Subject: info: Benzodiazepinen
(tranquillizers,slaapmiddelen en anti-epileptica)
Benzodiazepinen
(bron: http://www.achmeahealth.nl/mednet/
)
Benzodiazepinen: bekende groep medicijnen omdat uit die groep de meeste
tranquillizers en slaapmiddelen afkomstig zijn. Ze blijken ook effectief bij
behandeling van bepaalde vormen van Epilepsie. In de praktijk is gebleken
dat mensen die vaak een aanval van vallende ziekte (epilepsie) hebben het
risico lopen te vaak een dosis diazepam te krijgen. Zo kan men zeer sterk
wisselende hoeveelheden van dit middel in het bloed krijgen, hetgeen ertoe
bijdraagt dat men weer een nieuwe epilepsie aanval krijgt (Epilepsy Res
1999;35(2):123). Bij de behandeling van vallende ziekte speelt met name
clonazepam een rol. Ook lorazepam, diazepam en midazolam worden aangeprezen
als benzodiazepinen die bij behandeling van epilepsie een rol kunnen spelen.
Midazolam is een middel dat speciaal geschikt zou zijn om een aanval van
epilepsie te doorbreken (Lancet 1998; 352:620 en Lancet 1999; 353:623).
Lorazepam blijkt effectiever dan fenytoïne bij zowel de behandeling van
status epilepticus (N Engl J Med 1998; 339:792) als bij de behandeling van
epilepsie door alcoholmisbruik (N Engl J Med 1999; 340:915).
Bijwerkingen: coördinatiestoornissen, spierzwakte en versuffing.
Geheugenstoornissen. Soms worden mensen depressief. Impotentie, problemen
met plassen, obstipatie, verwardheid, onduidelijk spreken, hoofdpijn en
slapeloosheid.
Benzodiazepinen zijn kalmerende middelen met naast een kalmerend (sederend)
ook de angst onderdrukken (anxyolitisch) effect. Ook worden ze gebruikt als
slaapmiddelen en bij de behandeling van epilepsie. De benzodiazepinen zijn
commercieel gezien ongetwijfeld de succesvolste medicijnen in de
geschiedenis der geneesmiddelen. Inmiddels zijn de gouden dagen van deze
medicijnen voorbij, maar nog altijd horen ze tot de meest geslikte
geneesmiddelen. Sinds de vondst van de eerste benzodiazepine zijn er
duizenden varianten ontwikkeld, waarvan er een aantal als tranquillizer in
de Nederlandse apotheken te vinden is.
De stoffen uit de benzodiazepinegroep verschillen niet zoveel van elkaar.
Hoewel de fabrikanten op de enorme voordelen van hun eigen variëteiten
wijzen, zijn deze beweringen nooit goed met betrouwbare onderzoeken
gestaafd.
Benzodiazepinen die gebruikt worden als tranquillizers:
diazepam (Diazepam, Stesolid, Valium, Diazemuls),
chloordiazepoxide(Chloordiazepoxide), medazepam (Medazepam), bromazepam
(Bromazepam, Lexotanil), ketazolam (Unakalm), oxazepam (Oxazepam, Seresta),
clorazepinezuur (Tranxène, Clorazepaat), clobazam (Frisium, Urbadan),
lorazepam (Lorazepam, Temesta), nordazepam (Calmday), prazepam (Reapam),
temazepam (Temazepam, Levanxol) en alprazolam (Xanax).
De stoffen uit de benzodiazepinengroep verschillen niet zoveel van elkaar.
Hoewel de fabrikanten op de enorme voordelen van hun producten wijzen, zijn
deze beweringen nooit goed met betrouwbare onderzoeken gestaafd. Overal op
de wereld worden benzodiazepinen geslikt, zelfs in ontwikkelingslanden.
Lorazepam (Temesta) en oxazepam (Seresta) van Wyeth zijn eveneens populair
in ons land, ondanks de negatieve publiciteit over de ernst van de
verslaving aan lorazepam (Temesta). Er bestaat een relatie tussen een korte
werkingsduur van bepaalde van deze middelen en het optreden van
onthoudingsverschijnselen: de kortwerkende middelen vertonen namelijk
heftiger ontwenningsverschijnselen.
Benzodiazepinen die gebruikt worden als slaapmiddelen:
nitrazepam (Nitrazepam, Mogadon), temazepam (Normitab, Temazepam,
Normison), flunitrazepam (Flunitrazepam, Rohypnol), flurazepam
(Flurazepam, Dalmadorm), lormetazepam (Noctamid, Lormetazepam, Loramet),
loprazolam (Dormonoct), midazolam (Dormicum), brotizolam (Lendormin) en
triazolam (Halcion).
-----------------------
Benzodiazepinen en de remmende werking van gamma-amino-boterzuur (gaba)
Pas in 1977 werd het werkingsmechanisme van de benzodiazepinen ontdekt.
Benzodiazepinen versterken de remmende werking van de neurotransmitter
gamma-amino-boterzuur (gaba), waardoor de prikkelbaarheid van het
zenuwstelsel minder wordt. Er is na gebruik als het ware méér voor nodig om
opwinding te veroorzaken.
Die remmende werking hebben benzodiazepinen doordat ze precies in de
receptorcellen op het zenuwoppervlak passen. Door daar te gaan zitten
verhinderen zij dat andere stoffen dat doen. De vraag is natuurlijk waarom
die receptorcellen daar zitten. Waarschijnlijk niet omdat daar toevallig de
benzodiazepinen in passen. Er moeten dus haast stoffen in het lichaam zijn
die op benzodiazepinen lijken.
Het onderzoek naar die stoffen gaat nog voort en er zijn inderdaad
aanwijzingen dat het lichaam zelf een soort benzodiazepinen maakt om te
ontspannen. Zo zijn er benzodiazepine-achtige stoffen gevonden in planten,
in moedermelk en in koemelk. Het gaat dan om uiterst kleine hoeveelheden.
Alle benzodiazepinen worden in het lichaam omgezet in andere
benzodiazepinen. Voor de duur van de werking moet men dus niet alleen de
aanwezigheid van het medicijn zelf meten, maar ook die van de omgezette
stoffen.
------------------------
Benzodiazepinen: de bijwerkingen
Al snel na de introductie van de benzodiazepinen bleek dat deze middelen, in
tegenstelling tot wat werd gedacht, helemaal niet zonder bijverschijnselen
waren. Sommige van de bezwaren - bijvoorbeeld de verslaving - bleken zelfs
zo groot dat zij voor vermindering van de gezondheid kunnen zorgen. Iedereen
reageert op zijn eigen manier op benzodiazepinen. Men wordt suf, of moe. Het
concentratievermogen kan er door verminderd worden. Of de spieren worden
slapper. Sommige mensen gaan er moeilijk door praten: het lijkt of ze
dronken zijn. Anderen kunnen niet meer stoppen met praten of gaan zich
buitengewoon agressief uiten. Een enkeling gaat zelfs scheel kijken door
oogspierzwakte: het gevolg is dubbelzien of wazig zien. Geheugenverlies kan
als bijwerking optreden. Vooral ouderen hebben hiervan veelvuldig last. Bij
hen maakt dit verschijnsel bovendien vaak deel uit van een algehele
aftakeling van de geestesgesteldheid; bij benzodiazepinegebruik heeft 3.5
keer méér ouderen hier last van dan bij ouderen die deze medicijnen laten
staan. Ongeveer één op tien van de oudere benzodiazepinegebruikers heeft
bovendien te kampen met erge neerslachtigheid.
Benzodiazepinen worden veelvuldig bij Epilepsie gebruikt. Dat is soms al
noodzakelijk op de zuigelingen- en kleuterleeftijd. Op die leeftijd kunnen
de bijwerkingen echter zeer ernstig zijn en neemt de agressie veelal de vorm
aan van aanvallen van machteloze woede (Ned Tijdschr Geneeskd 1990;
134:1708). Het betreft hier alle bijverschijnselen die na enige tijd weer
verdwijnen. Vaak gaan ze echter over in langdurige bijwerkingen, zoals
gewichtstoename door een toegenomen eetlust. Ook kan de vrouwelijke cyclus
erdoor onderdrukt worden.
Benzodiazepinen: verslaving en onthoudingsverschijnselen
Het gebruik van tranquillizers en slaapmiddelen kan leiden tot heupfracturen
Benzodiazepinen: de kater of 'hang-over'
Benzodiazepinen en oudere mensen
Benzodiazepinen en agressie
Benzodiazepinen en bijverschijnselen in de inwendige organen
Benzodiazepinen in combinatie met andere middelen
Benzodiazepinen en zwangerschap
Tranquillizers en slaapmiddelen: verslaving en ontwenning
Benzodiazepinen: bezwaren opgesomd
--------------------------
Benzodiazepinen: het zorgzaam omgaan met benzodiazepinen
Het heeft meer dan vijfendertig jaar geduurd voordat men de problemen van
deze zo onschuldig lijkende middelen onder ogen wilde zien. Benzodiazepinen
waren volgens de meeste artsen volkomen veilige middelen. Pas begin jaren
negentig erkende men in Nederland hoe verslavend deze middelen zijn. Artsen
blijken erg traag in het erkennen van de problemen met tranquillizers.
Inmiddels waarschuwen steeds meer deskundigen tegen het overdadig en
onverstandig gebruik van benzodiazepinen en middelen die daarop lijken.
Opiumwet
Er zijn natuurlijk ook artsen en specialisten die zich in dienst van een
farmaceutische producent hebben gesteld. Misschien geloven ze oprecht in wat
ze beweren, maar op zijn minst mogen we stellen dat ze niet onafhankelijk
zijn in hun oordeel. In 1993 besloot de ministerraad uiteindelijk toch dat
slaapmiddelen en tranquillizers onder de opiumwet moeten vallen.
Voorspelbare opmerkingen
Toch duurde het nog tot 1998 voor het verschijnen van het rapport van de
Gezondheidsraad over de benzodiazepinen (Gezondheidsraad: Kerncommissie MTA.
Naar een doelmatig gebruik van benzodiazepinen. Den Haag: Gezondheidsraad
1998; publicatie nr 1998/20). Het is een opeenstapeling van voorspelbare
opmerkingen over benzodiazepinen en het belangrijkste verwijt dat te maken
valt is dat het ruim tien tot vijftien jaar te laat komt.
Bovendien wordt in het rapport geen krachtig beleid in voorgesteld.
Geschreven wordt dat het effect van benzodiazepinen alleen voor korte
perioden is bewezen in geval van slapeloosheid en bij angst. Verder "kan
men
het bij epilepsie, in de anesthesie en bij alcoholmisbruik gebruiken".
Achteruitgang
Benzodiazepinen veroorzaken achteruitgang van alertheid en het geheugen. Bij
langdurig gebruik is er grote kans op verslaving. Ondanks gezonde adviezen
in de medische vakliteratuur blijft het gebruik van deze geneesmiddelen
toenemen. Combinaties van twee of meer benzodiazepinen zijn nog gevaarlijker
en leiden tot verhoogd risico op fracturen door valpartijen. Ook dat
schijnen voorschrijvers en slikkers onvoldoende te beseffen.
Slaapvoorlichting
De Gezondheidsraad beveelt aan om bij slaapstoornissen in de eerste plaats
slaapvoorlichting te geven en als dat niet helpt, om eventueel (en niet
langer dan twee weken) kortwerkende middelen voor te schrijven. Chronische
gebruikers moeten schriftelijke voorlichting krijgen. En de toepassing van
twee of meer benzodiazepinen is af te raden. Verder meent men dat er
onderzoek gedaan moet worden naar mogelijkheden om benzodiazepinengebruikers
te helpen stoppen met het gebruik. In het Geneesmiddelenbulletin stelt men
dat het rapport een eerste aanzet is (GeBu 1999;33:48). Ons lijkt dat een
rapport dat veel te laat komt mag natuurlijk geen eerste aanzet meer zijn.
Coincidentally the
renowned ME/CFS expert Dr. David Bell met Dr. David H. P Streeten, a professor
of endocrinology at Upstate Medical Center in Syracuse, N.Y. He had retired a few
years before.
Dr. Streeten had treated many patients with a diverse array of complaints
(without knowing they were ME/CFS patients). He discovered a wrong mechanism in
these patients, which he
called "orthostatic disorders of the circulation".
Dr. Streeten found that there were two groups of these patients
(ME/CFS).
* The first group had an abnormally low volume of red blood cells
circulating in the body. They seemed to be milder cases.
* The second group had this same problem along with an
abnormally low plasma volume.
Dr. Streeten came out of retirement and worked together with
Dr. Bell for some years, till he died in October 2000. Together
they published "Circulating Blood Volume in Chronic Fatigue
Syndrome"; Journal of Chronic Fatigue Syndrome; Volume 4,
Number 1, 1998.
ABSTRACT. Chronic fatigue syndrome (CFS) is an illness
associated with severe activity limitation and a characteristic
pattern of symptoms despite a relatively normal physical
examination and routine laboratory evaluation. The recent
description of delayed orthostatic hypotension in patients with
CFS, and previous findings of reduced red blood cell (RBC)
mass in other patients with orthostatic hypotension not known to
have CFS, led us to measure RBC mass and plasma volume in
19 individuals (15 female, four male) with well characterized,
severe CFS. RBC mass was found to be significantly reduced
(p < 0.001) below the published normal range in the 16 women,
being subnormal in 15 (93.8%) of them as well as in two of the
four men. Plasma volume was subnormal in 10 (52.6%) patients
and total blood volume was below normal in 12 (63.2%). The
high prevalence and frequent severity of the low RBC mass
suggest that this abnormality might contribute to the symptoms of
CFS by reducing the oxygen-carrying power of the blood
reaching the brain in many of these patients.
The full text of this article can be found at:
http://listserv.surfnet.nl/scripts/WA.EXE?A2=ind9908B&L=me-net&P=R2542
See also: "Dr. Bell Finds Dramatic Abnormalities in CFIDS";
by Joan S. Livingston, at:
http://www.in.nl/sites/me-cvs/E2000/CFS_ENGE.962
The name of the test is "blood volume test": three total volumes
are sought: red blood cell (RBC) volume, plasma volume, and
total volume. A radioactive dye using Chromium 1 is injected. It
is about the same amount of radiation one would get if having a
lung x-ray. The blood is then drawn at intervals to read the
volumes.
After testing a number of patients at Dr. Bell's request, the
well-known AIDS/ ME/CFS expert Dr. Nancy Klimas found the
same abnormality. Together with Dr. Barry Hurwitz, they are
conducting a study now, to investigate 'Procrit', that increases
the production of red blood cells, as a possible drug.
All the phone numbers of the University of Miami located in the
VA Medical Center have changed the first three digits from 325
to 575. The new number for the CFS Procrit clinical trial is
305-575-7154. The research study is actively searching for
CFS patients who would like to participate in the study. Below is
a brief description of the study:
The Behavioral Medicine Research Center at the University of
Miami is conducting a study funded by the National Heart, Lung,
and Blood Institute of the National Institutes of Health. Dr. Barry
Hurwitz Ph.D. and Dr. Nancy Klimas M.D. are the principal
investigators of this study. The study is investigating a potential
treatment for Chronic Fatigue Syndrome (CFS). The study is a
placebo-controlled clinical trial in which Procrit is prescribed to
the participants for 13 weeks. Procrit is a drug that has been
used for over a decade to treat anemia which is low red blood
cell volume. The drug increases the production of red blood
cells, which we have discovered is low in many CFS patients.
Because the red blood cell delivers oxygen to the body, it is
projected that this treatment may reduce the debilitating fatigue
experienced by individuals with CFS.
You can visit our web page that describes the study and also
has links for downloading our brochure, as well as the electronic
forms that we use to determine eligibility. The web site for our
department, which is the Behavioral Medicine Department, is:
www.bmrc.miami.edu.
To go to our web page directly the address is:
http://www.bmrc.miami.edu/research/niaid/procrit.asp
Dr. Nancy Klimas was interviewed on 3/27/03 by (WTVJ) NBC 6
health reporter Diane Gonzalez. Dr. Klimas talks about CFS,
Procrit and the Gulf War. If you would like more information on
what was discussed in this health report please contact me at
alexgonzalez@miami.edu .
Alex Gonzalez
Lab Supervisor
Behavioral Medicine Research Center
(200 BMRC)
c/o VA Medical Center
1201 NW 16th Street
Miami, FL 33125
```````````````````````````````
http://www.bmrc.miami.edu/research/niaid/procrit.asp
RBC Mass, Autonomic Nervous System Integrity & Syncope Susceptibility
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
in Chronic Fatigue Syndrome
Barry Hurwitz, Ph.D., Principal Investigator
The pathogenesis of the chronic fatigue syndrome (CFS)
includes severe and debilitating fatigue, orthostatic intolerance,
and the disruption of hematological, autonomic, and
cardiovascular function.
Our preliminary findings suggest that: 1) reduced red blood cell
(RBC) mass is a critical hematological marker of CFS; and 2)
RBC mass expansion improves orthostatic tolerance and fatigue
beyond that ascribed to plasma volume expansion alone.
However, the physiological mechanisms underlying the RBC
mass treatment effect and the relationship of such mechanisms
to individual differences in treatment response have not been
elucidated. This proposed 5-year study will screen 150
CDC-defined CFS men and women and classify them into low
and normal RBC mass groups.
The CFS subjects (90 of 105 enrolled) will be studied before and
after a 3-month intervention in a randomized, double-blind,
placebo-controlled study of pharmaco-therapy to expand RBC
mass; specifically, two CFS groups with low RBC mass
(RBC-treated and placebo-treated) will be compared to another
CFS group with normal RBC mass (standard and usual care).
To assess whether the diminished cardiac function,
characteristic of CFS orthostatic intolerance, is a consequence
of myocardial origin, echocardiographic evaluation of left
ventricular structure and function (left ventricular mass and wall
thickness, compliance, and contractility) will be performed.
In addition, autonomic integrity will be assessed during a
standardized battery of tests (supine rest, paced respiration,
Valsalva maneuver, lying-to standing, and sustained handgrip);
baroreceptor sensitivity and a- and b-adrenoceptor sensitivity
will be tested using adrenoceptor pharmacological challenge
(phenylephrine, isoproterenol). To determine orthostatic
susceptibility, a 70? head-up tilt (HUT) test combined with
b-adrenergic agonist infusion at 2 mg/min (and then again at 5
mg/min, if the previous HUT failed to induce orthostatic
hypotension) will be performed.
We will further examine the treatment effect on exertional fatigue
and hemodynamic and autonomic physiological response to the
HUT tests. Finally, the relation between the criterion (orthostatic
hypotension susceptibility) and the predictors (hemodynamic,
autonomic, cardiac structure/function and baroreceptor,
a-adrenoceptor and b-adrenoceptor sensitivities) will be
evaluated to determine the extent to which the predictors are
mediating the treatment effects on orthostatic hypotension
susceptibility.
For more information, download the brochure.
http://www.bmrc.miami.edu/research/niaid/brochure.pdf
(Requires Adobe Acrobat Reader)
To check for eligibility, download and open the interview form.
http://www.bmrc.miami.edu/research/niaid/CFS_INITIAL_ELEGIBILITY_SUR.PDF
Please forward all e-mails to alexgonzalez@miami.edu