Ervaringen met geneesheer-adviseurs Vragen Gouty,Vandecasteele,Peeters
Chronisch vermoeidheidssyndroom
Beknopt Verslag van de Commissievergaderingen 09.11.1999
http://www.lachambre.be/commissions/acts/bc033n02.htm
Interpellatie van de heer Luc Goutry tot de minister van Consumentenzaken,
Volksgezondheid en Leefmilieu en tot de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 109)
Vraag van mevrouw Annemie Van de Casteele tot de minister van Sociale Zaken en
Pensioenen over "het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 294)
Vraag van de heer Jan Peeters tot de minister van Consumentenzaken,
Volksgezondheid en Leefmilieu over "het chronisch vermoeidheidssyndroom en
de administratieve gezondheidsdienst" (nr. 373)
De heer Luc Goutry (CVP): We delen de bezorgdheid van de minister voor
patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS). Het wetenschappelijk
onderzoek rond dit syndroom is nog niet afgerond.
De wijze waarop de minister te werk is gegaan heeft me gestoord. De mensen
mogen niet worden misleid. Er heerst nog steeds verwarring over de voorgenomen
maatregelen. Vandaar mijn interpellatie. Er werden hoge verwachtingen gecreëerd
die valse hoop kunnen wekken.
Sommige patiënten denken dat hun kosten in de toekomst volledig zullen worden
terugbetaald. Het probleem is te ernstig om valse hoop te creëren.
Wat zult u concreet doen? Welke initiatieven zult u nemen op het vlak van
wetenschappelijk onderzoek? De minister zou referentiecentra oprichten. Dit
zijn echter geen behandelingscentra. De minister moet de verwarring die
hieromtrent bestaat uit de wereld helpen.
Hoe kunnen de betrokkenen opnieuw hun baan uitoefenen? De ziekenfondsen doen
niet moeilijk over de zogenaamde progressieve tewerkstelling, de werkgevers
daarentegen wel. Werkloosheid is het gevolg. Er is dringend behoefte aan
voorlichting en wellicht financiële tegemoetkoming ten aanzien van de
werkgevers.
De verwachtingen van de mensen liggen vooral op het vlak van de kosten van de
behandeling. Komt er een tussenkomst?
Het probleem van de erkenning van het chronisch vermoeidheidssyndroom door de
overheid is essentieel. Het volstaat niet de ziekte de definiëren en er
uitkeringen aan te verbinden. De revaliderende invalshoek verdient de voorkeur.
Welke maatregelen zal de minister concreet nemen? Wanneer zullen zij van kracht
worden? Welk verband ziet hij met de chronische ziekten in het algemeen?
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VU-ID): We hebben het probleem van het CVS in
het verleden nauwgezet opgevolgd in dit Parlement. Alle verenigingen moeten op
dezelfde manier bij het beleid betrokken worden.
De minister heeft bepaalde verwachtingen gewekt bij de patiënten. Daartoe
moeten er uiteraard voldoende middelen zijn. Sommige maatregelen die werden
aangekondigd waren ook al door minister Colla vooropgesteld. Onder meer de
oprichting van de Hoge Gezondheidsraad was al aangekondigd door minister Colla.
De patiënten verwachten veel op het vlak van arbeidscontracten. Hierover moet
snel duidelijkheid komen. Zullen patiënten met CVS als chronisch zieken worden
beschouwd? Is de erkenning van referentiecentra geen Vlaamse bevoegdheid? Hebt
u in dat verband contact opgenomen met de bevoegde Vlaamse minister? Hoeveel
middelen zal de minister uittrekken voor het CVS?
De heer Jan Peeters (SP): De welwillendheid van de controleartsen van de AGD is
niet zo evident als de heer Goutry daarnet suggereerde. Er is meer sensibilisering
nodig opdat de ziekte ernstig zou worden genomen. Er rijzen in het bijzonder
problemen bij de toepassing en de interpretatie van de regeling
"verminderde prestaties wegens ziekte", zoals bepaald in artikel 54
van het KB van 19 november 1998. In theorie is dit een zeer geschikt model voor
de benadering van de betreffende ziekte, dat ook in de privé-sector nuttig kan
zijn. In de praktijk wordt het echter zeer restrictief toegepast door de
AGD-artsen.
Welke initiatieven worden of zullen genomen worden naar de controleartsen van
de AGD om hen te sensibiliseren voor de specifieke aanpak van CVS-patiënten?
Worden er richtlijnen gegeven om artikel 54 minder restrictief toe te passen om
aan CVS-patiënten langer gedeeltelijke werkhervatting toe te laten? Is dit geen
typisch voorbeeld van een verantwoord activeringsbeleid waar in het
regeerakkoord sprake van is?
Minister Frank Vandenbroucke (in het Nederlands): Wij hebben het niet zozeer
over het "statuut" van een patiënt. Bovendien is er geen medische
consensus over deze ziekte. Toch moeten we de aandoening ernstig nemen. Daarom
wil ik alle betrokken organisaties contacteren.
Over het CVS bestaat nog geen medische consensus, noch inzake de diagnose noch
inzake de behandeling. Ook bestaat er weinig begrip tegenover deze ziekte. Ik
wil deze aandoening wel ernstig nemen en voortgaan op de initiatieven van de
vorige regering. Zo wordt bij de Hoge Gezondheidsraad een CVS-werkgroep
opgericht precies om tot een medische consensus te komen inzake diagnose en
behandeling. De aanbevelingen van die werkgroep zijn belangrijk voor de werking
van de CVS-referentiecentra. Deze centra werken wel met contracten met het
RIZIV en laten een multidisciplinaire zorg en financiering toe. Daardoor kan
ook de medische expertise worden bijeengebracht.
Hoeveel centra er precies nodig zijn, is nog niet vastgesteld. Daarvoor wil ik
eerst wachten op de aanbevelingen van de CVS-werkgroep bij de Hoge
Gezondheidsraad.
De negatieve ervaringen van sommige CVS-patiënten met controleartsen moeten
ernstig worden genomen. De inspanningen om deze controleartsen te informeren en
te sensibiliseren moeten daarom worden voortgezet. Het is echter belangrijk dat
er uniforme richtlijnen worden opgesteld voor de evaluatie van
arbeidsongeschiktheid.
Pas zodra een medische consensus is bereikt omtrent CVS zal de
medisch-technische raad zijn opdracht volledig kunnen vervullen.
De bestaande RIZIV-wetgeving laat toe dat CVS-patiënten arbeidsongeschikt
worden verklaard.
Aan CVS-patiënten wordt aangeraden om actief te blijven op de arbeidsmarkt. Dat
is een goede reden om ook binnen de ziekte-uitkeringen de inactiviteitsgevallen
te verminderen. Er bestaat nu al een formule van progressieve tewerkstelling.
Hoe dit nog beter geregeld kan worden, moet verder worden onderzocht.
Wat de specifieke vragen van mevrouw Van de Casteele betreft, kan ik het
volgende antwoorden.
Ten eerste, de diverse maatregelen - met name de revalidatieovereenkomsten
met referentiecentra, de werking van de controleartsen, de wetgeving in verband
met de ziekte-uitkeringen en de progressieve tewerkstelling - die ik zonet heb
toegelicht,vallen volledig binnen de federale bevoegdheden.
Op de tweede vraag kan ik stellen dat de financiering van de aangekondigde
referentiecentra nog niet concreet is uitgewerkt.
Ik onderzoek momenteel of deze centra aansluiting kunnen vinden bij de reeds
vijf bestaande referentiecentra voor neuromusculaire aandoeningen. Of deze
centra effectief in te schakelen zijn ook voor CVS, zal mee het budgettaire
impact bepalen.
Hoe dan ook is er een budgettaire ruimte om, in het kader van een betere zorg
voor chronisch zieken, te komen tot een betere zorg. Voor 2000 is er een
extrabudget van 1 miljard frank uitgetrokken voor meer en betere maatregelen
ten gunste van de chronisch zieken.
Minister Magda Aelvoet (In het Nederlands): Wij hebben het overleg in het kader
van de Hoge Gezondheidsraad nieuw leven ingeblazen. De antwoorden van de
Administratieve Gezondheidsdienst tonen aan dat ook hun houding tegenover CVS
zeer humaan is, in weerwil van wat de heer Peeters beweert. Ik ben daarom sterk
geïnteresseerd in zijn concrete gegevens. De AGD zelf stelt dat men gewoonlijk
3 tot 4 kalendermaanden van halve dagprestaties toekent. Meer precies werden er
sinds 1 januari 1999 67 aanvragen voor verminderde prestaties ingediend. Er
werden in totaal 181 kalendermaanden toegekend. Daarvan was er slechts 1 van
een CVS- patiënt, die 90 kalenderdagen toegewezen kreeg.
Ik blijf er evenwel van overtuigd dat er een lacune is inzake sensibilisering.
Op de Ministerraad van vrijdag zal de kwestie dan ook worden behandeld met het
oog op samenwerking tussen de betrokken ministers.
De heer Luc Goutry (CVP): Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van de
ministers. Zij mogen echter geen valse hoop wekken. Zou het niet nuttig zijn om
in deze commissie een hoorzitting te organiseren over het syndroom? Ik zal dan
ook een motie van aanbeveling indienen naar aanleiding van mijn interpellatie.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VU-ID): Deze problematiek moet eerst nader
worden onderzocht door het Parlement, voordat de regering verdere initiatieven
neemt. De minister moet voorzichtig zijn met de plaats waar de referentiecentra
werden opgericht. We mogen geen gemeenschapsbevoegdheden op federaal vlak
brengen. Via de financiering is er een permanente recuperatie door de federale
overheid. Ik sta achter het initiatief van de referentiecentra.
Minister Frank Vandenbroucke (In het Nederlands): Ziekteverzekering en
Volksgezondheid zijn federale bevoegdheden. Als men die goed wil beheren, kan
men zich niet beperken tot het uitdelen van geld, maar moet men de
gezondheidszorg zelf ter sprake brengen. En dan krijgt men het verwijt dat men
zich op het terrein van de communautaire bevoegdheden begeeft. Verkiest men
verder te werken binnen de traditionele structuren in de plaats van een goed
beheer te voeren?
Mevrouw Annemie Van de Castgeele (VU-ID): Coherente bevoegdheidspakketten zijn
het enige antwoord op dit probleem.
De voorzitter: Laten we dit overigens zeer interessante onderwerp niet nu
behandelen.
De heer Jan Peeters (SP): Ik ben blij dat de minister voor de AGD nog een
controletaak weggelegd ziet. CVS is een chronische aandoening die lang
aansleept. De genoemde periode van twee of drie maanden is dus niet voldoende.
De AGD kan in dit verband verdere initiatieven nemen.
De voorzitter: De heer Luc Goutry heeft een motie van aanbeveling ingediend.
Deze luidt als volgt:
De Kamer,
gehoord de interpellatie van Luc Goutry over het chronisch
vermoeidheidssyndroom
en het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en de minister
van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu,
vraagt de regering dat er dringend precieze middelen zouden worden vastgelegd
voor het wetenschappelijk onderzoek in verband met CVS;
de Medisch-Technische Raad bij de Dienst Uitkeringen van het RIZIV, opgericht
bij de sociale programmawet van 22 februari 1998, met als doel het vastleggen
van uniforme standaarden en procedures voor de evaluatie van de
arbeidsongeschiktheid, zo snel mogelijk zou worden samengesteld en het CVS als
de eerste aandoening op de agenda zou worden geplaatst;
specifieke referentiecentra voor opvang en begeleiding van CVS-patiënten en hun
familie zouden worden erkend en precieze middelen zouden krijgen voor onderzoek
en behandeling;
specifieke referentiecentra voor alle chronische aandoeningen zouden worden
opgericht met betrekking tot de verdere inspanningen die op dit vlak dienen te
gebeuren."
Een eenvoudige motie werd ondertekend door de heren Bruno Van Grootenbrulle,
Jean-Marc Delizée, Dirk Pieters, Joos Wauters en mevrouw Yolande Avontroodt.
Over deze moties zal in een volgende plenaire vergadering worden gestemd.
De bespreking is gesloten.