Het chronisch vermoeidheidssyndroom – Bleijenberg
Gijs Bleijenberg, Marieke Gielissen en Hans Knoop
Psychopraxis, 08 (2006), p. 104-110
Inhoud
a.. Oorzaken en symptomen
b.. Diagnostiek en evaluatie
c.. Behandeling
d.. Tot slot
e.. Geselecteerde literatuur (een uitvoerige literatuurlijst is in de oorspronkelijk
bijdrage te vinden):
Het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) is een aandoening, waarbij ernstige
vermoeidheid gepaard gaat met aanzienlijke beperkingen in het
dagelijks functioneren, zonder dat een lichamelijke verklaring gevonden is.
Het syndroom moet niet verward worden met de chronische vermoeidheid bij een chronische
ziekte of kanker (zie kader 1 en 2). Bij CVS gaat het om een
veelheid van klachten. Naast een overheersend gevoel van totale uitputting, zijn
er vaak concentratie- en geheugenklachten, slaapklachten, spier- en
gewrichtspijnen. Bijna altijd is er sprake van een vermindering van lichamelijke
activiteiten. Gewone fysieke activiteiten, zoals het huishouden
doen, geven problemen en vaak stopt de patient met sporten. De vermoeidheid heeft
veelal gevolgen voor de sociale contacten, zoals op bezoek gaan of
bezoek ontvangen. Veel CVS patienten werken niet meer of slechts deeltijds.
Omdat de betrokken patient er niet direct 'ziek' uitziet, is er vaak onbegrip
vanuit de omgeving, soms ook vanuit artsen. Bij patienten met CVS
is er sprake van veelvuldig doktersbezoek en medicijngebruik.
1 Vermoeidheid na kanker
Vermoeidheid na behandeling van kanker komt bij 30-50% van de patiënten voor.
De eerste jaren kan hierin nog verbetering optreden.
Vermoeidheidsklachten komen wel minder vaak voor bij patiënten bij wie de behandeling
kort heeft geduurd, zoals bij chirurgische behandelingen zonder
complicaties en nabehandelingen. Waarschijnlijk ontstaan de vermoeidheidsklachten
net voor of tijdens de behandeling van kanker.
Verschillende factoren kunnen hierbij een rol spelen, zoals de aard van de behandelingen
(operatie, chemotherapie, radiotherapie), de invloed van de
tumor op andere organen, of bloedarmoede. Ook psychologische factoren, zoals angst
en depressie en de belasting van het veelvuldig reizen en wachten op
behandeling, kunnen bijdragen aan vermoeidheid. Verwerkingsproblematiek,angst
voor recidief, depressieve klachten, pessimistische gedachtegang, lage
self-efficacy, slaapproblematiek, interacties met de sociale omgeving, en zowel
over- als onderactiviteit kunnen de vermoeidheid instandhouden.
Het Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid heeft op grond van onderzoek
een vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT) ontwikkeld, die
vooral gericht is op deze instandhoudende factoren. Door de grote verschillen
tussen vermoeide ziektevrije kankerpatiënten is de CGT sterk
geïndividualiseerd. Eerst wordt met meetinstrumenten onderzocht welke instandhoudende
factoren een rol spelen bij een patiënt en welke
therapiemodulen aan de orde moeten komen. Op basis van normgegevens kan vervolgens
worden vastgesteld of er sprake is van een problematische score.
Zo wordt voor elke patiënt een individueel behandelplan gemaakt, bestaande uit
één of meer modules. Buiten behandelmodulen die ook voor CVS worden
toegepast (zie verder in tekst) zijn er aspecten die specifiek gelden voor vermoeidheid
na kanker. Het doel is dat de patiënt zijn ziekte en de
behandeling die hij hiervoor heeft ondergaan, een plaats kan geven in zijn leven.
Dit houdt in dat hij er niet meer voortdurend mee bezig is, maar dat
het als een herinnering in zijn verleden ligt. Om dit te bereiken wordt uitvoerig
met de patient besproken wat hij heeft meegemaakt (gelijkt op
exposure), aangevuld met schrijfoefeningen en/of gesprekken met belangrijke anderen.
Het doel is dat bij de ziektevrije patiënt de angst voor terugkeer
van kanker niet meer overheerst. Hiertoe worden de gedachten hierover geëxpliciteerd
en getoetst aan wat er door de arts tegen patiënt gezegd is.
Deze realiteitstoetsing, naast het leren leven in het 'nu', kan de patiënt helpen
te relativeren en de angst voor een recidief te verminderen.
Specifiek is dat de patient ophoudt de vermoeidheid toe te schrijven aan kanker
of de behandeling ervan. Hier hoort uitleg bij dat ziekte- en
behandelingskarakteristieken niet meer van invloed blijken te zijn op de huidige
vermoeidheid. Bij sommige vermoeide ziektevrije kankerpatiënten is
sprake van een irreele verwachting ten aanzien van de omgeving. Zij vinden dat
de omgeving rekening met hen moet houden omdat ze zoiets ernstigs hebben
meegemaakt. De patient leert na bespreking hiervan een andere houding aan te nemen.
Ook de partner wordt hierbij betrokken.
2 Vermoeidheid bij multiple sclerose
Sommige onderzoekers maar ook patiënten denken dat vermoeidheid bij multiple sclerose
(MS) een direct gevolg is van de ziekte zelf. Toch is dat bepaald
niet zeker. Er wordt tot nu toe vaker geen verband tussen vermoeidheid en afwijkingen
in de hersenen gevonden dan wel. Self-efficacy is in elk geval
een belangrijke factor: hoe negatiever hoe groter de vermoeidheid.
Slaapstoornissen, depressie en waarschijnlijk een laag niveau van lichamelijke
activiteit dragen bij aan vermoeidheid. De vermoeidheid is
groter als de lichamelijke klachten variabeler zijn. Hoe groter de vermoeidheid
hoe groter de kans op slechter functioneren in de nabije toekomst.
Het antiviraal middel amantadine blijkt in diverse studies een matig effect op
de vermoeidheid bij MS te hebben. Er bestaat momenteel nog geen
gedragsbehandeling voor vermoeidheid bij MS met voldoende bewijs van effectiviteit.
Een oefenprogramma ('Exercise therapy') lijkt het meest
belovend. Deze vorm van therapie bestaat gewoonlijk uit een 10-15 weken durend
programma om fysieke fitheid te verbeteren bij MS patienten. Met name
een langerdurende vorm van deze therapie kan nuttig zijn voor verbetering van
spierkracht, inspanningstolerantie en verbetering van het functioneren
vooral op het gebied van bewegen. Waarschijnlijk moet deze aanpak aangevuld worden
met cognitieve therapie (gericht op verbetering van de negatieve
self-efficacy) om voldoende effect op vermoeidheid te bewerkstelligen. Omdat slaapstoornissen
en depressie bijdragen aan vermoeidheid zouden deze ook
aandacht moeten krijgen in een volwaardig behandelprogramma voor vermoeidheid
bij MS.
Oorzaken en symptomen
Vermoeidheid is de belangrijkste klacht bij CVS en een allesoverheersende ervaring
die bepalend is voor het functioneren. Internationaal zijn er
diagnostische criteria overeengekomen en deze spreken van ernstige vermoeidheid,
langer dan zes maanden aanwezig, die niet herstelt met rust en
niet het gevolg is van overmatige inspanning, terwijl een somatische verklaring
ontbreekt. Er zijn altijd bijkomende klachten, waarvan de patiënt
er vier moet hebben om van CVS te spreken: spierpijn, gewrichtspijn, keelpijn,
hoofdpijn, concentratiezwakte en vergeetachtigheid, gevoelige
lymfeklieren, uitputting na inspanning, en niet uitgerust wakker worden.
Het natuurlijk beloop van CVS is ongunstig. De kans op spontaan herstel is ongeveer
5%. Vaker gaat het om vermindering van klachten of afname van
beperkingen zonder dat van herstel gesproken kan worden. Als de klachten korter
dan twee jaar bestaan is de kans op spontaan herstel groter dan
daarna.
De oorzaken van CVS zijn nog steeds niet duidelijk. Onderzoek laat enkele veelbelovende
ontwikkelingen zien. Met name zijn er hersendisfuncties
gevonden die op termijn meer duidelijkheid kunnen geven over het neurobiologisch
substraat van de klachten. Het is echter nog onduidelijk in
hoeverre de gevonden afwijkingen oorzaak dan wel gevolg van CVS zijn. Een verstoorde
perceptie lijkt een centrale rol te spelen bij CVS. Er bestaat
soms een discrepantie tussen de beperkingen die patiënten zelf rapporteren en
hun daadwerkelijke prestaties. Ook de perceptie van lichamelijke signalen
lijkt verstoord in CVS. Patiënten lijken eerder geneigd alledaagse lichamelijke
verschijnselen toe te schrijven aan somatische afwijkingen. De
verstoringen in de perceptie leiden tot afname van (fysieke) activiteiten, die
vervolgens mede de klachten in stand houdt.
Het is zinvol gebleken een onderscheid te maken tussen faciliterende of voorbeschikkende
factoren, uitlokkende en instandhoudende factoren. Voor
lichamelijke inactiviteit is in meer dan één studie aangetoond dat deze het ontstaan
van CVS kan faciliteren. Zo blijkt inactiviteit voorafgaand aan de
ziekte van Pfeiffer (klierkoorts) een faciliterende factor voor het ontstaan van
CVS. Voorbeelden van uitlokkende factoren zijn een infectie, operatie of
verlies van werk. Dus zowel somatische als psychosociale stressoren kunnen uitlokkers
zijn. Psychologische processen en gedrag spelen een belangrijke
rol bij de instandhouding van klachten. Deze bestendigende factoren zijn beïnvloedbaar
waardoor behandelingsmogelijkheden ontstaan. Een lage
selfefficacy van de patiënt - het idee geen invloed te hebben op de klachten -
versterkt de vermoeidheid. Het toeschrijven van klachten aan
lichamelijke oorzaken (somatische attributie) remt de lichamelijke activiteit
waardoor beperkingen toenemen. Bovendien leidt een afname van
lichamelijke activiteit tot grotere vermoeidheid. Metingen laten zien dat vrijwel
alle CVS patienten minder fysiek actief zijn dan gezonden. Een
sterke lichaamsgerichtheid houdt eveneens de vermoeidheid in stand en gaat
samen met een toename van beperkingen. Gebrek aan erkenning van klachten en
gebrek
aan sociale steun zijn belangrijke instandhoudende factoren.
Diagnostiek en evaluatie
Eerst wordt de diagnostiek van chronische vermoeidheid besproken met behulp van
meetinstrumenten en anamnese, bruikbaar voor alle typen chronische
vermoeidheid. Daarna komen enkele specifieke aspecten van diagnostiek bij CVS
aan bod.
Meten van vermoeidheid
Voor het vaststellen van de ernst van vermoeidheid kan men niet zonder een instrument,
zoals de Checklist Individuele Spankracht (CIS) en de Verkorte
VermoeidheidsVragenlijst (VVV). Om onderzoeken onderling te vergelijken wordt
het gebruik van deze instrumenten aanbevolen door VNO-CHROVER (Vlaams
Nederlandse Onderzoekersoverleg CHRonische VERmoeidheid). De CIS en VVV zijn ook
voor de klinische praktijk geschikt. Gestandaardiseerde
dagboekregistraties kunnen een extra hulpmiddel zijn om vermoeidheid in kaart
te brengen. Een dergelijke registratie wordt door de patiënt gedurende
twee weken bijgehouden, waarbij vier keer per dag het activiteitenniveau en de
mate van vermoeidheid aangegeven wordt op een schaal van 0 tot 4.
Beperkingen
Beperkingen kunnen worden bepaald met behulp van de Sickness Impact Profile (SIP)
of de RAND/SF 36.
Van de SIP zijn de volgende acht subschalen zinvol gebleken bij patiënten met chronische vermoeidheid: huishouden, mobiliteit, alertheid, slapen/rusten, sociale interacties, werk, lopen, en recreatie en vrije tijd.
VNO-CHROVER adviseert in ieder geval de RAND-36, subschalen fysiek
functioneren en sociaal functioneren, te gebruiken. Het voordeel van
de RAND is de korte afnametijd. Met de genoemde instrumenten kunnen ook veranderingen
vastgesteld worden. Bij patienten met chronische vermoeidheid
en tevens een chronische ziekte is het lastig te bepalen welke beperkingen een
gevolg zijn van de ziekte en welke een gevolg van de vermoeidheid. Soms
kan het helpen de patient te vragen retrospectief in te vullen hoe de situatie
was voordat de vermoeidheidsklachten ontstonden.
Anamnese als hulpmiddel
De anamnese kan gebruikt worden om afname in het huidige functioneren vast te
stellen ten opzichte van de situatie vóór de vermoeidheidsklachten.
Hiertoe vraagt men de patiënt gedetailleerd (als ware het een video-opname) de
activiteiten van een dag te beschrijven, bij voorkeur de dag van
gisteren. Vervolgens vergelijkt men deze dag met het dagelijks leven voor aanvang
van de vermoeidheid. Een bijkomend voordeel van een dergelijke
anamnese is dat de patiënt zich serieus genomen voelt omdat de hulpverlener zijn
klachten en beperkingen concretiseert.
Vermoeidheidscognities
Voor het meten van zelfeffectiviteit - het gevoel vat te hebben op het eigen functioneren
- kan de Self Efficacy Schaal gebruikt worden. Om
catastroferende opvattingen omtrent de vermoeidheid te meten wordt de Fatigue
Catastrophizing Scale gebruikt, afgeleid van de Pain Catastrophizing
Scale.
Slaapproblemen
Het gestandaardiseerde dagboek wordt gebruikt om slaapproblemen in kaart te brengen.
Gedurende twee weken worden slaap- en rusttijden, en de kwaliteit
van de slaap genoteerd. Ook het ontbreken van vaste beden opstatijden, kan zo
vastgesteld worden. De bekende Symptom Check List (SCL-90) heeft ook een
schaal die de kwaliteit van de slaap meet.
Lichamelijk activiteitenniveau
Door tijdens de anamnese lichamelijke activiteiten, zoals trappen lopen, buiten
lopen en fietsen, concreet na te vragen kan men een inschatting maken
van het lichamelijke activiteitenniveau. Een dagboek waarin van uur tot uur alle
activiteiten bijgehouden worden geeft ook een tamelijk nauwkeurig beeld
van het activiteitenniveau. De actometer wordt gebruikt om het niveau van feitelijke
bewegingsactiviteit te meten. Dit apparaatje, zo groot als een
luciferdoosje, wordt veertien dagen dag en nacht om de enkel gedragen en registreert
het aantal bewegingen. De gegevens worden ontleed met behulp van
software die verschillende parameters kan berekenen en de data ook grafisch weergeeft.
Psychisch onwelbevinden en depressie
De SCL-90 wordt gebruikt om de mate van psychisch welbevinden vast te stellen. Patiënten
die hulp zoeken voor somatische klachten zoals
vermoeidheid hebben altijd een verhoogde score op de SCL-90. Een totaalscore boven
de 200 wijst op psychopathologie. De primary care versie van de Beck
Depression Inventory (BDI) is geschikt om de mate van depressiviteit bij vermoeiden
vast te stellen. In deze versie worden zeven cognitieve en
affectieve items gebruikt uit de volledige BDI, waardoor een overschatting van
depressie bij chronische vermoeiden wordt voorkomen. Een score van 4 of
hoger is een indicatie voor een klinische depressie.
Sociale steun en sociale interacties
Met de Van Sonderen Social Support Inventory worden ervaren sociale steun, discrepantie
tussen gewenste en ervaren steun, alsmede negatieve interacties
vastgesteld. De uitkomsten geven een indicatie van het belang van de sociale omgeving.
Diagnostiek bij CVS
Om de diagnose CVS te stellen moet antwoord gegeven worden op de volgende vier
vragen:
1.. Is er sprake van ernstige vermoeidheid?
2.. Gaan de klachten gepaard met ernstige beperkingen in het beroepsmatig,
sociaal en/of persoonlijk functioneren?
3.. Is een somatische verklaring voor deze klachten uitgesloten?
4.. Bestaan de klachten en beperkingen tenminste zes maanden?
Pas als alle vier de vragen positief beantwoord worden, kan de diagnose CVS worden
gesteld. Voor het eerste en tweede criterium kunnen bovenbeschreven
meetinstrumenten gebruikt worden. Vraag 3 impliceert dat alleen een arts de diagnose
CVS kan stellen. Om vast te stellen of er geen lichamelijke
verklaring is voor de moeheid en andere gerapporteerde klachten kunnen verschillende
richtlijnen gebruikt worden. Een klachtenduur korter dan zes
maanden heeft vaak een gunstig beloop. De diagnose CVS mag pas na zes maanden
gesteld worden. Psychiatrische stoornissen die een verklaring kunnen
zijn voor de aanhoudende vermoeidheid moeten worden uitgesloten. De diagnose CVS
mag niet gesteld worden als sprake is van verslavingsproblematiek,
anorexia nervosa, bipolaire stoornis of psychotische stoornis. In de praktijk
kan het soms moeilijk zijn een depressieve stoornis en CVS van
elkaar te onderscheiden. Bij een depressie zijn de depressieve gevoelens vaak
eerder begonnen dan de vermoeidheid. In reactie op de chronische
vermoeidheid ontstaan soms ook depressieve klachten, maar staan toch de frustratie
en het verdriet over het 'niet kunnen, maar wel willen' centraal.
Bij depressie staan interesseverlies, onvermogen tot genieten, schuldgevoelens
en soms ook gedachten aan suïcide op de voorgrond. Een
depressieve stoornis reageert vaak goed op antidepressiva, CVS niet.
Een paniekstoornis zowel met als zonder agorafobie gaat vaak samen met forse vermoeidheidsklachten.
Dit kan soms lijken op CVS. Bij de paniekstoornis is
de heftige, kortdurende angstaanval het beginpunt en volgt de vermoeidheid later.
Verder is er sprake van angst voor de paniekaanvallen. Deze angst kan
patiënten volledig in beslag nemen, samengaand met vermijding van activiteiten.
Bij CVS is ook sprake van een lager activiteitenniveau, maar
niet uit angst voor paniekaanvallen.
Behandeling
Cognitieve gedragstherapie (CGT) en graded exercise therapy (GET) zijn effectief
gebleken behandelingen voor CVS. Binnen GET gaat het om
systematische opbouw van de fysieke conditie, meestal met aerobic oefeningen.
Men spreekt van graduele activiteitenopbouw als het louter gaat
om systematische opbouw van (ook minder inspannende) lichamelijke activiteiten.
De verbetering in het functioneren na GET blijkt niet samen te
hangen met verbetering van de fysieke conditie, maar met verandering in opvattingen.
Vooral een verminderde gerichtheid op lichamelijke symptomen
gaat samen met een positieve respons op GET. In CGT wordt zowel aandacht besteed
aan een systematische graduele activiteitenopbouw als aan
verandering van opvattingen omtrent vermoeidheid. Patiënten met een negatieve
self-efficacy en sterke lichaamsgerichtheid hebben een kleinere
kans op een goed behandelresultaat. Ook zijn er aanwijzingen dat extreme pijnklachten
evenals somatische co-morbiditeit de respons op behandeling
negatief beïnvloeden. In het navolgende beschrijven we beknopt het CGT-behandelprotocol
voor CVS.
Doel van behandeling
Het doel is herstel: de patiënt is niet langer extreem moe en in staat zijn bezigheden
te hervatten. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling 'te leren
omgaan met vermoeidheid'. Streven is dat de persoon na behandeling kan zeggen
dat hij geen CVS patiënt meer is. Bij aanvang van de therapie wordt
zo concreet mogelijk geformuleerd wat herstel inhoudt. De activiteiten die de patiënt
wil doen als er geen sprake meer is van CVS, vormen de doelen van
de behandeling. Herstel impliceert ook dat patiënten niet langer gebruik maken
van ziektewet of WAO. Acceptatie van deze consequenties van de
behandeling door de patiënt is een voorwaarde om herstel te bereiken. Bij de patiënt
dringt de opvatting door: herstel van CVS is mogelijk.
Slaap-waakritme
Veel CVS patiënten slapen of rusten overdag. Dit verstoorde slaap-waakritme houdt
vermoeidheid in stand en is een belemmerende factor om tot herstel te
komen. Daarom is het van belang dat vanaf het begin van de behandeling een regelmatig
slaap-waakpatroon ontstaat, met vaste tijden van opstaan en
naar-bed-gaan. Patiënten slapen en liggen overdag niet meer.
Activiteitenregulatie en beïnvloeding van cognities
Activiteitenopbouw is een centraal element van de behandeling. Hoe deze opbouw
wordt bereikt hangt af van het lichamelijk activiteitenpatroon van de
patiënt. Er zijn twee typen patiënten: de relatief actieve patiënt en de laag
actieve patiënt. Beiden hebben gemiddeld een lager niveau van
lichamelijke activiteit vergeleken met gezonden, maar het patroon verschilt.
De laag actieve patiënt onderneemt nauwelijks bewegingsactiviteiten, vaak uit
angst voor toename van de klachten. De relatief actieve patiënt
daarentegen is, zodra hij maar enigszins kan, lichamelijk actief. Deze 'uitbarstingen'
van lichamelijke activiteit hebben vaak een forse toename in
vermoeidheid tot gevolg met als reactie daarop zich extra rustig houden. Een relatief
actieve patiënt leert eerst zijn activiteiten zodanig te verdelen
dat hij niet langer excessief moe is. Vervolgens wordt gestart met systematische
activiteitenopbouw. De laag actieve patiënten begint hier
direct mee. De opbouw van activiteiten gebeurt steeds tijdcontingent en niet afhankelijk
van de mate van vermoeidheid.
Cognities spelen een belangrijke rol bij het al of niet lichamelijk actief zijn.
Laag actieve patiënten hebben vaak opvattingen waarbij de angst voor
klachttoename centraal staat. Relatief actieve patiënten hebben vaak moeite om
te accepteren dat zij ernstig vermoeid zijn en hebben opvattingen die
klachten versterken (bijvoorbeeld 'ik moet dit toch kunnen'). Wanneer catastroferende
gedachten een rol spelen, kunnen hier meer realistische en
helpende gedachten tegenover worden geplaatst. Niet helpende gedachten die de patiënt
vooral machteloos maken, worden met behulp van cognitieve
technieken zoals socratische dialogen omgebogen tot meer helpende gedachten die
zelfwerkzaamheid en een positieve self-efficacy bevorderen. De behaalde winst
uit de activiteitenopbouw wordt gebruikt om planmatig en stapsgewijs weer tot
volledige werkhervatting te komen en/of andere doelen te bereiken.
Lichaamsgerichtheid
Minder letten op signalen van het lichaam en deze signalen
gaan zien als normale verschijnselen is een belangrijke doelstelling van de
behandeling.
Daarom wordt door de therapeut na de diagnostische fase niet meer gevraagd om
de mate van vermoeidheid te registreren. Ook tijdens de behandeling wordt
hier niet meer naar gevraagd. Patiënten leren daardoor naarmate de behandeling
vordert hierop minder te letten. Dit zal ertoe leiden dat zij
vermoeidheid gaan zien als een normaal verschijnsel dat regelmatig zal blijven
voorkomen, ook als zij geen CVS meer hebben. Dit betekent dat de
betekenis van vermoeidheid op den duur gaat veranderen. Vermoeidheid is niet langer
meer iets frustrerends of beangstigends, maar een tijdelijk
verschijnsel dat soms zelfs aangenaam kan zijn.
Omgeving
De kernvraag voor de behandelaar is hoe de omgeving van de patiënt niet belemmerend
maar steunend kan zijn bij het bereiken van herstel. Soms
betekent dit dat de omgeving niet langer activiteiten uit handen neemt. In andere
gevallen helpt de omgeving de patiënt om activiteiten beter te
verdelen door tijdelijk verantwoordelijkheden over te nemen. In een vroeg stadium
wordt een werk hervattingsplan gemaakt en besproken met bedrijfsarts
en werkgever alvorens tot uitvoer te worden gebracht.
Voorwaarden en contra-indicaties voor therapie
Patiënten die verwikkeld zijn in een beroepsprocedure omtrent een arbeidsongeschiktheidsuitkering
blijken niet te herstellen. Enerzijds
aantonen dat men ziek is en anderzijds werken aan herstel gaan moeilijk samen.
Het heeft dan ook geen zin gedurende een dergelijke procedure te
starten met CGT.
Patiënten mogen niet tegelijkertijd een andere behandeling (medicamenteus,
alternatief of anderszins) voor CVS volgen. In dergelijke
gevallen zal het welslagen van de CGT waarschijnlijk toegeschreven worden aan
de andere behandeling, waardoor volledig herstel en zichzelf niet meer
als CVS patiënt beschouwen onmogelijk worden.
3 Ontwikkelingen in de behandeling van CVS
CGT is een effectieve behandeling voor CVS, maar het is slechts deels bekend welke
nu precies de werkzame onderdelen van de behandeling zijn. De stoornis
in de zelfperceptie lijkt centraal te staan in CVS en alleen als de perceptie
van vermoeidheid en de relatie tussen activiteit en klachten
veranderen, lijkt herstel op te treden. Procesonderzoek geeft mogelijk meer inzicht
in hoe de verandering in de perceptie van de patiënten verloopt. Zo
worden de noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor herstel van CVS duidelijk
en kan wellicht een effectievere behandeling ontworpen worden. Een
tweede ontwikkeling in de behandeling van CVS, waarbij ook het procesonderzoek
behulpzaam kan zijn, is het individualiseren van het
behandelprotocol op soortgelijke wijze als bij de behandeling van vermoeidheid
na kanker (zie kader 1).
Cognitieve gedragstherapie voor CVS is slechts beperkt beschikbaar in Nederland.
Het uitbreiden van de behandelcapaciteit is dan ook noodzakelijk.
Tegelijkertijd lijken er ook mogelijkheden te zijn om met minder intensieve behandelvormen
(bijvoorbeeld groepsbehandeling of zelfinstructies) goede
resultaten te bereiken. Als de effectiviteit van deze therapievormen is aangetoond,
kan inzet hiervan de behandeling voor een grotere groep
patiënten bereikbaar maken.
Tot slot
Een belangrijke onderzoekstaak voor de toekomst is te achterhalen welke factoren
bepalen of iemand chronisch moe wordt. Voor vermoeidheid met een
duidelijk beginpunt is dit gemakkelijker dan voor de andere typen vermoeidheid.
Onderzoek naar de mogelijkheden om vermoeidheid tijdens de
behandeling van kanker zoveel mogelijk te verminderen en patiënten te leren hoe
vermoeidheid op langere termijn te voorkomen is gaande. Het handhaven of
herstellen van een goede lichamelijke conditie is hierbij één van de te beïnvloeden
factoren.
Geselecteerde literatuur (een uitvoerige literatuurlijst is in de oorspronkelijk
bijdrage te vinden):
1. Bleijenberg G ea (2001) Chronisch vermoeidheidssyndroom
(praktijkreeks Gedragstherapie). Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum
2. Bower JE
ea (2000) Fatigue in breast cancer survivors:
occurrence, correlates, and impact on quality of life. Journal of clinical
oncology 18: 743-753
3. Cairns R & Hotopf M (2005) A systematic review describing the
prognosis of chronic fatigue syndrome. Occupational medicine 55: 20-31
4. Gezondheidsraad (2005) Het chronische-vermoeidheidssyndroom. Den
Haag: Gezondheidsraad, publicatie nr 2005/02
5. Kroencke DC ea (2000) Fatigue in
multiple sclerosis: Relationship
to depression, disability, and disease pattern. Multiple sclerosis 6:
131-136
6. Mahurin RK ea (2004) Cognitive processing in monozygotic twins
discordant for chronic fatigue syndrome. Neuropsychology 18: 232-239
7. Prins JB ea (2006) Chronic fatigue syndrome (review). Lancet 367:
346-355
8. Rietberg MB ea (2005) Exercise therapy for multiple sclerosis.
Cochrane database systematic review, 25(1)
9. Servaes P ea (2002) Literature review: Fatigue in cancerpatients
during and after treatment: prevalence, correlates and interventions.
European journal of
cancer 38: 27-43
10. Vree de B ea (2002) Meetinstrumenten bij chronische
vermoeidheid. Gedragstherapie
35: 157-164
11. Whiting P ea (2001) Interventions for the treatment and
management of chronic fatigue syndrome: A systematic review. Journal of the
American Medical Association 286: 1360-1368
Copyright 2006, Bohn Stafleu van Loghum, Houten