CVS en geopathische belasting

 

 Myalgische encephalomyelitis - post-viraal vermoeidheidssyndroom
 Bron: TIG 1996, 12(6) 237 -240

 Deel 1


 Ch. Shepherd, arts

 Inleiding
 
 Het bijgaande artikel is een verkorte bewerking van een publikatie onder de
 hierboven genoemde titel van de M.E.stichting, gebaseerd op een
 oorspronkelijk rapport van de Engelse deskundige Dr Charles Shepherd.
 De bewerking is verzorgd door C.W. Aakster met aanvullingen van
 M.P.L. Jansen (MPLJ), medisch adviseur van de M.E.-stichting. Het orginele
 boek is verkrijebaar via de M.E.-stichting (zie einde artikel). Voor
 medische doeleinden wordt sterk geadviseerd het oorspronkelijke boek te
 raadpIegen. Dit geldt ook voor wat betreft de literatuurverwijzingen.


 Enkele inleidende opmerkingen


 Myalgische encephalomyelitis schijnr veel mensen uit te lokken tot het
 innemen van een min of meer extreme positie: totale verwerping of
 kritiekloze omarming. Voor onderzoekers die met een 'open mind' dit probleem
 willen aanpakken, vormen beide extremen vaak een obstakel. Daarnaast
 verhinderen zij een objectieve informatievoorziening aan de medicus
 practicus. De naam Myalgische Encephalomyelitis (M.E.) werd in 1956
 ge‹ntroduceerd in een hoofdartikel van The Lancet. Andere termen zijn
 Post-viraal vermoeidheidssyndroom (PVVS) en Chronisch Vermoeidheids
 Syndroom (CVS). De laatste term verdient wellicht de voorkeur omdat daarbij
 geen (voorbarige) relatie wordt gelegd met een bepaalde etiologie of
 patholopie. De centrale klacht is hierbij 'ongediagnostiseerde
 vermoeidheid'. Met het voorgaande hangt samen dat ook de diagnostische
 criteria niet heel scherp zijn geformuleerd. Er zijn Engelse, Amerikaanse
 en Australische, lijstcn van criteria. ontwikeld. De Australische criteria
 luiden bijv. als volgt:

 1. Een invaliderend en langdurig gevoel van lichamelijke vermoeidheid dat
    verergert door lichamelijke activiteit;
 2. De duur is tenminste 6 maanden;
 3. Niet te verklaren door andere diagnoses die door middel van een anamnese,
    laboratorium onderzoek of lichamelijk onderzoek worden gesteld;
 4. Neuropsycholopische symptomen die daarvoor niet aanwezig waren,
    waaronder een verslechterd korte-termijn geheugen, een verslechterd
    concentratie-vermogen, een verminderd libido en depressieve gevoelens.
    Deze symptomen beginnen meestal tegelijk met de lichamelijke
    vermoeidheid, maar zijn over het algemeen minder ernstig en minder
    hardnekkige dan de symptomen die bij de klassieke depressie worden
    waargenomen.

 Daarna volgen nog enkele uitsluitingen. Hoewel exacte cijfers ontbreken,
 heeft men in een recent onderzoek (Bates et al 1993) geopperd dat in de
 Verenigde Staten 8.5 % van de volwassenen die een instelling in de primaire
 gezondheidszorg bezoekt, een vorm van het Chronisch Vermoeidheids-Syndroom
 heeft. Uit deze en andere publicaties kan men voorzichtig concluderen dat de
 prevalentie mogelijk 1 tot 2 per 1000 van de bevolking bedraagt en dat de
 hoogste incidentie onder 20 tot 40-jarigen wordt gezien.


 Huidig onderzoek Tot op heden zijn er nog geen werkelijk consistente bevindingen gedaan die  voor algemene diagnostische doeleinden bij M.E./PVVS van nut zouden kunnen
 zijn. Bij een significant aantal patienten worden echter duidelijke  organische afwijkingen gevonden. De belangrijkste of meest aansprekende  daarvan worden hieronder kort aangegeven.

 A. Aanwijzingen voor een persisterende of gereactiveerde virusinfectie


 Van de omstreeks twaalf onderzoekzen die hier worden vermeld wijzen negen in
 de richting van een significante relatie. (MPLJ. navulling uit latere  literatuur: toch moet ook aandacht besteed worden aan een  grote stroming onder de onderzoekers welke stellen dat de gevonden tekenen  van een persisterende infectie toegeschreven moeten worden aan vervuiling  van het laboratoriummateriaal en verzamelfouten. Deze stroming geeft met
 name aandacht aan de mogelijkheid dat er alleen een virusinfectie aan de  start gevonden kan worden.)

 B. Stoornissen in de immuunfunctie


 De bevindingen op dit gebied zijn niet eensluidend: er lijkt van een
 ingewikkelde interactie sprake te zijn tussen diverse mechanismen. Een
 verandering in de activiteit van natural killer cellen is misschien wel de
 meest consistente bevinding.

 C. Structurele en functionele afwijkingen van het CZS


 Onderzoeken door middel van MRI hersenscan en SPECT-scans leidden tot nog
 moeilijk te duiden aanwijzingen. Er bestaat echter een toenemende consensus
 dat er duidelijke afwijkingen worden gevonden in de Hypothalamus-
 Hypophyse As (zie boek).

 D. Neurorransmitter afwijkingen

 In een bepaald onderzoek werden afwijkingen vastgesteld.

 E. Neuropsychologische functietesten

 Geen eenduidige bevindingen.

 F. Spierpathologie

 Afwijkingen in de structuur en de functie van skeletspieren blijven het
 onderwerp van aanzienlijke verschillen van opvatting. Hoewel de meeste
 onderzoekers nu accepteren dat M.E./PVVS geen primaire aandoening van de
 spieren is, wijzen met name de afwijkingen van de mitochondria erop dat het
 mogelijk is dat op cellulair niveau belangrijke (en moeilijk behandelbare)
 biochemische problemen bestaan. (MPLJ. aanvulling uit latere literatuur:
 Bij herhaald onderzoek door de zelfde onderzoeksgroep konden deze
 afwijkingen echter niet meer gevonden worden. Mel lopen er nog onderzoeken
 naar de carnitine-stofwisseling welke belangrijk is voor de cellulaire
 energievoorziening.)

 G. De rol van depressie en psychologische aandoeningen


 Afhankelijk van de definitie van de depressie vond men een meer of minder
 duidelijk verband. De post of propter vraag is echter tot nu toe nog niet
 beantwoord. De meerderheid van de onderzoeken wijst in de richting van een
 organische afwijking. Depressie kan overigens een zeer begrijpelijk gevolg
 zijn van het hebben van M.E.

 Hoewel het voorgaande, zoals gezegd, geen eenduidige conclusies toelaat,
 ontstaat volgens Shepherd toch geleidelijk een hypothese over het ontstaan
 en de bestendiging van het syndroom: 'Factoren die een rol spelen bij het
 ontstaan van M.E./PVVS omvatten een aantal veelvoorkomende virussen en
 andere agentia, waaronder immunisaties en neurotoxinen, die een aanzienlijke
 belasting voor de normale immuunrespons vormen. Co-factoren die in het begin
 meespelen lijken o.a. een te grote lichamelijke en/of geestelijke belasling
 te zijn, en mogelijk hormonale en genetische invloeden'. Een verklaring van
 de factoren die het patroon vervolgens bestendigen, is volEens Shepherd
 veel speculatiever. Er lijkt sprake te te zijn van een ingewikkelde
 interactie tussen een persisterende en/of gereactiveerde virusinfectie, en
 verstoringen van het immuunsysteem, en daaruit volgende afwijkingen in
 hersen- en spierfunctie.

                           Behandeling van M.E./PVVS

 Welke ook de behandeling zal zijn, de volgende principes dienen daaraan te
 grondslag te liggen:
 * de juiste diagnose
 * vertrouwen, uitleg en steun
 * een juist gebruik van medicijnen en andere behandelmethoden om de
   symptomen te verlichten (zie onder)
 * advies met betrekking tot veranderingen van levensstijl en voeding
 * contact met onderwijsinstellingen en werkgevers
 * hulp voor het verkrijgen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en
   voorzieningen
 * informatie over de voor- en nadelen van alternatieve therapie‰n onder
   de aandacht brengen van zelfhulpgroepen

 Een eerste vereiste voor het kunnen overgaan op behandelen, is uiteraard
 dat de diagnose op correcte wijze tot stand is gekomen. Eerder noemden
 wij reeds de Australische criteria. Voor de Nederlandse situatie wordt
 aanbevolen speciaal te letten op onder genoemde verschijnselen, waarbij
 steeds sprake is van een terugval van tenminste 50 % ten opzichte van het
 premorbide activiteitenniveau. Voorts is het van belang te bedenken dat de
 anamnese de voornaamste basis vormt voor de diagnose.

 a. een plotseling begin dat in plusminus de helft van de gevallen start
    met een infectieuze periode
 b. een unieke vorm van spiermoeheid die zich slechts (zeer) langzaam
    herstelt
 c. cognitieve dysfunctie zoals problemen met de concentratie,
    het geheugen, het verwisselen van letters en woorden etc
 d. een opmerkelijke fluctuatie in de ernst van de symptomen
 e. exacerbatic of terugval door een te grote lichamelijke inspanning
 f. sterke neiging tot chronificering van de ziekte
 p. overige verschijnselen als autonome overactiviteit,
    griepachtig gevoel, verstoring temperatuurregulatie, verspringende
    arthralgie, slaapstoornissen, evenwichtsstoornissen, hoofdpijn,
    zintuiglijke stoornissen, alcoholovergevoeligheid,
    emotionele labiliteit, atypische depressie, prikkelbare darm,
    visuele stoornissen. Deze verschijnselen komen soms voor of soms
    alleen bij bepaalde pati‰nten.

 Naast de anamnese dient steeds een lichamelijk onderzoek plaats te vinden
 alsmede routine laboratoriumonderzoek. Op grond van deze drie bronnen van
 informatie komt de differentiaaldiagnose tot stand. Uitgesloten moet
 natuurlijk kunnen worden dat de chronische moeheid het gevolg is van
 ziekten van de hartkleppen, hypothyreo‹die, ziekte van Crohn, anemie,
 HIV, ziekte van Hodgkin, depressie, etc. Men raadplege daartoe het
 oorspronkelijke boek. Bij het diagnostisch onderzoek is het van
 buitengewoon belang dat de arts of therapeut vertrouwen heeft, uitleg
 geeft en steunt. De arts moet de pati‰nt uitleggen hoe het komt dat deze
 zich constant zo moe en ziek voelt. Aangegeven moet worden welk onderzoek
 zal worden gedaan om de medische puzzel op te lossen. Ook moet worden
 ingegaan op de reacties van de pati‰nt, diens coping mechanismen etc.
 Een en ander mede ter vermijding van 'medical shopping'. Verder maakt het
 voor de behandeling veel uit in welke van de vier onder genoemde
 categorie‰n de pati‰nt valt, hoewel dat bij het begin van de manifestatie
 van de ziekte uiteraard nog niet te beoordelen valt:

 Categorie I
 
 ongeveer 35 % van de patiee  en geopathische belasting

ssagetechniekennten gaat langzaam maar gestaag vooruit.
 Afgezien van de verandering van de levensstijl van de patiënt, levert
 actieve medische interventie weinig op zie onder); men moet de patiënt
 vooral hoop blijven geven.

 Categorie II

 hiertoe behoort ongeveer 40 % van de patiënten. Opvallend is hier het
 wisselende verloop in niveau van lichamelijk en psychische activiteit.
 Dit kan ingrijpende consequenties hebben voor het werk of onderwijs en
 gezinsleven.

 Categorie III

 waarschijnlijk moet omstreeks 20 % van de patiënten tot deze categorie
 worden gerekend. Hier is sprake van een ernstige mate van gehandicapt zijn
 door de ziekte en wordt weinig of geen vooruitgang geboekt. Vaak is overdag
 hulp/ondersteuning nodig.

 Categorie IV

 de resterende 5 % verslechtert geleidelijk en komt vaak in een rolstoel
 terecht of wordt bedlegerig. De vooruitzichten zijn hier slecht; de patiënt
 heeft hier in het bijzonder veel medische, sociale en emotionele steun
 nodig.


                         Specifieke behandelmethoden

 Op het moment bestaat er geen consensus over het nut van medicijnen,
 supplementen en psychotherapie‰n. Veel aangeboden behandelingen missen een
 empirische gronjslag. Het belangrijkste criterium lijkt echter te zijn dat
 de pati‰nt er zelf baat bij meent te hebben. Het is dan ook een goed
 uitgangspunt voor de behandeling om de in te stellen behandeling steeds in
 nauw overleg met de pati‰nt te plannen en in de loop van het proces te
 evalueren. Zeven specifieke therapie‰n zijn getest in dubbelblinde
 placebo-gecontroleerde onderzoekten; overigens waren hierbij slechts kleine
 aantallen pati‰nten betrokken. In drie onderzoeken werd melding gemaakt van
 een positief effect van hoge doses teunisbloemolie, injecties met
 magnesiumsulfaat en een hoge dosis intraveneus immunoglobuline. Andere
 onderzoeken leverden echter geen resultaat op. Wij bespreken nu kort de
 afzonderlijke behandelmethoden.

 Antidepressiva

 bij een minderheid van M.E.-pati‰nten komen depressies voor, waarbij
 reactieve en endogene componenten een rol kunnen spelen. Aanbevolen wordt
 om een proefbehandeling met antidepressiva te geven: daarbij moet steeds
 voorzichtig worden begonnen en afgebouwd. Pati‰nten zelf lijken er echter
 niet zo enthousiast over te zijn.

 Antivirale middelen
 
 er werden inmiddels proeven verricht met Acyclovir, Amantadine en
 Kutapressin, echter niet in directe zin met betrekking tot M.E.-pati‰nten.
 Soms worden ernstige bijwerkingen gezien. Vooralsnog lijkt hier de
 oplossing niet te liggen.

 Calcium-antagonisten

 hoewel er nog geen klinische onderzoeken zijn gepubliceerd die de vermeende
 werking bevestigen, is in Amerika het gebruik van calcium-antagonisten,
 met name voor de cognitieve dysfunctie, veel populairder dan hier.

 Gedragstherapie/inspanningsprogramma's

 de getrapte inspanningsprogramma's leverden in een concrete Australische
 toets geen aanawijzingen op voor therapeutische effectiviteit. Sommigen
 hechten echter waarde aan een voorzichtig afgemeten toename van
 lichamelijke activiteit.

 Essenti‰le vetzuren en Efamol Marine

 er is slechts ‚‚n placebo-gecontroleerd onderzoek bekend naar de invloed
 van EVZ-suppleties in de vorm van capsules Efamol Marine, een combinatie
 van 80 % teunisbloemolie en 20 % visolie, Na drie maanden vond 85 % van de
 pati‰nten in de proefgroep dat hun toestand was verbeterd tegenover slechts
 17 % in de controlegroep. Aangezien hier sprake is van een veilige
 therapie, kan deze worden aanbevolen; incidenteel kunnen echter
 bijwerkingen optreden.

 lmmunotherapie
 
 op diverse plaatsen is een diverse reeks immunomodulerende behandelingen
 uitgeprobeerd. De resultaten zijn echter tot nu toe teleurstellend of niet
 overtuigend. Het onderzoek met Immunoglobuline verdient echter
 voortzetting, gezien de voorlopige uitkomsten van eerdere proeven. Voorts
 werden Interferon-toepassingen onderzocht: ook hier zijn de resultaten
 echter vooral verwarrend.

 Mineralen en vitaminen

 op dit momenr bestaat er geen goed bewijs voor de visie dat pati‰nten met
 M.E./PVVS specifieke vitamine- of mineraaltekorten of problemen met de
 resorptie hebben. Desondanks nemen veel pati‰nten op eigen initiatief dit
 type preparaten in. In sommige gevallen zijn duidelijk nadelen van
 overdosering vastgesteld (Germanium. vitamine C. vitamine B6 etc).
 Magnesium-suppletie zou in geval van aangetoonde tekorten wel resultaat
 kunnen hebben. Hetzelfde geldt voor zink-suppletie.

 Symptomatische verlichting

 het lijkt zinvol ernstige hinder van bepaalde symptomen in directe zin te
 bestrijden: men moet echter beducht zijn voor bijwerkingen of zelfs
 tegengestelde effecten. Bij overgevoeligheid voor bepaalde voedinfsmiddelen
 kan door middel van een eliminatie-dieet worden gezocht naar het optimale
 dieet voor de individuele pati‰nt. Een regelmatige gebitscontrole en
 -regulatie lijkt ook zeker aan te bevelen. Hulp bij slaapstoornissen is
 verder een nuttige vorm van ondersteuning.

 Alternatieve geneesmiddelen.

 sommige van deze benaderingen lijken te helpen, aldus Shepherd, hoewel de
 invloed van het 'tijd/aandacht/liefde-complex' vooralsnog niet te isoleren
 zou zijn van het directe effect van de therapie als zodang.

 Adviezen met betrekking tot levensstijl


 het accepteren van de vele beperkingen die de ziekte tot gevolg heeft,
 positief blijven over de kans op herstel, en het doorvoeren van
 veranderingen in de levensstijl, zijn drie essenti‰le gebieden van zelfhulp
 waarover zorgvuldige adviezen moeten worden gegeven. Men zal bijvoorbeeld
 een juist evenwicht moeten zien te vinden tussen inspanning en rust; men
 moet leren op verstandige wijze met de beperkte eigen energievoorraad om te
 gaan.


 Overige opmerkingen/aspecten
 
 Patienten moeten zich bewust zijn van de factoren die veelal de symptomen
 verergeren of een terugval veroorzaken. De belangrijkste daarvan zijn:
 alcoholintolerantie, bijkomende infecties, immunisaties, operaties en
 narcose, en temperatuurextremen. Verder kan de arts of therapeut een
 aantal praktische adviezen geven voor het omgaan met de ziekte en met de
 specifieke omstandigheden. Sommigen menen dat allergieën en chemische
 overgevoeligheid een grotere mate van voorkomen hebben onder M.E.-patiënten.
 Men moet de patient er echter voor behoeden op dit gebied onnodig en
 duuronderzoek te laten uitvoeren. Desondanks kan worden aanbevolen om het
 gebruik van bepaalde chemische substanties (bijv. Pesticiden die
 organogosfaten bevatten) in en rond de eigen woning te beperken. Bloed- en
 orgaandonaties waren zoveel mogelijk te vermijden tijdens de ziekte.
 Autorijden moet in bepaalde gevallen worden afgeraden. De pati‰nt dient te
 worden aangemoedigd een gezond dieet te volgen, maar om zich daarbij niet
 te laten meeslepen door modieuze trends. Zwangerschappen moeten zorgvuldig
 worden overwogen. Steun dient te worden geboden bij het aanpassen van
 overmatige werkinspanningn c.q. het verwerven van uitkeringen.

 Voor overige informatie en de geraadpleegde literatuur wordt verwezen naar
 het oorspronkelijke boek. Verder attenderen we op de bijgevoegde
 commentaren van redactieleden en het afsluitende commentaar van
 M.P.L. Jansen.
 
 Correspondentie-adres.
 
CW Aakster
 Schoolstraat 33
 9421 SL Bovensmilde

 Referentie

 Bates DW et al: Clinical Laboratory test findings in patients with
 Chronic Fatigue Syndrome.
Archives on Internal Medicine.
 1995, 155, 97, 103.

 Het boek is te bestellen door overmaking van Ÿ 14,- op giro 62.17.927
 ten name van de ME-stichting - Projecten, Amsterdam, onder vermelding van
 "Boek Shepard". Bij gebruik van girotel of bank gaarne uw adres en
 postcode extra vermelden.

 Het adres van de M.E. Stichtine is:
 Postbus 57436, 1010 BH Amsterdam.


 Invited Comments


 redactielid Cor W. Aakster

 Het lijkt mij dat het Chronisch Vermoeidheids Syndroom -behalve voor de
 pati‰nt zelf- in de eerste plaats een ernstige zaak is vanuit een algemeen
 maatschappelijke gezichtshoek en dat het in de tweede plaats een
 stijlvoorbeeld is van een integraal geneeskundige problematiek/aanpak.
 Beide gedachten moge ik hieronder kort toelichten.

 Ik denk dat sprake is van een algemeen maatschappelyk probleem omdat dit
 syndroom naar mijn mening samenhangt met bepaalde ontwikkelingen in onze
 maatschappij, met name op het gebied van de leefwijze van de moderne
 staatsburger en zijn directe micromilieu. Ik denk daarbij aan:
 in toenemende mate gedenatureerde voeding, veelvuldige toepassing van
 anti-biotica bij kinderen, immunisaties, amalgaamvullingen, veelvuldige en
 elkaar interactief/cumulatief- versterkende "long term low level stressors"
 in de directe leef/woonsituatie van kinderen (verkeersstof, huismijt,
 allergenen, vrijkomende chemische stoffen van speelgoed. verf) etc.

 Naar mijn mening leidt dit tot ondermijning van het afweersysteem en een
 toenemende overgevoeligheid voor allerlei stoffen. Daar kan nog bijkomen
 dat onze maatschappij in sommige van haar leden een overmatige werkijver
 cre‰ert (eventueel in combinatie met overmatig genot- en
 geneesmiddelengebruik) waardoor uitputtingsverschijnselen c.q. een
 burnout-syndroom zich kunnen gaan voordoen. Het griezelige is dat dit soort
 fenomenen zich in toenemende mate lijkt voor te doen en dat
 "de autoriteiten" geriefelijk hun ogen en oren voor deze problematiek
 sluiten. (Omdat het afbreuk zou kunnen doen aan het sprookje van de
 welvaartsstaat?). Daarnaast veroorzaakt dit syndroom aanzienlijke kosten
 voor de samenleving in termen van behandelingskosten en verzuim- c.q.
 uitkeringskosten.

 In de tweede plaats stelde ik dat hier een bij uitstek integraal
 geneeskndige problematiek aan de orde is. Ik denk daarbij aan: complexe
 etiologie (zie boven), meervoudige diagnostiek, en een complexe,
 individueel afgestemde therapie die zich over langere termijn voortzet,
 waarin lichamelijke, psychische en sociale componenten als gelijkwaardige
 componenten ge‹ntegreerd zouden behoren voor te komen. Een onderscheid
 tussen regulier en alternatief lijkt mij daarbij niet erg zinvol: alles
 wat de pati‰nt helpt is goed. En: zo ergens de pati‰nt zelf een centrale
 rol speelt, is het wel bij de aanpak van dit syndroom.


 redactielid Tine Boelens

 Als ik dit artikel lees. lijkt "alles onder controle". Onder de schijn van
 een min of meer welomschreven aandoening gaat echter veel pati‰ntenleed
 schuil. Het langdunrie karakter van de ziekte en het ontbreken van een
 effectieve therapie kunnen leiden tot het voorschrijven door genezers van
 een grote variatie aan orthomoleculaire en andere middelen. Er wordt te
 weinig rekening gehouden met de factor resorbtie bij de altijd flink
 verontreinigde pati‰nt; het geringe effect van de therapie leidt tot
 shoppen van de ene therapievorm naar de andere, van de ene genezer naar de
 andere. In het artikel wordt herhaaldelijk het woord "adviezen" genoemd.
 Maar hoe kun je een pati‰nt adviseren als je zelf met de handen in het haar
 zit over wat er nu eigenlijk aan de hand is? Een van de meest zinvolle
 adviezen is nog wel, de pati‰nt in contact te brengen met de
 pati‰ntenvereniging voor M.E., en zich aan te sluiten bij een van de
 zelfhulpgroepen.

 In de relatie tussen pati‰nt en therapeut is het in de eerste plaats
 belangrijk, dat de pati‰nt goed haar verhaal kan doen en de therapeut
 luistert. Het draait in de eerste plaats om acceptatie van de ziekte door
 de pati‰nt: de therapeut kan dit proces vergemakkelijken door de pati‰nt
 het gevoel te geven dat ze er mag zijn zoals ze is. Als de pati‰nt het
 ziek -zijn kan aanvaarden als een integraal onderdeel van haar levensproces,
 dan is ze al een heel eind. Op deze manier wordt ziekte meer een doorgang,
 een initiatie, die inzicht kan geven in "de uiteindelijke vraag".
 Lichamelijke symptomen zijn daarvoor meer geschikt dan wat dan ook, omdat
 ze nooit liegen. M.E. is zoals alle chronische aandoeningen een gevolg van
 verontreiniging van het lichaam. Darm en lever spelen hierin een cardinale
 rol. Reinigen is dus van groot belang, maar brengt ook weer problemen met
 zich mee omdat de M.E. pati‰nt verzwakt is en verergeringsverschijnselen
 door het vrijkomen van toxische producten slecht verdraagt. Zachte vormen
 van reinigen. samen met een mild dieet kan uitkomst bieden (b.v. volgens
 Mayr). Ook warmwaterclysma's van 300 cc zijn zo'n zachte vorm. In het
 artikel wordt geen aandacht besteed aan belasting van het organisme met
 schimmels en anden infectiebronnen, noch aan geopathische belasting, noch
 aan het belang van gebitssanering (amalgaam). Het voorschijjven van
 magnesium lijkt me zinvol, omdat bewezen is, dat M.E. pati‰nten een
 intracellulair verlaagd magnesium gehalte hebben. Vitamine C kan natuurlijk
 ook nooit kwaad! Gezien de frequentie van voorkomen van M.E. en de golf die
 er, gezien de toename van milieubelasting en stress zit aan te komen, lijkt
 het me een goed idee om energie te steken in evaluatie van de effectiviteit
 van therapie‰n, misschien in samenwenwerking met de M.E. stichting.

 redactielid Bianca Brundel
 
 De rol van vaccinaties in het ontstaan van Myalgische Encephalomyelitis
 wordt gedefinieerd als 'moeheidssyndroom', chronische, vaak invaliderende
 vermoeidheid ten gevolge van het latent aanwezig blijven van een virus na
 een doorgemaakte infectie. De infectie kan aanleiding geven tot een
 ontsteking van het rugemerg en de hersenen. Enterovirussen worden als de
 mogelijke oorzaak beschouwd. Tot deze groep virussen behoren onder andere
 de coxsackie-virussen en het poliomyelitis-virus. Enterovirussen zijn in de
 meeste mensen latent aanwezig en zorgen zo voor recidiverende ziekten.
 Dit is moeelijk doordat het virus in staat is om zich te verenigen met het
 genetische materiaal van zijn gastheer. Zo is bekend dat het mazelen virus
 in ge‹nfecteerde cellen aanwezig kan zijn zonder dat er ook maar iets te
 merken is van een verandering in de structuur of functie van die
 lichaamscel. Nu kan de vraag opgeworpen worden of dit latent aanwezig zijn
 van virussen ook ontstaat na vaccinatie met levende, zij het verzwakte
 virussen van griep, de bof, mazelen, polio en dergelijke. Voor het mazelen
 virus is dit aangetoond (Huppert en Wild 1986) en veel onderzoekers delen
 deze verdenkingen met betrekking tot de andere virussen (Chaitov 1993).
 Bedenk hierbij ook dat baby's van 3 maanden oud, dit is de leeftijd waarop
 men begint met routinematig vaccineren, absoluut nog geen voltallig
 immuunsysteem hebben! Pas wanneer baby's 1 jaar oud zijn kunnen ze 'normale'
 hoeveelheden IgM, IgG en IgA produceren. De pathogene stoffen hebben dus
 vrij spel in zulke jonge kinderen. Volgens Coulter (1990) kan het grootste
 aantal gevallen van encephalomyelitis in verband worden gebracht met het
 routine-matig vaccineren van onze kinderen. Er kunnen zich na vaccinatie met
 DPT en andere vaccins acute, hevige reacties voordoen zoals hoge koorts,
 hevige hoofdpijn, slaapzucht, diarree, braken, gillen met hoge toon etc.
 Maar wat heel belangrijk is, is dat deze hevigheid van de reactie niets
 zegt over de eventuele opgelopen hersenbeschadigingen. Er blijkt maar een
 geringe correlatie te bestaan tussen de mate van infectie-ziekten en de
 beschadiging van de hersenen. Soms worden er helemaal peen symptomen voor
 hersenbeschadiging waargenomen na vaccinatie (hoofdpijn. bewustzijnsverlies,
 hoge toon gillen, dufheid, braken, stijfheid van de nek etc.). Dit leidt
 tot de conclusie dat hevige neurologische nasleep zelfs jaren na vaccinatie
 kan ontstaan; postvaccinale encephalomyelitis, zonder de aanwezigheid van
 een acute reactie. Een mogelijke oorzaak hiervoor is naar mijn idee het
 latent aanwezig zijn van virussen, en hiermee samenhangend de individuele
 gevoeligheid van het immuunsysteem. De latente virus infecties kunnen
 worden beschouwd als tijdbommen: op een bepaald moment ontploffen ze en
 zullen er zich tal van degeneratieve en chronische ziekten voordoen
 (Huppert en Wild 1986). Door het tijdsverschil tussen het moment van
 vaccinatie en de uiting van de symptomen wordt het heel moeilijk om het
 oorzakelijke verband aan te tonen binnen de huidige regels voor
 wetenschappelijk onderzoek. Toch bestaan er al vele aanwijzingen in die
 richting alleen ontbreekt nog bij velen, om wat voor reden dan ook, een
 gewillig oor.


 Literatuur

 Chaitov L. 1993: Vaccinatie en immunisatie:gevaren, misvattingen en
 alternatieven.
 
Coulter H.L. 1990: Vaccination, Social Violence and Criminality;
 The medical assault on the American Brain.
 Huppert J en Wild T.F. 1986: Virus-related pathology:
 is the continued presence of the virus neccessary?
 
Adv. Virus.Res. 31:357 - 385


 redactielid H. Koning

 Het commentaar en de aanvullingen op dit artikel over M.E. zijn geschreven
 vanuit de hier toegepaste diagnose-methodieken en behandelings-strategie‰n
 die toegepast worden in het Centrum voor Preventief Medisch Onderzoek en
 het Centrum voor Biologische Geneeskunde. In deze centra ben ik als arts
 voor biofysische geneeskunde werkzaam. De pati‰nten die mijn hulp inroepen
 zijn meestal al door het gehele reguliere medische traject gegaan. Bij de
 grootste groep zijn klinisch-chemisch, neuro-fysiologisch, psycho-sociaal
 en screening via de gebruikelijke scantechnieken, geen of nauwelijks punten
 van houvast te vinden. In ons centrum worden energetische test en
 behandelmethoden toegepast, hierdoor worden ziekten en ziektebeelden op een
 meer fundamentele wijze benaderd. Het grote verschil met de meer chemisch-
 symptomatische statische benadering is in ‚‚n woord samen te vatten
 "Energie". Want in alle levende systemen, waaronder de mens, worden alle
 chemische reacties "aangestuurd" door dit energetische systeem. Vanuit de
 natuurwetenschap is bekend dat deze energie uit electrische,
 electromagnetische en magnetische signalen bestaat. Ontregelingen in deze
 gebieden gaan vooraf aan klinisch vast te stellen ziekten. De door mij
 toegepaste diagnose-systemen zijn:

 a) Energetische functietesten (Decoderanalyse)
 b) Hoogfrequente foto-techniek t.b.v. het vastleggen van
    energetische patronen (Kirkan Fotografic)
 c) Levend-bloed analyse (Donkerveld Fase-contrast microscopie)
 d) Bloed/speekselurine analyse (B.E. Vincent)
 e) Electro-acupunctuur in combinatie met Bioresonantie analyse.

 Bovenstaande onderzoeken/testen brengen energetische ontregelingen,
 tendensen tot ontregelingen en blokkades in kaart. De behandelings-strategie
 is sterk afhankelijk van de gevonden uitslagen. Als voorbeeld:
 Een pati‰nt met een, in de testen, laag energie-niveau (hypo-erg) mag nooit
 behandeld worden met prikkeltherapie‰n zoals nosoden therapie,
 bioresonantie-therapie op ziekteverwekkers, zware metalen enzovoort op
 straffe van matige tot zeer forse verslechteringen. Hier moet men eerst
 behandelen met externe systemen die de pati‰nt geen tot nauwelijks energie
 kosten. Een pati‰nt met chronische vermoeidheid met voornamelijk blokkades
 en een redelijk normaal energieniveau in de testen (norm-erg) kan zowel met
 "prikkeltherapie‰n" als met externe behandelmethoden worden geholpen.
 Een pati‰nt met chronische vermoeidheid en een, in de testen, hoog
 energieniveau (hyper-erg) zoals men vindt bij overgevoeligheden en
 allergie‰n, kan behandeld worden met systeem-ontlastings therapie‰n zoals
 bioresonantie, testen en eliminatie van de allergenen. De mij hier
 toegemeten ruimte is te kort om alle energetische ins en outs te bespreken.
 Ik wil u echter op het hart drukken om vooral zeer systematisch te werk te
 gaan. Ten eerste: Bepaal het energetische niveau en bepaal het "instap"
 beleid. Ten tweede: Ga systematisch het zogenaamde blokken-model langs en
 bepaal met behulp van een energetische testmethode de aard en mate van
 ontregeling. Het blokken-model bestaat uit 11 blokken te weten:

  1. Inenting-schade
  2. Zware metalen
  3. Erfelijke belastingen
  4. Allergie‰n en overgevoeligheden
  5. Elektromagnetische velden en geopatische belastingen
  6. Microgolven
  7. Toxinen uit de omgeving
  8. Chronische stoorvelden
  9. Verkeerde voeding
 10. Bacteri‰n, virussen en schimmels
 11. Psychische problemen.

 Bij dit alles is een zeer grondige anamnese van met name de periode van voor
 het ontstaan van de klachten zeer belangrijk. Ook hier is net als bij de
 meeste chronische ziekten en ziektebeelden sprake van multi-causaliteit
 volgens het principe van het overlopende vat. Neuro-hormonale ontregelingen
 spelen hier altijd een rol mee. Dit neuro-hormonale systeem is het
 belangrijkste "aansturings-systeem" op cellulair niveau. De vraag moet
 altijd zijn is dit een primaire of een secundaire ontregeling. Het antwoord
 op deze vraag bepaalt in sterke mate het beleid mee.

 redactielid F.J.M.Neelissen
 
 Het grote manco bij M.E. is het gebrek aan een diagnose, de oorzaak van het
 probleem. In de Electroacupunctuur volgens Voll wordt de oorzaak gezocht in
 het Basissysteem van Pischinger. Op deze manier vinden wij bij deze
 patienten altijd bacteriele en virus infecties, met daarnaast focale
 storingen als bv. avitale elementen en tonsilla palatina of een litteken
 als gevolg van een tonsillectomie. De formidabele immuniteitszwakte valt
 op. In de acute fase vinden we subfebrile temperaturen met daarbij
 ontstekingen van slijmvliezen: sinusitis, pharyngitis, tonsillitis,
 gastritis en colitis. Als oorzaak zien we vaak Coxsackie DA 30,
 Coxsackie A7. In de chronische fase moeheid en spierpijn. Door de
 immuniteitszwakte is vaak een Toxoplasmose actief. Bij volwassenen
 overheerst dan verlammende moeheid, concentratieverlies, sensorische en
 motorische verlammingen en doofheid.

 Ook griepvirussen kunnen als secundaire factor een rol spelen: Griepvirus
 type A, Azi‰griep, VAPCH griep. Niet vergeten mag worden het amalgaam als
 een super-ponerende factor. De therapie wordt gezocht in het geven van
 nosoden en drainagemiddelen en zo nodig behandeling van focale storing.
 Ook de intermediaire stofwisseling (chinonen) moet mee behandeld worden.
 Een onderdeel van de therapie vrmt het uitsluiten van geopathische
 belasting.

 Bron

 Cursus Electroacupunctuur volgens Voll tijdens Module EAV van
 Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging

 
 redactielid Marja TrossŠl - Van Engelen
 
 Een pati‰nt met het chronisch vermoeidheidssyndroom verkeert in een
 moeilijke positie: ten eerste door de twijfel aan zichzelf, ten tweede door
 de twijfel bij de omgeving waardoor hij/zij zich verdedigen moet en ten
 derde door de wisselende houding van de medische wereld t.o.v.
 de aandoening.

 Bij alle interne problematiek van een chronisch vermoeide pati‰nt de strijd
 tussen de conventionele en alternatieve geneesmethoden niet aan. Ik noem u
 twee voorbeelden uit vele: een pati‰nte was opgenomen in een psychiatrische
 innchting onder de diaenose C.V.S. maar werd al jaren behandeld als ware
 zij depressief. Zij kwam voor een second opinion bij ons en toen de door
 ons voorgestelde behandeling niet te combineren bleek met de anti-depressiva
 die zij gebruikte, dwong de psychiater haar stappen te ondernemen tegen
 PMC. Huilend vertelde zij over de telefoon dat men haar gedreigd had om
 haar op straat te zetten als zij niet meewerkte. Een andere, hoog opgeleide
 Surinaamse pati‰nte werd door de GAK-arts niet serieus genomen. Hij snauwde
 haar toe dat alle Sunnamers lui waren, dat zij toch al te hoog ingeschaald
 werk deed en wat alternatieve flauwekul hier nu goed aan kon doen.
 Deze situaties hebben een slechte invloed op de kwetsbare CVS pati‰nt.
 Nooit mag een verschil van opinie tussen medische behandslaars uitgevochten
 worden over de pati‰nt. Bij de diagnostische criteria ontbrak wat mij
 betreft de leverfunktietest (fase 1 en fase 2): stoornissen in het
 detoxificatiesysteem komt bij vrijwel alle M.E. pati‰nten voor die bij ons
 getest zijn. Overigens is het laten uitvoeren van de tests een groot
 financieel probleem: de reguliere geneeskunde weet (nauwelijks) van hun
 bestaan en er is eeen vergoeding als zij aangevraagd worden door
 alternatieve artsen/therapeuten. Voordat met behandelingsmethoden wordt
 aangevangen, is het belangrijk om te kijken naar de mogelijke oorzaken.
 Ik geloof in een "total loxid load", de opbouw van toxische aanvallen op
 het immuunsysteem door bacteri‰le, virale en/of parasitaire infecties,
 medicatie, overmatige stress, chemicali‰n uit binnen en buitenlucht
 (bv formaldehyde/pesticiden) etc. Zelden treffen wij een pati‰nt met CVS
 wat door slechts ‚‚n oorzaak ontstaan is. Het is vrijwel altijd een
 combinatie.

 Onze behandelingsmethode is er op gericht om de belasling voor het
 immuunsysteem te verminderen en zoveel mogelijk belastende omstandigheden
 te vermijden: omdat er sprake is van multicausaliteit is de behandeling ook
 multifactorieel. Veel succes boeken wij met doorverwijzing naar de
 Aquatilis-therapie in Geldrop, waar door middel van verbljif in een
 vochtige, warme cabine met o.a. speciaie waterdamp, magneetveld en
 lichtfrequenties de sterkste en plezierigste anti-oxidant therapie
 plaatsvindt, die ik ken.

 Eindcommentaar
 
 M.P.L. Jansen, medisch adviseur M.E. Stichting
  De situatie van een M.E.-pati‰nt in de medische wereld was tot voor enkele
 jaren geleden schrijnend, en dat is nog zacht uitgedrukt. Heel geleidelijk
 komt daar verbetering in. De grootste stap vooruit zal gezet worden als er
 een bewijzend bloed- of functie-onderzoek gevonden wordt.

 Ziektes van onbekende oorsprong hebben altijd al geleid tot ruim aanbod aan
 theorie‰n over de oorzaak ervan. Vroeger werden voornamelijk allerlei
 materi‰le en godsdienstige verklaringen geopperd. Sinds eind vorige eeuw is
 daar de psychologische verklaring bijgekomen en sinds de ontwikkeling van
 de consumptiemaatschappij allerlei milieu-oorzaken. Tot voor kort kregen
 bijvoorbeeld mensen met maagzweren allerlei psychische verklaringen/
 toespelingen over zich uitgestrooid, vaak uitspraken van kwetsende
 oppervlakkigheid. Uiteindelijk bleken we al die tijd niet in staat de
 juiste kweekbodem voor Helicobacter pylori te maken. De kleur van het
 ziektebeeld is hierdoor immens veranderd, het psychische aandeel wordt in
 veler ogen kleiner. M.E. staat nog v¢¢r die verandering.

 Jammer genoeg is er de afgelopen jaren in een deel van M.E.-Nederland de
 opvatting ontstaan dat al het psychologische over M.E. slecht is.
 Natuurlijk is er amper enige aanwijzing van een psychische oorsprong van
 M.E. De psychologie biedt echter behandelingsmogelijkheden voor
 rouwprocessen, en vaardigheidstrainingen om beter met moeilijkheden om te
 gaan. Veel M.E.-pati‰nten zouden hiermee zeer gebaat zijn.

 Een deel van de M.E.-pati‰nten gaat naar orthomoleculair en
 natuureeneeskundig artsen. Zij verdienen steun. De M.E. Stichting zoekt die
 te geven, maar stuit daarbij binnen deze beroepsgroepen op de grote
 verschillen in kwaliteit en opvattingen van wat de juiste behandeling is.

 Wat mij altijd al als bezwaarlijk is overgekomen is dat de normen voor
 bewijsvoering buiten de organisch gerichre wetenschap veel lager liggen.
 Sinds bekend is dat er een verband is tussen stress en de functie van het
 afweersysteem, en de mogelijkheid van toxicologische belasting van het
 afweersysteem, wordt het te pas en te onpas aangehaald, maar weinig in
 betreffende specifieke situatie bewezen. Want wat is precies het verband,
 en met name waarom krijgt de pati‰nt deze ziekte en geen andere.
 Het bezwaar tegen veel reguliere artsen welke zeggen 'het zal wel psychisch
 zijn' geldt mutatis mutandis ook voor de alternatief geneeskundigen:
 'het zal wel een toxische belasting zijn'. of 'u eet slecht en hebt
 minerale tekorten'. Is dat een wetenschappelijk verantwoorde uitspraak voor
 d‚ze pati‰nt, of alleen een hypothese. En hoe lang moet een pati‰nt een
 bepaalde behandeling ondergaan voordat de hypothese bij deze pati‰nt als al
 dan niet als geclassificeerd moet worden beschouwd. En hoe kwantificeer en
 beoordeel je dat bij een zo'n wisselend ziektebeeld als M.E. In een
 cohort-onderzoek van de onderzoeksgroep van Nijmegen bleek er na 1.5 jaar
 geen verschil in vooruitgang te zijn tussen mensen welke een of andere vorm
 van alternatieve therapie gevolgd hadden en die welke dat niet gedaan
 hadden. Natuurlijk kan daarop aangevoerd worden dat er te veel kaf onder
 het koren van alternatieve artsen/therapeuten of hun behandelingen zat,
 maar wat is dan de consensus over wat het koren is.

 Persoonlijk zou ik tot twee zaken willen oproepen:


 1. Een protocol op basis van uitgebreide consensusbijeenkomsten zodat elke
    natuurgeneeskundig of orthomoleculair arts een zelfde pati‰nt hetzelfde
    zal gaan behandelen. Dat is een logisch gevolg van wetenschap en doet
    toch recht aan de individualisering.
 2. Een bewijzend onderzoek van de natuurgeneeskundige of orthomoleculaire
    behandeling van M.E.-pati‰nten, volgens het black box model. Het is een
    uitdaging aan de industrie en aan de behandelaars. Veel werk ook voor de
    laatsten: medisch-ethische commissies, onderzoeksmethoden valideren,
    geld zien te krijgen, veel literatuur over een klein onderwerpje lezen,
    publiceren. Wanneer er echter zoveel per jaar per pati‰nt te verdienen
    valt, dan verdienen die pati‰nten goed onderzoek. Ik zal zo'n onderzoek
    van harte op alle mogelijke wijzen willen ondersteunen.


 Enkele korte opmerkingen

 1. Myalgische encephalomyelitis is een verkeerde benaming. Bij het
    overgrote deel van de M.E.-pati‰nten kunnen geen tekenen van ontsteking
    van de hersenen of het rugenmerg gevonden worden.
 2. Vaccinaties kunnen mogelijk een bijfactor zijn, maar niet de hoofdfactor,
    immers maar 1 op de 1000 mensen krijgt M.E. Multicausaliteit dient ook
    bewezen te worden.
 3. Het gaat er niet om tekorten aan te vullen, maar om te bewijzen dat het
    aanvullen van tekorten genezend werkt. Bij het aangehaalde magnesium-
    onderzoek bestond de aanvulling uit minder dan een kwart van de
    dagvoedingshoeveelheid. Dat roept op zijn minst om een
    herhalingsonderzoek.