Chlamydia pneumoniae
|
Infecties van de onderste luchtwegen Determinanten Welke factoren beïnvloeden de kans op infecties van de onderste luchtwegen?
|
|
|
|
|
Longontsteking |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Longontsteking veroorzaakt door diverse micro-organismen Er zijn diverse veroorzakers van longontsteking die buiten het ziekenhuis is opgelopen (community-acquired pneumonia, CAP) (zie tabel 1). In alle in de tabel beschreven studies gaat het om patiënten met een ernstig verlopen longontsteking waarvoor ziekenhuisopname en klinische behandeling noodzakelijk was. Of bepaalde micro-organismen worden gevonden als veroorzakers van longontsteking, hangt sterk af van de methode die is gebruikt om materiaal voor kweek of andere diagnostiek te verkrijgen (sputum, bloed, pleuravocht, slijm opgezogen uit de onderste luchtwegen) en van de beschikbare laboratoriumtechnieken. Pneumokok belangrijkste verwekker longontsteking Uit tabel 1 blijkt dat bacteriën de belangrijkste verwekkers zijn. De klassieke verwekker van longontsteking, de pneumokok (Streptococcus pneumoniae), treedt nog steeds het meest op als verwekker. Daarnaast kan ook Chlamydia pneumoniae een verwekker zijn van longontsteking. Slechts vijf micro-organismen zijn verantwoordelijk voor ten minste 80% van community-acquired pneumonia. Deze micro-organismen zijn: Streptococcus pneumoniae, Haemophilus influenzae, Mycoplasma pneumoniae, influenzavirus en Legionella pneumophila. Onduidelijkheid over verwekkers van longontsteking in de open bevolking Goed gedocumenteerde gegevens over de verwekkers van CAP die buiten het ziekenhuis worden gediagnosticeerd en behandeld ontbreken. Er is verondersteld dat dit overwegend virussen, mycoplasmata en mogelijk ook chlamydia zijn (Alexander et al., 1977; La Force, 1985), maar dat is ook weer tegengesproken (MacFarlane et al., 1982; MacFarlane, 1987b). Ook is onbekend wat de verwekkers zijn van klinisch behandelde longontsteking bij zeer jonge kinderen. De vaak gehoorde uitspraak dat respiratoir syncytieel virus (RSV) en para-influenzavirussen de belangrijkste verwekkers zijn, kan niet altijd worden bevestigd. Roken is belangrijkste determinant van longontsteking De belangrijkste determinanten van longontsteking zijn: · roken · chronisch zuurstofgebrek · alcoholmisbruik · diabetes mellitus · voorafgaande virale infectie, zoals bijvoorbeeld verkoudheid, influenza · verminderd bewustzijn, bijvoorbeeld door een beroerte, een epileptische aanval of intoxicatie, waardoor verslikpneumonie kan ontstaan · reeds bestaande chronische ziekte, zoals cystische fibrose, nierinsufficiëntie of hartfalen · mechanische belemmering van de luchtwegen · gebruik van immunosupressiva · weerstandverminderende aandoeningen van bloed en bloedvormende organen |
Tabel 1: Micro-organismen als oorzaak van buiten het ziekenhuis opgelopen longontsteking (%).
a Hustinx & Meulenbelt, 1993b
(ontleend aan opname- en ontslagstatistieken van ziekenhuizen in de VS en
Groot-Brittannië; MacFarlane et al., 1982; Garibaldi, 1985; MacFarlane, 1987a; Woodhead et al., 1987; Donowitz & Mandell, 1990; Winter, 1991) Griepvaccinatie kan longontsteking voorkomen Vaccinatie tegen het influenzavirus voorkomt bij specifieke risicogroepen het optreden van influenza en van secundaire bacteriële longontsteking, en de daarop volgende sterfte. Ook primaire longontsteking door het influenza-virus wordt zo voorkomen. Een hoge influenzavaccinatiegraad bij risicogroepen heeft dus een gunstig effect op de incidentie van longontsteking. Ongeveer driekwart van de risicogroep laat zich vaccineren (zie ook: Preventie van influenza en Beïnvloeden ontwikkelingen in determinanten de trends?) Longontsteking bij HIV-geïnfecteerden Bij personen die geïnfecteerd zijn met HIV en niet specifiek behandeld worden, treden na verloop van tijd opportunistische infecties op. Die infecties komen bij personen met een normale weerstand niet voor, maar krijgen nu een kans doordat het immuunsysteem wordt afgebroken onder invloed van HIV. Een bekend voorbeeld van een opportunistische infectie is een longontsteking door de parasiet Pneumocystis carinii. De incubatietijd van besmetting met HIV en ontstaan van opportunistische infecties varieert overigens sterk, maar is gemiddeld negen à tien jaar. Zie ook Wat is het beloop van AIDS en HIV-infectie? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Rhinovirussen veroorzaken meeste ziektelast bij acute bronchitis Acute bronchitis moet worden beschouwd als een complicatie van acute infecties van de bovenste luchtwegen. Beide aandoeningen hebben dezelfde verwekkers: virussen, en dan vooral rhinovirussen. Influenzavirussen zijn echter kwalitatief het belangrijkst: ze veroorzaken de meeste ziektelast. Dat komt doordat infecties met influenzavirussen – in tegenstelling tot andere virale verwekkers – vaak met zeer hinderlijke en langdurige bronchitisklachten gepaard gaan. De rol van bacteriële verwekkers zoals Streptococcus pneumoniae en Haemophilus influenzae in het ontstaan, het beloop en het voortduren van bronchitisklachten is vooralsnog onduidelijk. Twee virussen veroorzaken meeste gevallen van acute bronchiolitis Acute bronchiolitis kan veroorzaakt worden door verschillende virussen en door Mycoplasma pneumoniae (zie tabel 2). Twee virussen zijn verantwoordelijk voor het merendeel van de gevallen: RSV en het para-influenzavirus (met subtypen). Soms worden adenovirus of het recent ontdekte humaan metapneumovirus als verwekker aangetoond. Op basis van literatuur wordt aangenomen dat in de periode november-april 50-80% van de ziekenhuisopnamen vanwege acute bronchiolitis door RSV veroorzaakt wordt (Shay et al., 1999). Bij kinderen veroorzaakt RSV in 30% van de gevallen een lagere luchtweginfectie (meestal acute bronchiolitis). In het algemeen wordt 0,5-2% van de kinderen met een RSV-infectie opgenomen in het ziekenhuis. Erkende determinanten voor acute bronchiolitis zijn een leeftijd jonger dan twee jaar en ‘crowding’ (veel contacten met anderen, bijvoorbeeld in crèches en dagverblijven). Onderliggende aandoeningen van hart en longen en te vroeg geboren zijn maken de vatbaarheid voor acute bronchiolitis groter en het beloop vaak ernstiger. |
RSV-infecties komen veel voor Meer dan 90% van alle kinderen heeft voor de tweede verjaardag, minimaal één RSV-infectie doorgemaakt. Kinderen van vier jaar hebben bijna allemaal één of meer RSV-infecties doorgemaakt. De immuniteit tegen RSV is onvolledig en van korte duur waardoor herinfectie gedurende het hele leven voorkomt. Een RSV-infectie verloopt meestal mild. In een klein percentage van de gevallen ontstaat een lagere luchtweginfectie. Bijna altijd gaat het hierbij om kinderen jonger dan twee jaar. Bij oudere kinderen en volwassenen veroorzaakt RSV een verkoudheid. Er komen steeds meer aanwijzigen dat RSV bij ouderen een sterk onderschatte verwekker van luchtweginfecties is die tot ziekenhuisopname en zelfs tot de dood kan leiden. Waarschijnlijk vormen leeftijdsgerelateerde veranderingen in longfunctie, onderliggende ziekten en verslechtering van het afweersysteem risicofactoren voor een ernstige RSV-infecties bij ouderen. Tabel 2: Micro-organismen als oorzaak van acute bronchi(oli)tis (%) (Garibaldi, 1985; Donowitz & Mandell, 1990; Winter, 1991).
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||