Antilichamen allergie voedselintolerantie  Labo testen

 

http://www.keac.nl/labo.htm

 

KEAC-Home | Artseninformatie | PatiŽnteninformatie |   Allergieonderzoeken

Laboratoriuminformatie

 

 IgG4-allergieonderzoek

Glutenonderzoek 

 York-voedselintolerantietest

 Candida-onderzoek

 IgE-allergieonderzoek

 

 HPU-test

 

 

 

De copyrights op de verzamelde informatie berusten bij het KEAC (Klinisch Ecologisch Allergie Centrum).

Het is niet toegestaan de informatie op enigerlei wijze te vermenigvuldigen.
De HPU-vragenlijst mag uitsluitend worden gekopieerd voor eigen gebruik.

Achtergrondinformatie antilichamen

 

In deze artseninformatie vindt u informatie over (de functies van) verschillende soorten antilichamen.

Verschillende antilichamen

Het specifieke afweersysteem (immuunsysteem) wordt gevormd door meerdere soorten antilichamen, eiwitten die in het bloed circuleren. Deze antilichamen worden ook wel immunoglobulinen (Ig) genoemd. Zo onderscheidt men IgA, IgE, IgG en IgM. Hieronder worden de belangrijkste kenmerken van enkele antilichamen vermeld.

Immunoglobuline A:
IgA wordt ook wel secretoir antilichaam genoemd omdat het wordt uitgescheiden door klierachtige cellen zoals die voorkomen in de luchtwegen, maag-darmkanaal en vagina. Het voorkomt door binding, dat allergenen, bacteriŽn en virussen aan het slijmvlies kunnen hechten en zo infectie of ontsteking veroorzaken. Zo zorgt secretoir-IgA ervoor dat via de moedermelk geen allergenen op het kind kunnen worden overgedragen, tenzij er een tekort is aan secretoir-IgA.

Immunoglobuline E: IgE is het antilichaam dat betrokken is bij bepaalde (type I) allergische reakties. Vrijwel alle IgE is gebonden aan cellen die een rol spelen bij de allergische reaktie, namelijk mestcellen en basofiele leucocyten. Slechts zeer weinig circuleert in het bloed. Wanneer een allergeen (bijvoorbeeld een koemelkeiwitmolecuul) zich hecht aan het mestcel-gebonden-IgE veroorzaakt dit een uitscheiden van histamine en andere mediatoren met als gevolg een allergische reaktie. Histamine circuleert met het bloed door het lichaam en bindt aan receptoren ergens in het lichaam. Afhankelijk van de plaats waar dat gebeurt ontstaan allergisch astma, overtollig maagzuur of andere klachten.

Verder speelt IgE een rol bij de afweer tegen darmparasieten zoals aarsmaden.

Immunoglobuline G: IgG is de grootste klasse: tachtig procent van het antilichaamgehalte van het bloed bestaat uit IgG. Bij de secundaire immuunrespons (herhaald kontakt) wordt overgeschakeld op de aanmaak van IgG. Het speelt een rol bij de bescherming van de foetus omdat het de placenta kan passeren. IgG is een belangrijk antilichaam bij de afweer tegen bacteriŽn en virussen (Roitt, 1988). Van IgG bestaan vier subklassen: IgG1, IgG2, IgG3 en IgG4, die verschillende funkties hebben.

Immunoglobuline M: IgM is opgebouwd uit vijf monomeren en beschikt over tien bindingsplaatsen. Het wordt als eerste antilichaam in de immuniteitsreaktie gevormd en is vooral betrokken bij reakties tegen bacteriŽn en virussen. Na enkele dagen wordt vervolgens IgG geproduceerd.

Type I-allergie

Tot de type I-allergie behoren de anafylactische en de atopische reakties. Deze berusten beide op kontakt tussen specifiek-IgE gebonden aan mestcellen en het bijbehorende allergeen. Als gevolg hiervan vindt mestceldegranulatie plaats, waardoor allerlei vasoactieve en chemotactische stoffen vrijkomen: histamine, heparine, leucotriŽnen, prostaglandinen en thromboxanen.

De atopische reactie vindt plaats daar waar het antigeen op de slijmvliezen terecht komt, waardoor alleen locale verschijnselen optreden, zoals een loopneus bij hooikoorts.

Waarom IgG4-onderzoek?

Wanneer men met bloedserum allergie-onderzoek doet, kan men zich afvragen welk type of welke typen antilichamen men zal onderzoeken. Hierbij is het doel van het bloedonderzoek van groot belang. Wanneer men reakties tegen allergenen wil vaststellen, ligt het voor de hand om naar specifieke IgE-antilichamen te gaan zoeken. Echter niet alleen IgE-antilichamen zijn in staat histamine vrij te maken uit mestcellen, ook de zogenaamde "short-term sensitizing" IgG-antilichamen zijn hiertoe in staat. Deze "short-term sensitizing"-antilichamen zijn van het type G4 (IgG4) (Turner-Warwick, 1989; Van der Zee e.a., 1987).

In steeds meer onderzoeken wordt een verband gelegd tussen IgG4-antistoffen en overgevoeligheidsreakties. Ernstige allergische ziekten zoals atopisch eczeem, astma bronchiale en zelfs anafylactische shock zijn waargenomen bij patiŽnten met hoge IgG4-titers, terwijl IgE-antistoffen ontbraken (Bryant e.a., 1975; Halpern, 1987).

Shakib (1988) toonde aan dat er een verband is tussen een verhoogde IgG4-titer (>10 IU/ml) tegen a -caseÔne (een melkeiwit) en melkintolerantie bij volwassenen. Bij patiŽnten met de Ziekte van Crohn werden door Scott e.a. (1986) verhoogde IgG4-titers aangetoond. Deze worden niet gevonden bij patiŽnten met andere ontstekingsachtige darmziekten.

Preary (1988) vond bij 18 van de 20 patiŽnten (90%) met een positieve intradermale huidtest voor melk en positieve eliminatie- en provocatietests, waarbij IgE-specifieke antistoffen tegen melk ontbraken wŤl IgG4-antistoffen.

Nakagawa (1988) selecteerde uit een groep van 68 atopische kinderen 18 kinderen met kippeŽi-allergie. Deze kinderen hadden een positieve huidtest en positieve eliminatie- en provocatietests voor ei. Bij slechts 13 van de 18 kinderen werden voldoende IgE-specifieke antistoffen tegen ei aangetroffen die de positieve reaktie konden verklaren. Bij twee kinderen werden wel zeer lage IgE-titers gevonden; bij drie kinderen ontbraken deze antistoffen in het geheel.

Gwynn e.a (1982), Topping e.a. (1989) en Nielsen e.a. (1988) toonden aan dat behalve IgE-antilichamen ook IgG4-antilichamen betrokken zijn bij allergische longziekten.

Zij toonden aan dat er een verband was tussen de IgG4-antilichamen en de blootstelling van de patiŽnt aan het allergeen/antigeen. Ook Katila e.a. (1986) vonden dat de concentratie aan IgG4-antilichamen een maat is voor de blootstelling aan inhalatie-allergenen.

Ook voor schimmelallergeen werd een verband gevonden tussen de mate van blootstelling (consumptie) en de IgG4-titer, mits er sprake is van een zekere mate van regelmatig en langdurig kontakt en een zekere erfelijke aanleg.

Verhoogde IgG4-titers worden aangetroffen bij IgA-deficiŽntie, chronische darmziekten, ondervoeding, voed- selallergie, inhalatie-allergie (pollinose), astma, schim- melallergie, atopisch eczeem, erytheem, urticaria, anafylaxie en fibrosis cystica (Halpern e.a., 1987).

De theorie is nu dat een patiŽnt met allergische symptomen (klachten) Úf hoge IgE- Úf hoge IgG4-titers heeft voor het allergeen/antigeen. Wanneer beide concentraties hoog zijn zal de patiŽnt door de blokkerende werking van IgG4 op IgE toch geen symptomen of weinig symptomen hebben (Nakagawa, 1988). In dat geval kan een huidtest negatief zijn. Deze theorie wordt wel de theorie of hypothese van De Weck genoemd (De Weck, 1981).

Dit zou verklaren dat patiŽnten met allergische klachten voornamelijk vrouwen zijn. Vrouwen hebben namelijk significant lagere IgG4-titers dan mannen (Merrett e.a., 1983). Onderzoek van Gamboa e.a. (1986) ondersteunt de hypothese van De Weck echter niet (zie pagina 6).

Wetenschappelijke verklaring; eigenschappen van IgG4

Van het immunoglobuline G bestaan vier subklassen: IgG1, IgG2, IgG3 en IgG4. Deze subklassen verschillen in chemische en biologische eigenschappen. Er zijn echter ook veel overeenkomsten.

Antilichamen van het type G4 komen onder normale omstandigheden vrij weinig voor. Slechts vier procent van het IgG in het serum van gezonde personen bestaat uit antilichamen van deze subklasse. De concentratie (titer) kan door chronisch kontakt met antigenen echter sterk stijgen en dan meer dan 95 procent van het totale IgG-gehalte bedragen.

Significante IgG4-titers worden vooral gevonden na langdurige blootstelling aan allergenen. Zo reageren beginnende bijenhouders de eerste tijd op bepaalde bijengifcomponenten met de vorming van IgG1-antilichamen. Na enige tijd treedt echter een verschuiving op naar IgG4-antilichamen. Ook kunnen patiŽnten met chronische parasitaire infecties en schimmelinfecties hoge IgG4-titers hebben.

IgG4-antilichamen hebben enkele belangrijke eigenschappen, die de andere IgG-subklassen niet hebben:

- IgG4-antilichamen kunnen het complementsysteem niet aktiveren

IgG4 is niet in staat om de eerste component van het complementsysteem (C1q) te binden of te aktiveren (Ishizaka e.a., 1967).

Wel kunnen IgG4-antilichamen een rol spelen bij de complement-aktivatie door andere IgG-subklassen. In het fosfolipase A-antigeensysteem bijvoorbeeld, bleken IgG4-antilichamen C1q-binding en dus complement-aktivatie door IgG1 te remmen. Dit is waarschijnlijk een gevolg van competitie tussen IgG1- en IgG4-antilichamen om bindingsplaatsen (determinanten) op het antigeen (Nakagawa, 1988).

- IgG4-antilichamen zijn funktioneel-monovalent

IgG4-antilichamen kunnen maar ťťn van de twee beschikbare bindingsplaatsen benutten. IgG-antilichamen bezitten twee antigene bindingsplaatsen. Als het antigeen in optimale concentratie aanwezig is kan ťťn antilichaam twee antigenen binden. Op deze manier ontstaat een driedimensionaal netwerk als het antigeen meer dan twee antigene determinanten heeft. Het IgG4-antilichaam heeft eveneens twee antigene bindingsplaatsen maar kan desondanks maar ťťn bindingsplaats benutten door ruimtelijke blokkering. IgG4 kan dus geen driedimensionale netwerken vormen met het antigeen; IgG4-bevattende immuuncomplexen zijn daarom altijd vrij klein en zullen in de kleinste haarvaten vastlopen.

- IgG4-antilichamen kunnen zich zowel binden aan mestcellen als aan basofiele leucocyten

Als anti-IgG4-antilichamen (bijvoorbeeld uit konijnen) in de menselijke bloedbaan worden gebracht komt histamine vrij uit basofiele leucocyten (Fagan e.a., 1982; Van Toorenenbergen e.a., 1981). Dit gebeurt niet met antilichamen die gericht zijn tegen andere IgG-antilichamen. Het vrijkomen van histamine uit basofiele leucocyten en mestcellen betekent dat IgG4, evenals IgE, kan binden aan deze cellen. De bindingsaffiniteit tussen IgG4 en mestcellen is echter een stuk lager dan de affiniteit met IgE.

Wat nu precies de rol is van het mestcelgebonden IgG4 is nog onbekend. Er is echter wel een tweetal hypothesen die de werking van het celgebonden-IgG4 verklaren.

Zo zou IgG4, evenals IgE, een anafylactische werking kunnen hebben. In dat geval zou ook binding van antigeen aan mestcelgebonden IgG4 moeten leiden tot degranulatie van de mestcellen. Dit is echter moeilijk aan te tonen. Ook is het mogelijk dat het celgebonden-IgG4 IgE-gemedieerde reakties modificeert of blokkeert (Nakagawa, 1988). Hieronder worden beide hypothesen uitgewerkt.

a. IgG4 als anafylactisch antilichaam

Experimenten hebben aangetoond dat IgG4-antilichamen gebonden worden aan mestcellen in de huid. Als antigeen wordt toegevoegd bindt dit aan het IgG4 aan de mestcel waardoor histamine vrijkomt en de huid wordt gesensibiliseerd. Dit is een anafylactische reaktie.

Het anafylactische IgG4 heeft echter heel andere kenmerken dan het IgE-antilichaam:

- het sensibiliseert de huid sneller en korter dan IgE;

- het bindt zeer zwak aan cellen en weefsels;

- het is goed bestand tegen hitte en chemische reakties.

De anafylactische IgG-antilichamen worden ook wel 'short-term sensitizing' IgG, IgG-(S-TS) genoemd om ze te onderscheiden van IgE-antilichamen.

De incidentie van deze IgG-(S-TS)-antilichamen is doorgaans zeer laag. Zo had in een groep van 250 astma-patiŽnten slechts twee procent IgG-(S-TS)-antilichamen in het serum, terwijl 56 procent een aantoonbare IgE-titer had. Echter bij mensen die allergisch zijn voor melk of graspollen is de IgG-(S-TS)-incidentie aanzienlijk hoger.

De hypothese dat IgG4 kan werken als anafylactisch antilichaam is ontstaan door de ontdekking dat mestcellen receptoren hebben voor IgG4. De juistheid van deze hypothese werd gesterkt door de ontdekking van het anafylactisch werkend IgG-(S-TS)-antilichaam en de aanwijzingen dat dit antilichaam tot de IgG4-subklasse behoort.

Deze aanwijzingen zijn:

- Mestcellen van bepaalde individuen hebben receptoren voor IgG4;

- IgG4-antilichamen zijn elektroforetisch het snelste van alle IgG-antilichamen en kunnen het complementsysteem niet aktiveren. IgE bezit deze eigenschappen ook;

- Er is een hoge incidentie van IgG4-antilichamen bij atopische patiŽnten.

Het vermoeden dat de IgG-(S-TS)-antilichamen tot de IgG4-subklasse behoren berust dus op de overeenkomsten tussen IgG4 en het anafylactische IgE. Er zijn echter ook onderzoeksresultaten die het vermoeden dat IgG4 anafylactisch kan werken tegenspreken:

- Uit een serologisch onderzoek bij mensen met IgG-(S-TS)-aktiviteit is gebleken dat significante IgG4-titers niet altijd aantoonbaar waren;

- Er is nog nooit eenduidig aangetoond dat antigene stimulatie van mestcelgebonden-IgG4 tot mestcel-degranulatie leidt. Het IgG-(S-TS)-antilichaam vertoont deze degranulatie na antigene stimulatie echter wel;

- Echter als IgG4 al anafylactische aktiviteit zou vertonen dan kan dit alleen toegeschreven worden aan een kleine subgroep van de IgG4-klasse. Er zijn immers talrijke voorbeelden van personen die hoge IgG4-titers maar geen anafylactische symptomen vertonen (Van der Zee e.a., 1987).

Bij deze tegenargumenten gaat men voorbij aan het feit dat een hoge IgE-titer de werking van IgG4-tegengaat. Het omgekeerde is ook juist: een hoge IgG4-titer kan de werking van IgE blokkeren. De conclusie is derhalve alleen juist als het onderzoek werd gedaan bij patiŽnten met een zeer lage of geen IgE-respons (zie hieronder).

b. Modificatie van IgE-gemedieerde reakties door IgG4

IgG4-antilichamen kunnen IgE-gemedieerde reakties modificeren door binding van allergeen aan mestcel-gebonden IgE te blokkeren. Dit is geconcludeerd uit serologisch onderzoek van patiŽnten die immuuntherapie (desensibilisatie) hadden ondergaan. Het principe van immuuntherapie is dat allergische individuen geÔnjecteerd worden met allergenen. Het effect hiervan is hypo- of desensibilisatie; volledige desensibilisatie treedt zelden of nooit op.

Het belangrijkste immunologische effect van hyposensi-bilisatie is de produktie van hitte-stabiele antilichamen. Deze antilichamen blijken in staat te zijn om IgE-gemedieerde reakties te remmen. Dit komt waarschijnlijk doordat ze binden aan antigene determinanten op het allergeen, waardoor binding van dat allergeen aan celgebonden-IgE en de daarmee gepaard gaande degranulatie wordt voorkomen. Deze antilichamen worden 'blokkerende antilichamen' genoemd.

De meerderheid van de blokkerende antilichamen behoort tot de IgG-klasse. Meestal worden in het begin van de immuuntherapie IgG1-antilichamen geproduceerd, maar gedurende de behandeling treedt een verschuiving op naar een IgG4-gedomineerde respons.

Hyposensibilisatie gaat, behalve met de produktie van blokkerende antilichamen, gepaard met klinische vooruitgang van de patiŽnt. Het lijkt dan logisch om een evenredig verband te veronderstellen tussen de concentratie blokkerende antilichamen en de mate van klinische vooruitgang. Dit verband blijkt uitsluitend te bestaan als het gaat om allergenen die rechtstreeks in de bloedbaan terecht komen en waar de allergische reaktie ook in de bloedbaan plaatsvindt.

In de praktijk komt het er op neer dat alleen in het geval van insektensteek-allergie de concentratie blokkerend-IgG in het serum een indicatie is voor de mate van klinische vooruitgang.

Een andere mogelijke verklaring is dat het gevormde IgG4 bindt aan mestcellen en daardoor een ruimtelijke blokkering is voor de IgE-respons. Voor een allergische reaktie dienen namelijk twee identieke IgE-moleculen (allebei gericht tegen b.v. a -lactalbumine van koemelk) naast elkaar op een mestcel voor te komen. Treft men hiertussen een IgG4-molecuul aan dan zal er geen reaktie plaatsvinden, ook al is dit molecuul eveneens tegen ditzelfde allergeen gericht. Er zijn dan twee mogelijke alternatieven: er treedt geen binding op of er treedt wel binding op tussen allergeen enerzijds en anderzijds een IgE- en IgG4-molecuul. Duidelijk is dat in geen van beide gevallen het tot een degranulatie komt.

De hypothese van De Weck (1981) is dat IgG4 dat in lage concentraties voornamelijk op mestcellen en basofiele leucocyten gebonden is, een allergische reaktie kan veroorzaken, maar dat het in grote concentraties voornamelijk niet-gebonden is en zich blokkerend gedraagt.

Dit laatste is in strijd met onderzoek van Gamboa e.a. (1986). Zij vonden een verschil in reaktie na bronchiale provocatie tussen mensen met en zonder specifiek-IgG4. Wanneer alleen IgG4-specifieke antilichamen aanwezig waren, vertoonde de patiŽnt een late respons twee tot vier uur na provocatie, die zes tot tien uur aanhield, waarbij alle longfunktie-parameters daalden. Wanneer alleen IgE-specifieke antilichamen aanwezig waren trad de reaktie vrijwel meteen na provocatie op. Bij de aanwezigheid van beide antilichamen werden beide reakties gevonden, zowel de direkte als de vertraagde reaktie. Ruim de helft (54%) van de atopische kinderen met een allergie voor huisstofmijt heeft zowel antistoffen van het type E als G4 tegen huisstofmijt in het bloed. Van de atopische kinderen vertoont 47 procent zowel een direkte als een vertraagde respons na bronchiale provocatie. Ook bij kinderen met allergische darmklachten werd deze dubbele respons gevonden wanneer beide antilichamen aanwezig waren. Bij kinderen met alleen IgE-antistoffen trad de reactie binnen twintig minuten tot een uur op, terwijl bij kinderen met alleen IgG4-antistoffen deze reactie pas vier tot zes uur na de maaltijd optrad.

Met de hypothese van De Weck kan wel verklaard worden waarom aanzienlijk meer vrouwen dan mannen last van allergische klachten hebben. Mannen hebben iets hogere antistoftiters dan vrouwen. Voor IgE is dit verschil gering. Bij mannen vinden we een gemiddelde waarde van 65 IU/ml (95% betrouwbaarheidsinterval 50-87 IU/ml); bij vrouwen 86 IU/ml (betrouwbaarheidsinterval 76-98 IU/ml) (Kamsteeg, niet gepubliceerd). Bij IgG4-titers is dit verschil veel groter en significant. Bij mannen vinden we een gemiddelde waarde van 0.62 IU/l; bij vrouwen 0.33 IU/l. Het gemiddelde van de onderzochte populatie bedroeg 0.41 IU/l. Vrouwen hebben derhalve minder blokkerende antilichamen en zouden meer klachten kunnen hebben. Overeenkomstige resultaten werden gevonden door Merrett e.a. (1983).

Onderzoek van El Rafei (1989) toont aan dat er een beter verband bestaat tussen positieve eliminatie- en provocatietests en de aanwezigheid van specifieke IgE- en/of IgG4-antistoffen dan tussen deze tests en een positieve huidtest. Dit verband is nog sterker tussen de aanwezigheid van specifieke IgE- en/of IgG4-antistoffen en de anamnese. El Rafei concludeert hieruit dat de patiŽnt zeer goed in staat is het verdachte voedingsmiddel aan te wijzen en dat provocatie met slechts acht gram voedingsmiddel in een capsule in sommige gevallen te gering is om een positief resultaat te bereiken, zeker bij specifieke IgG4-antistoffen.

In 1987 werd een congres over de funktie van IgG4 bij allergische reakties georganiseerd. Halpern (1988) vatte de funktie toen als volgt samen: "Sommige mensen synthetiseren vrij hoge IgG4-titers tegen melk- en/of ei-eiwit. Echter, deze stimulatie varieert van individu tot individu en heeft een erfelijke basis, evenals de reaktie op geinjecteerde of geinhaleerde allergenen. Er schijnt een bepaalde groep mensen te zijn, waarbij klinische symptomen samengaan met de aanwezigheid van deze IgG4-antilichamen. Sommige kinderen reageren op melk met een anafylactoÔde reaktie zonder dat specifieke IgE-antilichamen aantoonbaar zijn". Een verband tussen IgG4-antilichamen en symptomen gaat samen met een daling van de IgG4-antilichamen tegen voedselallergenen na zes tot twaalf weken eliminatie.

Borstvoeding

Normaliter is in borstvoeding vijftien procent van het totale IgG van het type G4, terwijl in het bloedserum dit percentage ongeveer vier bedraagt. Deze antilichamen zijn tegen tal van voedingsmiddelen en inhalatieallergenen gericht. Er is een sterk vermoeden dat sommige patiŽnten in de borstklier grote hoeveelheden IgG4-specifieke antilichamen afscheiden (Halpern, 1987). Dit gebeurt vooral wanneer er geringe concentraties van IgA-antistoffen aanwezig zijn, zoals bij atopische vrouwen. Deze hoge concentraties antistoffen kan bij borstgevoede baby's tot allergische reacties leiden.

Waarom IgG-onderzoek?

Bij een patient met astmatische klachten veroorzaakt door het eten van kippeŽi werd door Nakagawa (1988) eem type-III allergische reaktie aangetoond, waarbij binnen een kwartier een sterke toename van IgG1-specifieke antistoffen tegen ei in het bloed werd aangetoond. De longfunktie (FEV1) van de patiŽnt vertoonde in die tijd een sterke daling. Na zes uur kreeg de patiŽnt last van kortademigheid, piepen op de borst en benauwdheid (dyspneu).

Bij patiŽnten met ontstekingsachtige darmziekten zoals colitis ulcerosa werden alleen sterk verhoogde IgG1-titers gevonden (Scott e.a., 1986). Er werd een verband gevonden tussen klachten en specifieke IgG11-antilichamen. Bij deze ziektebeelden is het bepalen van specifieke IgG- of IgG1-antilichamen zinvoller dan IgG4.

Ook bij glutenintolerantie worden voornamelijk IgG-antistoffen aangemaakt tegen a -gliadine (zie hierna).

Verhoogde IgG1-titers worden verder aangetroffen bij reumatische artritis, lupus erythematodes, glomerulonephritis en bepaalde darmziekten (Shakib e.a, 1980; Oxelius, 1984; Heiner 1984). Bij de Ziekte van Crohn zijn alle IgG-subklassen gering verhoogd.

Ruim 65 procent van het IgG in het serum van gezonde personen bestaat uit IgG1. Door blootstelling aan specifieke antigenen kan dit toenemen tot 98 procent. De concentratie in het serum bedraagt normaliter ongeveer 8 mg/ml. IgG1 heeft andere eigenschappen dan IgG4:

- IgG1-antilichamen kunnen vermoedelijk niet aan mestcellen binden

De binding van IgG-antistoffen aan mestcellen is voorbehouden aan IgG4. IgG1-antistoffen kunnen niet aan mestcellen binden en kunnen derhalve geen type I-allergische reaktie veroorzaken.

- IgG1-antilichamen zijn funktioneel bivalent

IgG1-antilichamen kunnen in tegenstelling tot IgG4-antilichamen beide beschikbare bindingsplaatsen gebruiken. IgG1-antilichaam-antigeen complexen zijn derhalve groot van omvang.

- IgG1-antilichamen kunnen het complementsysteem aktiveren

De werking van IgG1-antilichamen verloopt voornamelijk via de type III-allergische reaktie en leidt vaak tot ontstekingsreakties in organen. De meest voorkomende symptomen zijn nefritis, reumatische artritis, alveolitis en vasculitis.

Glutentolerantietest

Alfa-gliadine, een specifieke eiwitfraktie van gluten, is in staat om de aanmaak van specifieke IgA en IgG(1)-antistoffen te induceren. De IgA/IgG a -gliatest is een sandwich immunoassay die circulerende antigeen-specifieke antilichamen meet tegen a -gliadine. De sensitiviteit van de test is 90 procent voor IgG en 100 procent voor IgA (Husby e.a., 1986; Wauters e.a., 1991; Ockhuizen e.a., 1991). Bij ongeveer 90 procent van de positieve patiŽnten werd ook een positief biopt gevonden en de diagnose coeliakie gesteld. Bij de afwezigheid van hoge antilichaam-titers werd nooit een positief biopt gevonden. Desalniettemin vinden tal van patiŽnten met alleen hoge IgG-titers tegen a -gliadine en darmklachten baat bij het tijdelijk elimineren van gluten uit hun voeding.

Literatuur

Bryant, D.H, M.W. Burns en L. Lazarus (1975) Identification of IgG antibody as carrier of reaginic activity in asthmatic patients. J. of Allergy and Clinical Immunology 56, 417.

El Rafei, A., S.M. Peters, N. Harris en J.A. Bellanti (1989) Diagnostic value of IgG4 measurements in patients with food allergy. Annals of Allergy 62, 94-99.

Fagan, D.L., C.A. Slaughter, J.D. Capra en T.J. Sullivan (1982) Monoclonal antibodies to immunoglobulin G4 induce histamine release from human basophils in vitro. J. Allergy Clin. Immunol. 70, 399-404.

Gamboa, P.M., A. Tabar, E. Wong en A. Oehling (1986) IgG4: characteristics and its role in allergic diseases. Allergol. et Immunopathol. 14, 155-163.

Gwynn, C.N., J. Ingram en T. Almousawi (1982) Bronchial provocation test in atopic patients with allergen specific IgG4 antibodies. Lancet I/1982, 254-256.

Halpern, G.M. (1988) Concluding remarks. NER Allergy Proceedings 9, 83-84.

Halpern, G.M. en J.R. Scott (1987) Non-IgE antibody mediated mechanisms in food allergy. Annals of Allergy 58, 14-27.

Heiner, D.C. (1984) Significance of immunoglobulin G subclasses. Am. J. Med. 76: 1-9.

Husby, S., N. Foged, V-A. Oxelius en S.E. Svehag (1986) Serum IgG subclass antibodies to gliadin and other dietary antigens in children with coeliac disease. Clin. Exp. Immunol. 64, 526-531.

Ishizaka, T., K. Ishizaka en S. Salmon (1967) Biologic activities of aggregated gamma-globulin. VIII Aggregated immunoglobulin of different classes. J. Immunol. 99, 82.

Katila, M.L., T. Ojanen en R. Maentyjaervi (1986) A six-year follow-up of antibody levels against microbes present in the farming environment in a group of dairy farmers in Finland. Am. J. Ind. Med. 10, 307-309.

Merrett, J., M.L. Burr en T.G. Merrett (1983) A community survey of IgG4 antibody levels. Clinical Allergy 13, 397-407.

Nakagawa, T. (1988) Egg white-specific IgE and IgG subclass antibodies and their associations with clinical egg hypersensitivity. NER Allergy Proc. 9, 67-73.

Nielsen, J., H. Welinder, A. Schutz en S. Skerfving (1988) Specific serum antibodies against phtalic anhydride in occupational exposed subjects. J. Allergy Clin. Immunol. 82, 126-133.

Ockhuizen, Th., J. Jansen, J. Veenstra, S. de Bakker en E.A.K. Wauters (1991) Isotype specifieke antistoffen tegen gluteneiwitten als merkers voor mucosa beschadiging tijdens glutenbelasting in kinderen die verdacht worden van coeliakie. Voeding 52, 12.

Oxelius, V-A. (1984) Immunoglobulin G (IgG) subclasses and human disease. Am. J. Med. 76, 7-12.

Preary (1988) Comments and discussion. NER Allergy Proc. 9, 79.

Roitt, I. (1988) Essential Immunology. 6th Ed. Blackwell Scientific Pub., Oxford.

Scott, M.G., M.H. Nahm, K. Macke, G.S. Nash, M.J. Bertovich en R.P. Macdermott (1986) Spontaneous secretion of IgG subclasses by intestinal mononuclear cells: differences between ulcerative colitis, Crohn's disease, and controls. Clin. Exp. Immunol. 66, 209-215.

Shakib, F. (1988) Clinical relevance of food-specific IgG4 antibodies. NER Allergy Proc. 9, 63-66.

Shakib, F. en D.R. Stanworth (1980) Human IgG subclasses in health and disease. A review Part II. La Ricerche Clin. Lab. 10, 561-578.

Toorenenbergen, A.W. van en R.C. Aalberse (1981) IgG4 and passive sensitization of basophil leukocytes. Int. Arch. Allergy Appl. Immunol. 65, 432-440.

Topping, M.D., H.W. Foster en C.W. Ide (1989) Respiratory allergy and specific immunoglobin E and immunoglobin G antibodies to reactive dyes in the wool industry. J. Occup. Med. 31, 857-862.

Turner-Warwick, M. (1989) The mast cell and respiratory disease. In: The mast cell (J. Pepys and A.M. Edwards, red.), Proc. of an Intern. Symp., Davos.

Wauters, E.A.K., J. Jansen, R.H. Houwen, J. Veenstra en Th. Ockhuizen (1991) Serum IgG and IgA anti-gliadin antibodies as markers of mucosal damage in children with suspected celiac disease upon gluten challenge.

Weck, A.L. de (1981) The potential roles of immunoglobulins in immunoglobulin-E-mediated diseaes. In: V.E. Nydegger (red.) Immunohemotherapy, New Academic Press, New York.

Zee, J.S. van der en R.C. Aalberse (1987) The role of IgG. Allergy 3, 49-67.

©Dr. J. Kamsteeg, Klinisch Ecologisch Allergie Centrum b.v., janauri 1995
Klinisch Ecologisch Allergie Centrum
Van Mecklenburglaan 14
6006 GE Weert
After April 22: Zoomweg 44, 6006 TW Weert (Altweerterheide)
tel. 0495-451428 fax 0495-451473