen

 8.2.3. Verloop van het therapeutisch programma PPR
 --------------------------------------------------

 Bij L. spelen de volgende etiopathogenetische factoren een rol in haar
 ziektegeschiedenis;

 Een van de kwetsbaarheidsfactoren van L. is haar premorbide overactiviteit.
 Deze overactiviteit is bij haar verbonden met een attitude van
 zelfopoffering. Ze denkt altijd aan de anderen en cijfert zichzelf volledig
 weg. Naar aanleiding van een kritisch-somatisch moment, voor L. is dit een
 operatie, komt er aan deze overactieve levensstijl een einde. De patiente
 raakt in een regressief ziektegedrag met activiteitsvermijding, wat
 emotioneel erg moeilijk is voor haar.

 Een andere kwetsbaarheidsfactor die een invloed uitoefend op het
 ziekteverloop van L. is haar traumatische voorgeschiedenis. Zoals je reeds
 kon vernemen maakte de patiente een aantal negatieve ervaringen mee. Ze
 heeft nog nooit echt de emoties en gevoelens hierrond met iemand kunnen
 delen waardoor deze trauma's onverwerkt blijven. Deze trauma's die voor
 psychosomatische klachten leiden, hebben voor L. de volgende gevolgen:
 angstgevoelens, een gebrekkig gevoel van eigenwaarde, minder weerstand
 tegen stress,... Om die redenen kan zij minder goed met haar vermoeidheid
 omgaan.

 Een uitlokkende factor voor de CVS van de patiente is haar tweede operatieve
 ingreep naast een chronische stress-stoornis. Het is voor L. een
 emotioneel-ingrijpende gebeurtenis naast de reeds constant aanwezige
 psychische spanningen, waardoor ze gedecompenseerd is. In de lijn van haar
 premorbide persoonlijkheid probeert ze haar emotionele moeilijkheden te
 'overwinnen' door haar overactieve levensstijl nog intensiever te maken.
 Bij L. gebeurt dit door haar te storten op de sportprestaties van haar
 tennis, zodat ze de emotionele pijn niet moet voelen en alles kan
 ontvluchten. Zo is het van belang dat L. haar copingsstrategie inziet, om
 zo tot inzicht en dan verwerking van de onderliggende problemen te komen in
 de ergotherapiesessies.

 Een onderhoudende factor die een rol speelt bij het stand houden van het
 CVS-syndroom van de patiente was haar verkeerde ziekte-overtuiging omtrent
 rusten, zoals deze beschreven werd onder punt 3.3.1 .De patiente geloofde
 dat zij door haar ziekte veel moest rusten en niet veel activiteiten mocht
 vervullen om zich minder moe te voelen. Door dit te doen kwam de patiente
 dan ook in een toestand van verminderde fysieke deconditionering terecht.
 Bovendien heeft ze het voordeel van de ziektewinst. Omdat ze zich
 vastklampt aan haar moeheidsklachten kan ze vluchten uit haar onhoudbare
 situatie van psychosociale overbelasting. Hierdoor kan ze haar rollen van
 echtgenote, moeder, huisvrouw,... niet meer vervullen, want ze is ziek,
 ze 'kan niet'.

 Net zoals bij de vorige patient, heeft ook deze patiente een aantal factoren
 die haar CVS onderhouden. Ook hier zal de ergotherapeut de nodige aandacht
 schenken aan deze factoren om een gunstig revalidatie-proces te bekomen.

 Creatieve therapie
 ------------------

 In de creatieve therapie poogt de ergotherapeut de patiente tot inzicht te
 laten komen aan de hand van een belevingsgerichte therapie met behulp van
 projectieve technieken. Wat je hier juist onder kan verstaan werd reeds
 besproken in hoofdstuk 5 en 7.

 Tijdens haar opname werkte ze aan haar attitude van zelfopoffering, die
 verbonden was met haar overactiviteit. Vroeger had de patiente de gewoonte
 om altijd en voor iedereen klaar te staan. Ze heeft hier verandering in
 gebracht, want ze vond het tijd dat ze nu eens aan zichzelf dacht. Zo wil ze
 vanaf nu enkel diegenen helpen die ze wil helpen, en als het haar goed
 uitkomt. Ook de huishoudelijke taken neemt ze nu niet meer volledig op zich.
 Ze krijgt nu hulp van een huishoudster. Bovendien worden de resterende taken
 nu verdeeld onder alle gezinsleden, na een familie gesprek.

 Tijdens de creatieve therapie kwam ze geleidelijk aan meer tot inzicht in
 zichzelf. Door expressief bezig te zijn tijdens deze therapie kon ze iets
 van zichzelf beeldend tot uiting brengen. Deze beelden leverden een bijdrage
 aan de verwerking van haar onverwerkte gevoelens en gebeurtenissen. Aan de
 hand van deze beelden kunnen de gevoelens en emoties die hierrond ontstaan
 gemakkelijker verwoord worden. Zoals ik reeds zei, maakte L. ook regelmatig
 een tekening die in haar verhaal paste. Bij het maken van deze tekeningen
 kwamen veel gevoelens en emoties los. Angst, kwaadheid, eenzaamheid,...
 Door het maken van deze tekeningen kon L. reeds een deel van deze gevoelens
 verwerken. Bovendien besprak ze haar tekeningen dan met de ergotherapeute
 tijdens de individuele therapie. Ze deed haar tekeningen ook mee naar de
 psychiater, omdat ze vond dat ze zo beter over haar psychische problemen
 kan praten.

 Tijdens de therapiesessies zag ze in dat haar ethiopathogenetische factoren
 haar CVS onderhouden. L. beseft dan ook goed dat haar revalidatieproces
 slechts gunstig kan evolueren als ze eerst grondig werk maakt van haar
 onderliggende problemen. Deze verwerking kan ze goed voltooien in de
 creatieve therapie, daar ze hier aan haar emoties letterlijk en figuurlijk
 kan werken. Hier mag ze haar emoties en gevoelens tonen en krijgt ze de
 mogelijkheid om ze te verwoorden.

 Naar het einde van haar therapeutisch vervolgprogramma had L. reeds een
 goed inzicht in haar onderliggende problematiek en had ze hier al een groot
 deel van kunnen verwerken. Ook de fysische kant van haar ziekte is
 positief geevolueerd. L. voelde zich wel nog te zwak om naar haar man en
 familie toe om zich hierin volledig bloot te geven. Ze was nog niet sterk
 genoeg om binnen haar systeem voor zichzelf te zorgen, om voor zichzelf de
 grenzen te bepalen van wat kan en niet kan. Vandaar dat ze een wandelkarretje
 wou als symbolische steun dat naar anderen toe de boodschap geeft van:
 'vraag niet teveel aan mij, want ik ben niet sterk.'
 L. heeft het label CVS nodig om te kunnen overleven.

 Bij L. speelde in het begin van haar therapieverloop de cognitieve gedachte

 dat ze veel moest rusten omdat ze ziek is een belangrijke rol. Tijdens haar
 behandeling zag ze in dat rusten haar vermoeidheid nog meer in de hand werkt,
 zoals beschreven is onder punt 3.3.1. Vandaar dat ze het nu belangrijk vond
 om voldoende te bewegen, rekening houdende met haar individuele mogelijkheden
 en grenzen. Als L. nu een tekening bij haar verhaal maakt, doet ze dit
 slechts af en toe omdat ze weet van zichzelf dat dit fysisch en psychisch
 veel energie vraagt van haar. Tijdens het doen van activiteiten, deed ze het
 rustiger aan en hield ze rekening met haar grenzen. Wanneer ze boodschappen
 doet houdt ze rekening met haar vermoeidheid. Zo bijvoorbeeld staat er bij
 haar vertrouwde beenhouwer een stoel, zodat ze hierop kan uitrusten wanneer
 ze in de beenhouwerij aankomt.

 Haar ziektewinst is nog steeds een factor die een medierende rol speel in
 haar ziekteproces. Ze heeft nu wel inzicht in haar ziekteproces, haar
 revalidatie verloopt positief. Toch geeft ze haar ziek-zijn nog nodig om
 naar buiten te komen. Haar systeem met alle verwachtingen, druk,
 stress-gevingen, heeft nog steeds een grote invloed op L. Zo ondervindt ze
 nog steeds veel onbegrip van mensen voor haar C.V.S. Mensen die je zien
 tijdens een ontspannende activiteit wanneer je C.V.S. hebt, en weten dat je
 niet kan gaan werken, bestempelen je nogal vlug als 'lui' of'profiteur'.
 L. boorde dan ook al van iemand de opmerking: 'je kan niet gaan werken,
 maar je kan wel nog komen bowlen'. Dit is zo 1 van die uitspraken die het
 voor L. emotioneel nog erg moeilijk maken. Ze heeft zich hierin wat gehard,
 maar het blijft moeilijk wanneer de mensen je ziekte niet erkennen. Wanneer
 ze nu nog zo'n opmerking hoort, dan probeert ze zich dit haar niet meer aan
 te trekken, en vindt het spijtig dat betrokken personen niets willen weten
 over haar aandoening.

 Ergotherapie
 ------------

 L. kwam tijdens haar opname ook tot besef dat haar fysieke toestand erg
 gedeconditioneerd is. Vroeger was L. een actieve vrouw. Daar dit een
 belangrijke waarde was voor haar heeft ze het emotioneel moeilijk met haar
 huidige toestand ten gevolge van haar chronische vermoeidheid. Het tuinieren
 is voor haar fysisch moeilijk geworden. Wel blijft ze geinteresseerd in
 bloemen en planten. Zo weet ze van iedere plant in haar tuin welke kleur
 deze hebben, wanneer ze bloeien,... Bovendien probeert ze van deze bloemen
 de Latijnse namen te kennen en te onthouden. Daar L. ook geheugenproblemen
 heeft, is het niet evident om deze te onthouden. Daarom herhaalt ze deze
 regelmatig en studeert ze deze desnoods opnieuw in. De lichaamscomponente
 van haar handelingen speelt bij L. een belangrijke rol. L. heeft
 bewegingsbeperkingen, waardoor ze slechts beperkte afstanden kan afleggen.
 Ook stelt ze haar handelingen in het algemeen veel trager en kan ze fysisch
 veel minder dan een 'normale' vrouw van haar leeftijd. Tijdens de
 ergotherapiesessies kwam ze tot besef dat het noodzakelijk is dat ze aan
 haar fysieke conditie werkt. Hierdoor was ze dan ook gemotiveerd om in de
 kine aan deze problemen te werken. Bovendien houdt ze nu plaats vrij om
 voldoende te rusten in haar dag- en weekplanning. Het doet er niet toe of
 het een activiteit is die fysisch of psychisch belastend is, ze vergen
 beiden een recuperatie afhankelijk van de geleverde prestatie. Ook houdt ze
 er rekening mee dat ze best op voorhand rust neemt voor bepaalde activiteiten.
 bv. wanneer ze in het weekend een restaurantbezoek, uitstapje, feest,...
 gepland heeft.

 8.2.4. Besluit
 --------------

 -  L. heeft gewerkt aan haar attitude van zelfopoffering. Ze heeft geleerd
    om ook eens aan zichzelf te denken. Ook de huishoudelijke taken werden
    herverdeeld onder alle gezinsleden. Ze vindt van zichzelf dat ze nog
    niet sterk genoeg is om dit aan te geven. Ze wil hiervoor nog een
    symbolische steun hebben. Haar karretje toont dan ook naar buiten toe:
    'vraag niet teveel aan mij, want ik ben niet sterk!'

 -  L. heeft in de creatieve therapie een manier gevonden om haar gevoelens
    te uiten. Reeds een groot deel van haar opgekropte emoties en gevoelens
    rond haar traumatische ervaringen heeft ze tijdens haar behandeling
    kunnen verwerken. Ook haar frustraties en kwaadheid kan ze in deze
    activiteit kwijt, omdat ze zich hier echt kan in uitleven. In haar
    persoonlijk verhaal maakte ze een evolutie mee. Nog steeds kan ze
    hierin haar belevingen van het moment in kwijt. Het blijft een verdere
    uitlaatklep voor de toekomst.

 -  Tijdens de therapie heeft ze inzicht gekregen in haar copingsstrategie.
    L. begrijpt heel goed welk aandeel haar onderliggende problematiek
    heeft in haar CVS.

 -  Haar verkeerde ziekte-overtuiging omtrent rusten, heeft ze ingezien.
    Soms moet ze nog gestiniuleerd worden om over te gaan naar activiteit.
    Ze zou haar CVS nog wel eens durven gebruiken als ze een bepaalde taak
    niet aankan, en er de voordelen van haar ziekte uithalen.

 -  Haar fysieke toestand is erop vooruit gegaan. Ze maakt nu ook een
    planning op om alle activiteiten te plannen die ze wil doen. L. wil
    veel dingen doen, maar wil hierbij haar grenzen niet overschrijden.
    Naast de dagelijkse activiteiten, voorziet ze ook voldoende plaats voor
    ontspannende activiteiten.

 L. maakte een mooie fysieke vooruitgang tijdens haar behandeling. Daarnaast
 kwam ze tot inzicht in haar problematiek. De creatieve therapie heeft haar
 daarbij geholpen. De verdere behandeling gebeurt bij haar individuele
 therapeut.


 Algemeen besluit
 ----------------

 Na de afgelopen stage op een Psycho Somatische Revalidatie afdeling (PSR) en
 na hierover een scriptie te hebben gemaakt kom ik tot de volgende besluiten.

 Het is zeker niet gemakkelijk geweest.
 Behandeling van psychosomatiek is misschien allemaal wel gemakkelijk gezegd
 in theorie, maar in de praktijk is het niet zo evident om een inzicht te
 krijgen en om doelstellingen te verwezenlijken. Dit is voor mij zeer
 leerrijk geweest. De holistische visie van een ergotherapeut komt op deze
 afdeling echt tot zijn recht. Mijn werkterrein richtte zicht tot patienten
 met CVS, maar ik heb nu toch een goede globale basis over de totale
 behandeling van patienten gekregen. Want met wie of waar ik ook zal terecht
 komen, wat het probleem ook zal zijn, het legt altijd beslag op je hele
 mens-zijn.

 In de toekomst zal men misschien niet meer praten over CVS omwille van
 evoluties in de tijd. Nu hebben de mensen 'die hun problemen moe zijn', in
 alle geval de mogelijkheid om deze te uiten. CVS is vaak een fysieke
 ingangspoort voor onderliggende problemen. Vaak beseffen mensen dan ook niet
 dat eventueel deze onderliggende problematiek een grote invloed op hun
 chronisch vermoeidheidssyndroom uitoefent. Voor sommigen is het rechtstreeks
 verwerken van hun emotionele en gevoelsmatige belevingen te confronterend.
 Als ergotherapeut heb je hier alle respect voor, waardoor de behandeling van
 de patient gebaseerd zal zijn op de fysieke revalidatie. Hier ligt dan ook
 het grote verschil tussen de twee therapeutische programma' s.

 De ergotherapeut kan heel mooi werk leveren. Aan de hand van dagdagelijkse
 activiteiten slaagt hij er toch maar in om de patient aan zijn problemen te
 laten werken. Zowel in de PFR als in de PPR brengt men de patienten tot
 inzicht, en stelt men een individuele behandeling voorop. Activiteiten
 activeren, motiveren en voorzien ons van energie op lichamelijk en
 geestelijk gebied.

 Nog enkele kritische bemerkingen.
 De taak van de ergotherapeut kan eigenlijk nog uitgebreid worden op de
 afdeling. Zo kan het bv. nuttig zijn om aan bepaalde patienten concentratie-
 en geheugenoefeningen te geven, daar dit 1 van de symptomen is die bij deze
 patienten kan voorkomen, wat blijkt uit de criteria voor CVS. Bovendien zou
 het idealer zijn om als ergotherapeut eens naar de thuissituatie te kunnen
 gaan samen met de patient. Zo zal het geven van advies over de dagdagelijkse
 activiteiten preciezer zijn, ten einde de vermoeidheid van de patient zoveel
 mogelijk te doen afnemen. Buiten deze schoonheidsfoutjes, moet ik zeggen dat
 deze afdeling prachtig werk levert, als je weet dat ze nog maar drie
 of vier jaar geleden opgericht werd. Hier heeft men oog voor de mens in zijn
 totaliteit, en draagt men de patienten die anders misschien in de kou
 blijven staan een warm hart toe...

 Ik hoop dat ik in deze scriptie de zinloosheid heb kunnen aantonen van het
 dualistisch denken. Ofwel is de klacht somatisch ofwel is het psychisch,
 daardoor sluiten veel patienten 'en hulpverleners!', de ogen voor de
 psychosociale aspecten van de klachten.

 Bijlage
 -------

 Familie chronische ziekte en invaliditeit
 -----------------------------------------

 Ernstige ziekte en invaliditeit kunnen een enorme invloed uitoefenen op het
 familiale leven. Families zitten vaak gevangen in destructieve ziekte-
 verhalen. Dit geeft niet zelden aanleiding tot onmacht- en schuldgevoelens.
 De familie worstelt tevens met nieuwe uitdagingen. Zoals bet doorbreken van
 rigide problemen van zorgdragen, die door de cultuur en de eigen
 transgenerationele geschiedenis worden voorgeschreven; het vrijwaren van
 intimiteit in een context van verlies en het vergroten van de autonomie
 voor alle familieleden.

 Op de PRS probeert men via een psychosociaal model paren, familieleden en
 belangrijke derden te gidsen doorheen ziekte-ervaringen. Het systemisch
 model integreert de psychosociale behoeften bij chronische ziekten in
 onderscheiden fasen, met de levenscyclus van het gezin, hun
 transgenerationele legaten en hun visies op ziekte en gezondheid.
 Door middel van individuele familietherapie of multi family discussiegroepen
 worden interventies gegeven voor het omgaan met veelvoorkomende moeilijkheden
 (o.a. lichamelijke beperkingen, onzekerheden over ziekte-afloop, relationele
 moeilijkheden en verlieservaringen).

 Rol van familie en gezin.
 -------------------------

 Bij het begrip familie kan je verschillende facetten onderscheiden:

 1.  Structuur van het gezin; met name de verdeling
     man - vrouw - kinderen - grootouders.
 2.  Relaties
 3.  Waarden
 4.  Levensfase

 1. Structuur:
 -------------

 Vroeger had je in het gezin inwonende grootouders en ging de man uit werken.
 Dit is veranderd door de feministische beweging. Ook in de rolverdeling kwam
 er verschuiving. Traditionele gezinnen komen minder voor.

 2. Relaties:
 ------------

 Dit is een actieve band tussen mensen. Deze kan zowel emotioneel als
 verstandelijk zijn. In de relatie kunnen er spanningen optreden omdat er nu
 maar 1 kostwinnaar meer is in het gezin, die bovendien de andere nog meer
 verzorgen ook.

 3. Waarden:
 -----------

 In de maatschappij heersen er waarden die 'belangrijk' zijn.
 Bv. doorzetten, niet opgeven.

 4. Levensfase:
 --------------

 De levensfasen die kunnen onderscheiden worden in het gezin zijn:
 - geboorte
 - kleuterklas
 - eerste communie
 - plechtige communie
 - verkering
 - huwen
 - kinderen
 - grootouder worden.

 Ziekte bv CVS. heeft impact binnen de familie op verschillende vlakken

 1.  Structuur.
 --------------

 Plots functioneert bv. de vrouw niet meer. Wie doet het huishouden, de
 kinderopvang,...?

 2.  Relaties
 ------------

 bv. aspect van verzorging.
 Bij ziekte moet je zorg geven, maar hoe?
 Bovendien is men gewend om altijd te verzorgen, terwijl men nu verzorgd
 moet worden.

 3.  Waarden.
 ------------

 bv. je moet gezond, mooi, knap, intelligent zijn.
 - Wat ben je nog waard als je bv. ziek bent en niet meer kan werken?
 - Als je ziek bent, mag je ook niet gezond zijn.
   Je mag bv. niet op een terrasje gaan zitten, ontspannen,
   op reis gaan,... Bv. een reis naar het buitenland zorgt voor problemen
   met de medische adviseur.

 4.  Levensfase.
 ---------------

 Als een jonge man ziek wordt die net een huis gekocht heeft, zorgt dat voor
 implicaties.

 -> bv. puberteit.
 Structuur maakt dat ze moeten helpen.
 Wat is verzorging voor hen? Ze moeten thuisblijven en hebben zo geen contact
 meer met leeftijdsgenoten. Hierdoor gaan hun waarden en levensfase verloren.

 Werking op de afdeling PSR.
 ---------------------------

 1.  Info-avond
 2.  Familie gesprekken
 3.  Familie discussiegroepen

 1.  Info-avond.
 ---------------

 Deze vindt eenmaal per maand plaats in het PME en dient om de werking van
 de afdeling uit te leggen.

 Specifieker naar onevenwichten toe.

 2.  Familie gesprekken.
 -----------------------

 -  Wat gebeurt er rond de verschillende aspecten?
    (structuur, relaties, waarden, levensfase)
 -  Partners, kinderen
 -  Evenwichten creeren.
    Bv. Een dochter van 16 jaar moet zich niet meer schuldig voelen als
    ze eens weggaat en de zieke achterlaat.

 3. Familie discussiegroep.
 --------------------------

 -  Dit is eigenlijk een combinatie van 1 en 2. Men werkt hier met
    4 a 5 families.
 -  Er wordt nagegaan hoe het met de families zit.
    Wij kunnen geen oplossingen geven als hulpverlener, wel
    interventie-technieken.
 -  Er komen veel vragen naar boven, de families helpen elkaar.
    Vaak zijn ze geisoleerd in hun buurt.
 -  Ze herkennen zich vaak in elkaar.
    Ze leren ook van andere families

 Structuur van de groep:
 -----------------------

 - 1 jaar doorwerken
 - max. 8 a 10-tal sessies.
 - In Belgie gaat men niet selectief te werk.
   bv. in Amerika wel, men richt zich tot:
        * geisoleerde families
        * heel zware problematiek
 - families komen alleen, de patient heeft het al moeilijk genoeg.
 - Er geldt medisch geheim in de groep.
   Dit wordt afgesproken bij de eerste sessie.
   Alles blijft binnen de 4 muren.
 - Kinderen kunnen deelnemen vanaf 6 jaar.


 Bronvermelding
 --------------

 BLOCKMANS D.,
 Persoonlijke mededeling U Z Gasthuisberg K.U. Leuven.. 1997.

 FINLAY L., ZINKSTOK R.,
 Ergotherapie in de psychiatrie..
 tweede druk, Lemma, Utrecht, 1995, 2O3p.

 GOEDSEELS K., PIETERS G.,
 het chronische vermoeidheidssyndroom:
 een cognitief-gedragstherapeutische benadering,
 Gedragstherapie 1996, 29(3): 181-199.

 GODDERIS J., IGODT P.,
 Beginselen der psychiatrie en psychiatrische kliniek
 herdruk 1992-1993, uitgeverij acco Leuven, 167 p.: p. 60.

 LIARARI D.; GLAS G.,
 Chronische moeheid, testcase voor de geneeskunde,
 tijdschrift, Psychiatrie, 1994, 1: 49-63.

 KOMAROFF A.L.,
 Clinical Presentation and evaluation of fatigue and chronic fatigue syndrome,
 in Strauss S.E. (ed.), 1994; Chronic fatigue syndrome, New York:
 Marcel Dekker, 461 p.: 61-84.

 MICHIELSEN W.; VAN MOFFAERT M.,
 het chronische vermoeidheidssyndroom: een psychosomatische visie,
 tijdschrift voor geneeskunde, 1991, 47(2 1): 1425-1430.

 NEERINCKX E.,
 het chronische vermoeidheidssyndroom,
 1996, 23 p., (Leuven: U.Z. Pellenberg;
 voorstelling van het C.V.S. d.m.v. slides).

 SHARPE MC, e.a.,
 Follow up of patients presenting with fatigue to an
 infectious diseases clinic,
 Britisch Medical JournaL 1992, 305, p. 147-152.

 SHORTER E.,
 Chronic fatigue in historical perspective,
 in Bock G.; Whelan J. (eds), 1993, chronic fatigue syndrome
 Ciba Foundation symposium 173, Chichester: Wiley and sons, 357 p. : 6-22.

 VAN DE GUCHT, PROF. DR. B. FISCHLER,
 'somatisatie',
 Axon, januari 1998.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 het chronische vermoeidheidssyndroom: visie van een liaison-psychiater,
 Tijdschrift voor geneeskunde, 1991 47(21):1431-1439.

 VAN HOUDENHOVE B.;
 Moderne Psychosomatiek,
 theorie en praktijk van het bio-psychosociale ziektemodel,
 Streven. mei 1992.

 VAN HOUDENBOVE B., FISCHLER B., NEERINCKX E., VAN HOUDENHOVE L.;
 Het CVS : eindpunt van een multifactorieel proces, 1994.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 Chronische pijn chronische vermoeidheid een indicatie voor
 'psychosomatische revalidatie',
 1996, 24 p., (Leuven : Universitaire Ziekenhuizen K.U. Leuven,
 Psychosomatische Revalidatie Afdeling; informatief).

 VAN HOUDENHOVE B.; NEERINCKX E.;
 Een actuele visie op het chronische vermoeidheidssyndroom
 Diagnostiekwijzer, 1996.

 VAN HOUDENBOVE B., VASQUEZ G., GOOSSENS L., VANDEPUT C.;
 De psychosomatische revalidatie-afdeling:
 concept, werking, en eerste evaluatie,
 Tijdschrift voor Geneeskunde 1996, 52(3):189-197.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 Lichamelijke ziekte en Psychiatrische Stoornissen,
 Tijdschrift voor geneeskunde, 1997, 53(16), p. 1059-1062.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 Psychosomatiek, modellen; strategieen perspectieven,
 Apeldoorn, Leuven, 1997, 116 p.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 Ziek zijn zonder ziekte
 Lannoo, Tielt; 1998, 167p.

 VAN HOUDENHOVE B.,
 Patienten met CVS : Hoe evalueren? Hoe behandelen? Hoe ermee omgaan?,
 Ongepubliceerd werk.

 WESSELY S.,
 The history of chronic fatigue syndrome,
 in Strauss S.E. (ed.), 1994, Chronic fatigue syndrome ,
 New York: Marcel Dekker, 461 p. : 3-44.