CFS Celproliferatie en celsterfte van T-lymphocyten

 

http://www.me-cvs.nl/index.php?pageid=6436&printlink=true&highlight=Celproliferatie<SEP>en<SEP>celsterfte<SEP>van<SEP>T-lymphocyten

 

   Sofie van Impe
   Verhandeling tot het behalen van de wettellijke graad van licentiaat in de biologische

   wetenschappen
   Vrije Universiteit Brussel
   Faculteit Wetenschappen Laboratorium Antropogenetica
   Datum: 1998


 Inhoudstabel
 ------------

 I. Literatuurstudie
  1 Definitie  CFS
  1.1   Inleiding
  1.2   Symptomen
  1.3   Benaming
  1.4   Epidemiologie
        Prevalentie
        Prognose
  1.5   Diagnostische criteria
        Tabel 1.1 CDC-criteria
  2 Etiologie/pathogenese
   2.1   Inleiding
   2.2   Hypothesen i.v.m de etiologie
         a) Fysiologische hypothesen
         b) Psychologische hypothesen
   2.3   Virussen en micro-organismen als mogelijke oorzaak van CFS
         2.3.1  Inleiding
         2.3.2  Viruspersistentie
         2.3.3  Virussen als mogelijke oorzaak van CFS
         2.3.4  Besluit/samenvatting
   2.4   Andere oorzaken?
         Tabel I.3: Overzicht van virussen die mogelijk betrokken zijn in CFS
         TabeI I.3: vervolg eerste deel
         TabeI I.3: vervolg tweede deel
   2.5   Enkele organische afwijkingen (Shepherd 1995)
 A) STOORNISSEN IN BIOSYNTHETISCHE WEG
 B) STOORNISSEN IN HET IMMUUNSYSTEEM
 C) STRUTURELE EN FUNKTIONELE ANOMALIEN IN HET CENTRAAL ZENUWSTELSEL
 D) NEUROFYSIOLOGISCHE  EN NEUROPSYCHIATRISCHE AFWIJKINGEN (Shepherd, 1995)
 2.6 Besluit (Shepherd, 1995)
 3. Nieuw laagmolekulair RNase L in CFS (Suhadolnik, 1997)
 4. Behandeling / diagnostiek
 4.1 Behandeling van CFS : Algemeen
 4.2 Recente ontwikkelingen in de behandeling van CFS
 3. de celcyclus
 3.1   De celcyclus: stadia van de celcyclus en zijn checkpoints
 6. Het p53 gen
 6.1   p53 algemeen : Inleiding
 6.2   Struktuur van het p33 protein
 6.3   P53, DNA schade en genetische stabiliteit
 6.4 Ps3, de celcyclus, celproliferatie
 6.4.1 Mechanisme van wildtype p53 bij inwerking op de celcyclus:
       via p53 en rb (Levine, 1995)
 6.4.2 Mutant p53 en de celcyclus
 6.3   Enkele (virale en cellulaire) proteine partners van p53
       (Soussi, 1995)
 6.6 Besluit
 7. Apoptosis
 7.1 Inleiding
  versus necrosis (celdood)
 7.2.1 Definities
 7.2.2 Verschillen op basis van morfologische kenmerken
 7.3 Detektie van apoptosis
 7.3.1 Morfologische en biochemische detektie
 7.3.2 TUNEL (of TdT-mediated dUTP-biotin nick and labeling)
 7.4 Apoptosis in T-lymfocyten algemeen
 7.5 Apoptosls in lymfocyten van CFS-patienten
 7.6 Apoptomis, autoimmune ziekten, kanker en andere ziekten
 7.7 Besluit
 8. Balans celproliferatie en apoptosis
 Appendices
 Appendix A : Cytokines (Reichlin, 1993)
 Appendix B: 2-5A synthetase/RNase L biosynthetische weg
 ALGEMEEN (review Shroder et al., 1992)
 Appendix C Wat is moeheid ? (Inst Gczondheid Nederland)

                             II.  DOELSTELLING
 Doelstelling
                          III.  MATERIAAL EN METHODEN
 A. Algemene Inleiding
 B. Werkschema [zie Tabel III.1]
 C. Patienten en controles
 1. Bloedstalen
 2. Enquetelijsten
 D. Cytochalasine -B geblokkeerde In vitro micronucleus-test
 1. Principe van de cyto-B MN-test:
    Algemeen
 2. Het gebruik van de cyto-B MN-test in deze verhandeling
 3. Protokol / Materiaal
 3.1   BLOEDINZAMELING
 3.2   LYMFOCYTENKULTUUR
 3.3   Cyto-B GEBLOKREERDE MICRONUCLEUS TEST EN BEHANDELING MET MUTAGENEN
 3.4 KLEURING
 4. MICRONUCLEUS-TELLING (Tabel IV.2 en Bijlage 1)
 5  Verwerking van de gegevens
 5.1   PI, DI en % (Tabel IV.3 t.e.m. IV.24; IV.25a en b; IV.26a en b;
       IV.27a en b)
 5.2 Chi-kwadraat test algemeen
 5.3 Chi-kwadraat voor kultuur A en B samenvoeging (Tabel IV. 28)
 5.4 Chi-kwadraat (Tabel IV.29)=> synthesetabel (Tabel IV.30)
 5.5   Vergelijking van parameter twee aan twee door regressie analyse
       (Grafiek IV.1 tem IV.16)
 1. Principe
 1.1. Inleiding (Trauth en Keesey, Boehringer)
 1.2. Toepassingen
 1.3.  Test Principe
 2. Protokol / Materiaal
 2.1   BLOEDINZAMELING (analoog met B.2)
 2.2   LYMFOCYTENKULTUUR (analoog met B.2)
 2.3 PROTOKOL preparaten-aanmaak: METAFASE-PREPARATEN
 2.4 TUNEL-kit
 2.5 Opmerking:
 G-binding voor chromosoomaberratie-test
 3. Tellingen
 4. Verwerking van de gegevens : Chi-kwadraat-test
 F. DNA-extractie (Qiamp Blood kit (250) cat n0 29106) (Qiagen)
 G. RNA - extractie (RNeasy Total RNA kit(250) cat nO 74106) (Qiagen)
                          IV.  RESULTATEN
 A. Gegevens patienten en controles
 3. Cytochalasine-D geblokkeerde in vitro micronucleus-test
 1) Tellingen
 2) Verwerkte gegevens
 2.1) Percentages, proliferatie-index (P1) en divisie-Index (DI)
 2.2) Samenvoegen van de overeenkomstige tellingen van kultuur A en kultuur B
 2.3  Synthesetabel van signifikant verschillende parameters
 2.4  Vergelijking van parameters twee aan twee door regressie analyse
 a) CB versus o/oo Mono + MN
 * Grafiek IV.1 (controle, -S9):
 * Grafiek IV.2 (alcohol, -S9):
 * Grafiek IV.3 (alcohol, +S9):
 * Grafiek IV.4 (cyclo, +S9):
 * Algemeen
 * Grafiek IV.5 (controle,-S9):
 * Grafiek IV.6 (alcohol, -S9):
 * Grafiek IV.7 (alcohol, +S9):
 * Grafiek IV.8 (cyclo):
 C. Apoptosis-detektie
 1) Tellingen
 2) ChI-kwadraat verwerking
 3) Beschrijving

                             V.  DISCUSSIE

 A. Vooropstellingen bij de proeven
 3. Experimentele beperkingen
 1. Cyto-3 geblokkeerde in vitro micronucleus-test
 1.1   Populatiegrootte:
 1.2   Staalnamne-afhankelijkheid
 1.3 Analyse is niet altijd mogelijk
 1.4 MMS concentratie
 1.5 Bronnen van variatie
 1.6   Achtergrond-informatie van patienten en controle-personen
 2. Apoptosis-detektie
 2.1   Besmette stalen
 2.2   Onvolledige analyse
 C. Bespreking van de resultaten
 1. Cyto-B geblokkeerde in vitro micronucleus-test
 1.1   Inleiding
 1.2 Proliferatie
 1.3 Spontane mutaties
 1.4 Geinduceerde mutaties
 1.5 MMS-resistentie
 1.6 Besluit
 2. Apoptosis-detektie
 D. Besluit : Balans.
 B. Toekomstperspektieven
 Referenties


                          I. Literatuurstudie
                          -------------------
 1. Definitie CFS
 ----------------

 1.1 Inleiding
 -------------

 Chronic Fatigue Syndrome (chronisch vermoeidheidssyndroom), ook wel
 Myalgische Encephalomyelitis ( ME ) genoemd, is een complexe aandoening
 waarvan het voornaamste symptoom ten langdurige, onverklaarde, vaak
 invaliderende vermoeidheid is. Het ziektebeeld gaat ook gepaard met andere
 klachten. Een precieze definitie van het fenomeen geven is echter zeer
 moeilijk, aangezien een objektief instrument dat chronische vermoeidheid kan
 meten ontbreekt. De etiologie, pathogenese en behandeling staan nog steeds
 ter discussie. Zelfs of hier sprake is van een ziekte-eenheid wordt
 betwijfeld. Ondanks hot feit dat de World Health Organisation de ziekte
 herkent en onderbrengt onder de neurologische aandoeningen (International
 Classification of Diseases, nr 10, ref. 093.3), ondervinden patienten nog
 steeds veel onbegrip en scepticisme. Dit is vooral te wijten aan het feit
 dat er nog geen diagnostische test bestaat voor de ziekte. Op dit moment
 gaat het dus steeds om een werkhypothese en deze is vooral gebaseerd op het
 uitsluiten van andere aandoeningen.

 1.2 Symptomen
 -------------

 CFS wordt vooral getypeerd door een ernstige algemene vermoeidheid,
 spiervermoeidheid en myalgieen, die langer dan zes maanden aanwezig zijn.
 De mentale en fysieke capaciteit worden soms in ernstige mate aangetast.
 Het syndroom wordt ook frequent gekarakteriseerd door lichte koorts,
 hoofdpijn, pijnlijke lymfeknopen en neuropsychiatrische symptomen. In vele
 gevallen zijn er ook aanwijzingen voor een virale betrokkenheid bij de
 aanvang van de ziekte.

 1.3 Benaming
 ------------

 De naam Myalgic Encephalomyelitis werd voor het eerst gebruikt in een
 hoofdartikel in 'The Lancet' toen men een post-infectieus syndroom beschreef
 dat in Noord West-London voorkwam en dat een jaar later het personeel van
 het Royal Free Hospital in dezelfde stad trof. De term 'post-viral fatigue
 syndrome' (PVFS) is synoniem geworden aan 'Myalgic Encephalomyelitis'.
 In de Verenigde Staten worden de benamingen 'chronic fatigue (and) immune
 dysfunction syndrome ( CFIDDS )' en 'chronic fatigue syndrome with
 encephalopathy' gebruikt om eenzelfde symptomencomplex te beschrijven.
 Sommige geneesheren verkiezen de term 'chronic fatigue syndrome' (CFS).1
 (Shepherd et al., 1995) Men vindt nog een wijde varieteit aan andere
 benamingen, waaronder chronic Epstein-Barr virus syndrome, Akureyri disease,
 chronic mononucleosis, Iceland disease, neuromyasthenia, postviral fatigue
 syndrome, Royal free disease, yuppie flu, low natural killer syndrome,
 enz.


 1 ] In deze tekst zal echter steeds de term CFS gebruikt worden


 'Chronic fatigue syndrome' is de naam die gebruikt werd voor het syndroom in
 1988 door de medische research gemeenschap. Men verkiest deze naam vermits
 het niets suggereert over de oorzaak van de ziekte, terwijl het belangrijkste
 symptoom toch benadrukt wordt. 'Post-viral fatigue syndrome (of in Australie,
 'Post-viral syndrome') suggereert een virale oorzaak of trigger. 'Myalgic
 Endephalomyelitis' (ME) betekent myalgieen (spierpijnen) plus inflammatie
 van de hersenen en zenuwen (encephalomyelitis). Terwijl myalgieen veel
 voorkomen in het syndroom is inflammatie van de hersenen en de zenuwen
 eerder zeldzaam of zelfs niet aanwezig.

 Chronic fatigue syndrome als naam voor de ziekte geeft veel ongenoegen aan
 mensen met CFS, vermits het de ziekte trivialiseert. Het is equivalent met
 het noemen van diabetes 'chronic thirst syndrome'. Ondanks het feit dat de
 naam het hoofdsymptoom benadrukt, geeft het niet de ernst van de ziekte
 weer.

 In Groot Brittanie,Belgie en Canada, houden de patientenhulpgroepen het op
 ME;. In de USA verkiezen ze CFIDS ('Chronic fatigue and immune dysfunction
 syndrome') noemen.

 1.4 Epidemiologie
 -----------------

 Prevalentie
 -----------

 Hoewel men niet over exacte gegevens beschikt wordt verondersteld dat een
 niet onaardig percentage van de volwassen bevolking 'Chronic fatigue' heeft.
 Bij veel van deze patienten is dit een gevolg van een primaire
 psychiatrische aandoening, zoals depressie, chronische angsttoestanden, al
 dan niet gepaard gaande met hyperventilatie, en zullen we een beeld vinden
 dat analoog is aan CFS depressie => inactiviteit => deconditionering =>
 'ziek' zijn . Zowat een kwart van deze groep (Shepherd el al., 1995 ) heeft
 een onderliggende organische oorzaak als basis voor de vermoeidheid. Bij nog
 anderen zal er eerder een interaktie zijn onder de vorm van een combinatie
 van psychologische, lichamelijke en sociale faktoren.

 Vele bruikbare cijfer-gegevens omtrent de prevalentie bestaan er niet,
 vandaar dat er een dringende behoefte is aan grootschalige epidemiologische
 studies. Ondertussen tonen gegevens bekomen uit een aantal kleinere studies
 aan ( Dowsett et al., 1990; Lloyd, 1990; Ho-Yen en McNamara, 1991 ;Hinds en
 McCluskey, 1993; * 1995) dat wat betreffende ME/CFIDS:

 -  de prevalentie rond 0.3-2.7 / 1000 ligt (de reden van deze grote
    spreiding zijn waarschijnlijk de verschillende definities die
    worden gebruikt)
 -  de piek incidentie in de leeftijdsgroep tussen 20-40 jaar ligt
 -  het kan voorkomen bij kinderen vanaf de leeftijd van 7 jaar
 -  er een licht overwicht van voorkomen is bij vrouwen
 -  het voorkomt in alle socio-economische groepen; maw meer in
    het onderwijs en in medische/ paramedische beroepen

 In een recente enquete waaraan huisartsen in Nederland deelnamen werd een
 prevalentie van 1.3 per 1000 berekend. Bazelmans, Vercoulen, Swanink et
 al., 1996)

 De pick leeftijd bij de aanvang ligt voor beide geslachten bij de mid-
 dertigers, met een smallere piek tussen 15 en 20 jaar bij vrouwen alleen.
 Vrouwen van alle leeftijden zijn ernstiger aangetast dan mannen, en de
 vrouw/man ratio van 3:1 in het acute stadium stijgt tot 9:1 na 10 jaar
 ziekte. CFS is zeldzaam onder de leeftijd van 15 jaar ( < 10% van het
 totaal ) en minder frequent na 45 jaar ( 20% van het totaal ).
 (Ramsay, 1992)

 Prognose
 --------

 CFS is een ziekte met een hoge morbiditeit en een lage mortaliteit. Volledig
 herstel is zichtbaar in eenderde van de patienten, vooral jonge mensen. Na
 18 maanden aandoening herstelt 12 % (Buchwald, 1994).

 1.5   Diagnostische criteria
 ----------------------------

 Bij het klinisch definieren van deze conditie is het hoofdsymptoom ernstige
 vermoeidheid. Daarnaast wordt het getypeerd door een abrupt begin, meestal
 getriggered door een virale infectie [zie deel 2.3] . Bij het verdere
 verloop van de ziekte werden reeds verscheidene,- veel voorkomende,
 virus-aanwezigheden vastgesteld. Deze virussen, die het syndroom misschien
 onderhouden, zijn niet per se dezelfde als de oorspronkelijke en komen ook
 niet altijd tot uiting onder de vorm van een infektie [zie 2.3.2]. Andere
 opvallende niet-specifieke kenmerken zijn myalgieen en cognitieve
 disfuncties (stemmings- en slaapstoornissen en een verlaging van het korte-
 termijn-geheugen en de concentratie). Dit alles moet aanhouden voor minimum
 zes maanden, eventueel met fluctuaties in de ernst van de symptomen, opdat
 men zou kunnen spreken van C(hronic)FS. (Holmes et al., 1988; Sharpe et
 al., 1991; Fukuda et al., 1994) Er werden diagnostische criteria opgesteld,
 enerzijds om onderscheid te kunnen maken tussen CFS en andere aanverwante
 aandoeningen; anderzijds om conforme richtlijnen te stellen voor
 onderzoeksdoeleinden. Verschillende landen hanteren echter verschillende
 criteria, wat soms leidt tot onduidelijke situaties, veel verwarring en soms
 tegenstrijdige resultaten en uiteraard de onmogelijkheid om resultaten te
 vergelijken. In artikels houdt men zich echter meestal bij de Amerikaanse
 CDC-criteria (= Centres for Disease Control, Atlanta ] [ zie tabel 1.1 ]
 (Holmes et al., 1988 ; Fukuda et al, 1994).


 Tabel 1.1
 CDC-criteria
 ------------

 (1)   Klinisch geevalueerde, onverklaarbare, aanhoudende of terugkerende
       chronische vermoeidheid die plots begonnen is; deze is niet het
       resultaat van voortdurende constante uitputting; verbetert niet bij
       rust; en waardoor het vroegere niveau van arbeids-, school-, sociale
       of persoonlijke aktiviteiten aanzienlijk verminderen; en

 (2)   de aanwezigheid van vier of meer van de volgende symptomen, welke
       moeten aanwezig zijn gedurende 6 maanden van de ziekte en die het
       ontstaan van de vermoeidheid niet hebben voorafgegaan:

       -  zelfwaargenomen vermindering van het korte termijn geheugen of
          concentratie in die mate dat ze aanleiding geven tot een
          substantiele vermindering in de arbeids- schoolse-, sociale of
          persoonlijke aktiviteiten
       -  keelpijn
       -  gevoelige lymfeklieren
       -  spierpijn
       -  hoofdpijn nieuw type, veranderd patroon of ernst
       -  niet-herstellende slaap
       -  malaise na inspanning die meer dan 24 uur duurt
       -  pijn in meerdere gewrichten zonder zwelling of roodheid


 De overige criteria, nl. Oxford criteria (Sharpe d a?., 1991), Australische
 criteria (Lloyd et al., 1988), ... baseren zich naast een opsomming van
 symptomen, ook op het feit dat men andere medische en psychiatrische
 aandoeningen moet uitsluiten. Dit is tevens wat men bij de diagnose tot op
 heden vooral aanwendt, aangezien er nog steeds geen routine diagnostische
 tests bestaan om CFS op te sporen.

 2. Etiologie / pathogenese
 --------------------------

 2.1 Inleiding
 -------------

 De faktoren die een rol spelen in de ontwikkeling van de klachten zijn voor
 het merendeel nog steeds niet gekend. In de literatuur werden een aantal
 hypothesen (zowel omtrent somatische ale psychologische faktoren )
 voorgesteld die een rol zouden kunnen spelen in de ontwikkeling en
 bestendiging van CFS [zie 2.2].

 In een groot deel van de gevallen lijken de klachten te zijn gestart volgend
 op een acute infectie-ziekte. Een aantal micro-organismen werden reeds naar
 voor gebracht als mogelijke oorzaak van het syndroom [zie 2.3]. Tot dusver,
 blijkt geen enkele van deze organismen verantwoordelijk te zijn. (Ablashi,
 1994; Levy, 1994)

 Dit resulteert in de hypothese dat er een persistente virus-infectie samen
 met een abnormale reactie van het immuunsysteem plaatsvindt (Straus, 1988).

 Bovendien worden voor een aantal geselekteerde groepen patienten een aantal
 abnormaliteiten van de spieren gevonden. Dit zou kunnen betekenen dat deze
 klachten een organisch substraat hebben [zie verder]

 2.2 Hypothesen I.v.m. de etiologie
 ----------------------------------

 a] Fysiologische hypothesen
 ---------------------------

 Een aantal somatische en psychologische hypothesen werden reeds voorgesteld
 als de oorzaak van CFS (Shafran, 1991 ;Klonoff 1988). Vermits vele van deze
 gevallen volgden op een acute koortsachtige ziekte, is 1 van de hypothesen
 dat CFS het resultaat is van een persistente infectie welke leidt tot een
 continue immuun aktivatie met de produktie van inflammatorische cytokines.
 (Komaroff, 1988a; Josepha et al, 1991; Yousef et al., 1988; Defreitas,
 1991).

 Vele organismen worden reeds gelinkt aan dit syndroom en de lijst groeit nog
 steeds. Tot hier toe is er echter nog geen bewijs voor een verantwoordelijk
 agens gevonden (Levy, 1994; Heneine et al., 1994; Ablashi, 1994), ondermeer
 doordat de proeven niet altijd herhaalbaar zijn. Dit is misschien te wijten
 aan het feit dat er verschillende groepen patienten werden gekozen en dat
 deze verschillende subgroepen kunnen voorstellen.

 Wat betreft de virale theorieen, i.v.m. de oorzaak van CFS, werden reeds
 verschillende principes gepostuleerd (Hyde, 1992a). Zij zijn als volgt:

 1) Single enterovirus: een van de volgende virussen kunnen CFS
    veroorzaken: poliovirus, coxsackie virus en ECHO virussen.
 2) Multiple enterovirus: 1 of alle bovenstaande virussen kunnen
    CFS veroorzaken
 3) Precursor + enterovirus: een initiele immuun verwonding (injury)
    vindt plaats, welke van tijdelijke of chronische aard kan zijn.
    Deze wordt gevolgd door de causale infectie met een enterovirus.
    Deze initiele immuun verwonding kan te wijten zijn aan een
    verschillende of dezelfde groep van virussen of kan ook het
    gevolg zijn van een niet-virale immuun verwonding.
 4) Single herpesuirus: 1 van de volgende herpesvirussen kan CFS
    veroorzaken : EBV (Epstein-Barr virus), cytomegalovirus, HHV-6,
    Varicella-zoster virus, Inoue-Melnick virus
 5) Multiple herpesvirus: alle of 1 herpesvirus kan CFS veroorzaken
 6) retrovirus : een retrovirus, in aktie gelijkend maar toch
    verschillend met het AIDS-virus en HTLV virussen, kan CFS
    veroorzaken
 7) Common precursor retrovirus: een common precursor van AIDS en
    CFS bestaat. Dit kan geassocieerd worden met HHV-6 of een ander
    nog niet gekend virus of virus-achtig partikel.

 De derde theorie (precursor + entorovirus) is een van de meest populaire.
 De Nightingale Research Foundation, een autoriteit op CFS/ME gebied,
 aanvaard dit ook als werkhypothese. Doch ook op de andere hypothesen wordt
 veel research verricht.

 Het lijkt redelijk om zich af te vragen of de gastheer-respons tegen deze
 antigenen niet verstoord is, aldus resulterend in chronische symptomen.
 Studies van humorale en cellulaire immuniteit onthullen subtiele
 immunologische disfuncties (Caligiuri et al., 1987; Gin et al., 1989;
 Lloyd et aL, 1989; Landay et al., 1991; Barker et al., 1994). Sommige van
 deze parameters weerspiegelen een beschadigde functie, terwijl anderen een
 hyperaktiviteit suggereren. Doch, deze immunologische bevindingen verklaren
 niet de volledige symptomatologie van CFS; ook correleren ze niet met het
 feit dat de symptomen kunnen veranderen met de tijd.

 Vermits 1 van de uitgesproken symptomen van CFS myalgieen zijn, worden er
 reeds vele studies verricht i.v.m. spier-metabolisme, physiologie en
 histopathologie (Arnold et al., 1984; Archard et al., 1988; Edwards et al,
 1991a; Behan et al., 1985; Behan et al., 1991; Wesseley et all, 1989;
 Stokes et al., 1988; Riley et al., 1990; Sisto, 1996). Ondanks het feit dat
 er een breed spectrum aan histopathologische veranderingen in spierbiopsies
 van CFS-patienten worden beschreven, zijn deze niet consistent met elkaar,
 kunnen zo ook voorkomen in gezonde individuen, of kunnen zo het resultaat
 zijn van secundaire veranderingen te wijten aan fysische inaktiviteit.
 De resultaten van de mentale training-testen zijn compatibel met fysische
 deconditionering (Stokes et al., 1988; Riley et al., 1990).

 b) Psychologische hypothesen
 ----------------------------

 Psychologische faktoren kunnen een rol spelen in de ontwikkeling van de
 symptomen, of ten minste in de bestendiging van de symptomen, d.m.v. een
 complexe interaktie met somatische faktoren. Drie hypothesen werden
 voorgesteld i.v.m. de mogelijke rol van psychologische faktoren in het
 onderhouden van de klachten. (Vercoulen et al., 1991)

 (1)   Vermijden van fysische activiteit ('the inactivity hypothesis')
 ---------------------------------------------------------------------

 Hierbij wordt verondersteld dat de patient na infektie inaktief blijft.
 Als een consequentie zal zijn fysische conditie erop achteruitgaan. Aldus
 zullen klachten zoals vermoeidheid en myalgieen voorkomen op een lagere
 niveau van zware inspanning. De patient zal trachten deze klachten te
 omzeilen door fysische inspanningen te vermijden. Door dit alles komt de
 patient terecht in een viscieuze cirkel.

 (2)   Depressie
 ---------------

 Patienten met CFS hebben veelal een verhoogde score op depressie-enquetes
 (Straus, 1988). Deze verhoogde depressie-scores kunnen echter ook gevonden
 worden bij patienten met chronische fysische klachten. Waardoor men kan
 besluiten dat de depressie het resultaat kan zijn van CFS (Abbey et al.,
 1991; Ray, 1991).

 Depressie kan ook een rol spelen in het onderhouden van de klachten. Er werd
 immers reeds aangetoond dat patienten met verhoogde depressie-scores een
 vertraagde herstelperiode van de infectie kunnen vertonen. Het mechanisme
 van deze interaktie is nog steeds niet volledig begrepen, maar het is
 duidelijk dat het een interaktie is tussen somatische en psychologische
 faktoren. Faktoren zoals depressie en stress kunnen invloed hebben op het
 immuunsysteem en aldus het individu meer kwetsbaar maken voor een infectie
 (Stein et al., 1985; Cohen et al., 1991; Kendell, 1991 ). Depressie kan
 leiden tot immunologische en endocriene afwijkingen, terwijl depressieve
 patienten ook een merkbare fysische inaktiviteit vertonen, welke de
 'inactivity hypothesis' ondersteunt.

 (3)   somatische oorzaak
 ------------------------

 Patienten met CFS hebben de neiging om hun klachten toe te schrijven aan
 somatische oorzaken. Ze zijn ervan overtuigd dat de klachten een fysische
 oorzaak hebben en te vertonen vaak een sterke weerstand tegen een
 psychologische interpretatie van de klachten ( Wesseley et al., 1989;
 Hickie et al., 1990a; Manu et al., 1989; Vercoulen et al., 1994). Doch,
 doordat de oorzaak niet gevonden wordt, wordt een sfeer van hulpeloosheid
 gecreerd en dit kan leiden tot het vermijden van fysische oefeningen, of
 kan depressieve gevoelens veroorzaken. Dit betekent dat een depressie
 onbehandeld blijft en dus een onderhoudende (of bestendigende) invloed kan
 hebben op de klachten.

 Het is duidelijk dat, wat betreft depressie verbonden met CFS, het
 waarschijnlijk een complexe combinatie zal zijn tussen zowel somatische als
 psychologische processen.


 2.3   Virussen en micro-organismen als mogelijke oorzaak wan CVS
 ----------------------------------------------------------------

 2.3.1 Inleiding
 ---------------

 In de loop der jaren werden een aantal micro-organismen beschouwd als de
 mogelijke oorzakelijke faktor van CFS [Zie Tabel I.2]. De referenties in
 deze tabel verwijzen echter naar studies van varierende kwaliteit en met
 soms tegenstrijdige resultaten. De patienten-groepen zijn ook meestal
 slecht gedefinieerd en dus moeilijk onderling vergelijkbaar.

 Tabel 1.2
 ----------

 Mogelijke oorzakelijke agentia van CFS
 --------------------------------------

   naam                           type
   ---------------------------------------------------
   Epstein-Barr virus         (1982)   Herpesvirus
   varicella zoster virus     (1984)   Herpesvirus
   cytomegalovirus            (1984)   Herpesvirus
   human herpesvirus type 6   (1988)   Herpesvirus
   enterovirussen             (1988)   Picornaviridae
   retrovirussen              (1991)   Retroviridae
   Borella burydorferi        (1987)   Spirochetes
   Toxoplasma gondii          (1985)   Protozoa
   Candida albicans           (1989)   Fungi
   --------------------------------------------------


 2.3.2 Viruspersistentie
 -----------------------

 Onder persistentie van virussen verstaat men dat de virale produkten zoals
 RNA en virale eiwitten in weefsels worden aangetroffen zonder dat infectieus
 virus kan worden aangetoond. Over persistentie van enterovirussen is nog
 weinig bekend, evenmin over de faktoren die hiertoe zouden kunnen leiden.
 Virussen in het algemeen kunnen op een zeer uiteenlopende wijze persisteren
 in hun gastheer. Een voorwaarde daarbij blijkt te zijn dat de geinfecteerde
 cel niet onmiddellijk ten gronde gaat. Sommige virussen bereiken dit door in
 de vorm van DNA te persisteren (Herpesvirussen, HIV). Andere voorkomen
 lysis door een 'celvriendeijke' replicatie-cyclus, soms doordat defekte
 virusmutanten ontstaan (Southern et al., 1986). Verdere voorwaarden hierbij
 zijn het ontbreken van een doelmatige immunologische herkenning en
 eliminatie van de geinfekteerde cellen (Ahmed et al., 1990).

 2.3.3 Virussen als mogelijke oorzaak van CFS
 --------------------------------------------

 Hierna wordt in tabelvorm [Zie Tabel 1.3] een overzicht gegeven van de
 virussen die mogelijk betrokken zij in CFS en worden de studies vermeld die
 verricht werden omtrent dit onderwerp. Ook de belangrijkste ziektebeelden,
 naast CFS, die geassocieerd worden met een bepaald virus worden aangehaald.
 Verder wordt bij de herpesvirussen vernoemd dat het virus persisteert en
 welk type lymfocyt het infekteert.

 2.3.4 Besluit / samenvatting
 ----------------------------

 Een welgefundeerde en bewezen associatie van een der bovenstaande organismen
 (zowel virussen als fungi, protozoa en spirochetes) met CFS is nog steeds
 niet bewezen; noch in het onderhouden, noch in het veroorzaken ervan. Wel
 valt het groot aantal studies naar het breed spektrum van organismen, als
 mogelijke oorzaak of bestendiging van CFS, op.

 2.4 Andere oorzaken?
 --------------------

 Naast de oorzaken van microbiologische aard werd ook reeds gedacht aan andere
 typen. Zoals de invloed van intoxicatie door orgaanfosfaat-pesticiden
 (Carrigan et al., 1991; Dunstan, 1995; Dunstan, 1996). Op basis hiervan
 wordt zelfs getracht een diagnostische test op te stellen (McGregor, 1996a
 en 1996b, Carpman, 1996). Ook de invloed van amalgaam bij CFS stond ter
 discussie. Doch, er bestaat geen bewijs dat het verwijderen van amalgaam van
 de tanden een therapeutisch effect heeft (Michel et al., 1989). Velen van
 de patienten denken dat ze leiden aan hypoglycaemia. Een studie gaf echter
 aan dat zij tijdens symptomatische perioden een normaal bloed-glucose niveau
 vertoonden (Palardy et al., 1989). Aan de invloed van vaccinaties werd ook
 gedacht (oa hepatitis) (Shepherd, 1995). De associatie van CFS met allergien
 komt ook voor (Jones en Straus, 1987). De gelijkenis met het 'Gulf War
 Syndrome' wordt ook gemeld. Dit syndroom zou het gevolg zijn van intoxicatie
 door oorlogsgifgassen (Kenneth CH, et al. 1996; Fiedler N et al. 1996;
 Josepha SC et al, 1997).

 2.5 Enkele organische afwijkingen (Shepherd, 1995)
 --------------------------------------------------

 Verschillende studies werden reeds gedaan op mogelijke organische afwijkingen
 bij CFS, waaronder:

 A) stoornissen in biosynthetische wegen
 B) stoornissen in het immuunsysteem (abnormale immuunrespons)
 C) structurele en funktionele anomalieen in het centraal zenuwstelsel
 D) neurofysiologische en neuropsychiatrische afwijkingen
 E) neurotransmitter anomalien
 F) spierpathologie
 G) hypothalame-hypofysaire-as afwijkingen

 De meest opvallende worden hierna besproken:


 A) STOORNISSEN IN BIOSYNTHETISCHE WEG
 -------------------------------------

 -  Geaktiveerde 2-5A synthetase / RNase L biosynthetische weg:

 Deze biosynthetische weg is betrokken in de dubbelstrengig RNA afhankelijke
 antivirale respons en maakt deel uit van het antiviraal mechanisme van
 interferon (review Schroder et al., 1992) [zie ook Appendix B]. CFS is een
 aandoening die gekarakteriseerd wordt door een geaktiveerde
 2-5A synthetase/RNase L biosynthetische weg (Suhadolnik et al., 1994a). Dit
 betekent dat in PMBC (periferale bloed mononucleaire cellen) van
 CFS-patienten een lager gemiddeld niveau van latent 2-5A synthetase, een
 hoger niveau van bio-aktief 2-5A, een hoger niveau van RNase L aktiviteit,
 en een hoger gemiddeld niveau van geaktiveerd 2-5A synthetase gedetekteerd
 werden, i.v.g.l.m. gezonde controle-personen. Modulatie van deze
 biosynthetische weg door Ampligen (mismatched'dsRNA) en een geassocieerde
 klinische verbetering van CFS werden gemeld [zie 4.2].

 Volgens Suhadolnik (et al., 1994) is de geaktiveerde status, van de 2-5A
 synthetase/RNase L biosynthetische weg in CFS en de respons op Ampligen
 consistent met een geaktiveerde immuun status en een rol voor persistente
 virale infectie in de pathogenese van CFS. Immers, een permanent verhoogd
 niveau van lymfokinen kan het antigen-gedreven systeem uitputten, wat dan
 zou kunnen leiden tot de symptomen van CFS.

 B) STOORNISSEN IN HET IMMUUNSYSTEEM
 -----------------------------------

 - Verhoogde antilichamen tegen virale proteinen (van EBV en and