Nieuwe theorie stikstofoxide peroxynitriet hypothese van Pall voor het ontstaan van chronische vermoeidheid?
http://november.messageboard.nl/6630/viewtopic.php?t=201
Bron: KEAC
Dr. J. Kamsteeg
Inleiding
Er is een
nieuwe theorie gepubliceerd die een verklaring geeft voor het ontstaan van het
chronische vermoeidheidsyndroom (ME, CFS). Deze theorie wordt gestaafd met tal
van biochemische en fysiologische waarnemingen waarvan er een aantal tot nu toe
niet verklaard konden worden. Vijf van de meest belangrijkste vraagstukken
binnen dit syndroom zijn nu verklaard. Deze theorie is gepubliceerd door Dr.
Martin Pall, hoogleraar in de Biochemie en Medisch Wetenschappen aan de
Rijksuniversiteit van Washington, in een serie publicaties (1-4,9). Zijn
theorie start met de waarneming dat infecties altijd voorafgaan aan het
ontstaan van ME en het verwante fibromyalgie. Zij induceren een sterk verhoogde
productie aan ontstekingen veroorzakende inflammatoire cytokinen, die op hun
beurt weer het stikstofoxide-synthase (iNOS) induceren. Dit enzym op zijn beurt
maakt een grote hoeveelheid stikstofoxide vrij dat een reactie aangaat met superoxide
om de zeer sterke oxidant peroxynitriet te vormen.
Peroxynitriet
werkt via zes bekende biochemische wegen die de hoeveelheid stikstofoxide en
superoxide verder laten toenemen en nog meer peroxynitriet te laten vormen. Als
op deze wijze de spiegel van peroxynitriet eenmaal verhoogd is, zal dit
mechanisme deze spiegel verhoogd houden en op deze wijze een vicieuze cirkel in
stand houden (1). Volgens de theorie moet deze reactieketen doorbroken kunnen
worden om het chronische vermoeidheidsyndroom effectief te kunnen behandelen.
Twaalf
verschillende waarnemingen op het gebied van het chronische
vermoeidheidsyndroom onderbouwen deze theorie:
1. De
concentratie van neopterin, een marker voor de inductie van het induceerbare
stikstofoxidesynthase is verhoogd in CFS-patiënten (1).
2. Mitochondria
werken niet of heel slecht bij ME-patiënten. Het is bekend dat mitochondria
door het peroxynitriet en stikstofoxide worden aangevallen en hun functie
verliezen (1).
3. Zowel het
cis-aconitinezuur als barnsteenzuur zijn verhoogd in ME-patiënten. De enzymen
die deze verbindingen moeten metaboliseren worden door peroxynitriet
geïnactiveerd (1).
4. De vier
ontstekingsreacties veroorzakende cytokinen die betrokken zijn bij deze
reacties worden in tien verschillende CFS-studies genoemd (1,2).
5. Deze zelfde
cytokinen veroorzaken vermoeidheidsklachten indien ze bij mensen worden
geïnjecteerd (1).
6. In een
diermodel voor CFS kon vermoeidheid worden geïnduceerd door het geven van een
bacterie-extract dat zowel de productie van deze cytokinen als het
stikstofoxide-synthase induceert.
7. Voorraden
van meervoudig onverzadigde vetzuren raken uitgeput bij patiënten met CFS. Deze
meervoudig onverzadigde vetzuren worden geoxideerd door oxidanten zoals
peroxynitriet.
8. De
anekdotische bewijzen waarbij vastgesteld is dat antioxidanten zoals coënzyme
Q10, flavonoïden en glutathion-voorlopers positief werken op de behandeling van
CFS, onderbouwen dat de ziekte veroorzaakt kan worden door peroxynitriet.
9. Het feit dat
vrouwen meer stikstofoxide produceren dan mannen, verklaart het verschil in
voorkomen van de ziekte tussen mannen en vrouwen. Een soortgelijk verschil is
waar te nemen in het optreden van auto-immuunziekten die door een overschot aan
peroxynitriet gekenmerkt worden zoals lupus, reumatische artritis ed.
10. Bij een
redelijk aantal gevallen van CFS worden grote hoeveelheden vrij
mitochondriaal-DNA gevonden, hetgeen suggereert (maar niet bewijst) dat de
disfunctie en/of afbraak van mitochondria een rol speelt bij het ontstaan van
CFS symptomen (1).
11. Er worden
biochemische overeenkomsten gevonden in een daling van glutamine en cystine in
CFS en in andere ziekten waarbij verhoogde peroxynitriet wordt gevonden. Dit
suggereert een overeenkomstige biochemische oorzaak voor al deze ziekten (1).
12. Aangezien
peroxynitriet een zeer sterke oxidant is, zal de oxidatieve stress bij CFS hoog
zijn. Op het moment dat de theorie gelanceerd werd was hiervoor nog geen
bewijs, maar drie opeenvolgende publicaties hebben bewijs aangevoerd dat
oxidatieve stress in CFS aanwezig is (5-7A). Deze resultaten mogen daarom
beschouwd worden als een bevestiging voor de voorwaarden van de theorie. De
onderzoekers waren op moment van publicatie nog niet op de hoogte van deze theorie.
Veel van de puzzel wordt verklaart door de stikstofoxide/peroxynitriet van
Pall:
Vijf
verschillende vragen over CFS worden beantwoord met bovenstaande theorie. De
eerste vraag: de chronische natuur van CFS wordt verklaard door de
zelfonderhoudende vicieuze cirkel dat de basis vormt van deze theorie.
Ten tweede
vraag is hoe infecties en andere stressfactoren die vooraf gingen aan CFS deze
ziekte kunnen veroorzaken. De theorie voorspelt dat ieder op zich kan leiden
tot een mechanisme dat resulteert in een verhoogd stikstofoxide. Infectie is
niet de enige bron van stress die hierbij betrokken is: zowel fysieke trauma
als psychologische trauma's zijn in staat om de productie van stikstofoxiden te
laten toenemen (2). Ook weefselhypoxy (verlaagd histamine-gehalte) kunnen
leiden tot verhoogde concentraties superoxide, de voorloper van peroxynitriet
(2).
De derde vraag
gaat over de vele biochemische en fysiologische overeenkomsten in CFS. Dit werd
hierboven al bediscussieerd met de twaalf genoemde punten.
De vierde vraag
is hoe de diverse symptomen van deze ziekte ontstaan.
Het bleek dat
een groot aantal factoren inclusief stikstofoxide, superoxide, oxidatieve
stress en mitochrondriale energieproblemen een belangrijke functie hierbij
hebben (2). Stikstofoxide, bijvoorbeeld stimuleert de nociceptoren die de
waarneming van pijn genereren. Een verhoogde stikstofoxide concentratie zal een
belangrijke rol spelen bij de multi-orgaan en spierpijn die met CFS
geassocieerd wordt (2).
Stikstofoxide
speelt verder een centrale rol bij leer- en geheugenprocessen. De verhoogde
stikstofoxiden leveren een verklaring voor de cognitieve stoornissen die
karakteristiek zij voor CFS (2). Andere symptomen die zich laten verklaren zijn
orthostatische intolerantie, immuunstoornissen, vermoeidheid en malaise na
inspanning (2).
De
immuunstoornissen die gemeld worden bij CFS rapporteren vele opportunistische
infecties zoals Mycoplasma of HHV6 infecties, die primaire CFS-mechanisme
kunnen laten ontstaan alleen al vanwege de productie van ontsteking
bevorderende cytokines.
Het vijfde
vraagstuk betreft het ontstaan van de variabele symptomen en het verband met
meervoudige chemische gevoeligheid (MCS, multiple chemical sensitivity),
posttraumatische stress stoornis (PTSD) en fibromyalgie (FM).
De theorie
geeft een gedeeltelijke verklaring voor de verschillende symptomen van geval
tot geval doordat de distributie van stikstofperoxide/peroxynitriet niet
gelijkmatig over de weefsel verdeeld is.
Een
gemeenschappelijke etiologie voor CFS met MCS, PTSD en FM
is door vele
onderzoekers al verondersteld (bediscussieerd in 4,9). Een gemeenschappelijke
oorzaak werd niet alleen verondersteld omdat er veel overlap is in de symptomen
van de verschillende ziekten (voor discussie zie 4 en 9), maar ook bleken
patiënten meestal door meer dan een van deze vier ziekten getroffen te zijn.
Deze overlap
tussen deze vier genoemde ziektebeelden laat de vraag reizen of deze ziekten
niet allen veroorzaakt worden door overproductie aan stikstofoxide en
peroxynitriet. Elke van deze vier ziekten gaat namelijk meestal vooraf door en
worden mogelijk geïnduceerd door blootstelling aan kortdurende stress die
aanleiding geeft tot verhoogde stikstofoxide synthese.
Pall en Satterlee
(4) presenteerden een belangrijk bewijs voor de overproductie van
stikstofoxide/peroxynitriet als oorzaak van MCS:
Alle organische
oplosmiddelen en pesticiden waarom MCS waren blootgesteld vooraf MCS optrad
zijn stuk voor stuk in staat de aanmaak van stikstofoxide te stimuleren. Deze
chemische verbindingen zijn ook in staat de productie van
ontstekingsbevorderende cytokinen te stimuleren, die op hun beurt weer het
stikstofoxide-synthase kunnen induceren. - Neopterin, een marker voor de
inductie van induceerbaar stikstofoxide synthetase, is verhoogd bij
MCS-patiënten.
- Markers voor
oxidatieve stress zijn verhoogd bij MCS, zoals voorspelbaar is wanneer een
toename van de peroxynitriet productie erbij betrokken zou zijn.
- In
diermodellen voor MCS, is er een overtuigend bewijs voor een essentiële rol
voor zowel een verhoogde NMDA activiteit (bekend is dat deze verhoogde
productie leidt tot een verhoogde stikstofoxidenproductie) als een verhoogde
stikstofoxide synthese zelf. Als men de verhoogde productie van stikstofoxide
blokkeert in dit diermodel, dan is de karakteristieke biologische respons ook
geblokkeerd. Dit en andere bewijzen tonden aan dat stikstofoxide een essentiële
rol heeft (4).
Een
overeenkomstige beredenering kan worden toegepast voor het bewijs dat
stikstofoxide een rol speelt bij zowel PTSD als FM (9).
PTSD wordt
verondersteld veroorzaakt te worden door een overmatige NMDA stimulatie, die
zoals eerder werd verondersteld aanleiding geeft tot een overmatige
stikstofoxide en peroxynitriet productie (9). Twee ontstekingsbevorderende
cytokinen die in staat zijn de verhoogde synthese van stikstofoxide te
induceren zijn verhoogd in PTSD-patiënten. PTSD diermodellen hebben een
essentiële rol gemeld voor NMDA-stimulatie en stikstofoxide synthese bij het
produceren van de karakteristieke biologische respons.
Een recent
onderzoek naar FM veronderstelde een verhoogde stikstofoxide productie en
verhoogde NMDA-stimulatie ( 8 ). Bekend is dat NMDA-stimulatie de stikstofoxide
synthese verhoogd. Zoals bij de andere verwante ziekten die hier bediscussieerd
zijn, is er voldoende bewijs uit onderzoek naar FM, dat de
stikstofoxide/peroxynitriet-hypothese ondersteund (9).
De theorie dat
verhoogde stikstofoxide productie verantwoordelijk is voor de etiologie van
zowel CFS, MCS, PTSD en FM is de enige theorie die een verklaring geeft voor de
overlap aan symptomen bij deze ziekten. Alhoewel nog niet alle bewijsstukken
voor deze theorie nog niet goed zijn onderzocht, geven deze bewijzen uit
verschillende disciplines aan dat deze theorie zeer aannemelijk is.
Behandeling
Wat leert dit
mechanisme nu over de mogelijke behandeling van CFS? Zoals bediscussieerd in
referentie 1, zijn een aantal middelen die zinvol zijn bij de behandeling van
CFS. Deze middelen zijn voornamelijk gebaseerd op anekdotische bewijzen, dat
verwacht wordt dat deze de concentratie van stikstofoxide/peroxynitriet te
verlagen. Mogelijk het meest intrigerende is dat van een van deze mogelijkheden
al ruimschoots gebruik wordt gemaakt namelijk de injecties met vitamine B12 bij
de behandeling van CFS. Er zijn twee vormen van vitamine B12 injecties die
gebruikt worden namelijk hydroxocobalamine, hetwelk in staat is stikstofoxiden
te binden en cyanocobalamine, dat eerst in hydroxocobalamin moet worden omgezet
door zogenaamde Pall human cells (3). Deze waarnemingen veronderstellen dat het
stikstofoxide/peroxynitriet mechanisme in deze theorie goede voorspellingen kan
doen over de mogelijke behandeling van CFS. Het is te hopen dat dit mechanisme ons
in staat stelt het gebruik van deze en andere middelen te optimaliseren voor de
behandeling van CFS en verwante ziekten.
Controverse
met HPU?
De theorie van
Pall lijkt in eerste instantie moeilijk in te passen in het HPU-beeld. Bij HPU
is er sprake van een verminderde heemsymthese doordat drie van acht betrokken
enzymen verminderd aanwezig zijn. Heem is ook de basisbouwsteen voor NOS. Nu
zijn er twee vormen van NOS de induceerbare vorm (iNOS) en de niet-induceerbare
vorm (NOS). Deze verlaagde productie van iNOS verklaarde samen met de verlaagde
concentratie aan IgA-antistoffen de infectiegevoeligheid van HPU-patiënten.
Binnen HPU komt chronische vermoeidheid erg veel voor. We zien daarin meestal
nogal relatief lage HPL-waarden. Deze vermoeidheid wordt natuurlijk mede
veroorzaakt door de daling van het histaminegehalte, de onderactiviteit van de
bijnieren, de storingen in de mineralenbalans onder meer door een daling van
het picolinezuur e.d. Ook als deze tekorten allemaal aangevuld worden blijven
er voldoende patiënten over met chronische vermoeidheidsklachten. Wat dat
betreft zouden we deze theorie willen omarmen.
Een mogelijke
verklaring zou kunnen zijn dat binnen HPU door het tekortschieten van de iNOS
er een hogere concentratie NOS aangehouden wordt. Bij chronische infecties zou
dit fataal kunnen uitpakken doordat er uiteindelijk teveel stikstofoxide en/of
peroxynitriet wordt gevormd. We zullen in de toekomst bij deze patiëntengroep
neopterine bepalen om hier achter te komen.
Literatuur
1. Pall ML.
Elevated, sustained peroxynitrite levels as the cause of chronic fatigue
syndrome. Medical Hypotheses 2000;54:115-125.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/htbin-post/Entrez/query_old?uid=10790736&form=6&db=m&Dopt=b
2. Pall ML.
Elevated peroxynitrite as the cause of chronic fatigue syndrome: Other inducers
and mechanisms of symptom generation. Journal of Chronic Fatigue Syndrome,
2000;7:45-58.
http://listserv.nodak.edu/scripts/wa.exe?A2=ind0103C&L=co-cure&P=R1753
3. Pall ML.
Cobalamin used in chronic fatigue syndrome therapy is a nitric oxide scavenger.
Journal of Chronic Fatigue Syndrome, 2001;8:39-44.
4. Pall ML,
Satterlee JD. Elevated nitric oxide/peroxynitrite mechanism for the common
etiology of multiple chemical sensitivity, chronic fatigue syndrome and
posttraumatic stress disorder. Annals of the New York Academy of Science,
2001;933:323-329.
http://listserv.nodak.edu/scripts/wa.exe?A2=ind0205B&L=co-cure&P=R2378
5. Richards RS,
Roberts TK, Mathers MB, Dunstan RH, McGregor NR, Butt HL. Investigation of
erythrocyte oxidative damage in rheumatoid arthritis and chronic fatigue
syndrome. Journal of Chronic Fatigue Syndrome 2000;6:37-46.
6. Richards RS,
Roberts TK, McGregor NR, Dunstan RH, Butt HL. Blood parameters indicative of
oxidative stress are associated with symptom expression in chronic fatigue
syndrome. Redox Rep 2000;5:35-41.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/htbin-post/Entrez/query_old?uid=10905542&form=6&db=m&Dopt=b
7. Fulle S,
Mecocci P, Fano G, Vecchiet I, Vecchini A, Racciotti
D, Cherubini A,
Pizzigallo E, Vecchiet L, Senin U, Beal MF.
Specific
oxidative alterations in vastus lateralis muscle of patients with the diagnosis
of chronic fatigue syndrome. Free Radicals in Biology and Medicine
2000;15:1252-1259.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=11118815&dopt=Abstract
7A. Keenoy BM,
Moorkens G, Vertommen J, DeLeeuw I. Antioxidant strotus and lipoprotein
oxidation in chronic fatigue syndrom. Life Sciences 2001;68:2037-2049.
8. Larson AA,
Giovengo SL, Russell IJ, Michalek JE. Changes in the concentrations of amino
acids in the cerebrospinal fluid that correlate with pain in patients with
fibromyalgia: implications for nitric oxide pathways. Pain 2000;87:201-211.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/htbin-post/Entrez/query_old?uid=10924813&form=6&db=m&Dopt=b
9. Pall ML.
Common etiology of posttraumatic stress disorder, fibromyalgia, chronic fatigue
syndrome and multiple chemical sensitivity via elevated nitric
oxide/peroxynitrite, Medical Hypotheses, 2001;57:139-145.
http://www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgi?cmd=Retrieve&db=PubMed&list_uids=11461161&dopt=Abstract
http://molecular.biosciences.wsu.edu/Faculty/pall/pall_cfs.htm
College of
Science
School of
Molecular Biosciences,
Washington
State University,
Pullman, WA
99164-4660 USA