Nieuwe hypothese voor het ontstaan van het Chronisch vermoeidheidssyndroom?

 

Hypothese Prof. Martin PALL

 

Bron: Referenties(1-14)RijksUniversiteit Washington - Faculteit: Moleculaire Biowetenschappen (Ref.:15) De inhoud is enkel ter informatie. Elk voorstel tot behandeling dient met uw eigen arts besproken. Vertaling, verwerking en opzoeking: : Roger Deneweth

 

Prof. Martin Pall is hoogleraar in de Biochemie en Medische Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit, Pullman, Washington U.S.A.

 

 

Dr. Pall kreeg zelf de diagnose CFS (Fucuda criteria 1994) na een ernstige varicella-zoster

virus-infectie. Na een periode van bedlegerigheid kon hij zijn onderwijsopdracht nog minimaal volbrengen, dank zij het inschakelen van veel ziekteverlof en te leven van dag tot dag, zoals zovele CFS-patiënten.

Na anderhalfjaar zelfmedicatie met vooral anti-oxidanten en dieetvoeding, die hij thans nog steeds verder zet, beschouwt Dr. Pall zich thans als volledig genezen. Het was nochtans pas na het daadwerkelijk herstel van zijn ernstige cognitieve stoornissen dat hij zichzelf tot taak heeft kunnen stellen tot het doorgronden van CFS.

De laatste jaren is zijn wetenschappelijk onderzoek dan ook volledig gericht op een theorie die hij heeft ontwikkeld over de oorzaak (etiologie) van het Chronisch Vermoeidheidssyndroom en overlappende en gerelateerde ziektetoestanden zoals 'Meervoudige chemische overgevoeligheid' (MCS, multiple chemical sensitivity), 'Post-traumatisch stress-syndroom' (PTSD) en fibromyalgie (FM).

 

De hypothese van Prof. Martin Pall

Deze theorie, gepubliceerd door Prof. Martin Pall, in een serie publicaties (Ref.: 1 -7) geeft een

verklaring (hypothese ?) voor het ontstaan van het chronische vermoeidheidsyndroom (ME, CFS) en wordt gestaafd met tal van biochemische en fysiologische waarnemingen waarvan er een aantal tot nu toe niet verklaard konden worden. Een aantal belangrijke vragen binnen dit syndroom krijgen een antwoord.

Zijn theorie start met de waarneming dat allerlei stressoren, zoals infecties, blootstelling aan bepaalde chemicaliën, een fysisch of psychisch trauma... altijd voorafgaan aan het ontstaan van CFS en het verwante fibromyalgie.

Infecties induceren een sterk verhoogde productie aan ontstekingen veroorzakende inflammatoire cytokinen, die op hun beurt het stikstofoxyde-svnthase (INOS) induceren. Dit enzym maakt op zijn beurt grote hoeveelheden stikstof oxyde vrij. (Ref.:1)

Fysische en ernstige psychische trauma's, alsook blootstelling aan bepaalde chemische stoffen induceren in het lichaam tevens verhoogde hoeveelheden stikstofoxide (Ref.:2,7,14)

Hypoxie (zuurstofgebrek enlof gestoord zuurstoftransport) in de weefsel cellen verhoogt de hoeveelheden superoxide in het lichaam (Ref.:2)

 

Deze beide vrije radicalen stikstofoxide en superoxide gaan met elkaar een reactie aan om het zeer sterke oxidant peroxynitriet te vormen (zie Fig. 1)

 

Peroxynitriet werkt via zes bekende biochemische wegen die de hoeveelheid stikstofoxide en superoxide verder laten toenemen en die zo nog meer peroxynitriet laten vormen. (Fig 1) Als op deze wijze de spiegel van peroxynitriet eenmaal verhoogd is, zal dit mechanisme deze spiegel verhoogd houden en op deze wijze een vicieuze cirkel in stand houden (Ref. 1).

Deze vicieuze cirkel met verhoogd Deroxvnitriet wordt door Prof. Pall aangewezen als centrale oorzaak voor CFS.

Volgens de theorie moet deze reactie keten doorbroken kunnen worden om het chronische vermoeidheidssyndroom effectief te kunnen behandelen.

 

 


 

 

 


Twaalf specifieke waarnemingen bij het chronische vermoeidheidsyndroom onderbouwen deze theorie:

 

1. De concentratie van neopterine, een marker voor de inductie van het induceerbare stikstofoxide-synthase is verhoogd in CFS-patiënten (Ref. 1).

 

2. Mitochondria (energiecentrales van de cellen) werken niet of heel slecht bij CFS-patiënten. Het is bekend dat mitochondria door het peroxynitriet en stikstofoxide worden aangevallen en hierdoor hun functie verliezen (Ref. 1).

3. Zowel het cis-aconitinezuur als barnsteenzuur zijn verhoogd in CFS-patiënten. De enzymen die deze verbindingen moeten metaboliseren worden door peroxynitriet geïnactiveerd (Ref. 1).

 

4. De vier ontstekingsreacties veroorzakende cytokinen (TNF-α, IL-6, IFN-γ, IL-1 β ) die erbij betrokken zijn worden in tien verschillende CF5-studies als verhoogd gerapporteerd (Ref. 1,2).

5. Deze zelfde cytokinen veroorzaken vermoeidheidsklachten indien ze bij mensen worden geïnjecteerd (Ref. 1).

 

6. In een diermodel voor CFS kon vermoeidheid worden geïnduceerd door het toedienen van een bacterie-extract dat zowel de productie van deze cytokinen als het stikstofoxide-synthase induceert.

 

7. Voorraden van meervoudig onverzadigde vetzuren raken uitgeput bij patiënten met CFS. Deze meervoudig onverzadigde vetzuren worden geoxideerd door oxidanten zoals peroxynitriet.

 

8. De anekdotische bewijzen waarbij vastgesteld is dat antioxidanten zoals coënzyme Q10, flavonoïden en glutathion-voorlopers positief werken bij de behandelina van CFS, onderbouwen de hypothese dat de ziekte veroorzaakt kan worden door een oxidant als peroxynitriet.

 

9. Het feit dat vrouwen meer stikstofoxide produceren dan mannen, verklaart het verschil in voorkomen van de ziekte tussen mannen en vrouwen. Een soortgelijk verschil is waar te nemen bij auto-immuunziekten zoals lupus, reumatische artritis ed. die ook door een overschot aan peroxynitriet gekenmerkt worden.

10. Bij een redelijk aantal gevallen van CFS worden grote hoeveelheden vrij mitochondriaal-DNA gevonden, hetgeen suggereert (maar niet bewijst) dat de disfunctie en/of afbraak van mitochondria een rol speelt bij het ontstaan van CFS symptomen (Ref. 1).

11. Er worden biochemische overeenkomsten gevonden in CFS en in andere ziekten waarbij verhoogd peroxynitriet wordt aangetroffen, zoals vastgesteld een daling van glutamine en cvsteïne. Dit suggereert een overeenkomstige biochemische oorzaak voor al deze ziekten (Ref.:1).

 

12. Aangezien peroxynitriet een zeer sterke oxidant is, zal de oxidatieve stress bij CFS (overmaat aan oxidanten) hoog zijn. Op het moment dat de theorie gelanceerd werd was hiervoor nog geen bewijs, maar drie opeenvolgende publicaties hebben bewijs aangevoerd dat oxidatieve stress in CFS aanwezig is (Ref.:10,11). Deze resultaten mogen daarom beschouwd worden als een bevestiging van de vooropgestelde theorie. De onderzoekers waren op moment van publicatie nog niet op de hoogte van deze theorie.

Overigens wijzen talrijke studies bij CFS-patiënten op een verlaagde activiteit van de hvpothalamus-hvpofise-biinieras (HPA-as). met bij horende verlaagde glucocorticoïde-waarden en duiden deze verlaagde activiteit aan als verantwoordelijk voor veel van de symptomen bij CFS. Een aantal studies wijzen verhoogde stikstofoxide waarden aan voor de verlaagde activiteit van de HPA-as alhoewel weer ander onderzoek tot tegengestelde conclusies komen. (Ref.: 1)

Lage glucocorticoïde-waarden zijn echter niet in staat de stikstofoxide-synthase (iNOS) in talrijke celstructuren af te remmen en de ontstekingsbevorderende cytokines (IL-1β, TNFα- en IL-6) tegen te gaan (Ref.:1) waardoor de verhoging van stikstofoxide en peroxynitriet wordt onderhouden. Deze effecten kunnen gezien worden als belangrijke elementen van de peroxynitriet hypothese.

Recent werd door Prof. Pall aangetoond en gepubliceerd dat de concentratie van citrulline, een bij produkt van de stikstofoxide-synthase, verhoogd is in het bloed van CVS-patiënten (Ref.:6) ten opzichte van een controlegroep en dat hogere concentraties correleerden met de ernst van de symptomatiek van deze CVS-patiënten.

Prof. Larson et al. (Ref. 12), constateerde tevens concentratieverhoaina van citrulline in het cerebrospinale vocht van fibromvalgie patiënten in vergelijking met controlepersonen en concludeerden hieruit dat stikstofoxide-synthase verhoogd is in het centraal zenuwstelsel van deze fybromyalgie-patiënten.

De hypothese van Pall geeft antwoord op een aantal kernvragen rond CFS.

 

1. Wat verklaart het chronische karakter van CFS?

De zelfonderhoudende vicieuze cirkel, met verhoogd stikstofoxide/peroxynitriet, die uiteindelijk de basis vormt van deze theorie verklaart de chroniciteit van CFS.

 

2. Hoe kunnen infecties en andere stressfactoren. die vaak vooraf gaan aan CFS. het chronisch vermoeidheidssvndroom veroorzaken?

De theorie stelt dat zowel het één als het ander leidt tot een mechanisme dat resulteert in verhoogde stikstofoxide-, superoxide- en peroxynitrietwaarden, die de CFS symptomen genereren. Infectie is niet de enige bron die hierbij betrokken is. Zowel fysieke als ernstige psychologische trauma's zijn in staat om de productie van stikstofoxiden te laten toenemen (Ref.: 2). Ook weefselhypoxie (zuurstofgebrek en/of gestoord zuurstoftransport) leiden tot verhoogde concentraties superoxide, de voorloper van peroxynitriet (Ref. 2). Hypoxie in de weefsels vormt een belangrijke en oorzakelijke factor in het ontstaan van CFS, in samenhang met verhoogde peroxynitriet theorie.

 

3. Hoe zijn de vele biochemischelfvsiologische correlaties te verklaren die zo vaak gerapporteerd worden bij CFS?

Dit werd hierboven al bediscussieerd met de twaalf genoemde punten.

 

4. Hoe worden de verschillende symptomen bij het CFS gegenereerd?

Het geheel van de symptomen zal wel door meer complexe mechanismen gegenereerd worden dan door enkel en alleen verhoogde stikstofoxide/peroxinitriet maar het grootste deel van de symptomen kan verklaard worden door de mechanismen van de afwijkende fysiologie zoals voorgesteld in de theorie.

 

 

 

Symptomen

Mogelijke oorzaak

Vermoeidheid /energiestoornissen

Peroxynitriet grijpt in op de mitochondriale functies;

hypoxie

Immuunstoornissen

Verhoogde oxidatieve stress (peroxynitriet)

Verhoogde productie van ontstekingsbevorderende

cytokines en stikstofoxide

Leer en geheugenstoornissen

Verhoogde stikstofoxide in het centraal zenuwstelsel

Hypoxie in het CZS

Orthostatische intolerantie

Stikstofoxide regelt vaatverwijding

Genetische voorbestemdheid

 

Pijn

Stimulatie van de nociceptoren door stikstofoxide

Inspanningsintolerantiel

Malaise na inspanning

Superoxide produktie door hypoxie

 

5. Hoe ontstaat de grote verscheidenheid aan symptomen bij CFS?

En meer in het bijzonder hoe is CFS geassocieerd met 'meervoudige chemische overgevoeligheid' (MCS, multiple chemical sensitivity), 'post-traumatische stress-syndroom'

(PTSD) en fibromyalgie (FM)?                                                                    .

 

De theorie geeft een gedeeltelijke verklaring voor de variabiliteit van de symptomen bij CFS, die van geval tot geval kunnen verschillen, door te stellen dat de distributie van het verhoogde stikstofperoxide/peroxynitriet niet bij elke patiënt naar dezelfde weefselstructuren en gelijkmatig gebeurt.

 

Een gemeenschappelijke etiologie (oorzaak) voor CFS, MCS, PTSD en FM is door vele onderzoekers al verondersteld.

Een gemeenschappelijke oorzaak werd niet alleen verondersteld omdat er zoveel overlap is in de symptomen van de verschillende ziektetoestand en (Ref.: 4 en 5), maar ook omdat bij de patiënten blijkt dat ze meestal door meer dan één van deze vier ziektes getroffen te zijn.

Deze overlap tussen deze vier genoemde ziektebeelden doet de vraag reizen of deze ziekten niet allen veroorzaakt worden door overproductie aan stikstofoxide en peroxvnitriet. Elke van deze vier ziektetoestanden gaat namelijk meestal vooraf door en worden mogelijk geïnduceerd door blootstelling aan stressoren die aanleiding geven tot verhoogde stikstofoxide synthese.

 

Meervoudige chemische overgevoeligheid (MCS)

Pall en Satterlee (Ref.:4) voerden belangrijke argumenten aan voor de overproductie van stikstofoxide/peroxynitriet als oorzaak van MCS :

 

·       Studies wijzen uit dat blootstelling aan organische oplosmiddelen en pesticiden MCS voorafgaat en vermoedelijk uitlokt en dat deze stoffen stuk voor stuk in staat zijn om de aanmaak van stikstofoxide te stimuleren. Deze chemische verbindingen zijn ook in staat de productie van ontstekingsbevorderende cytokinen te stimuleren, die op hun beurt weer het stikstofoxide-synthase induceren.

·       Neopterine, een marker voor de inductie van induceerbaar stikstofoxide- synthase, is verhoogd bij MCS-patiënten.

 

·       Markers voor oxidatieve stress zijn verhoogd bij MCS, zoals voorspelbaar is wanneer een teveel aan peroxynitriet erbij betrokken is.

·       In diermodellen voor MCS, is er overtuigend bewijs gevonden dat een verhoogde NMDA (N-Methyl-D-Aspartate) activiteit in de hersenen door overstimulatie van NMDA-­receptoren leidt tot een verhoogde productie van stikstofoxide. Als men de verhoogde productie van stikstofoxide blokkeert in dit diermodel, dan verdwijnt ook de karakteristieke biologische respons. Dit en andere bewijzen toonden aan dat stikstofoxide hier een essentiële rol speelt (Ref.:7).

Post-traumatisch stress-syndroom' (PTSD) en Fibromyalaie (FM)

Een gelijkaardige redenering kan worden toegepast als bewijs dat stikstofoxide een rol speelt bij zowel PTSD als FM (Ref.:4,5,7).

PTSD wordt verondersteld veroorzaakt te worden door een overmatige stimulatie van de NMDA-receptoren in de hersenen die zoals eerder aangegeven aanleiding geeft tot een overmatige stikstofoxide en peroxynitriet productie (Ref.:5,12). Twee ontstekingsbevorderende cytokinen, die in staat zijn de verhoogde synthese van stikstofoxide te induceren, zijn verhoogd in PTSD-patiënten.

Recent onderzoek bij FM stelt een verhoogde stikstofoxide productie en verhoogde NMDA­stimulatie vast, wat de stikstofoxidesynthese verhoogd en aldus de theorie bevestigt (Ref.: 5,12).

 

De theorie dat verhoogde stikstofoxide productie verantwoordelijk is voor de etiologie van zowel CFS, MCS, PTSD en FM is de enige theorie die een verklaring geeft voor de overlap aan symptomen bij deze ziekten. Alhoewel nog niet alle bewijsstukken voor deze theorie goed zijn onderzocht, geven deze bewijzen uit verschillende disciplines aan dat deze theorie zeer aannemelijk is.

 

Mogelijke behandeling van CFS gesuggereerd door deze hypothese.

1) Markers voor de Hypothese van Pall

Neopterine:

Een vijftal wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de concentratie van NEOPTERINE , een marker voor de inductie van stikstofoxide-synthase, verhoogd is bij CFS-patiënten. Daar het neopterine-pijl in de urine of bloed verhogen naarmate de toename van de stikstofoxide-synthase activiteit kan dit een indirect bewijs leveren voor stikstofoxide verhoging bij CFS-patiënten en kan op die manier bijdragen ter staving van de hypothese van Pall.

Wij vernemen dat het Klinisch Ecologisch Allergie Centrum (KEAC) Nederland in hun labo-­testen ook aandacht gaat schenken aan deze neopterine-waarden bij bepaalde patiëntengroepen ter evaluatie van de hypothese van Pal!.

 

Citrulline:

Citrulline is een marker voor de stikstofoxide synthase activiteit. Zoals reeds aangegeven

zijn de citrulline-waarden verhoogd bij CFS-patiënten.                                .

Daar ook andere ziektetoestanden met ontstekingsreacties geassocieerd zijn, en dus met verhoogde stikstofoxide synthase en bijgevolg met verhoogde citrulline waarden in het bloed zal Citrulline niet als marker voor CFS kunnen fungeren maar de CITRULLINE waarden in het bloed kunnen betekenisvol zijn in het oorzakelijke beeld van CFS, FM, MCS, PTSD waar verhoogde waarden van stikstofoxide en zijn oxidant, peroxynitriet aan de basis liggen. (Ref. 6)

 

 

2) De rol van antioxidanten bij de Hypothese van Pall

Een van de aantrekkelijkste karakteristieken van de peroxynitriet hypothese is dat er een

waaier aan middelen zijn om farmacologisch in te grijpen wat mogelijke behandeling van CFS betreft. (Ref.: 1). In zijn theorie verwijst Prof. Pall naar negen mogelijke benaderingswijzen, waarvan sommige gebruik maken van conventionele medicatie, andere van voedingssupplementen en nog andere van experimentele medicatie. Van deze middelen, wordt verwacht dat deze de gevolgen van het stikstofoxide/peroxynitriet mechanisme zouden verminderen.

 

Het meest intrigerende is dat één van deze middelen al ruimschoots wordt gebruikt namelijk de injecties met vitamine B12 bij de behandeling van CFS. Uit de ruime klinische ervaring in de USA, Canada, en verschillende Europese landen blijkt dat dergelijke injecties kunnen nuttig zijn bij de behandeling van CFS.

Er zijn twee vormen van vitamine B12 injecties die gebruikt worden namelijk hvdroxocobalamine en cvanocobalamine dat eerst in hydroxocobalamine moet worden omgezet door het lichaam.

De gunstige klinische observaties met B12 injecties bij CFS werden tot op heden niet bevestigd door placebo-gecontroleerde studies. Het werkingsmechanisme was tot hiertoe ook niet gekend. Men ging ervan uit dat er een vitamine B12 tekort werd aangevuld. Het is nochtans zó dat systematisch vitamine B12 tekort niet karakteristiek is bij CFS alhoewel Regland het al rapporteert (Ref.: 13) dat in het centraal zenuwstelsel van CFS-patiënten de B12-waarden in het cerebrospinaal vocht laag zijn.

 

Prof. Pall is van mening, hierin bijgetreden door een aantal studies, dat dit tekort in het CZS veroorzaakt wordt door de reactie van stikstofoxide of één van zijn reactieve stikstofverbindingen met hydroxocobalamine (B12) (Ref.: 3). Hij suggereert dan ook dat het gunstig werkingsmechanisme van de inspuitingen bij CFS-patiënten met vitamine B12 erin bestaat dat stikstofoxide wordt gebonden door B12. Cobalamine dient als opruimer voor stikstofoxide te worden beschouwd en niet als een aanvullen van een tekort aan B12 in het CNS van de CFS-patiënt. Deze alternatieve visie samen met de gunstige klinische observaties bij B12 inspuitingen van CFS-patiënten bevestigt eens te meer de theorie van het verhoogde stikstofoxide/peroxinitriet mechanisme van CFS.

 

Prof. Pall heeft samen met Dr. Albert G. Corrado, uit Richland Washington, een piloot studie uitgevoerd op een groep CFS/Fibromyalgie patiënten waarbij een combinatie van 13 voedingssupplementen werd toegediend gedurende 150 dagen. De voedingssupplementen die werden toegepast waren overwegend gekende antioxidanten: Selenium, Vitamine C, Vitamine E-complex, N-acetylcysteïne, Coenzyme 010, Koper-tabletjes, Citrus Bioflavonoïden, Calcium/magnesium/zink-tabletjes, L-Lysine, Ginkgo Biloba extract, Braambessen-extract, Melkdistel-extract, Alfa Liponzuur.

Alle deelnemers rapporteerden een matige verbetering van hun symptomen.

Deze en andere waarnemingen laat ons veronderstellen dat het stikstofoxide/peroxynitriet mechanisme in deze theorie goede vooruitzichten biedt over de mogelijke behandeling van CFS. Het is te hopen dat dit mechanisme ons in staat stelt het gebruik van deze en andere middelen te optimaliseren voor de behandeling van CFS en verwante ziekten.

Verder concludeert Prof. Pall (Ref.:2) dat de inconsequenties, tussen enerzijds de vele fysiologische en biochemische vaststellingen bij CFS en anderzijds de aanwijzingen om CFS in een psychogeen verklaringsmodel te gieten, hem bevestigen in zijn overtuiging om een psychogene theorie voor CFS te verwerpen.

 

@Copyrights Deneweth Roger

 

 

 

Referenties:

 

1. Pall Ml. Elevated, sustained peroxynitrite levels as the cause of chronic fatigue syndrome. Medical Hypotheses 2000;54:115-125.

 

2. Pall ML. Elevated peroxynitrite as the cause of chronic fatigue syndrome: ether inducers and mechanisms of symptom generation. Joumal of Chronic Fatigue Syndrome, 2000;7:45­58.

 

3. Pall Ml. Cobalamin used in chronic fatigue syndrome therapy is a nitric oxide scavenger. Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 2001 ;8:39-44.

 

4. Pall ML, Satterlee JD. Elevated nitric oxide/peroxynitrite mechanism tor the common etiology of multiple chemical sensitivity, chronic fatigue syndrome and posttraumatic stress disorder. Annals of the New Vork Academy of Science, 2001 ;933:323-329.

 

5. Pall Ml Common etiology of posttraumatic stcess disorder, fibromyalgia, chronic fatigue syndrome and multiple chemical sensitivity via elevated nitric oxide/peroxynitrite,

Medical Hypotheses, 2001;57:139-145.

6. Pal! ML. Levels of nitric oxide synthase product citrulline are elevated in sera of chronic fatigue syndrome patients. Joumal of Chronic Fatigue Syndrome, Vol. 10  (3/4) 2002 pp. 37-41

 

7. Pall ML NMDA sensitization and stimulation by peroxynitrite, nitric oxide, and organic solvents as the mechanism of chemical sensitivity in multiple chemica I sensitivity.

The FASEB Joumal 2002 Sap; 16(11):1407-17

 

8. Richards RS, Roberts TK, Mathers MB, Dunstan RH, McGregor NR, Butt HL. Investigation of erythrocyte oxidative damage in rheumatoid arthritis and chronic fatigue syndrome.

Joumal of Chronic Fatigue Syndrome 2000;6:37-46.

 

9. Richards RS, Roberts TK, McGregor NR, Dunstan RH, Butt HL.

Blood parameters indicative of oxidative stress are associated with symptom expression in chronic fatigue syndrome.

Redox Rep 2000;5:35-41.

 

10. Fulle S, Mecocci P, Fano G, Vecchiet I, Vecchini A, Racciotti D, Cherubini A, Pizzigallo E, Vecchiet L, Senin U, Beal MF.

Specific oxidative alterations in vastus Iateralis muscle of patients with the diagnosis of chronic fatigue syndrome.

Free Radicals in Biology and Medicine 2000;15:1252-1259.

 

11. Keenoy BM, Moorkens G, Vertommen J, DeLeeuw I.

Antioxidant status and lipoprotein oxidation in chronic fatigue syndrome.

Life Sciences 2001;68:2037-2049.

12. Larson AA, Giovengo SL, RusselIIJ, Michalek JE.

Changes in the concentrations of amine acids in the cerebrospinal fluid that correlate with pain in patients with fibromyalgia: implications for nitric oxide pathways.

Pain 2000;87:201-211.

 

13. Regland B, Andersson M, Abrahamsson L, et al.: Increased concentration of homocysteine in the cerebrospinal fluid in patients with chronic fatigue syndrome and fibromylagia. Scand J RheumatoI1997;26:301-307.

14. Gebhard F, Nüssler AK, Rösch M, et al. Early posttraumatic increase in production of nitric oxide in humans Shock 2000; 10: 237-242.

 

15. School of Molecular Biosciences, Washington State University, Pullman, WA 99164-4660 USA http:flmolecular.biosciences.wsu.edu/Facultv/pa!!lpa!! cts. htm