Verklaringen medische terminologie cvs

 

Actin:
-------
ťťn van de contractiele eiwitten van het spierstelsel; z.o. actomyosine (een
verbinding van actine en myosine, contractiel eiwit van het dwarsgestreepte
spierstelsel)
Een vezelig protein betrokken bij de spiercontracties in zowel gladde als
dwarsgestreepte spieren en bovendien dienst doen als een belangrijk
structureel molecule voor de cytokern van vele eularyotic cellen.
In samenwerking met myosin, actin is verantwoordelijk voor de contracties of
relaxtatie van de spieren.


ACTH
--------
corticotropin - afk van adrenocorticotroop hormoon van de hypofysevoorkwab,
enzymatisch afgesplits uit B-lipotropine; zet de bijnierschors aan tot
produktie van steroÔden; Syn.corticofrofine wordt speciaal - dit is met
voorkeur boven corticosteroÔden - toegepast bij chronsiche polyarthritis,
neuromusclulaire aandoeningen, myasthenia gravis, nefrose, langdurige
behandeling van astma; z.o. bijnier


Adenosines
------------
Een ribonucleotide welk bestaat uit een nitroachtige basis (stifstof =
Nitro) die adenine link aan de suiker ribose


Anterior
--------
ie anticus -> hetgeen vůůr ligt;
anticussyndroom = tibialis anterior syndroom: pijn, zwelling en roodheid in
de tibialis-loge (scheenbeen) t.g.v. oedeem en opvolgende ischemie in de
spieren door trombose, embolie, vaatafsluiting, hemotoom (trauma),
overmatige spierinspanning; leidt tot sensibiliteitsstoornissen en parese
van de voetheffende spieren; syn. syndroom van Vogt


Apoptosis:
----------

1. vorm van celdood door schrompelingsnecrose als onderdeel van de steeds
doorgaande verjonging van de weefsels 2. afstoting van dood weefsel 3. bij
infectie en/of beschadigde cellen de opdracht geven om zelfmoord te plegen


ATP
-----

adenosine triphosphate: een nucleotide dat co-factor is bij vele
enzymatische reacties in het lichaam; wordt uit adenosidefosfaat gevormd bij
de oxidatie van suikers, eiwitten en vetten (hoofdzakelijk in de
mitochondriŽn) en wordt verbruikt bij energiebehoevende processen in de cel.


Chlamydia:
-----------

G mantel; ovale bacteriŽn die zich uitsluitend intracellulair
vermenigvuldigen, doch niet tot de virussen behoren omdat ze zowel DNA als
RNA bevatten; Chlamydia psittŠcose, verwekker van psittacose; Chlamydia
trachůmatis (met vele serosubtypen), veroorzaker van
trachoma-inclusie-conjunctivitis, pneumonie bij pasgeborenen, proctitis,
endocarditis, otitis en van urognitale ontstekingen, overgebracht door
geslachtsverkeer; z.o. lymphogranuloma inguinŠle, trachoom


Corticotropin
--------------

bijnierschors stimulerend
Adrenocorticotropic hormone (ACTH), een normaal bijprodukt van de anterior
pituitary klier handeld om de afscheiding van het adrenal hormoon cortisol
te controleren


COX-2
--------

Cytokines:
----------
Polypeptiden, welke biologische signalen van cel tot cel kunnen doorgeven,
en met andere stoffen een complex vormen t.h.v. biologische afweerreacties;
z.o. interferonen, interleukinen, TNF.


CRH
------
afkorting van corticotrofine releasing hormoon


Dimmers
---------
tweeledig
een molecule welk bestaat uit twee gelijke (maar niet noodzakelijk identiek)
componenten. De term kan ookgebruikt worden als een werkwoord verwijzend
naar de handeling van twee componenten die te samen komen.


DNA
------
afk. va, de Engelse term: deoxyribonucleic acid, in het Ned.
desoyribonucleÔzuur (afk.DNZ)
De molecule dat de genetische informatie codeert en de celkern van de
cellen. het bepaald de structuur, functie en gedrag van de cel.


elF2
-----
eukaryotic translation initiation factor
Eukaryoot: een oragnisme waarvan de cellen een kern bezitten die omgeven is
door een kernmembraam: bij bacteriŽn is het erfelijk materiaal niet omgeven
door een kernmembraam, het zijn daarom prokaroten.
eukaryotic begin factor van protein synthese. De factor bestaat uit drie
subinits (componenten), alpha, beta en gamma.


endogenous retrovirusen:
-------------------------
(endogene = van binnen uit) RNA-virussen die vermoedelijk een rol spelen bij
het veroorzaken van sommige soorten kanker bij de mens; ze worden daarom ook
wel oncornavirussen (oncogene RNA-virussen) genoemd; ze bezitten het enzym
reverse transcriptase dat in staat is om RNA om te zetten in DNA (reverse
transcription) zodat het virus zich als provirus kan inbouwen in het DNA van
de gastheercel; een bekend retrovirus is het HIV


entorovirussen (ingewanden):
-----------------------------
entorovirussen (ingewanden): grote groep van morfologisch op elkaar
gelijkende picornavirussen, die in de darm (en faeces) worden aangetroffen;
tot deze groep behoren de coxsackie- en ECHO-virussen en het
poliomyelitisvirus; enterovirussen zijn (behalve als verwekkers van
recidiverende ziekten) mogelijk ook als oorzaak van myalgische
encephalomyelitis te beschouwen.


Epstein-Barr virus:
------------------
tot de groep van herpesvirusen behorend; via infectie van B-lymfocyten
veroorzaker van de mononucleosis infectiose in Europa, van het
Burkittgranuloom (Afrika) en van het lymfoŽpitheliloom (AziŽ); bij de
laatstgenoemde aandoeningen werkt het virus oncogeen bij immunodeficiŽntie
individuen


glutamate
----------
hoofd neurotransmitter in het centrale zenuwstelsel van zoorgdieren


het menselijke Herpesvirus Type VI:
------------------------------------
het menselijke Herpesvirus Type VI: Groep van DNA virussen ter grootte van
150-170nm,o.a. gekenmerkt door het vermogen tot persistentie in de gastheer
(dragers van het virus zijn waarschijnlijk memory T-lymfocyten) en
reactivatie o.a. bij immunosuppressie; bij de mens komen vijf soorten voort:
varicella-zoster virus, cytomegalievirus, Epstein-Barr virus, Herpesvirus
simplex (hominis type 1) en Herpesvirus genitŠlis (idem type 2); het herpes
hominis type 1 veroorzaakt stomatiss aphthosa, herpes labialis, keratitis
dendritica, encephalitis, eczema herpetica, panaritium; het type 2 wordt
uitsluitend door genitaal contact verspreid en is oorzaak van herpes
genitalis en glutealis, neonatorum en congenitalis; het herpesvirus simiae
(zgn. herpesvirus B) komt voor bij apen en is pathogeen voor de mens.


HPA
-----
hypothalamische-pituÔtaire as


Hypoglycemia
--------------
te laag glucosegehalte van het bloed


Hypothalamus
--------------
De hypothalamus vormt de bodem van de tussenhersenen. Hij bevat ook het
chiasma opticum. Via de hypofysesteel staat de hypothalamus in verbinding
met de hypofyse-achterkwab. Het betreft hier de zenuwceluitlopers die de
beide hormonen ADH en oxytocine (geproduceerd in de hypothalamus) afvoeren
naar de hypofyse-achterkwab, waar ze worden opgeslagen. Er is in dit verband
sprake van neurosecretic. De relatie van de hypothalamus met de
hypofysevoorkwab is van geheel andere aard. Deze vindt plaats door middel
van een netwerk van bloedvaten waarlangs stoffen (de zgn. releasing factors)
naar de hypofysevoorkwab worden vervoerd die de verschillende cellen van
deze kwab aanzetten tot productie van hormonen. De hypothalamus is een
belangrijk centrum van het autonoom zenuwstelsel voor de regeling van de
vegetatieve functies:
*het besturen van het endocriene systeem; de hypothalarnus produceert de
reeds genoemde hormonen ADH en, oxytocine die vervolgens worden opgeslagen
in de hypofyse-achterkwab. De via het bloed aangevoerde stoffen (releasing
factors) 'besturen' de hypofysevoorkwab
*het warmtecentrum speelt een belangrijke rol bij de regulatie van de
lichaamstemperatuur
*het hongercentrum regelt de eetlust; de prikkeling van het honger centrum
geschiedt waarschijnlijk door een verlaagd insulinegehalte van het bloed te
samen met een verlaagde plasmaglucosespiegel
*het dorstcentrum regelt de waterhuishouding; de cellen van het dorstcentrum
zijn gevoelig voor een stijging van de osmotische druk in de cellen.


Hypothyroidism
-----------------
ziekte van Gull, ziektebeeld t.g.v. niet aangeboren onvoldoende productie
van schildklierhormoon, hetzij primair (door ziekte van de schildklier
zelf), hetzeij secundiair (onde rinvloed van een gestoorde hypofysewerking),
gekenmerkt door vele verschijnselen van te laat metabolisme, een vertraagde
werking van organen, orgaansystemen, verminderde geestelijke prestaties en
myxoedeem; bij het groeiende individu bovendien groeistoornissen, gebrekkige
gebitsontwikkeling, verbening en geestelijke ontwikkeling


IFN:
-----
interferon; eiwitten (glycoproteinen) die door allerlei lichaamcellen worden
afgescheiden na contact met eenvirus, bacterie of schimmels; de interferonen
worden opgedeeld in a-, B- en y-interferonen; IFNa en IFNb worden
geproduceerd door allerlei lichaamcellen tijdens virale infecties en zorgen
met name voor de afweer tgen virale infecties; daarnaast hebben ze een
antitumoractiviteit nl. remming van celgroei en stimulatie van natural
killer cellen (NK); gamma-interferon (INFy), ook wel immuun-interferon
genoemd, wordt door T-lymfocyten geproduceerd en werkt als een lymfokine;
het dient voor de regulatie van immuunprocessen, activerend of remmend,
afhankelijk van de omstandigheden; het is een krachtige activator van
macrofagen.


IkB
----
de inhibitor (IkB)
???? I kappa B alpha-associated protein kinase
enzym: geÔsoleerd van menselijk monocytic cel lijn


INOS
-------
?????


ION
-----
afkorting van idiopatische orthostatische hypotensie


Ionen
------
de kleinste electrisch geladen deeltjes; anionen, negatief geladen ionen;
kartionen, positief geladen ionen


Lupus
-------
Lupus erythematodes; auto-immuunziekte, gekenmerkt door de aanwezigheid van
antistoffen tegen verschillende kernbestanddelen, klinisch behorend tot de
groep der collageenziekten


Molecules
-----------
het kleinste deeltje van een stof, dat nog alle eigenschappen van die stof
vertoont


monocytes.
-----------
vrij grote ťťnkernige fagocyt (macrofaag) die in het bloed voorkomt als
mononucleaire leukocyt en in de weefsels als histiocyt, komt inhet bloed
normaliter voor in ongeveer 6 op de 100 witte bloedcellen.


Mycoplasrna soorten:
----------------------
De meeste micro-organismen zoals mycoplasmas worden niet beschouwd als
belangrijke menselijke ziekteverwekkers als zij zich nestelen op ondiepe
plaatsen, zoals de mond of de ingewanden, maar sommige soorten zoals
Mycoplasma fermentans, Mycoplasma penetrans, Mycoplasma pneumoniae,
Mycoplasma genitalium, Mycoplasma pirum en Mycoplasma hominis zijn in staat
de bloedcirculatie te penetreren en verscheidene weefsels te koloniseren.


Myeline
--------
Vetachtige stof die in de vorm van de zgn. - myeline of mergschede de
neuriet isolerend omhult: de schede wordt omkleed door het neurilemma
(schede van Schwann): de meyelineschede speelt een belangrijke rol bij de
impulsgeleiding in de axon


Myxoedeem
-------------
slijmzwelling (van de huid) -bij hypothyriŲdie vooral zichtbaar aan oogleden
en lippen. lokaal myxoedeem, plaatselijk myxoedeem, meestal aan de enkels,
onafhanelijk van de schildklierwerking


NF-kB
--------
de kernfactor KB
? NF _kappa_B
een overdrachtsfactor (oorspronkelijk gevonden om een overdracht van genen
van de kappa class of immunoglobulins om te switchen in B lymphocytes)


nitrogen
---------
stikstof


NK :
------
afk. de natural killer cells, speelt als effector-cel een belabgrijke rol
bij de vernietiging van veranderde lichaamscellen


NO
-----
nitric oxide


oxtocine
---------
is een eiwitsoort. het veroorzaakt contractie van glas spierweefsel, met
namle de wand van de uterus (baarmoeder) op het einde van de zwangerschap
(weeŽn). De werking van oxytocine wordt tegengewerkt door het
geslachtshormoon progesteron. he top gang brengen van de weeŽn wordt dan ook
verklaard door het feit da top het eind van de zwangerschap de
progesteronproduktie afneemt. Het hormoon oxytocine bevorderd bovendien de
contractie van glas spierweefsel in de borstklier, waardoor melkafgifte, het
toeschieten van melk, wordt bevorderd.


p53
-----
Een gen dat een protein codeert dat cellgroei regeld en bekwaam is om
potentiŽle kankercellen aan te zetten zichzelf te vernietigen.


Pathogenese
-------------
ziekteoorzaak, de wijze waarop een ziekte ontstaat, de leer van de
ziekteoorzaken


Pathway
---------
de opeenvolgende chemische reacties welke leiden tot een chemische
verbinding.


Paralysis
---------
Verlamming, krachteloos zijn; verlies van de mogelijkheid een lichaamsdeel
te bewegen door het verlies van ťťn of meer spieren of spiergroepen zich
samen trekken; dit kan worden veroorzaakt door
1. bij de zogenaamde perrifere-; door een stoornis in de spier zelf, door
gebrekkige overdracht van de motorische zenuwimpuls op de spier of door een
aandoening van de motorische zenuw zelf
2. bij de zgn. centrale - ; door enigerlei laesie in het verloop van de
motorische zenuwbaan in het centrale zenuwstelsel, zoals bloeding, trombose,
embolie, gezwel, degeneratie, intoxicatie, trauma, vaatkramp. Naar gelang
van de plaats van waar de verlamming uitgaat, onderscheidt men
- hersenverlamming(-cerebrale)
- ruggemergverlamming (spinale-)
- zneuwverlamming (neurogne -)
- spierverlamming (myopathische -)
- paralyse agitans = ziekte van parkinson
- paralyse glossopharyngo-laryngo-labiŠlis = verlamming van de tond,
keelholte, strottenhoofd en lippen, uitgaande vanhet verlengde merg.syn.
- paralyse infŠntum + kinderverlamming/Poliomyelitis
- paralyse progressiva = voorschrijdende verlamming - zie dementie,
dementieparalytica
- paralyse spŠstica = spastische verlamming, verlamming gepaard gaand met
spasticiteit van de spieren


PGH
------
???


PGI
-----
???


PGL
-----
= afk. van persisterende geneneraliseerde lymfadenopathie, o.a. kenmerkend
als eerste stadium van AIDS . Een conditie voortkomend bij mensen met HIV
bij wie gedurende een lange periode en veelvuldig de lymfeklieren gezwollen
zijn


Phosphorylate
--------------
fosforylase ???? Enzym dat een rol speelt bij de splitsing van glycogeen.


PKR
------
double-stranded RNA-dependent protein


Proteases
---------
Enzymen die protein molecules verlaagd of eiwitsplitsend enzym


Protein
--------
eiwitten; zijn opgebouwd uit aan elkaar gekoppelde aminozuren; z.o.
aminozuren, (poly)peptiden; C-reactieve proteinen, afg. CRP, abnormaal eiwit
in het bloedplasma bij verschillende ontstekingachtige ziekten, o.a. bij
actieve reumatoÔde artritis


Proteolytic
-----------
proteinen ontledend


pituitary gland
---------------
Een smal ovaalvormig endocrine klier gesitueerd aan de basis van het brain,
in de holte van het wiggebeen . De globale rol is het regelen van de groei
en het stofwisselingsproces


RA
----
reumatoÔde artritis: primair chronische gewrichtsreuma; collageenziektedie
wordt gerekend tot de auto-immuunziekteb, gekenmerkt door niet etterige
ontstekingen (synovitis, chrondritis; pijn, stijfheid, zwelling) van
verscheidenen gewrichten (later gevolgd door destructueve veranderingen),
atrofie van d espieren en huis in de omgeving van de aangedane gewrichten;
kenmerkend zijn verder; vasculitis met nail-fold lesions, subcutane noduli,
serositis en in het bloed: circulerend immuuncomplex, reumafactoren, hoge
BSE en soms cryoglobulinen; het verloop is meestal chronisch-progressief,
maar remissies komen voor; extra-articulaire verschijnselen bij reumatoÔde
zijn voorts o.m.: gewichtsverlies, anemie, lymfadenopathie, noduli,
tunnelsyndroom....


remitting MS
-------------
(op en afgaand) MS
MS: chronisch ziektebeeld, gekenmerkt door demyelinisatie, gepaard gaande
met de vorming van verspreide harde plekken (plaque), vln. in de witte stof
van hersenen en ruggemerg, voorts door zowel motorische en sensibele als
autonome verschijnselen (nystagnus, hypertonie van spieren, spastische
verlammingen, intentie tremor, gevoelsstoornissen, algemene slapte, ataxie,
euforie, dysartie, opgeheven buikreflexen, visusverlies door neuritis
retrobulbaris); mogelijke oorzaken: auto-, dan wel cellulaire immuunreacties
(het aantal supperssorcellen is verlaagd), persisterende virus-infectie,
genetische factoren, immunodeficiŽntie, auto-immunitiet; progressie systemic
MS E, syndroom gekenmerkt door idiotie en epileptische aanvallen; in de
huid, hersenen, nieren en longen worden knolvormige gezwelletjes
aangetroffen


RNA
------afkorting van ribonucleic acid of ribonucleÔnezuur -
ribonucleÔnezuren zijn 'kopieŽn' van stukjes DNA; RNA verschilt in twee
opzichten van DNA: de pentose desoxybose is vervangen door ribose, de base
uracil vervangt de base thymine; het proces waarbij DNA wordt overgeschreven
tot RNA wordt transcriptie genoemd; dit proces wordt gekatalyseerd door het
enzym RNA-polymerase; het gevormde RNA wordt transcript genoemd.
Men onderscheidt de volgende typen RNA:
*messenger-RNA (mRNA); boodschapper-RNA bevat de informatie voor de volgorde
van de aminozuren in het te vormen eiwit;
*ribosomaal-RNA (rRNA); rRNA vormt, samen mete eiwitten, de ribosomen. De
ribosomen zijn betrokken bij de eiwitsynthese;
*transfer-RNA (tRNA); dit transport-RNA zorgt voor de overdracht van de
aminozuren naar de plaats waar de eiwitsynthese plaatsvindt;
*small nuclear RNA (snRNA); dit zijn korte RNA-ketens in de cel kernen van
eukaryoten. Het snRNA vormt samen met eiwitten de ribonuelcoproteÔnen (RNP);
Deze worden ook wel aangeduid als'snurps': small nuclear ribonueleoproteins
(snRNP);
*small cytosolie RNA (scRNA); dit ongeveer 300 nucleotiden lange molecuul
zorgt er voor samen met enkele eiwitmoleculen, dat de eiwitsynthese op het
ER (endoplasmatisch reticulum) in het cytosol kan plaatsvinden; deze
ribonueleoproteÔnen worden ook wel 'scurps' genoemd:
*small cytosolle ribonucieoproteins (scRNP). Bepaalde RNA-moleculen, bijv.
die van retrovirussen, kunnen als matrijs dienen om DNA te synthetiseren;
dit proces wordt omgekeerde transcriptie (reverse transcription) genoemd;
het kan uitsluitend plaatsvinden met behulp van het enzym
reverseltranscriptase.


RNase L
----------
ribonuclease L


Ryanodine receptors
---------------------
Ryanodine: Een drug dat de vrijlating van calsium blokkeerd van het
spierplasmatrisch netwerk (Een netwerk van membramen in het celplasma van de
striated {? dwarsgestreept} spier)
Receptors: ontvangers


spumavirus:
-------------
????


Tetramers
-----------
in vier delen


T lymphocytes:
---------------
(T van thymus), evenals de B-cellen afkomstig uit de lymfoÔde stamcellen in
het beenmerg; ze hebben door invloed van de thymus een rijpingsproces
ondergaan waardoor ze 'thymys-afhankelijk' worden genoemd; de T-cellen
verzorgen vnl. de cellulaire immunoreactie; T4-cellen, syn. CD4-lymfocyten,
T-helper cells die zorgen voor de uitrijping van B- lymfocyten tot
plasmacellen; T6-cellen, specifieke markers voor Langerhanscellen in de
huis, T6-cellen komen gedruende de graspollensezoen ook voor in het
neusslijmvlies en zijn dan waarschijnlijk mede verantwoordelijk voor het
allergische mechanisme; T8-cellen, syn CD8-lymfocyten, T-spupressorcellen;
ze onderdrukken de rijping van B-lymfocyten tot plamsacellen; z.o.
immunoreactie, helper cells, suppressorcellen


T-helpercel
------------
waaronder TH1 en TH2 - antigeen-specifieke T-cellen die bepaalde antigenen
herkennen en zonder welke interactie met macrofagen en B-cellen deze laatste
niet in staat zijn tot produktie van antistoffen; zij beperken aldus de
immunorespons; bepaalde helpercellen, nl de T4-helpercellen worden door HIV
afgebroken, zodat dit leidt tot een sterke immunodeficiŽntie, bekend als de
ziekte AIDS: tgst suppressorcellen; z.o. lymfocyt, plasmacel, interleukinen,
T-cellen


TH1:
-----
zelfstandig onderdeel van een afbakende reeks van helper-inducer
T-lymfocyten welke de interleukin-2, gamma-interferon en interleukin-12
verbind en afscheid. Als gevolg van hun bekwaamheid om de aanwezige
antigenen cellen te doden en hun lymphokine -indirecte werkzaamheid, kunnen
th1 cels met uitgestelde vitale type hypersensitieve reacties omgaan


TH2:
-----
Zelfstandig onderdeel van een afbakende reeks van helper-inducer
T-lymfocyten welke de interleukins il-4, il-5, il-6, and il-10 verbind en
afscheid. Deze cytokines beÔnvloeden zowel de B-cell ontwikkeling en
antibody productie als het doen toenemen van de humorale afweer (met
betrekking tot lichaamsvochten)


Type I diabetes
----------------
suikerziekte - Type1: insuline afhankelijke IDDM (vaak auto-immunologisch
bepaald)


Thyriod
--------
Schildklier


Trimmers
----------
Driedelig


2'5'-OAS
-----------
= de 2'-5' oligoadenylate synthetase


oligodendrocyte cytotoxicity
-----------------------------
cellen van de oligodendroglia met weinig uitlopers bepaalde kleine
gliacellen in het centrale zenuwstelsel die myeline vormen
cytotoxicity = cytotoxinen: stoffen met een speciale toxiteit voor bepaalde
cellen bijvoorbeeld influenzavirus voor het epitheel van de luchtwegen
waardoor dit necrotisch wordt, 'hepatotoxinen' voor levercellen,
'neurotoxinen' voor zenuwcellen enz