Een orthomoleculair therapeutische benadering van Fibromyalgie J Blauw
http://home.wxs.nl/~blaauwj/fibro.htm
Dat er wetenschappelijk relatief weinig interesse bestaat voor fibromyalgie (ook wel het fibromyalgie-syndroom genoemd, vloeit vooral voort uit het feit dat dit ziektebeeld (nog) geen evidente diagnosemiddelen kent. Vaak wordt dit dan ook afgedaan als "psychogeen reuma". Hierbij wordt weer eens de uitspraak van William Osler onderstreept:"The greater the ignorance, the greater the dogmatism".
Gezien de primaire spierklachten wordt
fibromyalgie tegenwoordig onder de (weke delen-)
reuma geschaard. Het blijkt echter dat de etiologie vele gezichten kent,
waardoor
de vraag rijst of dit ziektebeeld wel bij de reumatische aandoeningen mag
worden
ondergebracht (een infectie aan het hartzakje dat acuut reuma veroorzaakt,
wordt primair
ook niet behandeld door een reumatoloog, maar door een cardioloog).
Het eerste hoofdkenmerk bestaat uit
spier- en gewrichtsklachten met karakteristieke
'tenderpoints', pijnlijke drukpunten (totaal 18, waarvan minstens 11
moeten reageren), gelokaliseerd in een aantal specifieke spiergroepen met een
druk van ongeveer 4 kg (Smythe).
Het gaat hier om de volgende punten (veelal bilateraal):
ventrale zijde van de intraversale ruimten van C5 -C7;
midden van de bovenrand van de monnikskapspier (M.
trapezius);
punt, nog net lateraal van de costachondrale insertie
van de tweede rib;
de bevestigingsplaats van de bovendoornspier ( M.
supraspinatus);
punt 2 cm distaal van epicondylus lateralis;
interspinale ligamenten van L4-L5 ;
proximale rand van de middelste bilspier (M. gluteus
medius);
punt net achter de trochantor major van de heup;
mediale inserties collaterale knieligamenten.
Het uitoefenen van druk op deze plekken moet als pijnlijk worden ervaren, de typering "gevoelig" is niet voldoende. Bovendien moeten deze klachten minstens drie maanden bestaan.
Het tweede hoofdkenmerk bestaat uit
slaapstoornissen, voornamelijk veroorzaakt door een anomalie van de non-REM
slaap.
Daarnaast bestaan er diverse veelvoorkomende secundaire klachten, zoals:
- spanningshoofdpijn;
- migraine hoofdpijn;
- geïrriteerde darmen;
- Raynaud fenomeen;
- premenstruele klachten;
- pijn in de kaak;
- geïrriteerde blaas;
- dof aanvoelende plekken;
- uitgesproken vermoeidheid;
- angsten;
- depressiviteit;
- concentratieproblemen.
Soms kan fibromyalgie als secundaire fibromyalgie worden betiteld, namelijk als
er sprake is van een andersoortige gediagnosticeerde aandoening, zoals
reumatoïde artritis of hypothyreoïdie. Door het ontbreken van een duidelijk
anatomisch substraat is er soms sprake van duidelijke overlapping met andere
aandoeningen. Vandaar ook bij de diverse aandoeningen het achtervoegsel
"syndroom", wat dienst doet als verzamelbak voor de veelheid van
symptomen bij bepaalde aandoeningen.
Het voorkomen van fibromyalgie lijkt niet zeldzaam in Nederland, gezien ook de
reacties die werden vernomen van een aantal reumatologen.
Door de beperkte samenwerking van reumatologen In Nederland, met name wat
betreft het deelnemen aan de Standaard Diagnose Registratie van TNO, is de
prevalentie van fibromyalgie niet of nauwelijks echt aan te geven.
Dat de slaap belangrijk is voor de spierhomeostase mag als bekend worden
verondersteld. Uit een enquête van de Consumentenbond en uit huisartsenresearch
is echter gebleken dat 1 op de 3 Nederlanders slaapklachten heeft, en dat meer
vrouwen dan mannen aan deze aandoening lijden.
Exogene slaapverstoorders zijn onder andere: koffie, thee, cola, chocolade,
nicotine, alcohol, drugs, bepaalde anti-depressiva, sommige migraine medicatie,
bepaalde vermageringsmiddelen, sommige pijnstillers (o.a. Finimal en Paracof),
bepaalde hormoonpreparaten en efedrinepreparaten.
Het is gebleken dat bij fibromyalgie vooral de stage-4-slaap-anomalie voorkomt,
waardoor de secretie van groeihormoon (HGH: Human Growth Hormone) wordt
verstoord. Tachtig procent van de totale dagelijkse productie van groeihormoon
wordt uitgescheiden in deze fase van de slaap (ref.1). Groeihormoon wordt
gevormd in de alfacellen van de hypofyse-voorkwab, en wordt onder invloed van
Somatotropine Releasing Factor (SRF; afkomstig uit de ventraal mediale
hypothalamus) gereguleerd.
Groeihormoon heeft een aantal belangrijke fysiologische functies:
onontbeerlijk voor een normale groei (via invloed op
de thymusfunctie);
werkzaam als een anabole peptide ;
stimuleert de proteïnesynthese;
stimuleert de lipolyse;
draagt bij aan een correcte bloedsuikerregulering;
betrokken bij de synthese van RNA en DNA;
bevordert een positieve stikstofbalans;
bevordert het transport van aminozuren naar de
weefsels;
bevordert de inbouw van aminozuren in de weefsels;
bevordert het herstel van atrofische spieren;
verhoogt de belastbaarheid van spieren.
Liefst 10% van het drooggewicht van de
hypofyse bestaat uit groeihormoon, hetgeen suppletie van het overeenkomstige orgaanconcentraat
zinvol lijkt te doen zijn. De groei en de integriteit van de thymusklier zijn
een gevoelige maat voor de groeihormoon-activiteit. Corticosteroïden blijken
overigens het effect van groeihormoon ernstig te remmen. (ref. 2)
De groeihormoon-afgifte door de hypofyse wordt indirect door de lever
geïnduceerd door middel van secretie van het polypeptide somatomedine-C.
Bij volwassenen is gebleken dat de groeihormoon-somatomedine-C-as van groot
belang is voor de spierhomeostase.
Andere condities die de afgifte van groeihormoon stimuleren zijn onder meer:
- hypoglykemie;
- langdurig vasten;
- consumptie van grote hoeveelheden proteïne;
- verhoogde niveaus van circulerende aminozuren;
- chirurgische ingrepen;
- acute stressinvloeden;
- (excessieve) beweging, met name in de vorm van
sport.
Bij meting van de hoeveelheid somatomedine-C bij fibromyalgie-patiënten bleek de waarde ten opzichte van een qua leeftijd overeenkomende controlegroep significant lager te zijn.
Terwijl groeihormoon een halfwaardetijd van 30 minuten heeft, bedraagt deze voor somatomedine-C 20 uur en de serumwaarde van deze laatste stof wordt dan ook gezien als representatief voor de totale secretie van groeihormoon.Met name het minder geregeld bewegen, als gevolg van moeheid en spierpijn bij fibromyalgie-patiënten, is een factor die verder bijdraagt aan het lage niveau van de somatomedine-C.
De meeste fibromyalgie-patiënten lokaliseren
hun pijn in de spieren, met de bevinding dat (matige) inspanning de klachten
aanzienlijk kan verergeren. Er is veel bewijs dat post-inspanningspijn in
verband gebracht kan worden met microtraumata (ref. 3,4), en er is dan ook een
hypothese dat de spierpijn bij fibromyalgie eenzelfde ontstaanswijze zou kunnen
hebben. Dit paradigma voorspelt hiermee tevens dat bij mensen die gevoelig zijn
voor microtraumata, de kans op fibromyalgie door inspanning aanzienlijk wordt
vergroot. En dat fibromyalgie-patiënten misschien wel bijzonder gevoelig zijn
voor spiermicrotraumata bij een overigens geringe inspanning, dan wel dat het
herstelmechanisme van de spieren veelal tekort schiet.
Er is ook gesteld dat bij sommige fibromyalgie-patiënten voorkomende continue
onderbreking van de groeihormoon-secretie wijst op een predispositie voor
spiermicrotraumata en/of een negatieve beïnvloeding van het normale
herstelmechanisme van de spier. Zulks ten gevolge van verminderde anabolische
stimulering, veroorzaakt door chronisch lage waarde van somatomedine-C. Deze
hypothese komt overeen met de bevindingen van Jacobsen et al (ref. 5). Zij
vonden lagere serumwaarden van pro-collageen type III en constateerden eveneens
een afhankelijkheid van dit pro-collageen type III voor een optimale
HGH-productie (6) . De lagere waarden werden vooral gevonden bij
fibromyalgie-patiënten met uitgesproken symptomen, zoals gevoelige spierpunten,
verminderde slaapkwaliteit en een geringere dynamische spierkracht. Recente
gegevens, verkregen door hypofysectomie doen ook een dergelijk
werkingsmechanisme vermoeden. Dit is ook vermoedelijk de reden dat veel van de
door Jan Blaauw behandelde fibromyalgie-patiënten zeer goed reageerden op
suppletie van hypofyse concentraat.
Bennet et al (ref. 12) hebben op basis van door hen verricht onderzoek naar
voren gebracht dat een verkeerd adaptiemechanisme, in relatie tot stress, een
belangrijke rol speelt in de pathogenese van dit ziektebeeld. De bevindingen in
hun studie duiden op een door stress gestoorde relatie tussen psyche,
immuunsysteem en neuro-endocrien systeem.
Juist vanwege het ontbreken van een duidelijke etiologie kan dit beeld snel worden verward met aandoeningen als:
CFS (Chronic Fatigue Syndrom);
mitochondriale myopathie;
PVS;
Dysthymie.
1A: de frequentie van de meest voorkomende fibromyalgie-symptomen bij
PVS-patiënten in vergelijking met fibromyalgie;
1B: het frequentiepercentage van PVS-symptomen bij fibromyalgie-patiënten;
1C: het relatief vóórkomen van geselecteerde PVS-symptomen vergeleken met dat
van fibromyalgie (ref. 10).
Symptoom
|
PVS(n= 200) |
FM(n=350) |
|
Spierpijn |
85 |
100 |
|
Ochtendstijfheid |
63 |
95 |
|
Vermoeidheid |
97 |
90 |
|
Slapeloosheid |
93 |
95 |
|
Spastische darmen |
63 |
80 |
|
Chronische hoofdpijn |
83 |
90 |
|
Parastesie (veranderd gevoel) |
70 |
85 |
TABEL 1A: Frequentiepercentage van de meest voorkomende fibromyalgie(FM)-symptomen bij patiënten met PVS, in vergelijking met fibromyalgie (ref. 10). |
Patiënten |
Symptoom(n=50) |
|
Koorts |
28 |
|
Keelpijn |
54 |
|
Opgezette lymfeklieren |
32 |
|
(Spier)pijn |
100 |
|
Vermoeidheid (groter dan voor de ziekte) |
96 |
|
Uitputting (constant in bed) |
24 |
|
Hoofdpijnen |
82 |
|
Arthralgia (gewrichtspijn) |
90 |
|
Concentratieproblemen |
72 |
TABEL 1B: Frequentiepercentage van PVS-symptomen bij fibromyalgie-patiënten (ref. 10). |
|
Symptoom
|
PVS |
FM |
|
Spierpijn |
++ |
+++ |
|
Vermoeidheid |
+++ |
++ |
|
Pijnlijke drukpunten |
++ |
+++ |
|
Slapeloosheid |
+++ |
+++ |
|
Chronische hoofdpijn |
++ |
++ |
|
Ingewandsirritatie (spastisch colon) |
++ |
++ |
|
Cognitieve stoornissen |
++ (+) |
+(+) |
|
Virusziekten die voorafgingen aan de ziekte |
++(+) |
+(+) |
|
Immuunstoornissen |
+++ |
+ |
|
Neurohormonale storingen* |
+++ |
+++ |
+ = ongewoon, +(+)= ongewoon tot gebruikelijk, ++= gebruikelijk, ++(+)= gebruikelijk tot veel voorkomend, +++= veel voorkomend.* De aangenomen neurohormonale afwijkingen bij zowel PVS als fibromyalgie moeten nog door nader onderzoek worden bevestigd. TABEL 1A: Het relatief voorkomen van geselecteerde PVS-symptomen, vergeleken met die van het fibromyalgie-syndroom (ref. 10). |
Deze tabellen doen vermoeden dat bij een aantal patiënten fibromyalgie wordt gediagnosticeerd, waar in feite sprake is van het post-viraal syndroom (PVS). Dit wordt mede in de hand gewerkt door de relatieve onbekendheid (en inherent gebrek aan acceptatie van het ziektebeeld) met PVS in de reguliere geneeskunde.
Bengtsson et al (ref. 13,14) hebben een studie verricht naar de (over)gevoelige
punten in de monnikskapspier bij patiënten met fibromyalgie, in vergelijking
met een controlegroep zonder pijn. Bij de fibromyalgie-groep vonden zij een
reductie van 17% voor ATP en een reductie van 21% voor creatinefosfaat.
Interessant hierbij was ook dat zij een toegenomen hoeveelheid "ragged red
fibers" op deze locaties aantroffen. Red ragged fibers zijn een indicatie
voor metabolische overactiviteit veroorzaakt door een toename van het aantal
mitochondria. Deze bevindingen zijn te vergelijken met die uit eerder
onderzoek, waarbij er sprake was van een door overbelasting ontstaan
pijnsyndroom, ook wel werk-gerelateerde myalgia genoemd.
In de energiecyclus wordt de chemische energie uit het voedsel benut om ATP te
produceren. Bij het terug-omzetten in de spiercel van ATP naar ADP en fosfaat,
komt de energie vrij die nodig is voor beweging.
Vermoeidheid, resulterend in uitputting, is dan ook veelal een verschijnsel dat
optreedt indien de vraag naar ATP groter is dan het aanbod. Dit patroon is
herkenbaar bij fibromyalgie, maar zeker ook bij PVS en mitochondriale
myopathie. De hoeveelheid ATP bij die condities wordt steeds minder en de
processen waarbij energie nodig is zullen uiteindelijk sterk verminderd
plaatsvinden.
Voornoemd basaal inzicht vormde de basis voor de
stofwisselingssnelheids-theorie, geponeerd door dr. R. Pearl in 1928. Deze
theorie legt een verband tussen de metabolische snelheid en de levensduur. Hoe
hoger de metabolische snelheid, hoe meer energie wordt verbruikt per
tijdseenheid, en dus hoe korter de levensduur van de mitochondria en op den
duur van de desbetreffende persoon. Deze situatie zorgt ook voor een hogere
consumptie van zuurstof, die automatisch leidt tot een meer dan noodzakelijke
vrije radicalenproductie en -activiteit (ref. 9).
Het is dus duidelijk dat optimale ATP-synthese van groot belang is bij
fibromyalgie. De cellulaire energieproductie-capaciteit is mede afhankelijk van
voedingsstoffen als co-enzym Q10 , carnitine, inosine, magnesium en vitamine B6
(de laatste drie als ondersteunende factoren voor de ATP-synthese).
Voor sporters is dit een zeer bekend en belangrijk gegeven, maar ook voor
fibromyalgie-patiënten geldt het belang van deze stoffen. Dit pleit dus sterk
voor suppletie van minimaal co-enzym Q10 en magnesium. l-Carnitine is
essentieel voor de verbranding van langketenige vetzuren, en suppletie met dit
aminozuur draagt dan ook eveneens bij aan de energieopbrengst van spiercellen.
Gecombineerde suppletie met co-enzym Q10 geeft een door synergie extra verhoogd
effect. Helaas is carnitine kostbaar bij gebruik in effectieve doses (2-4 gram
per dag).
In een artikel van Eisinger (ref. 10) wordt
een nadere beschouwing gewijd aan de hypothese dat fibromyalgie onderscheiden
kan worden van andere oorzaken van chronische pijn, op grond van de
erytrocyten-transketolase-test. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat een
aantal patiënten met fibromyalgie gunstig reageert op thiamine (vitamine
B1)-injecties. Een verlaagde erytrocyten-transketolase-activiteit werd gevonden
bij 137 proefpersonen, waarvan er 75 chronische, pijnlijke syndromen
vertoonden. De proefpersonen werden in vijf groepen opgesplitst.
Eén groep bestond uit patiënten met gegeneraliseerde pijnen die werden
beïnvloed door factoren als weer, lichamelijke activiteit en andere
stressfactoren, een tweede groep bestond uit patiënten met chronische
gewrichtspijnen, een derde groep uit alcoholisten en een vierde groep uit
patiënten die vitamine B-complex hadden ingenomen, waaronder 750 mg thiamine
hydrochloride per dag (verdeeld over verschillende doses), als vervolg op een
behandeling bestaande uit orthopedische chirurgie. De vijfde groep bestond uit
gezonde controlepersonen.
De erytrocyten-transketolase-activiteit, welke een graadmeter is voor de
vitamine B1-status, was significant lager in de alcoholgroep, en hoger in de
met vitamine B-complex gesuppleerde groep, maar verder week de
erytrocyten-transketolase-activiteit bij de verschillende groepen niet af van
de controlegroep. Ten opzichte van de controlegroep was de zgn. transketolase-
activiteitscoëfficiënt (een maat voor de inspanning van een biosysteem om tot
de synthese van vitamine B1 te komen) significant verhoogd bij de
fibromyalgie-patiënten en de alcoholisten, was lager bij de met vitamine
B-complex gesuppleerde patiënten, maar was niet afwijkend bij de groep met
chronische gewrichtspijn of bij de controle groep.
De auteurs concluderen dat bij alcoholisme vaak een thiamine gebrek optreedt
als resultaat van slechte voedingsgewoonten en gedeeltelijk ook voortkomend uit
een verhoogde Na-K-ATP-ase activiteit in de darm (dit enzym is van belang voor
opnameprocessen in de darm) en verlaagde ATP-niveaus in de lever en erytrocyten.
Fibromyalgie-patiënten hebben dus een uitgesproken verstoring van hun
thiaminestatus. Japanse onderzoekers hebben een therapeutische waarde
toegeschreven aan thiamine tetrahydrofurfuryl disulfide bij de behandeling van
zogenaamde neuralgie. Zij vonden dat patiënten met fibromyalgie beter
reageerden op thiamine pyrofosfaat dan thiamine hydrochloride, hetgeen er op
duidt dat er eerder sprake is van een metabole afwijking dan van een
voedingsdeficiëntie. Opgemerkt wordt verder dat thiamine-afhankelijke enzymen
ook een toereikende hoeveelheid magnesium nodig hebben.
Spierpijn wordt geassocieerd met magnesium- en seleniumdeficiënties. De
magnesiumstatus (in serum, leucocyten en erytrocyten) en de serumniveaus van
selenium, zink, vitamine A, B1, B2 en E werden onderzocht bij 22
fibromyalgie-patiënten en 23 gezonde controlepersonen. Magnesium in de leucocyt
is significant verhoogd en magnesium in de erytrocyt is lichtelijk verlaagd bij
fibromyalgie-patiënten. Deze afwijkingen van een normaal te achten magnesiumstatus
werden geassocieerd met het eerder gerapporteerde verstoorde
thiamine-metabolisme. De anti-oxidantstatus , onder meer gemeten aan de
plasma-malondialdehyde-waarde en serum-seleniumstatus, is bij
fibromylagie-patiënten niet afwijkend van normaal (ref. 15).
Hierna zullen we nader ingaan op de verschillende behandelingsmethoden van
fibromyalgie en wordt tevens een richtlijn voor een orthomoleculair
behandelingsplan gegeven.
In Amerika wordt
veelal gebruik gemaakt van niet-steroïde anti-inflammatoire pijnstillers, zoals
Ibuprufen (Advil, Brufen, Femapirin, Ibosure, Ibumetin en Nerofen). Ook worden
spierontspanners of spierverslappers voorgeschreven.
Een andere optie zijn de laag gedoseerde tricyclische antidepressiva, zoals
amitriptyline (Sarotex, Tryptizol), voor een pijn modulerende behandeling en
als slaapmiddel. De positieve ervaringen van dit soort behandelingen, waarvan
in onderzoeken gewag wordt gemaakt, blijven achter in de praktijksituatie. Niet
zelden hebben reguliere antidepressiva voorts een droge mond als bijwerking,
hetgeen een gevolg is van de anticholinergische nevenwerkingen van deze
middelen.
Dit is een
niet-essentieel aminozuur en kan in het lichaam worden gevormd uit l-arginine.
Ornithine wordt echter, in tegenstelling tot arginine, niet ingebouwd in
menselijk eiwit, hetgeen het vermoeden wettigt dat de metabole functies van
ornithine belangrijk zijn.
Inmiddels is wel gebleken dat l-ornithine de sterkst werkzame stimulans van
hypofysaire afgifte van groeihormoon is. Hiervoor is reeds uiteengezet waarom
groeihormoon zo belangrijk is voor de fibromyalgie-patiënt.
Dit
niet-zwavelhoudende, maar toch voor oxidatie gevoelige aminozuur, is een precursor
van serotonine. Het belangrijkste antistress-hormoon. Het verlaagt voorts de
pijnervaring en werkt daarbij synergistisch met enkefalinen en endorfinen.
Tryptofaan is verder een belangrijke stof voor de biosynthese van vitamine B3
en melatonine. Hoogstwaarschijnlijk vanwege de laatste functie werkt tryptofaan
slaapbevorderend, waardoor de vermelde, voor fibromyalgie-patiënten
belangrijke, groeihormoon-synthese kan toenemen.
Dr. Rieke Alten, een Duitse reumatoloog, legde een mogelijk verband tussen bij
fibromyalgie-patiënten waargenomen antistoffen en de symptomen van
fibromyalgie. Ook vond zij antistoffen tegen serotonine. Hoewel er vaak normale
serotoninespiegels worden aangetroffen bij fibromyalgie, kan de werking van het
serotonine echter door antistoffen geblokkeerd worden, waardoor bij een normale
concentratie in het bloed toch deficiëntieklachten ontstaan.
In een onderzoek van Muhamad B. Yunus et al (ref.8) werd de hypothese getoetst
dat plasma-tryptofaan of de transportratio van plasmatryptofaan, of beide, een
reflectie zijn van de serotoninestatus in de hersenen en dat deze bij
fibromyalgie-patiënten lager is dan bij gezonde personen.
Gevonden werd, dat de transportratio van tryptofaan in lichte, maar significant
lager was in de groep van fibromyalgie-patiënten dan in de controlegroep. Ook
de plasma- tryptofaanwaarde was lager bij de fibromyalgiegroep dan bij de
gezonde controle groep. Aanvullend werd gevonden dat ook de histidine- en
serinewaarden significant lager waren bij de fibromyalgie-groep dan bij de
controlegroep.
Bij fibromyalgie kan een orthomoleculaire dosis vitamine C een niet
onbelangrijke verbetering geven, vanwege de werking van deze stof op
biosystemen en -subsystemen die een relatie kunnen hebben met fibromyalgie:
immuunsysteem (T-cel en B-cel), levermetabolisme en de stofwisseling van de
aminozuren. Om alle relevante weefsels te bereiken is een combinatie van
wateroplosbare (magnesium ascorbaat) en vetoplosbare vitamine C (ascorbyl
palmitaat) aan te bevelen. Ter ondersteuning van eerder genoemde inzetbare
stoffen kunnen diverse andere middelen nog worden overwogen:
· octacosanol: verhoogt de zuurstofutilisatie van de cel en verbetert daardoor de energie-opbrengst;
· bijnier concentraat en pantotheenzuur verbeteren de hormonale afgifte van ontstekingsremmende hormonen door de bijnierschors, nuttig bij secundaire fibromyalgie;
· vitamine E en visolie concentraat werken ontstekingsremmend, vitamine B12 werkt vaak pijnstillend.
![]()
![]()
· - Multi-vitaminen/mineralen-preparaat (waarin op dagbasis minimaal 220 mcg seleno-methionine en 20 mg vitamine B6) 3 x daags 1 tablet
· - Vitamine E 400 IE 2 x daags 1 capsule
· - Magnesium ascorbaat 3 x daags 1 g
· - Ascorbyl palmitaat 2 x daags 1 g in kwark/biogarde
· - l-Ornithine 500 mg 3 x daags 1 capsule op nuchtere maag
· - Co-enzym Q10 30 mg (in geëmulgeerd vorm) 1 x daags 1 capsule
· - Hypofyse concentraat 30 mg 3 x daags 1 capsule
![]()
![]()
· - Krachtig anti-oxidant complex (met glutathion en glutathion basis) 1 x daags 1 capsule
· - l-Tryptofaan 400 mg 2 x daags 1-2 capsules op nuchtere maag
· - Acetyl -l-Carntine 500 mg 3 x daags 3 tabletten (vanwege de hoge kosten alleen in ernstige situaties)
· - Octacosanol 5.000 mcg 1 x daags 1 tablet
· - Vitamine B12 1.000-1.500 mcg 1 x daags 1 tablet (dibencozide)
· - Visolie concentraat (EPA en DHA minimaal 550 mg) 3 x daags 1 capsule
· - Bijnier concentraat 300 mg 2 x daags 1 capsule
· - Pantotheenzuur 250 mg 3 x daags 1 tablet
Referenties
·
1.
Florini JR, Prinz PN, Vitiello ML: "Somatomedin-C levels in healty young
and old men; relationship to peak and 24-hour integrated levels of growth hormone";
J. Gerontol. 40:2-7, 1985.
2. Jennen WHJ: "Een recent onderzoek naar het effect van het
groeihormoon"; De Orthomol.Koer. 34:20-22, 1992.
3.
Newham DJ, McPhail G, Mills KR, Edwards RH: "Ultrastructural changes after
concentric and eccentric contractions of human muscle": J.Neurol.
Sci.61:109-122,1983.
4. Edwards RH:"Hypothese of peripheral and central mechanisms underlying
occupational muscle pain and injury": Eur. J. Appl.
Physiol.57:275-281,1988.
5. Jacobseb S, Jensen LT, Foldager M, Danneskiold-Samsöe B: "Priamry
Fibromyalgia: clinical parameters in relation to serum procallageen type III
aminoterminal peptide": Br. J. Rheumatol, 29:174-177,1990.
6. Jensen LT, Jorgensen OL, Ristelli J, Christiansen JS, Lorenzen I:" Type
I and III procollagene in growth hormone-deficiënt patiënts: effects of
increasing doses of GH": Acta Endocrinol. (Copenhagen) 124: 278-282,1991.
7. Rose CF, Kinney J,: Surg. Forum, 13:369-371,1962.
8. Yunus MB, Dailey JW, Aldag JC, Masi AT, Jobe PC,:" Plasma tryptophan
and other amino acids in primary fibromyalgia: a controlled study": J.of
Rheumatology, 19(I):90-4, 1992.
9.
Nieuwenhuis RA:"Vrije radicalen, schakels tussen voeding en ziekte";
Orthos Media, Den Haag, 1992.
10.
Bron: "M.E. and you", Journal of the ME/CFS Society of New South
Wales, PO Box 449 - Crows Nest - NSW 2065 Australia.
11. Eisinger,J. M.D., et al,:"Studies of transketolase in chronic
pain":Journal of Advancement in Medicine,5(2):105-113 Summer 1992.
12. Bennett RM; "Fibromyalgia and the facts;Sense or nonsense";
Rheumatic disease clinics of North America 19 (1): 45-59, 1993.
13. Bengtsson A, Hendriksson KG, Larsson J.;"Muscle biopsy in primary
fibromyalgia. Light-microscopical and histochemical findings"; Scan. J.
Rheumatology 15:1-6, 1986.
14. Bengtsson A, Hendriksson KG, Larsson J.;"Reduced high-energy phosphate
levels in the painful muscles of patiënts with primary fibromyalgia";
Arthritis Rheum. 29: 817-821, 1986.
15. Eisinger J et al;"Selenium and magnesium status in fibromyalgia.;
Magnesium Research 7(3-4): 285-288, 1994.