CVS/ME Ontgiftingsprocessen, ontgiftingsstoornissen en leverontgifting
http://utopia.knoware.nl/~wwitsel/main/artikelen/cvs.me.ontgifting.lever.1.html
Vele onderzoekers denken dat ontgiftingsstoornissen en de daarmee samenhangende hoge belasting door toxines (gifstoffen) voor een deel verantwoordelijk zijn voor het complexe klachten patroon van CVS/ME. Volgens de theorie van Dr Cheney veroorzaakt een intracellulaire (binnen de cel) infectie de activatie van het RNase-L virale afweersysteem dat door een stoornis bij CVS/ME patiënten super actief is en veel te lang werkzaam blijft. Hierdoor worden de enzymatische processen in de lever, die bij de ontgifting erg belangrijk zijn, ernstig verstoord, en neemt de toxische belasting in het lichaam enorm toe.
-- Dit hoofdstuk is speciaal bedoeld voor CVS/ME patiënten met chronische darmklachten, voor patiënten voor wie reguliere geneesmiddelen niet goed werken of maar minimale dosis nodig hebben en voor patiënten die overgevoelig zijn voor chemische stoffen zoals: parfum, uitlaatgassen, benzinedamp, oplosmiddelen, schoonmaakmiddelen etc. --
Overzicht artikelen serie
De artikelen zonder hyperlink zijn nog niet gepubliceerd. Van sommige delen is nu nog alleen maar een preview beschikbaar.
|
|
Geef uw reactie op dit artikel. Wat vindt u er van? Was deze informatie zinvol voor u? Heeft u als patient, arts of therapeut een eigen visie? Meldt uw resultaten!! Reageer nu!! Lees ook de reacties van anderen. |
De relatie CVS/ME met ontgiftingsstoornissen
Door deze toegenomen toxische belasting worden de dieper gelegen hersendelen (subcortex) waaronder de hypothalamus beschadigd. Dit heeft een domino effect op het verloop van de ziekte: er ontstaan klachten vanuit het centrale zenuwstelsel, het hormonale systeem en de stofwisseling. Het lichaam kan hierdoor niet meer goed reageren op lichamelijke of geestelijke stress, er ontstaan problemen met de bloeddruk, en de regulering van het glucoseniveau en de vochthuishouding. Klachten die duiden op een ontgiftingsstoornis zijn:
Toxines krijgen we binnen, maar het lichaam maakt ze ook zelf
Tot toxische stoffen worden alle stoffen gerekend die een negatieve invloed hebben op de werking van cellen en organen. Bij toxines denken we in eerste instantie aan exogene (uitwendige) toxines, afkomstig uit een vervuild milieu en uit een op onverantwoorde wijze door de industriële landbouw geproduceerde voeding. Maar we worden ook belast met endogene (inwendige) toxines die door het lichaam, als onderdeel van het metabolisme (stofwisseling) zelf worden gemaakt. Vooral de darmen zijn een grote bron van toxines, helemaal als de verschillende processen in de darmen niet goed verlopen.
Exogene toxines
De bronnen van exogene toxines laten zich als volgt indelen, de belangrijkste boven aan:
Ziekten zoals kanker, hart en vaatziekten en diabetes zijn de laatste 100 jaar explosief in incidentie (aantal gevallen) toegenomen. Deze toename heeft bijna zeker te maken met de toenemende milieuverontreiniging en de verarming van ons voedsel waarin bovendien nog grote hoeveelheden landbouwgiften terecht komen.
Endogene toxines
Het lichaam produceert zelf ook veel toxines. Een groot gedeelte van deze toxines worden door de darmen geproduceerd. Het cel metabolisme produceert ook toxines, vooral vrije radicalen (stoffen die een elektron te kort komen en die stelen van een naburige andere stof).
Darmtoxines
De darm vormt een grote bron van toxines
omdat de darm eigenlijk de “buitenkant” van ons lichaam is en bovendien samen
met de voeding veel toxines te verwerken krijgt. Het totale darmoppervlak van
een volwassen persoon bedraagt, schrik niet, 300 vierkante meter. Het is daarom niet vreemd dat 80% van de B-cellen (onderdeel van het
immuunsysteem) die o.a. verantwoordelijk zijn voor de productie van
immuunglobuline (gebruikt voor het merken van pathogenen (ziekmakers)), in de
darmen te vinden zijn.
Intestinale permeabiliteit (lekke darm syndroom) is een van de grootste bronnen
van toxines van uit de darmen. Bij een intestinale permeabiliteit zijn de tight
junctions (eiwit complexen die de darmcellen bijeen houden) doorlaatbaar
geworden zodat er macro moleculen, afkomstig van niet geheel verteerd voedsel
in de bloedbaan terecht kunnen komen, waar ze o.a. een immuunresponse
veroorzaken en als toxische belasting door het lichaam worden gezien.
Intestinale permeabiliteit kan met een eenvoudige urinetest (lactose, maltose
challenge) aangetoond worden. Deze test kan via de apotheek worden besteld.
|
Intestinale permeabiliteit wordt meestal veroorzaakt door een bacteriële
dysbiose (uit evenwicht) van de darmflora, maar ook door overmatig gebruik van NSAIDs
zoals paracetamol. Bij een bacteriële dysbiose is de balans tussen de
darmbacteriën die wij nodig hebben voor een goed functionerende darm verstoord
door een overgroei aan pathogenen zoals candida, clostridia, Klebsiella sp,
Enterobacter sp, Pseudomonas sp, etc. verstoord. Het metabolisme van deze
pathogene schimmels en bacteriën produceren allerlei toxines maar ook stoffen
die lijken op menselijke hormonen en menselijke signaalstoffen waardoor de
balans verder wordt verstoord.
Een bacteriële dysbiose kan ontstaan door overmatig gebruik van
(breedbandspectrum) antibiotica, overmatig gebruik van suiker en chronische
stress. Antibioticum is eigenlijk gif dat door schimmels wordt gebruikt om
andere micro organismen te doden om voor zich zelf ruimte te maken.
Antibioticum doodt dus niet alleen de bacteriën die bijvoorbeeld
blaasontsteking veroorzaakt, maar ook de goedaardige darmflora. De aldus
ontstane “lege darm” is zeer gevoelig voor infecties van buitenaf maar ook door
opportunistische (die onder normale omstandigheden geen kans krijgen)
pathogenen die zich nog in de darm bevinden. 20 - 30% van de mensen die met een
breedbandspectrum antibioticum worden behandeld krijgt diarree die bijna altijd
het gevolg is van een infectie met Clostridium..
Bij ongeveer 60% van de CVS/ME patiënten met chronische darmklachten is er
sprake van een bacteriële dysbiose.
Om de toxines die in de darm terecht komen goed af te kunnen voeren beschikt de
darm bijna over hetzelfde ontgiftingssysteem als de lever. De lever heeft
echter een aantal ontgiftingsenzymen die in de darmen niet voorkomen, o.a. het
enzym voor de afbraak voor cafeïne. Het is daarom verstandig om darm en lever
gelijktijdig te behandelen. Bovendien vormt een gezonde darm een lagere
belasting voor de lever.
De lever heeft vele belangrijke functies
De lever is een veelzijdig orgaan
De lever is een van de meest complexe
organen van het lichaam. De lever is ook het grootste orgaan van het lichaam.
Hij weegt bij een volwassene ongeveer 1,5kg en zit rechts onder de ribbenkast.
Functioneel (qua werking) gezien zit de lever tussen de darmen en de
bloedsomloop in en bewaakt op deze wijze de kwaliteit van het bloed. De leverfuncties
kunnen in grote lijnen als volgt worden samengevat: (1) de lever zet
voedingsstoffen die in de darm zijn opgenomen om in een vorm die door het
lichaam gebruikt kan worden, (2) de lever vormt het belangrijkste
ontgiftingsorgaan. De lever zorgt er voor dat toxines worden afgebroken en
verwijderd, (3) de lever voorziet in een opslag capaciteit voor
voedingsstoffen. De opslag van glycogeen, een vorm van glucose, is een goed
voorbeeld, (4) de lever produceert de gal die o.a. wordt gebruikt bij de
vertering van vetten en de afvoer van in vet oplosbare toxines,
De lever krijgt het in onze huidige Westerse maatschappij vaak zwaar te
verduren. Onvolwaardige (te weinig voedingsstoffen) voeding die vanwege de
industriële landbouw ook nog veel toxines bevat, en een steeds meer vervuild
milieu belasten de ontgiftingscapaciteit van de lever heel zwaar. Daarom vormt
een gezonde
lever de basis voor een goede gezondheid.
Bij de meeste CVS/ME patiënten krijgt de lever het, door een aantal
stoornissen die alleen bij deze patiënten voorkomen, nog moeilijker. De
ontgiftingscapaciteit wordt nog zwaarder belast en bovendien wordt de lever op
een aantal manieren in zijn functioneren belemmerd.
De lever heeft gelukkig een flinke overcapaciteit waardoor het zijn werk nog
zelfs goed kan doen als de capaciteit door ziekte zo’n 20 - 30% is verminderd.
Helaas heeft dit voordeel ook een nadeel: de lever kan lange tijd door een
ziekte, bijvoorbeeld levercirrose
zijn aangetast, voor we de gevolgen merken. Wordt de lever dan op de juiste
manier behandeld dan is er toch vaak kans op volledig herstel omdat de lever
het enige orgaan in het lichaam is dat zich kan regenereren.
De productie faciliteit van de lever
De meeste voedingsstoffen die door de
darmen worden opgenomen kunnen niet direct door het lichaam worden gebruikt
maar moeten in de lever eerst in een (actieve) vorm worden omgezet. Een goed
voorbeeld is glucose . Deze stof wordt door de lever zelf uit vetten en
eiwitten gemaakt. Het is dus een fabel dat wij suiker (of dextrose) moeten eten
(of drinken) voor onze energieproductie. Sterker nog, de mens is helemaal niet
ontworpen om geraffineerde suikers te eten. Een overmatige suikerconsumptie
veroorzaakt darmstoornissen, hypoglycemie, problemen met het immuunsysteem,
schimmelinfecties, vitamine deficiënties en uiteindelijk in sommige gevallen
diabetes.
De lever produceert ook het cholesterol. Cholesterol is de belangrijkste
bouwstof voor celmembranen (celwanden) en verschillende belangrijke hormonen.
De lever regelt het cholesterolniveau in het bloed. Als wij veel cholesterol
via de voeding binnen krijgen maakt de lever minder aan, als we niet genoeg
binnen krijgen maakt hij meer. Het is dus een fabel dat het
cholesterolniveau verlaagd kan worden door een cholesterol arm dieet. Dit geldt
alleen voor patiënten die lijden aan hypercholesterolemia, een erfelijke
leverziekte.
De lever produceert de gal
De lever produceert ook de gal. Gal wordt
door de lever gebruikt voor de vertering van vetten en om vetoplosbare toxines
uit te scheiden. De lever produceert ongeveer 500 - 700ml gal per dag. Gal
bestaat uit galzure zouten en bilirubine (galkleurstof). De lever gebruikt de
gal ook om afbraakproducten van hemoglobine (rode bloed vloeistof) uit te
scheiden.
De gal wordt verzameld in de galblaas en via een klein kanaaltje (ductus
choledrochus) naar de dunne darm gevoerd. Een kringspier (Papil van Vater)
doseert de hoeveelheid gal die in de dunne darm terecht komt. Voor de
spijsvertering zijn vooral de galzure zouten van belang, zij zijn in staat om
vetten uiterst fijn te verdelen (emulgeren) waardoor de vertering van vetten
verbeterd wordt. Het grootste gedeelte van de galzouten wordt door de dunne
darm opgenomen (resorptie) en voor hergebruik naar de lever teruggevoerd. De
galzouten die gebonden zijn aan toxines en bilirubine worden geabsorbeerd door
vezelstoffen en kunnen op deze wijze via de ontlasting worden uitgescheiden. In
de afwezigheid van vezelstoffen bestaat de kans op resorptie van de aan
galzouten gebonden toxines of de kans op vorming van nog schadelijker toxines
door micro organismen uit de darm.
Bij ernstige leverstoornissen, maar ook door een afsluiting van het
galkanaal (galstenen) kan het gebeuren dat de bilirubine zich ophoopt in het
lichaam. Dit veroorzaakt gelig oogwit en een gelige huid en een ontlasting met
een sterk afwijkende witte kleur. Raadpleeg in zo’n geval onmiddellijk een arts
of specialist.
|
|
De lever een opslagplaats voor bouwstoffen
De lever kan als opslag faciliteit door het lichaam worden gebruikt. Voedingsstoffen kunnen tijdelijk in de lever opgeslagen worden tot het lichaam ze nodig heeft. Stapelen noemen we dat. Glucose is opnieuw een goed voorbeeld. Als het glucoseniveau in het bloed te hoog wordt slaat de lever glucose in de vorm van glycogeen op. Er kan maximaal 500gram glycogeen in de lever worden opgeslagen. Tijdens een geestelijke of lichamelijke stress situatie wordt er door de bijnieren hormonen aangemaakt. Dit is voor de lever een signaal om glycogeen om te zetten in glucose zodat er voldoende energie door het lichaam vrijgemaakt kan worden. Andere bouwstoffen die door de lever worden opgeslagen zijn o.a.: B12, vitamine K en D en ijzer (ferritine).
De ontgiftingsfunctie van de lever
De lever
is in staat om toxines onschadelijk te maken door middel van verschillende
processen. Toxines worden onschadelijk gemaakt door ze van structuur te
veranderen (bio-transformatie,
fase I) of door ze te binden (conjugatie, fase II) aan andere stoffen
waardoor ze in vet- (uitscheiding via gal) of wateroplosbaar (uitscheiding via
urine) worden gemaakt.
De lever breekt niet alleen toxines af maar zorgt er ook voor dat bepaalde
hormonen worden afgebroken (gedeactiveerd). Het ontgiftingsproces in de lever
(maar ook in de darmen) verloopt in twee fasen
Fase I ontgifting: bio-transformatie
In fase I van de ontgifting worden toxines
door een groep enzymen die behoren tot de groep cytochroom P450 onschadelijk
gemaakt. Een deel van de toxines kan in zijn geheel worden afgebroken, andere
worden omgezet een wateroplosbare of vetoplosbare vorm zodat ze door de nieren
en de gal kunnen worden uitgescheiden. Maar er zijn ook toxines die niet op
deze manier kunnen worden verwerkt. Deze toxines worden qua structuur zo
veranderd (bio-transformatie) dat zij door de volgende fase II goed kunnen
worden afgebroken. Helaas is deze tussenvorm vele malen giftiger dan de
oorspronkelijke toxine. Een juiste balans tussen de werking van Fase I en II is
daarom heel belangrijk.
Als men aan veel gifstoffen bloot staat, hetgeen voor elke Nederlander het
geval is, is fase I actiever dan normaal. Als fase II van de ontgifting op
normale snelheid loopt of iets te traag is dan zullen de in Fase I gevormde
supertoxines (de tussenvorm) in het lichaam achter blijven en nog meer schade
aanrichten dan de oorspronkelijke toxines. In zo’n geval spreekt men van een
pathologische (ziekmakende) ontgiften.
Een standaard leverstimuleringsprotocol, dat beide fasen aanzet om sneller
te werken, is in dit geval niet aan te bevelen omdat men niet precies weet of
men de disbalanse tussen fase I en II niet verder vergroot en daarmee ernstige
schade aan het lichaam toebrengt.
Fase I produceert door het werkingsmechanisme veel vrije radicalen. Het is
daarom belangrijk om te zorgen voor voldoende anti-oxidanten: vitamine B, C en
E, etc. Glutathion is de belangrijkste component in de lever bij het
onschadelijk maken van virje radicalen. Het glutathion niveau is echter
afhankelijk (volgens de Gibbs formule) van het ATP niveau (bio-energie) dat
door de mitochondria (energie centrales) wordt geproduceerd.
Bij CVS/ME patiënten is de ATP productie door een mitochondriale disfunctie
(niet goed werken) vaak ernstig verstoord. Dat is een van de reden waarom
CVS/ME patiënten zo vaak uitgeput zijn. Door dit lage ATP niveau is ook het
glutathion niveau in de levercellen laag. Hierdoor is de bescherming van de
lever tegen vrije radicalen bij CVS/ME patiënten minder effectief dan bij
gewone gezonde mensen waardoor bij CVS/ME patiënten schade aan de lever kan
ontstaan. Een goede behandeling kan deze schade gelukkig in zijn geheel
herstellen.
De kern van het ontgiftingsproces van fase I wordt gevormd door de cytochroom
P450 enzymen. Deze enzymen behoren tot tien verschillende cytochroom groepen en
zijn in 35 verschillende genen geprogrammeerd. De ontgiftingscapaciteit van
fase I is daardoor duidelijk erfelijk bepaald.
Verschillende toxines worden door verschillende cytochroom P450 enzymen
bewerkt. Het P450cyp3A4 enzym is het belangrijkste enzym. Het is voornamelijk
actief bij het deactiveren van hormonen. P450cyp1A1 wordt gebruikt voor de
afbraak van toxines die ontstaan bij het eten van de bruine korst van gebakken
vlees. Moet u nog barbecuen? Een geneesmiddel zoals bijvoorbeeld Prozac
vermindert de productie van P450cyp2D6. Dat gebeurt met name als er ook
geneesmiddelen tegen hartritmestoornissen worden gebruikt. Hierdoor kunnen
toxines te lang in het lichaam achter blijven. Vooral bij oudere mensen kan dit
ernstige problemen opleveren. P450 enzymen zijn ook in de darmen en de hersenen
actief.
Bij CVS/ME patiënten die klagen dat medicijnen helemaal niet of slecht
werken, maar dat er wel sprake is van veel bijwerkingen is het aannemelijk dat
fase I te snel verloopt. De medicijnen worden dan te snel afgebroken en
verliezen hierdoor hun werkzaamheid. Als patiënten maar een hele lage dosis van
een medicijn nodig hebben om effect te bewerkstelligen dan verloopt fase I
waarschijnlijk te traag. De medicijnen blijven langer in het bloed en er worden
hogere niveaus in het bloed bereikt omdat ze niet voldoende snel worden
afgebroken.
Fase II ontgifting: conjugatie
Fase II in het ontgiftingsproces probeert
gifstoffen te neutraliseren, of te binden (conjugatie) aan andere stoffen
waardoor de gifstoffen oplosbaar worden en door de nieren of via de gal
uitgescheiden kunnen worden. Vetoplosbare toxines die via de gal worden
uitgescheiden leggen een grotere weg af voordat ze in de ontlasting terecht
komen dan water oplosbare toxines die via de nieren en de urine het lichaam
verlaten. Dat is een nadeel van ontgiften via de gal.
Fase II kent in totaal zeven mogelijkheden van conjugatie: glutathion
conjugatie, methylering, sulfatie, sulfoxidatie, acetylering en glucorondatie.
Een aantal toxines wordt via slechts een van deze paden gebonden, andere door
meerderen.
Voor conjugatie is veel bio-energie (ATP) noodzakelijk. Indien de
mitochondria in de levercellen te weinig ATP produceren, wat bij de meeste
CVS/ME patiënten waarschijnlijk het geval is, zal Fase II onvoldoende
functioneren. Zoals reeds eerder is uitgelegd ontstaat er dan een situatie waar
de supertoxische tussenvorm, geproduceerd door fase I, in het lichaam achter
blijft en zo het lichaam vergiftigd.
Deze pathologische ontgifters worden al ziek van benzinedamp, uitlaatgassen of
een sterk ruikende parfum en ondervinden veel bijwerkingen van reguliere
geneesmiddelen.
Glutathion conjugatie
De primaire ontgifting van fase II verloopt
via glutathion conjugatie. Veel toxische stoffen, waaronder zware metalen,
pesticide en chemische oplosmiddelen zijn allen in vet oplosbaar, waardoor ze
moeilijk zijn uit te scheiden. Uitscheiding via de gal van vet oplosbare
toxines heeft als nadeel dat ze opnieuw door het lichaam getransporteerd moeten
worden. Glutathion conjugatie maakt vet oplosbare toxines water oplosbaar
waardoor ze via de nieren en de urine uit gescheiden kunnen worden.
Dit proces kan bij CVS/ME patiënten verstoord zijn omdat zij bijna in alle
gevallen te weinig ATP produceren. Volgens de Gibbs formule is het
glutathionniveau afhankelijk van de hoeveelheid geproduceerde ATP, te weinig ATP
betekent ook te weinig glutathion. Hierdoor wordt het belangrijkste
ontgiftingspad van Fase II, glutathion conjugatie verstoord en wordt de lever
bovendien te weinig beschermd tegen de schade door vrije radicalen.
Aminozuur conjugatie
Via deze ontgiftingsmogelijkheid worden toxines onschadelijk gemaakt door een binding met een aminozuur. Daarna kunnen zij in een water oplosbare vorm door de nieren uitgescheiden worden. De aminozuren, glycine, taurine, glutamine, arginine en ornithine worden hiervoor gebruikt. Het meest effectieve aminozuur is glycine. Een lage inname van eiwitten (eiwitten worden afgebroken in aminozuren) en een tekort aan vitamine B6 kunnen dit conjugatie proces verstoren.
Methylering
Bij methylering wordt er een methylgroep aan een toxine gebonden. S-adenosylmethionine (SAMe) treedt vaak op als methyldonor (is in staat een methylgroep af te staan). SAMe wordt door het lichaam gemaakt uit B6, B12 en Betaïne. Methylering wordt ook als ontgiftingsmechanisme in de hersenen gebruikt.
Sulfatie
Sulfatie is het binden van toxinen aan zwavelhoudende componenten. Sulfatieprocessen vinden onder meer plaats bij de ontgifting van een aantal geneesmiddelen, additieven, zware metalen en toxinen die door een onevenwichtige darmflora worden gevormd. Sulfatie zorgt er voor dat toxinen wateroplosbaar worden gemaakt, waardoor deze gemakkelijker kunnen worden uitgescheiden. Voorts vindt sulfatie plaats bij de uitscheiding van normale lichaamsstoffen zoals steroïde hormonen (oestrogenen), schildklierhormonen en neurotransmitters. Een groot aantal factoren beïnvloedt de sulfatie. Sulfatie wordt onder meer geremd door tekorten aan methionine, cysteïne of molybdeen en overschotten van molybdeen of vitamine B6 (> 100 mg per dag).
Acetylering
Conjugatie aan Acetyl-CoA vindt onder meer plaats bij het elimineren van sulfonamiden zoals bepaalde soorten antibiotica. De mogelijkheden tot acetylering zijn in grote mate erfelijk bepaald. Dit verklaart de grote verschillen in individuele reacties op dergelijke medicijnen. Er is nog niet veel bekend over de mogelijkheid om acetylering te stimuleren. Wel is bekend dat deze afhankelijk is van vitamine B1, B5 en C.
Glucuronisatie
Glucuronisatie, het binden van toxinen aan glucuronzuur, is afhankelijk van het enzym UDP-glucuronyl transferase (UDPGT). Glucuronisatie wordt door het lichaam onder meer gebruikt om medicijnen af te breken. Salicylzuurverbindingen, menthol, vanilline, benzoaten, hormonen en bilirubine (Gilbert's syndroom) zijn voorbeelden van stoffen die langs deze weg onschadelijk gemaakt kunnen worden. Een gelige huidskleur en gelig oogwit kunnen duiden op onvoldoende glucuronisatie activiteit. D-limoneen (citrusvruchten behalve grapefruit, dillezaad, karwij) stimuleert de activiteit van UDPGT.
Sulfoxidatie
Sulfoxidatie is het proces waarbij zwavelhoudende moleculen, uit bijvoorbeeld geneesmiddelen en voedingsstoffen, worden gemetaboliseerd. Het is tevens de manier waarop het lichaam sulfiden (conserveermiddelen) onschadelijk maakt. Bij dit proces worden sulfiden door het enzym sulfiet oxidase omgezet in sulfaten, die met de urine kunnen worden afgevoerd. Dit proces is onder meer duidelijk verstoord bij mensen met astma, die overgevoelig reageren op sulfiet in de voeding. Het enzym sulfiet oxidase is mede afhankelijk van molybdeen. Ontgifting via andere organen
De darm
Het lichaam kan ook ontgiften via de darm. Dat werkt bijna op dezelfde manier als de ontgifting via de lever. Ook de darm kent een Fase I (biotransformatie) en een Fase II (conjugatie). Maar er zijn ook verschillen. Er ontbreken een aantal Fase I P450 enzymen, o.a. voor het afbreken van cafeïne en bovendien komt fase II methylering in de darmen nauwelijks voor. De meeste CVS/ME patiënten hebben darmklachten, waardoor het ontgiftingsproces in de darm verstoord wordt en de lever meer werk moet verzetten.
De nieren
De mens heeft twee nieren, ze zitten
aan de bovenkant van de buikholte, een beetje aan de achterkant. De nieren
filteren het bloed en zorgen voor de afvoer van water oplosbare toxines. Deze
worden via de urine uit gescheiden.
Bij een normaal verlopend ontgiftingsproces is de urine goudgeel, helder en
ruikt bijna niet. Urine met een afwijkende kleur die bovendien sterk ruikt kan
op een ontgiftingsstoornis duiden. De urine wordt rose als er bilirubine in
terecht komt. Bilirubine is een afbraak product van hemoglobine (rode
bloedvloeistof). Donkerbruine urine kan ook worden veroorzaakt door een
leverstoornis, maar ook door te weinig water drinken.
De huid en de longen
De huid is in staat om vet oplosbare toxines uit te scheiden. (DDT, zware metalen zoals lood) Een aantal huidaandoeningen zoals psoriasis, wordt in verband gebracht met een te hoge toxische belasting in het lichaam. De uitscheiding van gifstoffen door de huid kenmerkt zich door: (1) zweet dat een andere kleur heeft dan normaal, bijvoorbeeld door gelige of blauwige kringen in de kleren (2) nachtelijke transpiratie (3) onaangename lichaamsgeur. Longen kunnen gifstoffen opnemen maar ook uitscheiden. Bij de uitscheiding via de longen gaat het dan om vluchtige toxines. Een te hoge toxische belasting kan klachten veroorzaken als: astma, allergische bronchitis en longemfyseem.
Diagnose (lever) ontgiftingsstoornissen
De reguliere leverenzymentest
Een reguliere
leverenzymenonderzoek die door de huisarts kan worden uitgevoerd zegt niets
over de ontgiftingscapaciteit. De reguliere levertest geeft alleen aan of er
leverenzymen in het bloed terecht zijn gekomen doordat levercellen dood zijn
gegaan door bijvoorbeeld overmatig alcohol (cirrose)
gebruik. Het zegt niets over functioneren van het ontgiftingssysteem. Daarom
kan de reguliere levertest binnen de normale waarden liggen terwijl de
ontgiftingscapaciteit van uw lever al 20% is gedaald. Bij een leverenzymentest
kunnen de volgende leverenzymen worden gebruikt:
ALT: Alanine
Aminotransferase, komt in de bloedbaan terecht door de beschadiging van
levercellen. Het niveau ALT in het bloed komt overeen met het aantal beschadigde
levercellen, dus met de ernst van de beschadiging.
AST Aspartaat
Aminotransferase: komt voor in de lever, het hart, de skeletspieren en de
hersenen. AST verdwijnt veel sneller uit het bloed dan ALT. Bij een herstel van
de lever zal de waarde van AST daardoor het eerst dalen.
ALP: Alkaline
Phosphate: is een enzym dat in veel verschillende weefsels voorkomt, ook in de
lever. ALP is wel het eerste enzym dat in hogere concentraties in het bloed
wordt aangetroffen als de lever beschadigd is. Een verhoogd ALP is dus een
“Early Warning”. Een verhoogde ALP kan dus worden gezien als een signaal dat er
iets mis is met de lever.
SGPT: Serum Glutaminezuur Pyrodruivenzuur en SGOT Serum Glutaminezuur
oxaalzijnzuur transamine en LDH lacto dehydrogenase worden ook gebruikt voor
het vaststellen van een lever beschadiging. LDH en SGOT zijn ook verhoogd bij
een hartinfarct, maar de LDH/SGOT ratio is bij een leverbeschadiging anders dan
bij een hartinfarct.
Andere manieren om leverstoornissen te diagnosticeren
Levertest op basis van galzouten
Onder normale omstandigheden komen de galzouten (bijna) niet in de bloedbaan terecht, maar blijven zij alleen circuleren in een apart bloedvat systeem tussen de darm en de lever in (lever, galblaas, dunne darm, poortader, lever). Een verhoging van de galzouten in het bloed is daarom een signaal dat er iets mis is met de lever, of dat het galtransportsysteem geblokkeerd is. Dit is vaak een veel betere test dan de standaard leverenzymentest. Galtransportproblemen (galstenen) moeten dan wel uitgesloten worden.
Levertest op basis van ureum
Ammoniak wordt gevormd door de
eiwitstofwisseling. 80% van de ammoniak wordt door de lever omgezet in ureum,
dat vervolgens via de urine wordt uitgescheiden. Bij patiënten met een ernstige
lever insufficiëntie (verminderde functie), hepatic encephalopathie, komt de
ureum in de bloedbaan terecht waar het vooral klachten veroorzaakt die te maken
hebben met het centrale zenuwstelsel. Dit kan door middel van bloedonderzoek
worden vastgesteld.
CVS/ME patiënten die na een eiwitrijke maaltijd neurologische problemen
ondervinden adviseer ik direct contact op te nemen met een arts of specialist.
Ascites als indicatie bij leverstoornissen
Onder bepaalde condities blijft er vocht
achter in de buikholte (ascites). Dit gebeurt bij ernstige ziekten maar ook bij
leverstoornissen. Door een leverstoornis kunnen de volgende zaken in het lichaam
worden veranderd: de bloeddruk in de poortader (bloedvat tussen darm en lever),
de doorlaatbaarheid van de poortader, de concentratie albumine en zouten in het
bloed, de vochthuishouding in het lichaam en het functioneren van de andere om
de lever heen liggende organen. Al deze zaken bij elkaar kunnen er de oorzaak
van zijn dat er vocht wordt vastgehouden in de buikholte waardoor een
opgezwollen buik ontstaat. Het is heel goed mogelijk dat deze vochtophoping in
de buik af en toe optreedt.
CVS/ME patiënten met een opgezwollen buik die door vocht vasthouden is ontstaan
adviseer ik met een arts of therapeut te overleggen of dit zou kunnen duiden op
een leverstoornis.
|
|
Een leverontgiftingstest
Voor onderzoek naar de ontgiftingscapaciteit van de lever is een leverontgiftingstest noodzakelijk waarbij de patiënt volgens een bepaalt protocol enkele gifstoffen slikt (aspirine, paracetamol, cafeïne, etc) waarna onderzocht wordt hoe snel de lever in staat is deze gifstoffen uit het lichaam te verwijderen. De leverontgiftingstest geeft inzicht hoe fase I en II van de lever functioneren. Met deze gegevens kan een arts of therapeut een behandelingsadvies maken. Een leverontgiftingstest kan door het Amerikaanse laboratorium Great Smokies Diagnostic Laboratories, in Nederland vertegenwoordigt door het bedrijf Instituut voor Functionele Geneeskunde (IFG) worden uitgevoerd. Voor CVS/ME patiënten zijn er twee ontgiftingstesten beschikbaar: de Standard en de Comprehensive Detoxification Profile. De resultaten van beide tests worden op uitstekende wijze voor zowel patiënt als behandelaar in beeld gebracht.
Standard Detoxification Profile
Bij de standaard leverontgiftingstest worden er door de patiënt volgens een bepaald tijdschema een aantal stoffen ingenomen. Deze stoffen zijn: cafeïne, acetaminophen (paracetamol) en aspirine. Urine en speekselmonsters worden door Great Smokies gebruikt om te bepalen hoe snel fase I en II verlopen en wat de ratio tussen fase I / fase II precies is. Als deze ratio waarde te hoog is wijst dat er op dat de supertoxische tussenvorm (gemaakt door fase I) niet snel genoeg door fase II kan worden afgevoerd. Men spreekt in zo’n geval van een pathologische ontgiften. Bovendien wordt er voor fase II de werking van de volgende conjugatie processen onderzocht: (1) glutathion conjugatie, het belangrijkste fase II proces, (2) aminozuur conjugatie, (3) sulfatie en (4) glucurindisatie. Alleen artsen en therapeuten kunnen deze onderzoeken via IFG aanvragen. De kosten bedragen ongeveer 200 euro.